By achmedlien | March 29, 2011 - 8:25 am - Posted in Duimzuigerij, Navelpad Mysterie, Nederlands, Reuze Navelpad

image by Toadette, edited by Gsorsnoi

Retroman en de Reuze Navelpad bevonden zich in een hoek van het plein. Ze stonden bijna letterlijk met hun rug tegen de muur; de steile gemetselde muur waar de pad bijna door één van de zombies tegenaan gesmeten werd, rees vele meters naast hen op. Links van het duo was een trap. Deze kwam drie meter hoger uit, net achter de hoek van de muur. Er zat een haakse bocht in die in het verlengde van de muur achter een woningblok verder naar de hoogte strekte. De toegang tot deze trap lag een kleine acht meter links voor hen. Zouden zij deze trap hebben willen bestijgen dan hoefden zij maar naar voren te rennen en er na een scherpe bocht tegenop te klauteren. Als ze dat wilden hadden ze zelfs een stukje kunnen afsnijden door eerder op een hoger gelegen traptrede te springen indien deze laag genoeg lag om met een sprong bereikt te kunnen worden. De problematiek waar ze echter mee zaten was dat er nog enkele tientallen ‘verse’ zombies over diezelfde trap naar beneden kwamen gerend. Enkele waaghalzen waren zelfs al bezig om over de leuning te klimmen om zich eenvoudigweg naar beneden te storten.

De steile wand konden ze niet beklimmen. Retroman keek er vluchtig langs omhoog, maar ontdekte geen objecten die houvast konden bieden. Het meest voor de hand liggende alternatief was recht vooruit tussen de zombies een weg te vinden naar de overkant en daar via het grillige gevelwerk naar boven te vluchten. Dat zou alleen wel betekenen dat ze opnieuw tegen de zombies moesten vechten die het plein bezet hielden. Uit de twee zijstraten werd het plein gevoed met nieuwe ongewenste gasten. Met de linkse zijstraat waren zij bekend. Daarlangs waren zij zelf eerder boven de grond gekomen en in deze akelige situatie beland. De rechtse niet, maar gezien de stroom vijanden die daar het plein op kwam gestrompeld, voelde het niet zo veilig aan daar naar een uitweg te zoeken.

Retroman tastte haastig zijn omgeving af en zocht naar andere vluchtwegen. Een paar meter rechts van hen ontdekte hij  een ladder die aan een uitstulping van de wand zat bevestigd.
“Daar!” bracht hij uit en hij wees naar de onderste treden van deze ladder. De pad zag het ook. Hij hield een volgende zombie op afstand en moedigde Retroman aan er haast mee te maken.
“Jij eerst. Dan verzorg ik de rugdekking.”
Hierop rende Retroman richting de hoek van de muur waar een paar sporten naar hem lonkten. De pad deed zoals hij had gezegd en volgde al om zich heen zwaaiend met de stok eenzelfde route. Ook Retroman had wat grijpgrage armen af te weren voordat hij de ladder bereikte. Eenmaal bij de trap aangekomen was hij de eerste die er opklom en keek direct even naar boven om te controleren of er bovenaan de trap geen nieuwe gevaren op ze stonden te wachten.

Ook de Reuze Navelpad was aan de klim naar boven  begonnen. Voor een kort moment viel er even weinig te vechten. Van die onderbreking maakten beide dankbaar gebruik om terrein te winnen. Hadden ze in goede conditie verkeerd dan was hun voorsprong natuurlijk veel groter geweest, maar dat was nou eenmaal niet zo. De zombies onder hen kwamen wel aangesneld, maar waren beduidend trager in het bestijgen van de ladder. Dit kwam vooral omdat zij elkaar in de weg zaten door het ongeduld waarmee ze de onderste sporten wilden vastpakken. De eerste zombie die er één te pakken kreeg werd al gauw bruusk opzij geduwd door een ander. Retroman en de pad waren geen moment te laat met deze actie; in een mum van tijd kon je letterlijk over de hoofden lopen, zo druk was het onder hen op het plein geworden.

De pad voelde een serie knopen in zijn maag vechten om de honger. Zijn buik verkrampte zich en maakte dat hij braakneigingen kreeg. Zijn ontmaskerde vriend merkte er niets van. Hij zat een klein stukje boven hem. Veel meer dan gal en wat dik slijm kwam er niet uit zijn bek naar buiten. Enkele druppels daalden neer en belandden op de zombie onder hem. Er was maar één ladder waarlangs ze naar boven klommen om een meter of zes hoger uit te komen, maar de Reuze Navelpad zag er twee. Zijn honger maakte dat hij zich moeilijk kon concentreren. Hoe lang geleden was het dat hij voor het laatst roem had geslurpt? Zijn verlangen naar het ongebruikelijke voedsel begon nu echt zijn tol te eisen. Hij werd licht in zijn hoofd en begon moeite te krijgen zijn bewustzijn te behouden. En zeker wanneer het een inspannend moment zoals nu betrof. Deze klim leek net een druppel te veel te gaan worden. Zijn keel voelde rauw en hij proefde een zure smaak die aan de gal te wijten was. Zombies, hij moest vluchten voor zombies. Maar waarom eigenlijk? Hem zouden ze niet pakken, toch? Zijn soort had de zombies juist geschapen. Door in de navels van mensen te kruipen werden zij zombies. Hij hoefde geen weerstand tegen ze te bieden. Hem zouden ze geen kwaad doen. Het was de man boven hem waar zij interesse in hadden. En nu hij er zo over nadacht, voor hem was het net een hele vette biefstuk die boven hem hing. Honger, ja de pad had honger. Hij moest eten. Zou hij dat niet doen dan ging hij van zijn stokje. Zijn missie om de paddentrek te stoppen en zijn naamgever te bevrijden kregen het zwaar met zijn instinct om te eten en daarmee in leven te blijven. Nog even en dan waren zij boven. Dan kon hij zijn slag slaan. Als Retroman de laatste mens was, dan was dit zijn laatste kans. Hij hoefde alleen maar onder zijn hemd te kruipen en hop! Hij kon hem gemakkelijk overtuigen dat voor hem te doen. Toch? Of zou dat absurd zijn? Hij had inmiddels voldoende van zijn vertrouwen gewonnen. Maar nee, dat moest hij anders aanpakken.

Retroman had de top van de ladder bereikt. In plaats van op een echt dak was hij uitgekomen op een soort promenade die voor een stel huizen langs liep. Hij nam vluchtig de omgeving in zich op en zag achter hem hoeveel hoger de appartementen nog boven op elkaar gestapeld stonden. Beneden vanaf het plein had hij dat nooit kunnen overzien. Daar had hij maar voor de helft het idee hoe hoog China Town boven zijn kop uitstak. Nu moest hij een manier zien te vinden om tot nog hoger te klimmen. Hoe hoger hoe beter en veiliger voor zijn levensbehoud. Het huis voor hem was voorzien van een metalen frame dat aan de gevel bevestigd zat. Zo’n bescherming aan de voorkant van een huis duidde er vaak op dat de bewoners de voorkant van hun onderkomen hadden verbouwd tot een klein winkeltje met kleine supermarktspulletjes, een heel normaal gebruik in Aziatische landen. Het frame zorgde ervoor dat kwaadwillende niet zomaar alle artikelen uit de toonbank konden weggrissen, maar zich altijd tussen het metaal moesten wringen. De overhandiging van koopwaar gebeurde door een rastervormig luikje waar ook de betaling door geschiedde. Voor Retroman was dit de aangewezen mogelijkheid om langs dat frame naar een etage hoger te klimmen. Daar zag hij een balkon en enkele pijpconstructies tegen een gevel die daar weer boven zaten.

“Vooruit, hierlangs!” gebood hij de pad die net van de bovenste sporten de promenade opstapte. De Reuze Navelpad wierp een blik naar beneden en zag dat de zombies nog niet halverwege de lengte van de trap waren geraakt. Hijzelf was buiten adem en zijn trek in roem streed pijnlijk met zijn verstand. Hij zag hoe de ontmaskerde ninja aanstalten maakte om het volgende obstakel te beklimmen. De ninja gebood hem zich te haasten en hem te volgen. Maar dit zou ook een uitstekend moment zijn om Retroman uit dat hekwerk te trekken en bovenop zijn navel te duiken. Breng hem uit evenwicht en spring op zijn buik, dacht de pad. Alleen als hij dat ook echt zou doen dan liep hij natuurlijk wel de kans dat de ninja zijn zwaard zou trekken en voor eens en voor altijd met hem zou afrekenen. Daar was hij toe in staat. Dat wist hij. Zijn vertrouwen in de Reuze Navelpad was vanaf het begin al bijzonder dubieus. Nee, nu toeslaan zou zeer onverstandig zijn. Hij zou wachten tot ze zover naar boven waren geklauterd dat Retroman en hij even buiten het bereik van nieuwe belagers zouden zijn. Dan zou hij hem op een onverwacht moment overmeesteren. Mits hij zijn verstand niet eerder zou verliezen.

Wordt vervolgd.

Vorig hoofdstuk: Het is maar een spelletje
Volgend hoofdstuk: De hinderlaag

Inmiddels is op  YOUZZLE de tweede ronde begonnen van Nederland schrijft een boek. Helaas is onze De Chinese doolhof het de vorige keer niet geworden, maar we doen vrolijk mee aan hoofdstuk 2. Castor en Pollux is het vervolg op de Wisselwereld van Sjors Kersten. En aangezien de schrijfstijl van Sjors erg doet denken aan de schijfsels van onze Achmed Liën, konden we er aardig onze ei in kwijt!

