By karelriemelneel | October 17, 2013 - 6:22 pm - Posted in Duimzuigerij, English, Nederlands, Uit het dagboek van een programmeur

Programmeurs die, al dan niet actief in strings en andere integere rommel, de dag vullen met het doorgronden van code die door anderen is geschreven zullen dit herkennen: een warboel van code zonder toelichtend commentaar is de nachtmerrie waar je voor je vak niet aan wilt. Helaas is het voor vele van hen een bittere realiteit. Want wanneer programmeurs hun programma’s schrijven dan willen ze meestal gewoon dat het werkt en willen ze niet bezig hoeven zijn met voor iedere regel code die ze schrijven commentaar te moeten uitwerken (uitgezonderd hen die per regel code betaald krijgen natuurlijk).

De ijverige programmeur, die onderstaande commentaar bij zijn programma heeft geplaatst heeft daar wellicht anders over gedacht. Dit fragment kreeg ik vandaag door een collega van mij op een verloren momentje (voor de baas) doorgestuurd. Ik hou inderdaad wel van dit soort vermakelijke ‘agressie epistels’ die zwaarmoedige programmeurs vol geestdrift oppennen vaak onbewust van het feit dat er geen hond is die deze informatie, doorgaans, ooit tot zich zal nemen. Om vervolgens te ontdekken dat het op het web wemelt van de fora waar al even zotte programmeurs hun verloren tijd kolderiek zinnig proberen te maken met het naar elkaar uitwisselen van deze onnozele ‘codecrap’.

// At this point, I’d like to take a moment to speak to you about the Adobe PSD
// format. PSD is not a good format. PSD is not even a bad format. Calling it
// such would be an insult to other bad formats, such as PCX or JPEG. No, PSD
// is an abysmal format. Having worked on this code for several weeks now, my
// hate for PSD has grown to a raging fire that burns with the fierce passion
// of a million suns.
//
// If there are two different ways of doing something, PSD will do both, in
// different places. It will then make up three more ways no sane human would
// think of, and do those too. PSD makes inconsistency an art form. Why, for
// instance, did it suddenly decide that *these* particular chunks should be
// aligned to four bytes, and that this alignement should *not* be included in
// the size? Other chunks in other places are either unaligned, or aligned with
// the alignment included in the size. Here, though, it is not included. Either
// one of these three behaviours would be fine. A sane format would pick one.
// PSD, of course, uses all three, and more.
//
// Trying to get data out of a PSD file is like trying to find something in the
// attic of your eccentric old uncle who died in a freak freshwater shark
// attack on his 58th birthday. That last detail may not be important for the
// purposes of the simile, but at this point I am spending a lot of time
// imagining amusing fates for the people responsible for this Rube Goldberg of
// a file format.
//
// Earlier, I tried to get a hold of the latest specs for the PSD file format.
// To do this, I had to apply to them for permission to apply to them to have
// them consider sending me this sacred tome. This would have involved faxing
// them a copy of some document or other, probably signed in blood. I can only
// imagine that they make this process so difficult because they are intensely
// ashamed of having created this abomination. I was naturally not gullible
// enough to go through with this procedure, but if I had done so, I would have
// printed out every single page of the spec, and set them all on fire. Were it
// within my power, I would gather every single copy of those specs, and launch
// them on a spaceship directly into the sun.
//
// PSD is not my favourite file format.

By Gijs | October 13, 2013 - 4:49 pm - Posted in Duimzuigerij, Nederlands, Scherpe Blik

Heeft u dat ook wel eens? Sta je bij de kassa in de supermarkt, ben je nog lang niet klaar met alles in je tas te doen en dan zegt de caissière:
“Dat is dan 24,95 alstublieft”
Wat doe je dan? Ga je dan eerst afrekenen om vervolgens degene na jou in de weg te staan met jouw inpakwerk of ga je stug door met inpakken tot je klaar bent en dan afrekenen waarbij iedereen weer na je kijkt van ‘Wat een eikel. Kan ie niet eerst effe betalen dan gaat alles veel sneller’ (terwijl het echt niet zo is)?
Ik heb er het volgende op verzonnen: vertragingsbananen. Uitleg: je moet ze wegen en je krijgt een bonnetje dat je er zelf op moet plakken. Als je hem maar krom genoeg plakt kan de scanner hem niet lezen en dan moet de caissière het nummer handmatig invoeren. Dit geeft jou tijd om je boodschappen in te pakken.
NB: dit kun je met andere artikelen ook doen en als je veel boodschappen hebt doe je er mee waarbij je ze verdeelt over de totale hoeveelheid.
Vanmiddag vroeg de caissière aan mij:
“Meneer, kunt u zeggen wat dat is?”
Mijn antwoord: “Rode kool.”
Zij: “Oh, is dat nu rode kool? Ja sorry hoor, ik lust geen rode kool dus ik heb het ook nog nooit gezien.”
Ik wist niet goed wat ik hier nu van moest denken. Het is een beetje dom, maar ook wel weer schattig.
Ik ga volgende keer artisjokken halen. Eens kijken of ze die kent.

