Voor Warwinkelaren, niet voor Jatmozen en ander gespuis
A
Aboeden (ww.)
Zich voorzorgelijk inpakken tegen naderend klederwank- en strotmalengeweld.
“Aboed u, man! Het knorpt van komme en wegwezen!”
Accuïsme (zn.)
Het geloof dat batterijen bij bosjes goedkoop zijn maar nimmer functioneren.
Zie ook: Dobbeltje.
Amfibische zwemvissen (mv.)
Waterwezens die bij springvloed hun poten zoeken en uw aanrok molesteren.
B
Bargoense fluim (zn.)
Onverstaanbare verkooppraat in oosterse taligheid, doorgaans luid en prijsverlagend.
“Komkommers! Eén zbersibarn!”
Beknibbelde habbekrats (zn.)
Een dusdanig gering bedrag dat men er alsnog trots op is het te hebben uitgespaard.
Builuchten (mv.)
Zwaarbewolkte zwerkgezellen die zich ophopen alvorens klederwanken te ontketenen.
Brikkig zwijn (zn.)
Fiets. Vooral wanneer bereden in noodweer en morele superioriteit.
C
Crypte sayote (zn.)
Groente van dubieuze herkomst die overal en hier en daar tegelijk verkrijgbaar is.
D
Dobbeltje (zn.)
Speculatieve koophandeling waarbij 104 batterijen voor vijf sperziebonen als “risicoloos” gelden.
Drabbig gezeik (zn.)
Hemelwater in neerwaartse agressieve staat; Engels van aard en pijpsgewijs.
Denomatie (zn.)
Prijs die zo luid wordt afgeroepen dat etiketten spontaan emigreren.
E
Ego-ommitering (zn.)
Het verschijnsel waarbij men na een gênant achtervlak-incident in de massa dooft.
F
Foliant verslaan (ww.)
Met tegenzin het weerbericht opdissen wanneer Willie van het weermens onkrank is.
G
Gejooïssant (bn.)
Zodanig smakelijk dat men het eerst beschrijft alvorens het te nuttigen.
Genare schikking (zn.)
Een koopovereenkomst die te mooi is om niet waar te zijn en daarom vermoedelijk is.
Gespeeste aromaten (mv.)
Kruiderij met Latijnse tieren die elke toko draaiende houwt.
Groengarnituur (zn.)
De verzamelde groenwaar waarmee men zich culinair en moreel verheft.
H
Hemelboogwelving (zn.)
De uitgespanselde bovenruimte waaruit het noodweer zich pleegt te wreken.
J
Jatmoos (zn.)
Zo’n roojige slinkse uit Jatmos, ja dáár vanachter de heg bij Warwinkel, waar ze hun centen tellen met andermans vingers.
Een Jatmoos is nie zomaar een buur, nee joh — ’t is een tengelige tomatenenter, een gondelgluiper, een brandstoftankfriemelaar met oorlog in z’n binnenzak. Waar een Warwinkeler z’n platte vinken poetst en z’n groengarnituur eerzaam weegt, daar zit een Jatmoos al te sjorren an den touwen van je zeppelin.
Kenmerken van ’t soort:
- Sjachert in ’t schemer en noemt dat handel.
- Saboteert met een smoel alsof ’t per abuis was.
- Praat krom bargoens dat zelfs de marktkoop roept: “Wat mot je nou, bonussnaak?”
- Ziet tomaten nie as kost, maar as kruitvat.
Zegge ze in Warwinkel:
“Waar een Jatmoos loop, mot je je ellebogen scherp houden.”
Want let op — ’t begint met een los touwtje.
Dan een beetje gestook in ’t interbellum.
Voor je ’t weet knorpt ’t van de Tomatenoorlog en sta je met je lieslaarzen in ’t rood.
Afgeleiden in den volksbakke:
- Jatmozerij – achterbaks gedoe met geopolitieke bijsmuk.
- Jatmozenstreek – klein fratsje, groot gezeik.
- Jatmoslucht – dat voorgevoel dat je lading niet heelhuids thuiskomt.
Kort en plat:
Een Jatmoos is een buur met oorlog in z’n broodtrommel.
Aju seg.
Jut van het (zn.)
Datgene waar men eigenlijk niet voor kwam, maar toch aantreft.
K
Kelderen (ww.)
Het drastisch laten zakken van een prijs tot onder het redelijke fatsoen.
Klederwanken (mv.)
Horizontale regenaanvallen met sociale ontwrichting.
Kluikelen (ww.)
Met zuinige regelmaat motregenen zonder duidelijke ambitie.
Krep (uitr.)
Algemene uiting van misprijzen jegens weer, mens of markt.
L
Lascief kasseren (ww.)
Zich onzedelijk verheugen in een bewezen winstcijfertje.
Lieslaars-luuks (zn.)
De tijdelijke illusie dat rubber schoeisel u tegen alles beschermen zal.
M
Mesjokke morgenlander (zn.)
Handelaar die vijf kilo tomaten voor twee zbersibarnen wegdoet en u toch het gevoel geeft te verliezen.
Mokkelig geslacht (zn.)
Aantrekkelijk passerend publiek dat men per abuis toucheert.
O
Onkrank (bn.)
Ziekelijk, doch met journalistieke plichtsverzaking als primair symptoom.
Opverklaring (zn.)
Onheilspellende meteorologische aankondiging die nimmer volledig uitkomt.
P
Perikel (zn.)
Risico dat men ostentatief accepteert wanneer de prijs laag genoeg is.
Platte vinken (mv.)
Munten, vooral wanneer zij schaars en benepen zijn.
R
Repugnante regesten (mv.)
Latijnig aandoende boodschappen waarvan niemand weet wat ze zijn, maar die noodzakelijk klinken.
S
Senang nu (uitr.)
Kalmerende zelfinstructie alvorens men weer in klederwank vervalt.
Springvloedmolestatie (zn.)
Waterige overlast met amfibische ambities.
Strotmalen (mv.)
Windvlagen die klinken alsof zij het strottenhoofd van het zwerk vermalen.
T
Talongie (zn.)
Onbestemd doch essentieel product, doorgaans naast de crypte sayote gesitueerd.
Temporarische aard (zn.)
Toestand die zogenaamd tijdelijk is, maar vaak een weekslot beslaat.
Toko draaiende houwen (ww.)
Met tomaten, aromaten en winstcijfertjes het huishouden economisch redden.
V
Vrekkerig zoomweder (zn.)
Weerbeeld waarbij zon en regen elkaar schoorvoetend tolereren.
Vreten bewilligen (ww.)
Zonder taalbegrip instemmen met een koop omdat men toch honger heeft.
W
Warwinkelen (ww.)
Op de Zwarte Markt een dusdanige winst slaan dat zelfs de vorst in de tengels u niet deren kan.
Wisselgeval (zn.)
Meteorologische wispelturigheid die men al kende maar toch betreurt.
Z
Zbersibarn (zn.)
Munteenheid van dubieuze spelling doch onmiskenbare koopkracht.
Zijtzitten (ww.)
Aan de zandstrook verblijven in hoop op zon die temporarisch blijkt.
Slotformule
Dit woordenboek is vastgesteld onder dondervuren, kelderprijzen en met een provenuftig winstcijfertje dat de kassa’s lascief doet blozen.
Aju!
This entry was posted on Friday, February 13th, 2026 at 13:35 and is filed under Duimzuigerij, Nederlands. You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.