Hoog boven Evan moest de vreemdeling door het dak van Techlab zijn geschoten. Geleidelijk verstomde het kabaal van het brekende beton. Neervallend puin maakte wel dat de stilte nog even op zich liet wachten. Lampen flitsten aan en uit en bleven uit na een kort salvo van elektrisch geknetter. Onder een enorm gerommel en gekraak donderden vele brokken beton op de vloer waarop Evan was gaan liggen. Ieder volgend blok dat voor hem neerkletterde maakte dat Evan ineen kromp. In een reflex stak hij een arm voor zijn betraande gezicht om zich te beschermen tegen de fragmenten die om zijn oren vlogen. Met de andere arm hield hij zichzelf in evenwicht. Als bij een botsing tussen twee enorme asteroïden , spatten stukken van diverse bouwmaterialen uiteen en schoten in willekeurige richtingen, gevolgd door een wolk van het stof dat erin opgesloten had gezeten. Het merendeel klapte echter in één stuk neer, waardoor een drukgolf over deze verdieping rolde. Binnen een paar seconden zag het voorste deel van het laboratorium grijs-zwart van het stof. De dikke vuile mist werd nog deels belicht door spotjes die hier en daar als bureaulampen fungeerden. Deze leken niet te willen zwichten voor al het geweld waar deze ruimte onder gebogen ging. Toch duurde het even voordat Evan ook maar iets van de lichtstralen meekreeg zolang vallende bouwlagen het zicht blokkeerden. Beton en metalen balken werden direct gevolgd door een verzameling stoelen, bureaus, computers en andere apparatuur. Ook veel glaswerk dat aan de scheidingswanden van vergaderruimtes had toebehoord, kletterde samen met al het puin naar beneden. Niet dat Evan ook maar iets kon onderscheiden van hetgeen zich voor hem aan het ophopen was. De ontstane stofwolk bleef nog altijd toenemen zolang de brokken naar beneden bleven zeilen. Het was sowieso onverstandig om de beschermende hand voor zijn gezicht vandaan te trekken voordat de instorting tot rust was gekomen. Het mocht een wonder heten dat de vloer waarop hij zich bevond stand hield onder deze intense krachten van vernieling.
Een wolkpluim, die zich door de verwrongen deuropening perste, nam naar buiten in volume toe. Vanuit de hal gezien was dat verder de enige zichtbare indicatie van de catastrofe die zich in het lab had ontvouwd. De buitenste schil bleef verder intact. Evan werd gezandstraald door het vuil dat zich om hem heen had verspreid. Onder een luid gekuch vochten zijn longen om de schaarse zuurstof binnen te krijgen. Voor zijn eerdere emoties was nu geen plaats . Lucht en beschutting hadden de prioriteit gekregen.
Nagenoeg vijf minuten verstreken voordat Evan de kans kreeg om zich staande te houden in al deze chaos. Aanvankelijk leek er totaal geen reden voor hem te zijn om nog verder in deze ruimte te willen doordringen. Hij was zelfs al bezig zichzelf weer op te richten en te vluchten toen een zwak gejammer zijn aandacht trok. Het gehuil werd steeds onderbroken door iets wat hij niet thuis kon brengen. Eén moment bedacht hij of het niet verstandiger was om gewoon te vluchten en rust en veiligheid te vinden bij zijn geliefde Myrthe thuis. Zijn verantwoordelijkheidsgevoel dat hem als bedrijfshulpverlener was aangeleerd, maakte echter dat hij besloot dat je geen slachtoffers in deze puinhopen kon achterlaten. Het besluit was snel genomen: zich vastklampend aan de verbogen randen van het gat stapte hij de duisternis tegemoet. Iemand was in nood en hij zou het zichzelf nooit kunnen vergeven als hij diegene zou laten stikken. Voorzichtig stapte hij door het gat en in de dikke mistige laag van gruis.
“Hallo?” schreeuwde hij schor in het duister en terstond hapte hij naar adem in een opstekende hoestaanval. Zijn luchtpijp was gortdroog en leek te branden bij elke stoot die er doorheen ging. Had het duister hem geantwoord dan zou zijn eigen gehoest deze respons volledig overstemd hebben. Het kostte hem een volle minuut om  zijn eigen ademhaling weer meester te worden. Meerdere klodders dik slijm sijpelden over zijn lippen toen zijn longen weer enige zuurstof binnen kregen. De jongeman snakte naar adem, omdat de ijle lucht hem de mond snoerde.
“Hé! Is daar iemand?” probeerde hij het nog eens, nadat de ergste stof was opgetrokken. En ook ditmaal moest hij hoesten en werd er niet geantwoord. Omzichtig stapte hij daarom naar voren en trachtte zich gewaar te worden uit welke richting het geluid was gekomen. De duisternis aftastend  zocht hij naar het dichtstbijzijnde object dat hij als houvast kon gebruiken. Hij vond de kunststof behuizing van een beeldscherm. Met enige moeite wist hij zijn blik scherp te stellen en ontdekte de vernielde computer waar het scherm aan toebehoorde. Het laboratorium was immers nog vooral in duisternis gehuld. Het zonlicht kreeg de kans nog niet om door het gat in het dak binnen te dringen daar een stofwolk dit belemmerde. De laatste lichtpuntjes in de ruimte waarin Evan stond waren niet langer afkomstig uit lampen die de werkplekken verlichtten. Kleine brandjes waren hier en daar ontstaan door beschadigde apparatuur en kortsluiting. Flikkerend licht priemde door de donkerte. Hij moest zich haasten wilde hij een kans maken om het huilende slachtoffer veilig te kunnen bereiken.
Evan had maar kort een indruk kunnen krijgen van de oorspronkelijke constructie van deze ruimte voordat de zwarte indringer het gebouw door het plafond verliet. Rechts van hem, wist hij, had hij een stel gigantische generatoren achter glas gezien. Of waren dat de noodaggregaten geweest? Nee, dat zou een wat onlogische plaats zijn geweest om die onder te brengen. Op deze plek was een oranjerode gloed zichtbaar, ongetwijfeld afkomstig van een brand. Links van hem flitsten blauwe sterretjes aan de uiteinden van elektriciteitskabels. Die moesten van de enorme buisvormige apparatuur afkomstig zijn die hij eerder gewaar was geworden. Vonkjes kwamen ervan los en speelden pyromaan met de inboedel.
Hij passeerde de kruk die eerder door het laboratorium was gevlogen en vond steun aan een object dat hij niet thuis kon brengen.
“Ai!” slaakte hij een kreet van pijn. Het onbekende voorwerp bleek een uit elkaar gescheurde archiefkast. Evan verwondde zijn hand aan een gekarteld stuk metaal. Voor even was al zijn aandacht gericht op de nare sensatie in zijn vingers. Zien kon hij de wonden niet, maar de pijn en de doordringende geur van zijn eigen bloed informeerde hem over de toestand waarin zijn hand verkeerde.
Nieuw gejammer trok ineens zijn aandacht en gaf hem een idee waar hij verder moest zoeken. Hij tastte naar de pols van zijn gekwetste hand en slaagde erin het knopje van het lampje te vinden dat op zijn horloge zat. Een klein schijnwerpertje drong plots door alle zwevende deeltjes en gaf Evan de kans om zich beter te oriënteren. De lichtbundel hielp hem een uitweg te vinden uit deze donkere doolhof. Diverse glasscherven kraakten daarbij onder zijn gewicht en het oortje van een drinkbeker maakte zich van zijn eigenaar los toen hij er op stapte.
Plotseling kreeg hij nieuwe vertrekken in het vizier. Eindelijk zag Evan een lichtpuntje; hij spoedde zich er heen. Bij het verlaten van het voorste laboratorium belandde hij in een bescheiden atrium dat de medewerkers een plaats van ontspanning had geboden. Daar trof hij een kunstmatig vijvertje aan. Gretig stak hij er zijn gezicht en handen in. Karpertjes schoten opzij terwijl wit stof het water troebel maakte en het bloed van zijn vingers het rood deed kleuren. Het atrium zelf was ook niet volledig vrij van vuil. De stofwolk die erin was binnengedrongen vanuit het lab liet fijn materiaal achter op zijn pas gewassen donkerblonde haar. Evan veegde het smerige water uit zijn gezicht en zocht naar de plaats vanwaar hij het geluid had gehoord. Hij ontdekte een volgend labdeel waaruit een hijgend gesnik weerklonk. Een rafelig gat bevond zich op de plaats waar eens de deur naar deze ruimte was geweest. Verder was deze verrassend goed verlicht en leek door het geweld van boven ontzien. Opgelucht verschafte hij zichzelf toegang tot die ruimte en raakte bevangen door verse indrukken.