By tinusicket | October 7, 2013 - 8:34 am - Posted in Duimzuigerij, Mabuhay, Nederlands, Retourtje naar hier en terug

image by thehenk, edited by Gsorsnoi

Voor het vertrek naar de werkgevers heden ochtend legde mijn echtgenote Jenny mij nog een vraag over haar kleding voor. Mijn vrouw wil er graag verzorgd uitzien, zodat ieder detail, hoe minutieus ook, onverdeelde aandacht behoeft. Menig man zal deze situatie herkennen en wordt hier zelfs misschien wel dagelijks door zijn eega mee geconfronteerd. Een precaire zaak dus, waar zorgvuldig met het te geven antwoord moet worden omgesprongen. Gelukkig laat ik mij door dit soort vragen niet verrassen en ben ik altijd met mijn ongezouten mening hierop voorbereid, hetgeen door haar wordt gewaardeerd.
Er moet worden aangetekend dat mijn vrouw Filippijnse van afkomst is, inmiddels prima Nederlands spreekt, maar toch af en toe met de uitspraak van bepaalde woorden en grammatica nog wat worstelt. En ik moet haar beslist nageven, sinds ze in Nederland is, schroomt ze niet om, bij twijfel aan het juiste zins- of woordgebruik, het gewoon te proberen. Angst om iets verkeerds uit te spreken komt niet bij haar op. Deze kranige instelling rondom het taalgebruik leverde vanmorgen daarom dan ook weer een allerschattigste verspreking op.
Terwijl ik nog wat voorbereidingen trof om kort daarop onze jongste dochter uit haar bedje te halen, had Jenny zich al in haar jas gehesen om spoedig naar haar werk te vertrekken. Tas en alles was ingepakt of in gereedheid gebracht om na een zoentje elkaar een fijne dag te wensen. Het enige wat ze wel nog even wilde weten was of ze voor de dag er wel presentabel genoeg uit zag. Want tja, die zilver- met zalmkleurige instappers van Louise Vuitton… zou dat wel gaan bij die nette donkere pantalon?
“Schat,” begon ze, toen ze zelf de conclusie al had getrokken dat de schoenen vloekten, “ik denk ik heb nieuwe vrije loop-, euh… vrije-… hoe noem je dat? Vrij lopende…?”
Nog niet helemaal ingeschakeld keek ik van mijn ontbijtje en andere handelingen op en repeteerde niet-begrijpend een deel van de vraag:
“Vrije-…schoen? Huh?”
Totdat ze ten slotte zelf probeerde:
“Vrije uitloopschoenen?”
Op dat moment moesten we allebei lachen. Terwijl bij Jenny het schaamrood inmiddels op de kaken verscheen, zag ik mijn ‘kippetje’ al voor me en moest ik hierbij onwillekeurig aan gelaarsd pluimvee denken dat, bij het leiden van een gelukzalig leven, ons reeds van ons dagelijks ontbijt aan het voorzien was. Het was maar goed dat Jenny mijn scharrel niet is, anders zou je er nog andere gedachten aan kunnen linken. Gelukkig moest ze er zelf ook hard om lachen, maar drong wel bij mij aan om haar eindelijk te verlossen met de juiste term:
“Vrijetijdsschoenen zul je wel bedoelen, schat, of niet?”

Heerlijk vind ik dat soort versprekingen altijd. En, clown van het huis dat ik ben, voer ik het ongemak vaak nog even ietsjes op tot net onder de grens dat het irritant begint te worden.
Laatst moest ik ook zo lachen toen ze mij per e-mail een vraag stelde, omdat we een klusjesman in huis hadden voor een verbouwing, of we nog ergens nieuwe ‘stofzuiker tasjes’ hadden. Haha, prachtig! Om over de ‘stoelpadden’ nog maar niet te spreken. Meestal als ze dit soort fantastische uitspraken maakt, plaag ik haar dat ze weer ‘Jenny-taal’ gebruikt, waar ze dan toch vaak weer iets minder om kan lachen…