Als een toeschouwer van een voetbalwedstrijd leek hij een arena te zijn binnen gestapt. Links en rechts van hem werd de tribune gevormd door computers en panelen die op boven elkaar liggende bouwlagen opgesteld stonden. Ze waren afgeschermd door metalen buizen die verhinderden dat de laboranten naar beneden konden vallen. Een trap van een paar meter breed strekte zich voor hem uit om te eindigen bij een ander paneel in het midden. Daarachter bepaalde een monster van mechanica het beeld en nam er een flinke ruimte van in beslag. Eveneens achter een glazen wand stond daar een kolossaal elektronisch gedrocht. Op één plaats was de glazen beschermwand uit haar sponningen gesprongen. Evan had de indruk dat hier de duistere vreemdeling gevangen was gehouden die nu was ontsnapt. Een platform in het midden besloeg op zijn minst een kwart van de totale werkruimte achter het paneel. Het was zeker een meter dik en lag vol met iets dat op roetdeeltjes leek en een blauw soort pasta. Twee aluminiumkleurige constructies van een meter of vier hoog flankeerden dit plateau. De gelijkenis met twee gigantische microscopen was treffend. Erachter liep een veelkleurige buis van zeker vijftien meter in doorsnede waaraan deze apparaten gekoppeld bleken te zijn. Daarnaast stond nog een groot cilindervormig bouwwerk dat aan een zuigermachine deed denken. De totale stellage was enorm en indrukwekkend te noemen.
Evan vond het toch wel bijzonder dat hij al deze geheime ruimtes betrad en liet zich keer op keer verbazen. De afdelingen van Techlab werkten weliswaar continu samen aan gemeenschappelijke doelen, maar de medewerkers kenden de onderlinge verbanden vaak niet. Geheimhouding stond hoog in het vaandel en wie ook maar de schijn wekte deze te willen doorbreken, mocht zijn biezen pakken en een dure advocaat in de arm nemen.
Veel van de laboratoriumwerkplekken bleken abrupt te zijn uitgeschakeld door stroomonderbrekingen of vernield door rondvliegende voorwerpen. Aan de wanden van het lab kleefden zoveel bloedsporen dat het Evan toescheen alsof hij in een enorme slagerij was binnengestapt.
Deze veelvoud van impressies werd doorbroken door een dun piepstemmetje dat naast hem klonk. Het kwam uit de richting van één van de bureaus. In eerste instantie zag hij nog niet waar het geluid vandaan kwam, maar spoedig werd hij een vrouwelijke gedaante gewaar die onder een werktafel klaarblijkelijk aan het hyperventileren was. Een waterval van tranen – van geluk of angst – maakte zich bij haar los.
“Goed volk!” bracht Evan uit in de hoop haar daarmee gerust te stellen. Het huilen hield echter niet op. Evenmin had de vrouw de controle over haar oppervlakkige ademhaling herwonnen. Een volle borstkas bleef onregelmatig op en neer gaan. Evan knielde bij haar neer en praatte zachtjes tegen haar.
“Rustig maar,” suste hij.
“…het komt nu goed. Er is nu iemand bij je.”
Hij legde zijn handen op haar schouders en zocht naar goedkeuring in haar vochtige reebruine ogen. Hij hoopte haar tot kalmte te brengen door over haar schouders te wrijven. Een knikje van haar kant bestempelde tenslotte het vertrouwen.
“Hé, het is goed nu,” sprak hij haar opnieuw vertroostend toe.
“…kom maar.”
Hij probeerde haar aan haar schouders zo te manoeuvreren dat ze vanonder het bureau zou kunnen opstaan. Anders kon hij haar niet goed bekijken om te zien of ze iets mankeerde. Aanvankelijk dorst ze niet van haar beschutte plaats te wijken en klaagde ze dat ze haar been had gebroken.
“Nee!” was alles wat ze tussen haar gehaaste ademhaling kon uitbrengen ,wijzend naar haar been. Nieuwe tranen vloeiden over haar wangen. Evan had haar zorgen om haar botbreuken niet direct herkend en moedigde haar verder aan om op te staan. Maar toen hij haar angst eenmaal doorhad, staakte hij zijn actie en liet haar zitten waar ze zat. Ze kroop wel wat dichter naar hem toe om de communicatie te vergemakkelijken en de reden van haar leed toe te lichten.
“Hier,” zei ze en wees op de gescheurde stof van haar panty. Evan zag wel dat de kleding was gescheurd en verwachtte er op z’n minst een verdikking te zullen zien. Maar behalve een hoeveelheid blauwe pasta en een aardige plas bloed onder haar lichaam was er geen breuk te zien. De huid van haar knie was ietwat besmeurd, maar strak en glooide zoals het hoorde.
“Ssssh!” kalmeerde hij haar.
“Er is geen wond te zien,” en met een zachte handbeweging streek hij over haar been, de blauwe pasta negerend die over zijn vingers trok. Teder oefende hij wat lichte druk uit.
“Zie je wel? Doet dit pijn?”
Hij wilde er zeker van zijn dat ze geen pijn ervoer. Het moest vaststaan dat er geen ernstige verwondingen waren. De vrouw was verbaasd over de afwezigheid van pijn en haar ademhaling begon zich langzaam te stabiliseren. Met grote ogen onderzocht zij nu zelf haar eigen knie.
“Euh nee, hoe kan dat nou? ”
“Het is vast de schrik geweest,” verzekerde hij haar, maar de vrouw dacht daar anders over en protesteerde:
“Nee echt! Mijn been was gebroken. Ik heb het bot zelf naar buiten zien steken. Waar komt anders al dat bloed vandaan?”
Evan moest toegeven dat dit hem wel verontrustte. Alleen een blinde kon over het hoofd zien hoe het bloedspoor naar haar lijf een route volgde over de muren en het plafond. De abstracte expressionist Jackson Pollock was beslist afgunstig geweest om zulke kwaststreken. Zeker anderhalve liter woest verspreid bloed plakte tegen de wanden. Deze jonge vrouw had op z´n minst zwaargewond moeten zijn. Evan vroeg zich verwonderd af hoe dat eigenlijk op die plek terecht was gekomen. Hij had er werkelijk geen idee van. Hij bekeek de vrouw nog eens goed en vroeg haar opnieuw of opstaan mogelijk was. Ze dacht van wel en liet dit blijken met een aarzelend lachje. Ze hees zich aan hem op en kwam overeind. Een handreiking voor haar vrije hand en een platte hand die haar rug ondersteunde waren genoeg om haar de nodige begeleiding te geven.
“Niks,” sprak ze vol verbazing door haar tranen heen, doelend op de afwezigheid van pijn. En ook Evan verwonderde zich erover hoe er zoveel bloed kon zijn zonder dat er ook maar één wond op haar ranke lijf te vinden was. Met haar goedkeuring inspecteerde hij haar hoofd, rug en benen terwijl ze zelf haar lijf van voren controleerde. Dus waar had zij zoveel bloedverlies opgelopen?
“Krijg nou wat!”
Evan bekeek zijn eigen handen. De blauwe substantie waarmee hij inmiddels veelvuldig zijn vingers had besmeurd, drong al kruipend in zijn huid. Zijn vingertoppen zogen het op alsof er een onzichtbaar mondstuk van een kruimeldief in school. Bij het binnentreden van deze opvallende pasta door de poriën sloot de huid zich waar hij deze eerder lelijk had verwond. Ieder stukje huid waar bloed nog maar net de pezen verborgen hield, trok zich nauwkeurig terug totdat zijn vingertoppen weer in staat waren een gave afdruk achter te laten. De pasta zelf verdween compleet. Het enige dat achterbleef waren zwarte spikkels gelijk aan de roetvegen die achter in dit lab op een plateau te ontdekken waren. Hij kon ze zo van zijn handen vegen.
Al even perplex als hijzelf staarde ook zijn vrouwelijk gezelschap naar het wonder op zijn handen. En van zijn handen gunde zij zichzelf een verse blik op haar eigen lijf, stomverbaasd over het effect van deze dikke blauwe gel.
“N-2-U-X,” ze bracht het alsof ze een computerspeaker was die een commando voorlas.
“Sorry? Dat is een ongebruikelijke naam!”
“Oh nee, sorry,” en ze bloosde. Alleen was dat niet zichtbaar, omdat het nog voor een groot deel verborgen zat achter het blauwe waas.
“Deidree,” zei ze en stak haar hand naar voren.
“Deidree la Paz.”
Evan beantwoordde het gebaar meteen en realiseerde alleen nu hoe warm haar hand eigenlijk was. Of kwam het doordat de zijne zo koud was nu hij het had gewassen met het vijverwater uit het atrium? Even bleef het stil en hij staarde een paar seconden te lang naar haar zachte oogopslag. Twee prachtige kijkers keken hem vragend aan. Ten slotte trok haar wenkbrauw zich op waardoor zijn trance werd doorbroken. Net niet hakkelend bracht hij uit:
“Evan. Evan Morrow,” hij herstelde zich, maar een ‘big smile’ wist hij niet meer te onderdrukken. Bloed liep naar zijn ongeschoren wangen en maakte dat hij bloosde. Ook Deidree trakteerde hem op een lachje. Het hare was alleen net iets meer cartoonesk. Jeetje, wat moest Myrthe hier wel niet van denken, bedacht hij zich. De omstandigheden waar hij deze middag in was beland maakten dat hij weerloos was geworden voor dergelijke charmes. Deidree liet haar hand uit de zijne glijden en begon aan een oppervlakkige schoonmaakbeurt door wat van de blauwe pasta van haar polsen en het gezicht te wrijven. De hyperventilatie was als voor de zon verdwenen nu ze in mannelijk gezelschap was en er haar redder in had gevonden. Toch was duidelijk te zien dan ze nog flink gespannen was en hier vlug weg wilde.
“Wat een bizarre ervaring is dit,” sprak ze, duidend op de helende werking van het blauwe goedje. Evan vond een stofdoek en hoewel deze wat aan de vuile kant was, volstond hij om Deidree te helpen haar gezicht smurrievrij te krijgen.
“Hoe ben je zo besmeurd geraakt?” wilde hij van haar weten.
“En wat is dat voor spul?”
Deidree keek van de vettige substantie kort naar Evan op en van hem naar de bron van al deze ellende. Haar blik bleef vast gericht op de enorme microscoopvormige stellage aan de andere kant van de ruimte. Ze begon weer te snikken voordat zij zich goed en wel kon verklaren. Evan strekte zijn handen weer naar haar uit.
“Het is goed. Ga anders even zitten,” stelde hij voor en greep de leuning van een bureaustoel vast die hij binnen handbereik had. Maar Deidree sloeg het aanbod af.
“Nee, het is niet goed. Ik moet vast ergens een fout hebben gemaakt en zo de dood hebben veroorzaakt van al mijn collega’s hier.”
Een nieuwe golf van tranen maakte zich bij haar los. Ze bedekte haar gezicht en ging kennelijk gebukt onder hartverscheurende emoties. Evan daarentegen keek bijna paniekerig om zich heen. Welk een horror moet zich hier hebben afgespeeld waardoor zij zich zo miserabel voelde? Maar het gissen naar het antwoord was niet heel moeilijk. Na wat hij vandaag had meegemaakt, lag de conclusie voor de hand dat dit met de duistere vreemdeling verband hield. Met een nog wat zilte ondertoon begon ze haar verhaal:
“Ik was samen met mijn collega Robin bezig aan dat apparaat daar,” ze wees naar het paneel onderaan de trap.
“… Robin was juist bezig om de lichaamsfuncties van dat monster te meten terwijl ik het paneel bediende om nieuwe instructies te kunnen invoeren.”
“Ho wacht even! Wil je zeggen dat hij daar achter het glas heeft gezeten?”
Deidree begreep wel dat hij het vroeg, maar eigenlijk lag het antwoord wel erg voor de hand.
“Ja. De duistere persoon die de boel hier aan diggelen heeft geslagen werd hier door ons vastgehouden.”
Deidree kwam zo niet echt aan haar verhaal toe, want Evan onderbrak haar opnieuw.
“Hij … hij zat hier al een tijdje?” vroeg hij. Hij kon amper bevatten wat nu pas echt tot hem doordrong.
“Zeker. Maar laat me nu even vertellen.”
Evan snapte het en gaf haar die kans.
“Dat monster dat vandaag al die chaos hier heeft aangericht werd daar tussen de armen vastgehouden,” ze wees opnieuw naar de stellage in de vorm van de microscopen.
“Met behulp van de materiezender van één van de Y-afdelingen werd hij naar hier geflitst, een onverwacht neveneffect van Techlab’s fundamentele onderzoek naar elementaire deeltjes. Ik bedoel, wij doen die experimenten hier natuurlijk niet zelf. Dat zou betekenen dat we hier over een eigen deeltjesversneller beschikken. Alleen heeft Techlab wel de apparatuur om contact te zoeken met materie van elders uit het universum. Dat doet zij met behulp van de Chronosfeer, een massief mechaniek waarmee we onlangs grote brokken materie naar hier hebben kunnen zenden.”
“Kunnen we dat echt?” onderbrak hij haar weer.
“Stil nou,” gebood zij hem.
“Ik weet enkel dat die Chronosfeer zo genoemd wordt en dat dit apparaat het hoofddoel uitmaakt van die andere afdeling. Hoe het is staat is om materie te verplaatsen en naar hier te krijgen weet ik niet. Wij kregen enkel de monsters aangeleverd, die tot voor kort alleen uit brokken ruimtepuin bestonden,” ze zuchtte even.
“…totdat híj ineens verscheen. Onze opdracht was om met de Castor, het grote bouwwerk dat je daar ziet staan, de monsters te stabiliseren en aan nadere inspectie te onderwerpen. Onder het platform wat je daarginds ziet, ligt Pollux. Dat is een soort kanon om de monsters mee door te lichten. Naar de werking daarvan moet je mij niet vragen, daar was Robin de expert in. Ik weet meer van de Castor. De Pollux werd ook niet ingezet voor onze merkwaardige bezoeker. Al stond dat wel in onze planning, omdat we meer over die vreemde substantie in zijn lijf te weten wilde komen. Dat is de N2UX waar ik het net over had, dat smerige goedje hier dat onze verwondingen genas. Het gevangen houden van dit krachtige individu en hem aan wat onderzoeken onderwerpen was ons eerste doel, maar al gauw raakten wij gefascineerd door de geneeskrachtige materie in zijn lijf waarmee hij ook zichzelf heeft hersteld. Techlab had overigens helemaal niet bewust het plan gehad om hem naar hier over te halen. Zoals ik al zei, kwam hij per ongeluk in onze wereld terecht. In eerste instantie was Procyon, eveneens vernoemd naar een ster, zwaargewond en in verdoofde toestand hier aangekomen. Geketend werd hij hier binnen gereden en op de Castor en de Pollux geplaatst. Toen we dat zagen gebeuren, hadden we direct de angst in ons hart en realiseerden we ons dat we met een serieuze taak van internationaal belang waren opgescheept. Niet alleen waren we erin geslaagd een levend organisme van een andere wereld naar hier te halen, we zaten ook met de vraag wat we nu met hem aanmoesten. Alle medewerkers die hier werkten, voelden de verantwoordelijkheid op zich drukken. Procyon mocht geen bedreiging vormen voor de buitenwereld. En ik denk dat ik voor al mijn directe collega’s spreek dat we eigenlijk wel wilden dat hij werd teruggestuurd naar de wereld waar hij vandaan kwam. Maar misschien kon dat wel helemaal niet. Wat er uiteindelijk met hem moest gebeuren wist dus ook niemand. Stabiel houden, bewaken en lichaamsfuncties meten was al wat ons te doen stond. Alleen pakte dat niet zo uit als we hadden gepland.”
Deidree’s ogen werden weer troebel. Ze gleden over de vernielde werkplekken en zochten naar de lichamen van haar collega’s. Van een enkeling was niet veel meer overgebleven dan een zielig hoopje as. Evan luisterde gespannen en gaf haar de ruimte om niet verstard achter de computers in de hoek gedrukt te blijven staan. Ze liepen een stuk weg van de plaats waar hij haar had gevonden en posteerden zich bovenaan de trap. Voor hen lag het toneel er chaotisch maar verlaten bij. Verbitterd vervolgde ze:
“Dat Procyon over ongekende krachten moest beschikken wisten we allang. Zelf hadden wij niet in de hand wat er met hem moest gebeuren. Die instructies kregen wij van een andere afdeling. Zoals je weet wordt er binnen Techlab met PDA’s gewerkt die geprogrammeerde instructies doorgeven.”
Evan was bekend met dit principe. Voor zijn functie had hij er bij indiensttreding ook één ontvangen. De PDA werkte als een doodeenvoudige handcomputer die je in de alom aanwezige geavanceerde apparatuur, die Techlab rijk was, vast kon klikken. Het hulpmiddel was iets kleiner dan een volwassen mensenhand en daarmee handzaam in gebruik. Opdrachten konden met de hand worden ingevoerd door over een toetsenbordje te ‘vegen’ dat op het display op te roepen was. Voor Evan had het inspreken met de voicerecorder echter de voorkeur.
“Vanmorgen staken we één van de ons aangereikte PDA’s in het controlepaneel waarna het ineens faliekant misging. Robin stond naast me toen het gebeurde en werd het eerste slachtoffer. Direct nadat ik de PDA in het slot had gestoken vielen de twee stabilisatorstralen van de Castor uit. Ik had de handheld nog niet losgelaten of ik zag de stralen uit de projectoren aan beide kanten uitdoven. De akelige verschijning voor mij had het direct in de gaten. Procyon boog abrupt zijn gezichtsloze hoofd opzij en beproefde of hij in staat was om zijn armen en benen te bewegen. Kort daarop volgende een dreun. Ik werd door de ruimte geslingerd en Robin werd door een hoop rondvliegend glas gedood.”
Beverig wees ze naar het paneel waar ze Robin konden zien liggen. Niet alleen was hij een speldenkussen van glas geworden, maar aan zijn verminkte gezicht en een plas bloed te zien moest deze Procyon hem nog meer leed hebben aangedaan. Zijn leeftijd viel aan zijn gezicht niet in te schatten. Oordelende aan zijn postuur en kleding moest hij een jonge dertiger zijn geweest. Evan nam Deidree in zijn armen. Ze was opnieuw in huilen uitgebarsten. Zij liet haar hoofd op zijn borst rusten en liet zich helemaal gaan. Evan, op zijn beurt, wreef over haar rug en suste.
“Oh arm ding,” fluisterde hij zachtjes. Ze was in één klap haar naaste collega kwijt en wie weet hoeveel collega’s nog meer. Evan kon, te oordelen aan de ravage waar zij in stonden, wel raden wat er gebeurd moest zijn. Een ogenblik later liet hij haar los en liep rustig over de trap naar beneden. Bij het passeren van iedere rij werkplekken trof hij daarachter en daaronder slachtoffers aan waarvan de een er nog gruwelijker bij lag dan de ander.
“Hoe kan het dan dat jij dit hebt overleefd? Je stond het dichtste bij,” hij stelde de vraag hardop aan haar zonder haar aan te kijken. Meer slachtoffers staarden hem levenloos aan. Het monster moet hen op dezelfde manier hebben gedood zoals hij ook de soldaten vermoord had zien worden. Zijn maag trok zich samen en hij voelde nieuw gal opkomen. Even kokhalsde hij. Met de rug van zijn hand voor zijn mond wist hij zich echter te bedwingen, maar bleef onpasselijk bij de aanblik van de vermoorde medewerkers.
“Eén man zag het gebeuren en schoot op hem,” antwoordde Deidree. Evan zei niets. Hij was bevangen door dit afgrijselijke tafereel.
“…ik weet niet of het schot het monster had geholpen om door het glas te breken, maar hij had hem in zijn schouder geraakt,” ze slikte en klonk hees door de tranen.
“…Procyon’s bloed is de N2UX die we hebben onderzocht. Het spoot over mij heen toen hij werd beschoten. Maar het hielp allemaal niets. Althans, voor mijn collega’s … hoe moet ik dat zeggen?”
“Ik begrijp het Deidree. Ik mag toch wel Deidree zeggen?”
Ze gaf geen antwoord, maar Evan besteedde daar geen aandacht aan. Hij was aangekomen bij het paneel en zag Robin ernaast op de vloer liggen. Hij begreep meteen waarom de jonge man het niet had overleefd en deinsde geschrokken terug van het gruwelijke beeld dat hij dacht te hebben gezien. Evan begon zich licht in het hoofd te voelen. Had hij dat nou goed gezien? Het leek wel alsof het slachtoffer een deel van zijn gezicht miste. Hoewel een stemmetje in zijn hoofd hem aanraadde om het niet te doen, werd hij door nieuwsgierigheid naar het lijk getrokken. Het was inderdaad zoals hij dacht het te hebben gezien. Van Robin’s Zuid-Amerikaans getinte uiterlijk was slechts een helft van het gezicht overgebleven. De rest was wreed weggeblazen. Het overgebleven oog staarde angstig naar het plafond. Het rode waas dat over zijn oogbol lag, zal hij niet meer hebben gezien. De plaats waar het andere oog had gezeten werd opgevuld door brokken bloed en verder alleen maar leegte. Ditmaal kon Evan zich er niet tegen verzetten; het gevoel van afkeer was te heftig. Vanuit zijn slokdarm begon hij te schokken en een zure smaak verspreidde zich door zijn hele strottenhoofd. Een klein beetje slijmerig gal spuwde hij naar buiten en moest het paneel vastgrijpen om zijn balans te hervinden. Met zijn hoofd tussen zijn schouders hing hij daar aan het metalen frame en voelde een bonkende hoofdpijn opkomen. Evan vocht ertegen en probeerde weer snel rechtop te gaan staan. Hij boog zijn armen waar hij deze eerder gestrekt hield om over te geven en staarde naar het paneel. Met wat hij daar zag verdween zijn misselijkheid onmiddellijk. Zijn gedachten waren nu op iets heel anders gefocust. Met een bonzend hart dat als een gevangen dier in zijnborstkas vocht voor vrijlating, staarde hij naar het ding dat uit het slot op het paneel stak. Een voor hem bekend geelgrijzig voorwerp zat in de sleuf geklikt. Op het display liet zich een naam lezen.
“Wat krijgen we nou?” bracht hij uit. Onbegrip straalde van zijn gezicht.
“Dat is mijn PDA!”
Evan tilde het voorwerp uit het slot en bracht het naar ooghoogte. Dit was zijn PDA. Dus hoe kon het dat hij zijn eigendom hier in een laboratoriumvertrek aantrof waar hij zelf geen toegang toe had? En welke instructies had het bevat toen deze in het paneel werd gestoken? Zelf zou hij nooit opdracht hebben gegeven om zo’n monster vrij te laten als hij vandaag had ontmoet. Daarbij, hij wist niet eens dat hier iemand werd vastgehouden! Zijn bezwete hand omklemde de PDA, maar hij had moeite het apparaat stil te houden; Evan trilde van ontzetting. Een onbedwingbaar gevoel van woede borrelde op in zijn lijf. Hij moest het weten!
“Wie heeft me dit geflikt?” foeterde hij hardop en angstig naar het apparaatje. Maar Evan wist eigenlijk heel goed wie dat geweest moest zijn. Naast hemzelf was er namelijk maar één persoon die de code van zijn kluisje kende en zo over zijn PDA kon beschikken.
“Dytre!”
Evan draaide zich om en zag zijn baas naast Deidree staan. Haar ogen stonden vol doodsangst; Dytre had de loop van zijn pistool op haar slaap gedrukt.
“Ah,dus je weet het?”