By tinusicket | October 1, 2013 - 3:02 am - Posted in Duimzuigerij, Nederlands

image by craft, edited by Gsorsnoi

Logica. Als het aan iets ontbreekt is het dat nu wel. Er zijn soms woorden die zich in rust aan mij opdringen en een uur of twee bij mij blijven. Flarden inspiratie wellicht, maar wel erg prominent aanwezig. Vruchteloos tracht ik het te negeren en draai mij nog eens om. Een volgevreten gevoel houdt huis in mijn lijf en links in mijn dikke darm zit een baksteen. Het is typerend voor mijn ziekte. Losgewoeld ben ik, uit mijn slaap. Ik kronkel in mijn nest. Met geen besef van tijd vermoed ik dat het een uur of drie moet zijn. Zo oud is de nacht alleen nog niet. De avond ervoor ben ik de Man met de Hamer tegengekomen. De lul. Negen uur had hij mij reeds mijn bed in geschopt, gewoon omdat ik het nodig had, blijkbaar. Maar hier lig ik nu, veel te vroeg ontwaakt en met een nare sensatie in mijn onderlijf. God, ik lijk wel twee meter lang. Mijn middel zit zo laag. In trance nog van een droom tracht ik het van mij af te zetten, maar hier begint het juist. Allang bekend inmiddels hoe laat het is vervloekt reeds hetgeen nu gebeuren gaat. Geen pijn, gelukkig niet, nog niet. Al weet ik dat dat ook komen gaat. Wel het gevoel van onrust, het niet meer kunnen vatten van de slaap en een opkomende zweem van koorts. Woelen doe ik, nog eens. Naast het hoofdeind sper ik mijn ogen wijd open en staar ik binnensmonds vloekend naar mijn nachtkastje. Zien doe ik alleen niets, want ik ben volkomen nachtblind. Of toch; knipperend als de ruis op een verkeerd afgestelde frequentie van een CRT beeldscherm begin ik langzaam de contouren van ons aflopend dak te ontwaren. Mijn gedachten verplaatsen zich weer naar mijn darmen. Ik voel me niet goed. In mijn schedel teken ik de map uit waar het begint te zeuren. Daar draait het nu ook. Rondom de plaats waar eerder in mijn bovenkaak eens een verstandskies heeft gezeten bouwt zich langzaam een pijn op die zich moeilijk laat definiëren. Het spookt er. Kiespijn is het niet, maar zo voelt het wel, vergelijkbaar met de vreemde krachten die zich nu naar lager in mijn lijf verplaatsen. Steunend als een fabriek in een verborgen onderaardse stad produceren mijn darmen gassen die zich moeizaam door mijn gestel verplaatsen en de opstopping alleen nog maar groter maken. In een martelgang probeer ik mij tegen deze processen te verzetten door een andere positie aan te nemen, maar niets helpt. Ik draai, ik woel en ik zucht, tot mijn vrouw, die veel later dan ik het bed in is gegaan, er wakker van wordt en mij vraagt:
“Wat is er schat?”
Het antwoord reeds kennende wrijft ze zorgzaam over mijn bovenlijf en ik ben al dankbaar dat ze dat niet lager heeft gedaan. Daar, lager, neemt de druk verder toe en manifesteert zich een pijn waar geen beschrijving tegenop kan. Ten einde raad maak ik aanstalten het bed te verlaten en na veel aarzeling doe ik dat ook. Liever had ik blijven liggen, wachtend tot het over was en gehoopt zo weer in slaap te vallen.
Ik sta op en denk aan mieren. Kleine wezens die zich verplaatsen door mijn schedel. Krioelend door mijn hoofd van mijn bovenkaak tot naar mijn oorschelp. Steun zoekend aan de rand van het bed en de muren van onze zolderkamer baan ik mij een weg naar mijn bureau, dat naast ons bed staat. Ik vind er de bureaustoel die altijd zo prettig zit en plaats er ferm twee handen op de leuning neer. Kotsen wil ik. Maar ik weet dat ik dat niet kan. Het licht is nog uit en in mijn geval, met mijn nachtblindheid, betekent dat aardedonker zonder enige tastbare diepte. Op de tast verplaats ik mij daarom naar de vensterbank van onze dakkapel en buig ik er mijn hoofd naar de holte van mijn arm. Pijn. Helse pijn. Eén die woedt door mijn lichaam als een opstekende storm. Dit is waar mijn evenwichtsorgaan het moeilijk begint te krijgen, maar ik houdt mij steeds staande. Sterker nog, na enig moment besluit ik mij weer naar een andere plaats op onze zolder te begeven, maar grijp in het voorbijgaan wel een zaklamp mee. Nu zo net na een verbouwing ontbreekt het nog aan een vaste lichtbron aan één zijde van onze zolder waar zich ook het nieuwe trappengat bevindt. Ik zwalk er naar toe, maar ben wel zo verstandig eerst mijn draagbare lichtbron aan te knippen. Een straal gelig doch in mijn eigen beleving kleurloos licht stelt mij nu enigszins in staat om überhaupt nog iets te zien.
Mijn wereld draait weer. Ik aanschouw de traptreden in het afdalen alsof het een schaars verlichte mijngang is waar wat stof door dwarrelt. Achter me en boven mij hoor ik het geluid van de branding. Het schuivende, bijna mechanische aanzwellen van water beweegt zich ritmisch achter mij aan. En ik voel weer pijn. Mieren hebben plaats gemaakt voor meeuwen, de vliegende ratten. Ik hoor ze op de achtergrond, alsof ze achter de golven aan vliegen en een onmisbaar geheel vormen, samen met de branding. Klotsen. Klotsen doet ook mijn hoofd en ik zie mijn wereld in de lichtbundel die zich voor mij uit verplaatst wegdraaien. Zwalkend daal ik over de traptreden naar onze eerste etage. Ik dreun tegen de muur opzij van mij en rol mijn ogen weg alsof ik stomdronken ben. Eén wijntje slechts. Ik heb het gisteren netjes gehouden. Alleen wie weet wat één wijntje in een toestand als deze met een mens doen kan.
De verdere afdaling naar de woonkamer gaat alleszins redelijk, wat oriëntatie en richtinggevoel betreft. Onderweg heb ik reeds Ibuprofen gescoord en, omdat ik geen zin heb in een tandpastasmaak, beweeg ik mij naar de keuken voor een schoon glas. Eenmaal gevonden ben ik nog altijd in gevecht met de zwerend pijn in mijn darmstreek en klok ik het water achter mijn pil aan naar binnen. Zweven doe ik, door de keuken terug naar de woonkamer. En daar gaat het helemaal fout. Ik tol op mijn benen en aanschouw hoe de woonkamer zich omvormt tot de ingewanden van een schip. Meubels transformeren tot zoals die je vroeger aantrof op houten zeilschepen en het parket onder mij verweert en kantelt zich. Ik ook. Door het deinen van de zee onder mij, verlies ik mijn evenwicht en beleef ik hoe onze inboedel aan mij voorbij schuift. Met het laatste restje gevoel voor realiteit weet ik te voorkomen dat ik onze tv-meubel omver trek en kies er liever voor zelf midden op de woonkamer neer te knallen. Of dat pijn heeft gedaan weet ik al niet meer. Ondertussen ben ik namelijk al aan de beklimming terug naar onze cabine begonnen en terwijl ik dat doe zie ik langzaam hoe ons huis zich van een schijnbaar schip zich terug omvormt naar de eigenlijke vormgeving. Alleen lijkt het interieur nog geen vaste plaats hervonden te hebben. Of ben ik dat zelf?
Worstelend met de grip op de werkelijkheid en de krampen in mijn buik, zoek ik mij een weg terug naar boven. Op de achtergrond komt de branding terug en het ritmische geschuif van zeewater. Rustgevend is het echter allerminst en met het gejank van de meeuwen als toppunt van irritatie bouwen de klanken zich langzaam op tot een nerveuze kakofonie. Woedend als een orkaan gaan de steken van pijn impressionistisch in mijn darmstreek tekeer waardoor ik al bijna stuiterend en wanhopig terug naar mijn tweemeterbak toe vlieg.
Hoewel dankbaar dat ik dat heb gehaald, geraak ik er nu echt in gevecht met mijzelf. Koude rillingen trekken zich vanaf mijn stuitje langs mijn ruggengraat omhoog en pijn maakt in de rest van mijn lijf de dienst uit. Liefdevol vleit gepolijst ivoor zich naast mij neer en dekt mijn vrouw mij zo de warmte toe waar ik juist zo behoeftig om ben. Ik dank haar voor de goede zorg en nestel mij iets dichter tegen haar aan. Toch dringen zich juist nu de tranen aan mij op, terwijl op de achtergrond ‘Het Geluid van de Branding’ door de babyfoon duidelijk maakt dat onze dochter rustig slaapt. De pijn ebt nu wel weg, maar in feite voel ik mij doodongelukkig.
Ik woel en schok en jank nog wat.
Verlangend naar een teug met zuivere zuurstof zuig ik nu mijn longen vol vers gebrouwen kattenstront en vat ik eindelijk de slaap.