By karelriemelneel | March 11, 2011 - 5:00 am - Posted in Duimzuigerij, Nederlands, vuurspugende zonsverduistering detective

image by Orgaman, edited by Gsorsnoi

Help je Karel weer met het oplossen van onderstaand mysterie?
Lees hier de spelregels.

Van alle zaken die ik in mijn carrière heb onderzocht was dit misschien wel de meest bizarre van allemaal. De ravage die we aantroffen op de Randweg van Gohes City was om te beginnen al onbeschrijfelijk. Eén ambulance was onderweg naar het Tycoon Ziekenhuis en had zich in een passerende vrachtwagen geboord. De tweede ambulance die het andere slachtoffer vervoerde raakte tevens verongelukt door daar bovenop te duiken. Door een aantal artsen die zich naar de rampplek hadden gespoed, werd reeds lijkschouwingen verricht.  Van zowel de slachtoffers als alle betrokken ambulancezorgverleners hebben ze moeten vaststellen dat zij waren overleden. Alleen de vrachtwagenchauffeur heeft het ongeluk op de snelweg overleefd.
“Wat bedoel je precies met ‘er zijn meerdere plaatsen delict’?” wilde ik van mijn collega Lesley weten. Een deel van het onderzoek was al in gang gezet. Ik had mijn mensen daar opdracht toe gegeven terwijl ik mijn verantwoordelijkheden van een andere lopende zaak overdroeg en mij naar de rampplek begaf.
“…wil je beweren dat dit nog niet alles is?”
“Ik vrees van niet inspecteur. Vanuit de meldkamer heb ik zojuist het bericht binnengekregen dat er ook al diverse ongelukken zijn gebeurd op de plaats waar de primaire slachtoffers zijn aangetroffen. De eerste traumahelikopter die werd ingezet is neergestort in het nabijgelegen korenveld. Naar verluid waren zij op weg naar een landweg buiten de bebouwde kom alwaar een automobiliste op een boom was geklapt.  Vermoed wordt dat zij geprobeerd heeft een voetganger te ontwijken. Zonder het gewenste resultaat helaas. De man die zij heeft aangereden werd naast het voertuig aangetroffen. Opmerkelijk is wel dat ze tegen de enige boom in de wijde omtrek is gereden. Alleen de brandweerlieden die werden ingeschakeld om het vrouwelijke slachtoffer uit een auto te knippen, hebben dit horrorscenario nog overleefd.”
“Mijn hemel! Heb je nog meer?” wilde ik van hem weten.
“Zeker inspecteur. De vrouw die tegen de boom was aangereden was reeds zwaargewond toen ze in de ambulance werd vervoerd. De man is echter een bijzonder geval. Gezien de toedracht zouden we een slachtoffer verwachten die op z´n minst een paar botten moet hebben gebroken. We weten natuurlijk nog niet wat we onderhuids gaan tegenkomen, maar op een paar schrammen na zou je bijna beweren dat deze man zonder noemenswaardig letsel vredig is ingeslapen.”
Haastig werkte ik de laatste slok van een nog veel te hete koffie naar binnen en verslikte mij er zowat in.
“Wat is hij? Een soort van Superman?”
“Wie weet inspecteur. Maar ik denk dat we in elk geval vast een voorzichtige conclusie mogen trekken.”
“En die luidt?”
“Buiten de vrouw die hem heeft aangereden is iedere betrokken hulpverlener die deze man heeft geprobeerd te redden daarbij zelf ook om het leven gekomen.”
Het kostte me een moment om mijn gedachten een plaats te geven. Er was totaal geen logisch verband te ontdekken tussen alle feiten afzonderlijk. Eén ongeluk met hulpverleners tot daar aan toe, maar twee? En dan die situatie met die man … dat kon ik echt niet plaatsen. Aangereden worden zonder open botbreuken tot daar aan toe, maar zonder enige verwondingen? Was die man wel echt aangereden? Of moesten we de aanrijdingen met de boom los zien van die man? Door die gedachtesprong bedacht ik mij iets afschuwelijks: wat nou als er een dodelijk virus rondom het primaire plaats delict hing? Maar nee, dan zouden de brandweerlieden er ook aan onderdoor zijn gegaan. Weinig werd me echt duidelijk, maar er moest in elk geval heel wat geregeld worden.
“Laat het sporenbeeld op alle genoemde locaties bevriezen tot nader orde. Regel als de sodemieter een toxicoloog en bestel meteen maar een patholoog. Geef die toxicoloog topprioriteit! We moeten eerst uitsluiten of de slachtoffers geen verdacht virus bij zich draagt. Anders leggen wij dadelijk ook het loodje.”
Als Lesley al vraagtekens zette bij het zoeken naar mijn motivatie om er een toxicoloog bij te roepen dan liet hij het niet merken. Hij antwoordde resoluut:
“Begrepen. Wordt geregeld.”
“Is er verder nog iets wat ik op dit ogenblik moet weten?”
Lesley slaakte een diepe zucht.
“Eh ja. Magere Hein heeft weer eens een visitekaartje achtergelaten. Twee zelfs.”
“En dat zijn?”
“Een foto zoals gebruikelijk. Met daarop afgebeeld een setje exotische instrumenten waarvan nog niet helemaal bekend is wat ze mogen voorstellen en een huiveringwekkende tatoeage op de borst van de man.”
Ongeduld maakte zich van mij meester. Lesley liet een te lange onderbreking vallen voordat hij zich verklaarde en ik kon het slecht hebben dat hij treuzelde.
“Nou veel gekker kan het niet worden. Vooruit met die geit!”
Lesley aarzelde niet langer.
“Op zijn borst staat in bloedletters getatoeerd: ‘Red mij’”.
Het kon dus wel gekker.

Oorspronkelijke beloning gouden tip:  ZB 3.275,-.

<WAT IS DE EXOTISCHE AFKOMST VAN DE FOTO?>
De toxicologe was aangekomen en installeerde zich met haar team. Onder leiding van Anna Traxomia werden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen daar onze TR (technische recherche) ze had geïnformeerd over de mogelijke ernst van de aanwezigheid van een biologisch virus. Patholoog anatoom Agatha Loon op Toom was eveneens ter plekken. Iedereen die niets op het plaats delict te zoeken had was inmiddels verwijderd en omliggende bewoners werden verzocht ramen en deuren gesloten te houden. De vrees was wel dat als het hier ging om een serieuze dreiging van een virus dat zich via de lucht kon verplaatsen, die maatregel mogelijk al te laat was. Ik had Lesley nog wat extra huiswerk meegegeven. Hij moest laten onderzoeken wat die zogenaamde exotische afkomst was van de foto. Gezien de grote risico’s die deze zaak met zich meebracht, kregen alle verzoeken die we bij het forensisch instituut neerlegden voorrang op de andere opdrachten. Ik was dan ook allerminst verbaasd dat het antwoord op de vraag binnen anderhalf uur verscheen.
“Inspecteur. De voorwerpen die zijn afgebeeld op de foto die door Magere Hein zijn achtergelaten betreffen vier Burmese tatoeage pennen.”
“Goed werk Les,” antwoordde ik hem zonder direct dieper op verbanden in te gaan. Dat had in dit stadium waarschijnlijk toch nog niet zoveel nut.
“Nog nieuws uit de andere kampen?” ik doelde daarmee op de onderzoeken die bij de korenvelden liepen waar de primaire slachtoffers werden aangetroffen door de hulpverleners.
“Op het moment nog niet veel,” Lesley had veel communicatiewerk op zich genomen en had één rood oor van het telefoneren.
“…enkel dat de vrouw die de man heeft aangereden toch [AANWIJZING] minstens 130 kilometer per uur moet hebben gereden gezien de lengte van de gemeten remweg.”

{GEMUTEERDE ANTRAX}:
Alle specialisten die zich bezighielden met de zaak hielden elkaar op de hoogte door middel van portofoons of andere mobiele apparatuur. Aansluitend bij de technologie van tegenwoordig waren de mensen van toxicologe Traxomia zelfs voorzien van communicatieapparatuur die in hun overdrukpakken waren bevestigd. Hiermee konden zij ons op de hoogte houden. Lesley onderhield de lijn met haar teamleden, terwijl ik het laatste nieuws steeds via Anna wilde horen. Artsen, sporenonderzoekers en andere mensen die eerder op het plaats delict aanwezig waren maakte ruimte voor de toxicologisch specialisten. Mannen en vrouwen in ‘ruimtepakken’ benaderden de verongelukte voertuigen om de slachtoffers te bestuderen op aanwezigheid van biologisch gevaarlijk materiaal. De wegen die naar dit kruispunt leidden waren allen vrij van verkeer en ongewenste bezoekers. Eenieder die op dit terrein aanwezig was maakte onderdeel uit van het multidisciplinaire team. Bewaking hield pottenkijkers op afstand, inclusief de pers die al binnen een half uur lucht had gekregen van deze zaak. Eén van de gevreesde infectiekandidaten was Antrax. Een sproeivliegtuigje zou bij het bemesten van het korenveld de ziekte verspreid kunnen hebben. Als dat het geval was geweest, dan konden de slachtoffers de Antrax hebben ingeademd. De incubatieperiode varieert normaal gezien tussen de dag en acht weken, afhankelijk van de besmettingswijze en besmettingsdosis. Een gemuteerde variant zou het model echter eenvoudig op de schop kunnen gooien.
“Voorlopige conclusie: negatief,” klonk het in mijn oortje. Anna Traxomia bracht verslag uit.
“…geen blaasjes en zweren aangetroffen op de huid van de slachtoffers. Ook in de mondholtes van is geen bloed aangetroffen dat bij hoesten kan zijn opgegeven,” Lesley, die normaal de specialist was op dat gebied gaf enkel een knikje ter herkenning. Van Antrax was hem ook bekend dat er vormen bestonden waarbij braaksel of opgehoest bloed op het slachtoffer kon worden gevonden.
“Jezus!” klonk het plotseling fel in onze apparatuur. In de verte zagen we Anna verschrikt van het slachtoffer omhoog buigen. Al onze blikken waren gericht op de toxicologe.
“Laat een arts een pak aantrekken en zich hierheen spoeden! De man leeft nog!”
Anna keek over haar schouder en gebaarde ons op te schieten met die actie. Een arts werd subiet op de hoogte gebracht en snelde zich naar de trailer van haar team.
“Anna, wat kun je ons over de m-…” mijn vraag stokte. Verderop zag ik de toxicologe door haar knieën zakken en vreesde meteen [AANWIJZING] dat ze het niet had overleefd. Ik riep de arts terug en verzocht het toxicologisch team terug te trekken.

<NATIONALITEIT VAN DE VRACHTWAGENCHAUFFEUR?>
Je merkte gewoon aan iedereen die met deze zaak te maken had, dat zij waren overdonderd met deze confrontatie; zelfs een toxicoloog in een hermetische afgeschermd pak kon slachtoffer worden. Het dwong ons om het onderzoek buiten de plaatsen delict voort te zetten. We moesten werken met de informatie die we zonder de aanwezigheid op die locaties konden verzamelen. Op alle drie de plaatsen delict werd een zone ingesteld waarbinnen niemand zich mocht begeven, tenzij ik daartoe opdracht zou geven. De toxicologen kregen de opdracht het onderzoek voort te zetten door luchtmonsters te nemen. Ondertussen ontfermde één van mijn andere mensen zich op de man die het voorval had overleefd: de chauffeur. Gemaskerd met een mondkapje startte collega Sandra haar ondervraging, maar kreeg maar de man leek niet bereid of in staat op enige vraag antwoord te geven. Inspecteur Paap wist wel te vertellen waarom:
“Volgens mij heb jij een tolk nodig,” informeerde hij haar nadat hij zijn blik had laten glijden over het Poolse kenteken. Het advies werd opgevolgd zodat het aantal mensen op deze zaak met één tolk werd verrijkt. Maar ook hij kreeg geen zinnig woord uit de chauffeur. De Pool bleef maar een beetje met zijn handen zwaaien en naar zijn oor wijzen. [AANWIJZING] De Poolse trucker was doof.

<DROEGEN DE BRANDWEERMANNEN BESCHERMENDE PAKKEN?>
Bij het korenveld was de pers beter in staat zich tussen de werkzaamheden te mengen, al werden zij ook daar door bewaking op afstand gehouden. Koen Voet liet zich er echter niet door afleiden en had reeds contact gezocht met de brandweercommandant. Ook Koen werd verzocht zich niet meer binnen de vastgestelde zone te begeven totdat duidelijk was dat er geen ‘vuiltje’ aan de lucht was. Aan de brandweer legde hij de vraag voor of hun mannen beschermende pakken droegen bij de werkzaamheden bij het autowrak. Dit bleek niet het geval. Toen ik van deze informatie op de hoogte werd gesteld nam ik contact op met de commandant en verzocht hem zijn mannen in quarantaine te laten plaatsen. In het telefoongesprek met Koen dat daaraan vooraf was gegaan liet hij me wel nog iets anders ontvallen: het was één van de brandweerlieden opgevallen dat ‘Superman’ niet mijlen recht achter, maar vrijwel [AANWIJZING] direct naast de auto had gelegen.

<ANDERE SLACHTOFFERS MET TATOEAGES?>
Na mijn gesprek met Koen sprak ik één van de toxicologen via de communicatieapparatuur:
“Is één van jullie opgevallen of de vrouw en het ambulancepersoneel of gemerkt zijn met opvallende tatoeages?”
Ook Koen kreeg die vraag van mij eerder voorgelegd. Hij liet dit navragen bij het team dat het ‘korenveldteam’ was gedoopt. Zijn eigen team had hij het ‘remspoorteam’ genoemd. Op beide vragen kwam terug dat er geen opvallende tatoeages te vinden waren. Dat wil zeggen: tatoeages die buiten de kleding opvielen. Agatha Loon op Toom kon daar natuurlijk nog nader onderzoek naar doen door onder de kleding van de slachtoffers te zoeken, maar die permissie had ze op het moment niet. De toxicologen liepen al genoeg gevaar door hun eerdere aanwezigheid op de rampplek. Eén van hen kwam met opvallend nieuws naar buiten. Via mijn oortje hoorde ik hem zeggen:
“Er zal een arts aan te pas moeten komen om het te bevestigen, maar als u het mij vraag is Anna bezweken aan [AANWIJZING] de hartkwaal waar ze al langer aan leed. Toen ze ineen zakte greep zij naar haar borststreek.”

<VOGELS OORZAAK VAN VERONGELUKTE TRAUMAHELIKOPTER?>
Eén van de toxicologen informeerde mij dat er een mogelijkheid bestond om een luchtdichte tunnel uit te rollen naar de verongelukte man. Zo hadden we de man alsnog kunnen bereiken en eventueel hulp bieden, mocht het slachtoffer daadwerkelijk in leven zijn geweest. Deze optie achtte ik te onnodig. Deze man kon omstanders enkel maar verder in gevaar brengen als hij al echt een virus bij zich droeg. Ik overwoog de keuze opnieuw, maar ik kon mij er niet toe brengen het verzoek ten uitvoer te brengen. Bovendien moest die tunnel besteld worden en zou nog een paar uur op zich laten wachten voordat deze ter plekke was. De situatie van de man kon in die tijd al zijn verslechterd en het eventuele virus kon zich hebben verspreid. Al viel het me wel op dat de aanwezige wind nog geen nieuwe slachtoffers onder mijn mensen had geëist. Meer en meer begon ik het vermoeden te krijgen dat we hier helemaal niet met een virus te maken hadden. En om mijn vermoedens bevestigd te krijgen belde ik Koen van het ‘remspoorteam’.
“Wat weet jij inmiddels te vertellen over het ‘korenveldteam’?”
“Daar is nog weinig nieuws naar buiten gekomen,” antwoordde deze.
“…sinds de zone is opgeworpen waarbinnen zich geen mensen mogen bevinden om zich over de slachtoffers en de toedracht te buigen ligt het onderz-,”
Plotseling was er een stilte ontstaan aan de andere kant van de lijn.
“Koen?”
Niets.
“Koen?” vroeg ik kort daarop opnieuw.
“J-ja, excuus. Ik ben hier nog,”
“Wat is er?”
“Nou, ik bedacht me net dat het ook goed zou kunnen zijn dat de helikopter in problemen kon zijn geraakt door vogels. Daar stikt het hier namelijk van.”
Ik stuurde een toxicoloog naar Abdel  Dezertecon Kretonshos die in het ‘korenveldteam’ zat en liet hem een extra beschermend pak meenemen. Een half uur na aanvang van hun onderzoek kwamen zij met de conclusie dat er dode vogels waren gevonden rondom de gecrashte helikopter. De sporen van verenvet op de wieken bevestigde deze relatie. Maar er was nog meer: Abdel had in het veld een [AANWIJZING] nieuw lijk gevonden.