By wilburteerman | September 19, 2013 - 9:20 pm - Posted in Alweerwolven, Duimzuigerij, Nederlands

Lekker bijdehand: loop ik deze avond voordat de koopavond van de buurtsuper eindigt nog even naar de winkel op en neer, word ik onderweg naar huis gesneden door een patrouillewagen en aangehouden. Oom agent leunt uit z’n portier en spreekt mij aan. Ikzelf sta er ietwat bezopen bij; mijn pantalon zeiknat, capuchon over mijn knar en trakteer ze daarbij op een geïrriteerde blik.
“Goedenavond meneer, weet u dat het niet is toegestaan om beschonken de straat op te gaan?”
Nee hè, dacht ik. Waarom moeten ze uitgerekend vandaag mij hebben? Er zat mij al zoveel tegen en nu dit weer. Het moet de twee dienstkloppers zijn opgevallen dat ik op hoge poten naar huis liep terwijl ik in mijn hand op dreigende wijze een fles vast hou. Daarom laat ik ze de fles zien en vraag de agent die mijn aansprak indringend:
“U maakt zeker een grapje?”
Hij kijkt naar het etiket op de witte fles en leest er wat de werkelijke inhoud is ‘Shout’ (vlekkenoplosser). Beide heren lachen en kijken mij daarop met veel aangenamere aangezichten aan.
“Excuus mijnheer. Het spijt ons dat wij u in dit natte weer gestoord hebben.”
Er wordt mij nog een goede avond gewenst en ik mag mijn weg vervolgen. Nog steeds baal ik ervan dat ik een tandpastavlek heb op mijn inmiddels natgeregende pantalon en er in de stromende regen op uit moest om mijn broek te redden, maar het leed is reeds verzacht door dit bezopen misverstand.

By wilburteerman | September 18, 2013 - 5:11 am - Posted in Alweerwolven, Duimzuigerij, Nederlands

Opgelet! Vandaag wordt het een natte dag en hebben we te maken met een afwisseling van zon en stapelwolken. Verhoogde alertheid is daarom vereist wanneer u vandaag de deur uit moet. Regenschermen, capuchons of regenponcho’s, deze maatregelen zijn werkelijk onontbeerlijk op een dag als deze. Vooral het noorden van het land krijgt het extra zwaar doordat hier in de vroege ochtend al enkele buien kunnen ontstaan, die van miezeren kunnen uitgroeien tot een continue stroom van neerslagwater. Overal zal het nat worden. Geen parkbankje blijft hierbij gespaard. Onschuldige druppeltjes groeien uit tot serieus plenswater. Voordat je het weet zwellen de eerste natte plekken op tot heuse waterplassen!

Later in de ochtend en in de middag grijpen de buien als een gevreesd virus in rap tempo om zich heen en zal het hemelwater eveneens landinwaarts met razende snelheid naar beneden komen. Bij een schamele middagtemperatuur van zo rond de 14 graden en een woeste west- tot zuidwestenwind wind, kracht 3 à 4, is het dus wel echt oppassen geblazen! Een koutje is zo gevat. Met name aan de kust en op het IJsselmeer moet u helemaal wel uitkijken; een matige wind met een kracht van 5 tot 6 is er beslist geen uitzondering.

Inmiddels staan ze bij de Nederlandse Spoorwegen met samengeknepen billen de railsen al te bestuderen. Angstvallig worden er trajecten bewaakt en staat zelfs de pers in de startblokken om meteen te kunnen acteren, wanneer het eerste blaadje uit de bomen dreigt neer te dalen. Treinreizend Nederland heeft nu al slapeloze nachten over de aankomende vertragingen. De NS bereidt zich alweer voor op de Dag des Oordeels.

In de nacht naar morgen is het helemaal raak; vooral in de kustgebieden komen er nog buien voor, enkele ervan gaan gepaard met onweer. Hoog tijd dus om de zandzakken op te werpen en de kachel thuis hoog op te stoken. Survival-kits kunnen van zolder worden gehaald, want beste landgenoten, morgen komt het kwik niet hoger uit dan 12 graden en regent het opnieuw… neerslagwater!

By kornelisoflook | August 9, 2013 - 11:58 am - Posted in Nederlands, Scherpe Blik

Komt een oude man met stoppelbaard en ietwat onverzorgd uiterlijk met een zuinige sigaar op z’n lippen ons bedrijf binnen lopen en vraagt:

“Meneer, zou u mij kunnen helpen? Ik krijg mijn gulp niet dicht.”

De man houdt beverig twee vuisten bij zijn broek in een poging deze nog om zijn heupen te houden en sjokt de bedrijfsvloer op. Een collega van mij verwelkomt de man joviaal en zegt begripvol:
“Natuurlijk meneer.” Vol verwondering kijkt hij van de man naar zijn kruis en beoordeeld de beschreven situatie. “Nee, helaas. Dat zal mij ook niet lukken. Uw broek is te klein meneer.”
Ietwat beteuterd aanschouwt de oude man het zaakje en blijft even stil.
“Ik kan beslist niet zeggen dat u dik bent meneer,” de man was buitengewoon mager “maar ik denk dat er niets anders op zit dan dat u toch een andere broek zal moeten kopen.”
Twijfelend doch instemmend mompelt de man iets wat op een ‘ja’ lijkt en blijft wat besluiteloos bij ons hangen. Uiteindelijk weet mijn collega hem toch te overtuigen dat wij hem niet kunnen helpen waarop hij met aarzelende tred vertrekt.

By rinaoddel | July 30, 2013 - 2:22 pm - Posted in Duimzuigerij, Gevleugelde Uitspraken, Nederlands, Verbaal Genot

Volledige uitspraak: “Dus nu liggen we toch enigszins op schema om achter te gaan liggen.”

Uitgesproken door: Vincent

Datum: dinsdag 30 juli 2013

By rinaoddel | July 24, 2013 - 1:08 pm - Posted in Gevleugelde Uitspraken, Nederlands, Scherpe Blik, Verbaal Genot

Meer dan eens is het Suske en Wiske stripfiguur Lambik in zijn onnozele intelligentie een inspiratiebron voor mij geweest om zo te komen tot eigen bijzondere en soms ietwat merkwaardige woordspelingen. Dat bleek maar weer toen ik vandaag album 207, de Glanzende Gletsjer, aan het lezen was. Daarin kwam in de aanloop naar het avontuur een ‘beeldschone jonge vrouw’ ter sprake die dadelijk de interesse had van zowel Lambik als Jerom. En zodra beide informeerden naar de leeftijd van deze dame en als antwoord kregen dat ze achter in de twintig was, fluisterde Lambik aan Jerom het volgende toe:
“Als ze van achter in de twintig is, is ze dat van voren ook.”

Briljant!

Later in het verhaal blijkt deze beeldschone nota bene Poeska te heten. Hoe verzinnen ze het?