<HOE WAS DIT NIEUWE LIJK ER AAN TOE?>
Het lijk betrof opnieuw een man en lag precies tussen de koren naast de weg verborgen, dicht bij de plek waar de automobiliste tegen de boom was gereden. Deze man was een veel betere kandidaat om te zijn aangereden door de vrouw; zijn benen lagen in een brede spagaat en zijn arm zat lelijk achter het lichaam geklemd. De aarde waarop de man lag was zwartrood gekleurd. Ook de nek van de man lag helemaal open en werd deels doorboord door een bot dat uit zijn schouder stak. Hij moet zwaar door de auto getroffen zijn en was vast gekatapulteerd richting het korenveld geslingerd. Sommige toppen van het koren leken in rode verf te zijn ondergedompeld door het bloed dat hij in zijn vlucht verloren had. De focus op de twee andere slachtoffers hadden de onderzoekers blind gemaakt om dit eerder in het oog te doen springen. Toen ik de foto van het nieuwe lijk op mijn I-Phone opende die Abdel mij had opgestuurd, schrok ik me wezenloos:
[AANWIJZING]
“Dit was precies dezelfde man als de man met de tatoeage!”

<WAAROM LAG PRIMAIR SLACHTOFFER NAAST DE AUTO?>
De angst sloeg me om het hart. Ik werd bevangen door een misselijkheid die me van mijn maag naar mijn keel greep en mij even van de wereld bracht. Lesley, die ik de foto van laten zien, begreep daardoor ook waarom ik van streek was. Hij bood mij een glas water aan, zodat ik even de kans kreeg om weer bij zinnen te komen. Ik ging erbij zitten en streek met de binnenkant van mijn duimen langs de rug van mijn neus in een poging de wereld om mij heen weer scherp te krijgen.
“Gaat het wel?” vroeg Lesley mij.
“Jawel. Het gaat wel weer. Het is gewoon die Magere Hein,” tussendoor nam ik een slok.
“…die vent speelt gewoon een spelletje met ons.”
Mijn telefoon ging. Het was Abdel.
“Foto ontvangen?”
“Ja,” verzuchtte ik, maar ik hield nog even mijn mond over de gelijkenis met het andere slachtoffer. Daarover begon Abdel zelf. Nu hij daar toch in zijn pak rondliep, had hij zich willen vergewissen hoe het primaire slachtoffer dan op die rare plek terecht was gekomen.
“Ik krijg het suikerbruin vermoeden dat het eerdere slachtoffer dat naast de auto werd gevonden, een passagier moet zijn geweest die uit de auto was gedonderd.”
“Dat verklaart in elk geval de afwezigheid van de verwondingen Abdel. Bedankt.”
Lesley keek me afwachtend aan daar hij ons gesprek niet kon horen. Abdel vervolgde:
[AANWIJZING]
“Als ik niet beter zou weten zou ik denken dat de man die werd aangereden vanuit het niets uit het korenveld de weg op was gestapt.”

{KWADE GEEST}:
Eén van de toxicologen was naar mij toegekomen.
“Inspecteur. De luchtmetingen hebben vooralsnog niets verdachts uitgewezen. Is er iets specifieks dat u op dit moment onderzocht wilt hebben?”
Ik keek op van de foto die ik nog eens op mijn I-Phone had opgeroepen.
“Euh,” dit inzicht en deze vraag moest ik even verwerken.
“Nee, niet direct.”
De man knikte, maar maakte nog geen aanstalten om zich van mij te verwijderen. Mogelijk dat hij mijn twijfel had opgemerkt.
“Wat denkt u, is het veilig om de zone op te heffen?”
Ik keek hem aan en kreeg eerst een woordeloos antwoord. Hij hief zijn armen en schouders op ten teken dat hij het niet wist. Het was ook mogelijk dat hij er wel een mening over had, maar de verantwoordelijkheid niet op zich durfde te nemen. Uiteindelijk nam ik het risico.
“Geef het vrij! Laat een arts controleren of hij nog iets voor Anna of het primaire slachtoffer kan betekenen.”
Een tijdje later stond ik zelf over de vreemde man gebogen die nog even doods en roerloos lag als we hem eerder hadden aangetroffen. Wat had Anna dan in hem gezien? Had een kwade geest de man bezeten en was hij helemaal niet dood? Een antwoord op die eerste vraag zouden we natuurlijk nooit krijgen te weten. Met de foto van de I-Phone in mijn ene hand en het zakje met de foto van Magere Hein in de andere keek ik naar de dode man en dacht hardop:
“Waarom dood je ons, terwijl je zelf gered wil worden?”
Op dat moment zag ik op de foto van de verongelukte man bij het korenveld dat we iets over het hoofd hadden gezien. Dat litteken in de wenkbrauw … dat heeft hij niet door het auto-ongeluk opgelopen. [AANWIJZING] Dit was zijn tweelingbroer!

<WAT IS DE VERKLARING VAN DE POOLSE TRUCKER?>
Anna was dood, zij was bezweken aan een hartinfarct;  de ambulancebroeders stierven in een ongeluk met de Poolse trucker; de helikopterpiloten waren in het korenveld neergestort door toedoen van een zwerm vogels; de vrouwelijke automobilist en de tweelingbroer waren door de auto-ongeluk op het leven gekomen. Tot zover had ik voor ieder slachtoffer dat vandaag was gevallen een verklaring kunnen vinden. Dus waardoor was de getatoeëerde man omgekomen? Was hij werkelijk een soort Superman die een duistere kracht mee zich meebracht naar de locaties waar de slachtoffers vielen? Wellicht dat die Poolse trucker ons nog iets duidelijk kon maken. Behalve en Poolse tolk was inmiddels ook een Poolse doventolk gearriveerd, dus ik kon de tolken eens gaan vragen wat ze tot dusver te weten waren gekomen.
“Ik kan u verzekeren, meneer de inspecteur, dat de Poolse man u van weinig nuttige informatie kan voorzien,” begon één van de tolken.
“Hij is niet alleen zo doof als een Poolse kwartel, maar ook zo dronken als een Oost-Europese tor.”
Het was duidelijk dat met hem geen land te bezeilen viel.  De Poolse chauffeur werd overgedragen aan mijn collega’s die zich verder over hem zouden ontfermen. Hij speelde in het onderzoek verder niet meer mee. Ondertussen had het ‘remspoorteam’ de draad van het onderzoek opgepakt waar zij deze eerder moesten laten vallen toen de verboden zone werd ingesteld. Koen had het autowrak laten onderzoeken. Daar hadden zij een rozet ontdekt in de deur van de passagierszit die erop kon duiden dat de ‘Superman’ van dit onderzoek [AANWIJZING] in de auto zat, terwijl de vrouw zijn tweelingbroer aanreed.

<IDENTITEIT TWEELINGBROERS?>
Nu moesten we het toch onderhand wel zeker krijgen: wie waren deze twee mannen die zo op elkaar leken? Een kort en eenvoudig onderzoek bracht ons al gauw veel duidelijkheid. Bij de beide mannen werd een paspoort gevonden. Het waren inderdaad twee tweelingbroers: Dinand en Damian Spring in ’t Veld. Dinand was met zijn 26 jaar de jongste en was degene die uit de auto was gevallen. De oudere broer van 31 was het slachtoffer geworden van de aanrijding. De vrouw werd ook geïdentificeerd. Haar naam was Olga de Vrede. Abdel had laten uitzoeken hoe de oudste broer voor de auto terecht kwam. In een pad dat tussen de korenvelden liep was [AANWIJZING] zijn schoenspoor aangetroffen.

{LANDBOUWCONTRACT}:
Het werd nu wel tijd dat ik mij naar de oorspronkelijke plaatsen delict zou verplaatsen. Agatha Loon op Toom kon de autopsie aanvangen met haar team en wie weet zou ik een beter beeld van het geheel krijgen in het korenveld. Zo liep ik de patholoog anatoom ook niet in de weg. Aangekomen op bij de landbouwgronden viel mijn blik als eerste op de blauwgele puinhoop die zich in het korenveld had opgestapeld. Het waren de brokstukken die over waren gebleven van de gecrashte traumahelikopter. Niet lang nadat ik mij tussen mijn collega’s voegde speculeerden wij aan de koffie in één van onze bussen over hoe deze aanrijding tot stand was gekomen. Aan de wand van de bus hing een monitor waarop het laatste nieuws te volgen was.
“De brandweer heeft het druk vandaag,” merkte Abdel op en wees met zijn pink naar de beelden van een brandend gebouw in Gohes City terwijl hij een plastic beker naar zijn mond bracht.
“Weet je,” sprak Koen tegen Abdel.
“Zou het niet zo kunnen zijn dat die Dinand en Olga een getrouwd boerenstel waren die wraak wilde nemen op de tweelingbroer? Ik stel me iets voor dat ze vochten om een landbouwcontract over de verdeelde kavels…”
Koen kon zijn stelling niet afmaken. Met een bovenlip die nog vochtig was van de koffie onderbrak Abdel hem:
“Olga was een vrouw van achter in de vijftig. Bovendien zou dat nog niet de foto van Magere Hein verklaren.”
“Wacht eens,” kwam ik de twee collega’s tussen beide en zette de tv iets harder. In de uitzending werd iets gezegd over [AANWIJZING] verongelukte brandweermannen in een brandend kantoor.