Het zomerse weer zoals we dat onlangs hebben gehad is echt niet goed voor een mens. Je krijgt er een zonnesteek van, omdat we altijd wat te klagen moeten hebben is het nu ineens te warm en vrouwen raken al helemaal van slag; sommige van hen waren op deze dag zelfs gewoon vergeten hun kleren aan te doen naar het werk. Of althans zo leek het. De voorspellingen vooraf al waren tropisch. Van Peter Timofeeff tot en met Piet Paulusma, ze waren het er allen over eens: landelijke hitterecords stonden op het punt te sneuvelen doordat het in het oosten wel 37 graden zou gaan worden. Het zou om een prestatie gaan, hier in ons koude kikkerlandje nog nooit vertoond. Nou, in het Verre Oosten wellicht, maar niet hier. Zelfs in de Achterhoek waar de temperatuur op die dag het hoogst zou uitkomen, bleef het kwik toch net steken. Vroeg intredende bewolking kreeg er alle schuld van, zo bleek later. Maar als je het mij vraagt, zijn de Nederlandse thermometers gewoon niet gebouwd op zulke hoge waarden.
Hoe het ook zij, ik zou die loeiwarm bedoelde dag in ieder geval vooral willen typeren als ééntje die ìk niet snel zal vergeten. Rond het middaguur, toen die koperen plaat daarboven in het hemelruim op z’n felst moest zijn geweest, drong ook hier aan de kust de brandende hitte door en verwelkomde heel Haarlem dit met een allerzwoelst hart. Zomerse kleuren, blote torso’s, eindeloos lange damesbenen, ultra korte rokjes en dito strakke shorts, iedereen die je op straat tegen kwam had de zomer in z’n bol. En gaf ze eens ongelijk. Het was ook eigenlijk best lekker. Zelf trok ik er in mijn pauze daarom dus ook op uit om al dat wonderschoons maar eens van dichtbij te kunnen bekijken. Het strand is vanaf mijn werk te ver weg, maar op de winkelstraten van de hoofdstad van Noord-Holland was het evengoed druk bepakt met deze tropische typetjes. Gewapend met mijn beste looks, stapte ik uit het grachtenpand weg en ging ik op jacht. Goed geluimd had ik mijzelf zo goed mogelijk voorbereid op wat komen ging en aangezien het nou eenmaal niet wordt gewaardeerd dat ik met een korte broek op het werk verschijn, had ik mij eerder die dag zo luchtig mogelijk gekleed als ik voor mijn werk acceptabel achtte. Ik droeg een witte pantalon, op z’n plaats gehouden door een lichtbruine leren riem met daarboven een vrolijk doch net overhemd met korte mouwtjes. Fris en fruitig was ik de dag begonnen, gedoucht, geknipt en geschoren. Mijn voeten had ik in door velen als ‘pooierslippers’ versleten herenschoenen gestoken en bij me had ik een knappe zonnebril om het gehalte ‘cool’ nog wat extra mee op te vijzelen. Mij zou je niet kunnen betrappen op een slechte voorbereiding.
Vol goede moed stiefelde ik met ferme schreden op de gallerijen af en schoof ik bij het verlaten van de Nieuwe Gracht mijn zonnebril op de stand ‘onweerstaanbaar’. Ik keurde mezelf in het voorbijgaan vooraf nog eventjes in de glas-in-lood spiegeling van de eerste slagerij van de Kruisstraat en draaide mij vervolgens tevreden om naar al het moois dat op mij af kwam. Dikke rijen stonden er aan de vijf kassa’s die de Albert Heijn telde, toen ik er een blik naar binnen wierp en daarbij moest uitkijken dat het passeren van enkele meiden die daar vlak voor hun fietsen op slot zetten niet te intiem werd. Uitdagend drongen hun billen zich aan mij op toen zij voorover bogen om bij de sloten te kunnen, maar ik kon mij beheersen ze niet in de achterwerken te knijpen en trad verder in de richting van de Grote Markt. Na het doorsteken van de kruising met de Nassaustraat en de Nieuwe Kruisstraat duurt het dan meestal niet lang voordat ik de straat oversteek naar de andere zijde van de winkelstraat, omdat ik daar naar mijn gevoel wat rustiger loop, er meer te zien valt en ik zo rechter op de Barteljorisstraat af kan lopen. En dan juist voordat ik daar de voorzijde van de HEMA bereikte, overkwam mij iets wat voor mij nou niet bepaald dagelijkse kost is. Ik mag een grote mond hebben en graag opscheppen over hoe gemakkelijk ik het oogcontact met het andere geslacht weet te leggen, maar in feite ben ik gewoon een brave getrouwde huisvader die het met de zuinige ‘blikken waardig’ moet doen die vrouwen mij soms schenken. In mijn vrijgezellentijd gebeurde het veel vaker, maar sinds ik een ring draag en ik met gel het eerste piekende grijs moet maskeren, kost het mij simpelweg meer moeite om bij de dames nog op de radar te verschijnen. Nodig is het allemaal niet, maar voor je zelfvertrouwen kan het soms een aardige boost geven.
Het waren die met mascara aangezette krullende wimpers die de perfecte omlijsting vormden van de oogverblindende diepbruine kijkers waarmee de brunette mij strak aankeek. Onbeschroomd stapte ze in tegenovergestelde richting met vederlichte passen aan mij voorbij en ze zou mij niet eens zijn opgevallen als ze haar ogen niet als ontsluitende bloesems van waterlelies aan mij had gepresenteerd. Dit vluchtige ogenblik werd gevangen in een slow-motion die de regisseur van de tijd en ruimte voor de gelegenheid besloot in te zetten en gunde mij alle gelegenheid om deze wonderlijke verschijningen minutieus te kunnen bestuderen. Ik kon ook niet anders, want de integere opslag waarmee ze mij gevangen hield was meer dan waar menig proefhoudend man tegen bestand is. Donkerbruine lokken die reikten tot even onder haar schouders en daar vol kracht verend op dansten, een gemiddeld volle boezem die hoogst vrouwelijk in het jasje met bloemetjesmotief vooruit staken, een zandloperfiguurtje waar duidelijk in geïnvesteerd werd – al was het maar door zich er naar te kleden – en een innemende glimlach op een jong aangezicht dat nog mijlen ver lag van anti-verouderingsproducten, al met al verzorgde het dat mijn adem heel even in mijn keel stokte. In dat moment besloten zal het allemaal wel meer sprookjesachtig hebben aangedaan dan normaal het geval zal zijn gewest, maar zonder meer was deze jongedame er één die een man sneller zal zijn opgevallen dan ieder ander prachtige plaat. Afstandelijk zoals het een gehuwd vent als ik betaamd, toch hoogst geïnteresseerd, keek ik de jonge vrouw nadat ze voorbij gelopen was nog even na. De kans om haar ronde vormen nog aan een diepere studie te onderwerpen kreeg ik niet, want – voor mij geheel onverwacht – nog even beminnelijk als daarvoor staarde ook zij mij in het voorbijgaan nog aan. Met speels gemak trok ze al mijn aandacht weer terug van haar billen naar boven, waar die plezierige pretoogjes mij haast verliefd aankeken. En als dit al niet een reactie was die tegen mijn stoutste verwachtingen in ging, draaide ze nog even meisjesachtig en dartelend om haar as zodat ze blijk gaf dat ook zij van de aandacht genoot.
Op mijn netvlies bleef die laatste indruk nog lang hangen: een vrolijk lachende griet die, ik kan er niets anders van maken, overduidelijk met mij aan het flirten was. Om mezelf ervan te overtuigen dat dit echt was en het serieus om mij ging, keek ik zelfs nog even om mij heen om te zien of hier nog andere Brad Pitts rondliepen. Maar gelukkig, ze had echt naar mij gekeken.
Zo plotseling als dit openlijk geflikflooi zich voor mijn ogen voltrok zo ongemerkt vlug verdween de roze wolk ook weer, als was het een droombeeld dat eigenlijk te vluchtig en te bekoorlijk was om überhaupt te kunnen bestaan. Al met al had het op mij in elk geval een uiterst katalyserende werking voor mijn toch al uitgelaten humeur. En het zal ook vast geholpen hebben dat ikzelf voortdurend rondliep met een big-smile alsof ik de loterij gewonnen had. Zo trek je nou eenmaal sneller gezichten naar je toe. Na dit bijzondere oogcontact kon mijn dag gewoonweg niet meer stuk en had ik vleugels gekregen, joh, ik zou zo zonder één trap te hoeven te gebruiken de vieringtoren van de Sint Bavo-kerk kunnen bestijgen. Het geheel van alle hartverwarmende belevenissen die zich in die luttele paar seconden zo voor de HEMA afspeelden en de energie die het mij daarna gaf, vormden de perfecte ingrediënten voor de stompzinnige absurdheid die mij kort daarna nog treffen zou. De lieftallige jongedame, zoals ze zojuist in al haar frivoliteit aan mij voorbij trok, had er geen benul van wat ze me werkelijk had aangedaan. Mijn gehele wapenuitrusting op verdachte zaken, waar je je hier in Haarlem toch bewust van moet zijn, had ze vakkundig van mij losgetrokken. Haarlem, moet je weten, is namelijk een stad waar je, los van de duizend in een dozijn inwoners, werklui en dagjesmensen, voortdurend bedacht moet zijn op straatverkopers en dorpsgekken. Het zou hier niet voor het eerst zijn dat je je zakken moet checken of er geen gladde handen in zijn verdwenen om je van je beurs te beroven of het is die als onschuldige grijsaard verklede draaiorgeldraaier op de Grote Houtstraat wel die met z’n centenbakje je zuurverdiende daalders uit je platvink schudt (valt je op hoe stiekem het woord ‘geld’ in zijn functie is verstopt?). Ja, in deze stad valt altijd wel iets te beleven. En voor straatverkopers maakt het echt niet uit welke dag van de week het is. Ik kan iedere dag wel met een nieuw gratis dagblad naar huis, is overstappen op ogenschijnlijk nòg voordeligere energieaanbieders iedere dag een mogelijkheid en blijf je elke dag opnieuw geconfronteerd worden met hoe weinig eten de kinderen in Afrika hebben. Dat ene gesprek met die wulpse Oxxio-verkoopster (amper 18 jaar als je mij vraagt) van alweer een paar maanden geleden, heb ik zelfs nog helder voor geest. Het was die ene vraag die ik knipogend kreeg aangeboden die het ’em deed:
“Ha, jongeman, woon jij nog op jezelf?”
Ze was zelf godsamme net uit de luiers!
Vaak zijn het hele gemene vleiende woorden, bedoeld om je eventjes op een voetstuk te zetten, om je vervolgens met een verkooppraatje te overreden om hun producten te kopen. Al gaan er ook wel de geruchten de rondte dat enkelen van die jongelui tussen die verkopertjes er vooral staan om het excuus aan te grijpen de gehele dag openlijk met jan en alleman te zitten sjansen. Wat in elk geval bijna altijd klopt, is dat het altijd het andere geslacht is dat op je afstapt en de leukste de gevaarlijkste zijn. Opgelet dus!
Toch kom je er naast de zwierige handelaartjes ook loeiende sirenes van ambulances tegen en vind je politiemensen die op de been worden gebracht omdat er ergens een pand op instorten staat of omdat er eentje in een restaurant z’n poten niet thuis kon houden. Maar er zijn ook andere ludieke acties die je tijdens je wandeling verwonderen. In deze periode is het namelijk prima toeven voor de jongelui die aan hun examen-stunts zijn begonnen. En ook voor hun geldt: sex sells. Op dezelfde dag waarop ik hiermee uiteindelijk drie flirtmomenten beschrijf, stond er op de Grote Markt namelijk een groepje half ontblote studenten (het bleef verder allemaal erg netjes) die voorbijgangers vroegen of ze hun armen, buik, benen en billen wilden vingerverven. Ach, waarom ook niet? Niet dat ik eraan meedeed, maar het toverde toch wat glimlachen op ieders gezicht. Geweldig zoiets. Je kon duidelijk zien welke studenten er bij het langs schuivend publiek het meeste in de smaak vielen. Te oordelen aan de hoeveelheid in verf op de huid achtergelaten handafdrukken waren er weinig, zoals ik, die deze unieke kans lieten liggen. Een dag later zou ik hier midden op de Grote Markt zelfs een heuse condoom-kerstboom aantreffen. Dus wanneer je denkt het gekste te hebben gezien, het kan altijd nog erger.
En zo bleek het ook voor mij te gelden die dag. We gaan daarvoor nog even terug naar de dorpsgekken. Zoals ik eerder al een paar keer aangaf moet je hier in Haarlem voortdurend op je hoede zijn voor mensen die je van alles willen aansmeren. Zo had ik, terwijl ik zojuist mijn eerste boterham had weggeslikt, mij via de Barteljorisstraat en over de Grote Markt naar de Grote Houtstraat begeven. En wie daar wel eens komt, weet dat je na het passeren van de hakkenbar en een viskraam of sushibar op een brede t-splitsing uitkomt. In de Spekstraat links van je zie je dan de Haerlemsche Vlaamse liggen, een patatzaak, behoeft bijna geen uitleg. En ook hier (vooral hier) was het weer oppassen geblazen. Nou kom ik hier bijna dagelijks. Dus net als bij geoefende fietsers, die op de voor hun veel bereden parcours iedere straatsteen weten uit te tekenen, ben ik ook hier redelijk bedreven geraakt in hoe ik er mijn rondje moet lopen. Normaal laveer ik daarom met het uiterste gemak, langs al die jonge oplichtertjes en had ik een jongeman en een jongedame (het zijn net Jehova Getuigen) opnieuw weer vroeg in het vizier. Alleen waren er vandaag krachten aan het werk waar ook een volleerd voorbijwandelaar als ikzelf niet tegen was opgewassen. Vanuit de verte, toen ik de viskraam nog moest passeren, dacht ik al dat ik iets afwijkends had gezien en had daarbij mij blik gefixeerd gehouden op een bijzondere opstelling die ik bij die patatkraam in de buurt gewaar was geworden. Een stel professioneel geklede mannen had zich aan de linkerkant van de straat achter interessant ogend apparatuur opgesteld terwijl direct naast hen, meer naar het midden van de winkelstraat een één of ander vreemd geparkeerd autootje stond, met op de achterzijde een belachelijk groot wit reclamebord. Als een vlag op een modderschuit, of nee, juist andersom, stond er op dit bord een wat saaie jonge dame afgebeeld. Ze was niet lelijk, maar ze was ook niet de eerste vrouw waar ik op straat mijn nek voor zou verrekken. Radertjes in mijn bovenkamer begonnen nu op volle toeren te draaien en waarschuwde mij al spoedig dat er hier iets niet pluis was. Desondanks liep ik onversaagd de opstelling rechtsom voorbij en keek ik instinctief en vol nieuwsgierigheid naar de mensen die àchter dat reclamebord stonden.
Nee, dacht ik nog, het zal toch niet echt hèm wezen?
Maar het was hèm wel. En stom dat ik was keek ik ook nog even naar de achterkant van dat reclamebord om mij ervan te overtuigen dat er inderdaad een ‘afzichtelijk geklede moeder’ op was afgebeeld en begonnen mijn slapen van de zenuwen al te kloppen toen ik realiseerde dat ik vervolgens door hèm werd aangekeken. Aaaargh! Nee, ik wil niet. Snel doorlopen. Doe alsof je niets hebt gezien en kijk vooral niet meer naar achteren. Alleen, je raad het al, het was al te laat. In mijn ooghoek zag ik hèm op mij afstappen en brak het zweet mij aan alle kanten uit.
“Hé jongeman, mag ik jou wat vragen?”
Ik wist dat hij het tegen mij had en, omdat ik er zeker van was dat de camera’s al draaiden, keerde ik mij uit beleefdheid toch maar naar hem om.
“Hotter than my daughter!” klonk het uiterst gay en stak Gordon zijn hand naar mij uit. Zucht. Hier kon ik niet meer aan ontsnappen.
De gevreesde programmamaker had in mij het volgende slachtoffer gevonden om mij uitgebreid om een mening te vragen wat ik vond van de twee dames waar hij de foto’s van had meegezeuld. Ik kom ook een keer op tv zeg. Heb ik dit? Vrolijk stond ik daar met mijn boterhammetjes in mijn handen en ik probeerde me zelfs nog even te excuseren dat ik eigenlijk met mijn lunch bezig was.
“Ah, dan stop je die toch achter je holle kies, knul? Hoe vaak maak je het nou mee dat je met mij op de buis mag?”
Nou, als het echt nodig is, hopelijk maar één keer…
Nieuwe smoesjes verzinnen had echt geen zin meer. Die vent trekt je gewoon letterlijk voor je camera (ik besef mij dat dit een héle ongelukkige woordkeuze is). Nog met mijn bammetjes in mijn handen begeleide hij mij naar het reclamebord en gaf mij daarmee het laatste zetje dat ik nog nodig had om mijn eetlust compleet kwijt te raken. Alhoewel de vraag die hij mij kort daarna stelde wel helemaal verzorgde dat ik flabbergasted was. Hij sloeg zijn arm om mij schouder en vroeg me uiterst ongegeneerd:
“Jij hebt toch nog geen vriendje? Of wel?” (inclusief dikke knipoog)

Sprakeloos was ik.
Mensen! Nu vraag ik jullie…: is er iemand die mij serieus voor iemand van de herenliefde aanziet? Ik werd even licht in mijn hoofd en staarde wezenloos naar de camera die op mijn giecheltje gericht stond. Terstond besefte ik me dat mijn geshockeerde blik mijn eerste tv-optreden daar niet florissanter op maakte en keerde daarom mijn hoofd weer af.
“Ik ben al zes jaar gelukkig getrouwd met mijn vrouwtje, Gordon,” antwoordde ik zachter dan bedoeld.
Dat ik kort hiervoor nog sjans had bij de HEMA had ik nog even de opleving dat ik dacht dat ik nog goed in de markt lag. Maar na mijn ontmoeting met Gordon was ik ineens nergens meer zeker van. Nu weer ik best van mezelf dat ik soms een ietwat vrouwelijke uitstraling kan hebben. Ik heb een smal postuur, volgens sommigen een zachtaardige, onbevooroordeelde uitstraling, maar om mij daarom nou maar meteen voor een homo aan te zien? Niets mis met homo’s hoor, in het geheel niet, maar één ding weet ik wel: ik ben het niet!
Afijn, die uitstraling heb ik dus wel. Ik heb van mezelf lange wimpers, dus ik zal ongetwijfeld wel voor de vrouwelijke homo zijn doorgegaan. Maar om daar nou, NOTA BENE MET GORDON, op tv mee geconfronteerd te worden…? Mensen, ondertussen begin ik nu aardig aan mijn eigen geaardheid te twijfelen.
In het vragenvuur waarop Gordon mij over de dames aan onderwierp probeerde ik nog enigszins rap van tong te blijven (ook al geen charmante woordkeuze) en trachtte hem af te troeven met:
“Eerst Willem-Alexander en nu jij. Haarlem gaat er wel op vooruit”
Maar het was nauwelijks voldoende om die vernederende eerdere vraag van hem mee teniet te doen. En (hoe dom), vraag ik hem ook nog:
“Komt dit ook op TV?”

Later die dag, na een beetje van de schrik bekomen te zijn, ging ik met de trein huiswaarts. In die snikhete trein kreeg ik opnieuw nog weer sjans met twee grietjes. Erg leuk, maar gezien wat er eerder vandaag allemaal was voorgevallen, deed het mij eigenlijk niet zoveel meer. Al waar ik nu van overtuigd was, was dat ik voortaan door het leven ga als ‘de flirt van Gordon’ en klaarblijkelijk de uitstraling heb van een nicht…
…maar ik ben zeker niet hotter than my daughter.

Horrorverhalen worden hier natuurlijk wel vaker geschreven, maar zo één als deze is er nog niet eerder verschenen.