<GRAANCIRKELS?>
“Die Magere Hein speelt met levens,” bracht Abdel droog naar voren en Koen verslikte zich. Ik keek even in zijn richting en trok één wenkbrauw naar hem op.
“Maak er maar grapjes over. Er zijn ondertussen al heel wat middelen aangeboord om schot te kunnen krijgen in deze zaak,”
“Werd ik geroepen?” het was onze schotrestenonderzoeken Lesley Spandabot die zich voor de opening van de bus had opgesteld. Ik bood hem een kop koffie aan en liep de bus uit. Het werd tijd om nieuw licht op de zaak te krijgen. Het had eigenlijk al veel te lang geduurd voor we ons konden concentreren op de details die zich hier in de korenvelden afspeelden.
“Is er al gezocht naar graancirkels?” vroeg Lesley en het was alsof hij mijn gedachte las.
“Nee,” antwoordde ik hem.
“…maar ik heb al een paar keer overwogen om Achmed bij de zaak te betrekken. Er gaat iets bovennatuurlijks vanuit.”
In de late middag hebben we nog lang gezocht naar aanwijzingen in de buurt van de boom waar de auto op was gecrasht. Abdel heeft de aanwezigheid van graancirkels kunnen uitsluiten en heeft het pad geprobeerd na te trekken waarover Damain Spring in ’t Veld had gelopen (hoe kom je op zo’n naam?). Tijdens zijn sporenstudie ontdekte hij dat deze oudste broer voortdurend had gerend. [AANWIJZING] Het leek wel of de man haast had.

<RELATIE TUSSEN OLGA EN DE TWEELING?>
Van Olga was overigens geen verband te vinden tussen haar en de tweelingbroeders. Het zou mij niets verbazen dat zij voor hen een volkomen vreemdeling was en Dinand had opgepikt om [AANWIJZING] hem een lift te geven of ergens mee te helpen.

<WAT WAS AAN DE ROZET IN DE AUTO TE ZIEN?>
Bloedspatanalist Lesley Spandabato was nu de aangewezen persoon om het wrak aan een deskundig blik te onderwerpen. Hij mocht eens gaan uitzoeken of er bloedmonster genomen konden worden die het onderzoeken waard waren. De barst in de vorm van een rozet in het glas van de portier had zo’n bloedvlek. De inzittende moest dus bij de aanrijding tegen de deur zijn geknald voordat deze eruit viel. Zou Superman dan toch gewond zijn? Dat liet ik eens navragen bij Agatha. En inderdaad, onder de bos haar van Dinand was een hoofdwond gevonden. Ik had ook nog eens contact gezocht met de brandweercommandant en condoleerde hem met het verlies om een paar van zijn mannen die gesneuveld waren. Eerst hadden zij hun leven gewaagd in een situatie waar zowat de pleuris was uitgebroken, vervolgens waren ze in quarantainne gezet en nu waren er ook nog mannen van hem omgekomen in een fikse brand. Natuurlijk wilde ik wel weten wie deze omgekomen brandweerlieden waren, maar ik trachtte daar in eerste instantie niet te veel nadruk op te leggen. Totdat hij er zelf mee kwam. En wat bleek: hij had acht man verloren. De vier man die de brand wel hadden overleefd [AANWIJZING] waren de mannen die eerder Olga de Vrede uit de auto bevrijd hadden!

<TIJDSTIP DAT SLACHTOFFERS ZIJN GESTORVEN?>
Hieruit concludeerde ik dat Olga wél bevrijd mocht worden, maar eenieder die Dinand te hulp schoot moest sterven. Anna Toxomia had immers om een arts gevraagd toen ze zei dat Dinand nog tekenen van leven vertoonde. Misschien was het wel een geluk geweest dat ik zoveel gevaar had gezien in de mogelijke aanwezigheid van een biologisch virus, dat ik daarmee mijn mensen en andere omstanders op afstand liet houden, anders had de arts ook gestorven in zijn poging om Dinand hulp te bieden.En wie weet met welke reddingspogingen we nog meer te maken hadden gekregen. Al moet ik zeggen dat ik ook weinig trek had in de nationale hysterie die kon ontstaan als die situatie nog langer had geduurd en er evengoed nieuwe slachtoffers zouden vallen. We waren nog niet helemaal van de pers af, maar onze woordvoerders kregen al een minder heftig vragenvuur te verduren nu de verboden zone was opgeheven. Terug naar het primaire plaats delict: wisten we bijvoorbeeld al wanneer Dinand was gestorven? Gebeurde dat toen de auto verongelukte of was dat voor die tijd al gebeurd? De aangewezen persoon die ons daar antwoord op kon geven was pathologe Loon op Toom. Zij moest de autopsie zijn gestart en al wat meer te weten zijn gekomen over de precieze doodsoorzaak van Dinand. Maar op het moment dat ik contact met haar zocht, kreeg ik een heel ander persoon aan de lijn. De man was bijna niet te verstaan. [AANWIJZING] Op de achtergrond was een hoop geschreeuw te horen terwijl de man zelf ook in paniek was. Mijn hart bonste in mijn keel, ik had die mensen daar aan hun lot overgelaten. Wat was daar in vredesnaam aan de hand? Maar nog voor ik de kans kreeg daarover door te vragen werd de verbinding verbroken. Ik zou voorlopig niet krijgen te weten wanneer Dinand was gestorven. Er bestond een kans dat er bij de autopsie nieuwe slachtoffers gingen vallen.

<WAAROM IS ER VIJF JAAR VERSCHIL TUSSEN DE BROERS ALS ZE EEN TWEELING ZIJN?>
Ik stapte in mijn bolide en vroeg Koen, de sterkste man van mijn team, met mij mee te komen. We moesten als de sodemieter naar het GCFI (*). Koen reed. Zo kon ik onderweg de communicatie met mijn manschappen opzetten. We hadden geen benul wat er zich daar afspeelde, maar te oordelen aan de chaos die ik aan de andere kant van de telefoon had gehoord, leek  het mij verstandig een paar man op te trommelen.
“Inspecteur,” vroeg Koen mij nadat ik de telefoon ophing.
“Koen?”
“Is u niets bijzonders opgevallen aan die twee broers?” begon hij en aan zijn gezicht kon ik al zien dat hij wat voor ons had.
“Dat één van de twee mannen een één of andere Superman lijkt te zijn?” probeerde ik.
“Nee, nee, nee. Er klopt iets niet aan die mannen!”
“Dat was mij ook al opgevallen Koen.”
“Hebt dan u ooit wel eens een tweeling ontmoet die VIJF jaar onderling verschillen?”
Het was eruit. Koen had de vraag gesteld waar wij allen al veel eerder op moesten zijn gekomen. Ik haalde direct de fragmenten terug waarbij ik de foto van Damian vergelijk met het aangezicht van Dinand. Damian was zwaar verminkt, maar leek uiterlijk als twee druppels water op zijn broer. De hele situatie rondom de slachtoffer had ons verder blind gemaakt om de simpelste details over het hoofd te zien.
“Maar als de twee broers geen tweelingbroers zijn,” ik was nog bezig om deze feiten te rijmen. Koen glimlachte van oor tot oor, maar hield zijn blik op de weg.
“…hoe kunnen die mannen dan als twee druppels water op elkaar lijken?”
“Toeval?” het was Koen’s beurt iets te proberen. Het verminkte gezicht van Damian kon ons gemakkelijk op het verkeerde been  hebben gezet, maar was het echt mogelijk dat twee broers met een onderling leeftijdsverschil van vijf jaar zo op elkaar leken? Naar mijn smaak zat deze zaak een beetje te vol van [AANWIJZING] toevalligheden.

<IS ER SPRAKE VAN EEN TIJDREIZIGER?>
“De ouders zullen de tweeling niet door een tijdreis uit elkaar getrokken hebben. Daarbij, dat zou de geboortedata op de paspoorten niet beïnvloeden,” ik mijmerde eigenlijk maar wat. De broers leken gewoon verschrikkelijk veel op elkaar zodat we zijn gaan denken dat het een tweeling betrof. De waarheid was dat Damian gewoon te zwaar verminkt was om de uiterlijke verschillen te kunnen zien. Zouden beide heren uiterlijke goed met elkaar te vergelijken zijn geweest dan hadden we beslist eenvoudiger kunnen zien waarin de broers verschilden.
“Zet het uit uw hoofd inspecteur. Het is geen tweeling. Van een tijdreis is ook geen sprake. Al weet je het in Gohes City maar nooit.”
“Maar dan is er nog iets anders wat mij dwars zit.”
“En dat is?” reageerde Koen. Ik pruilde m’n lippen even om de smaak te proeven van hetgeen mij bewoog:
“Die tatoeage en die pennen … daar hebben we nog altijd geen duidelijkheid over.”
“U maakt zich druk over een beetje [AANWIJZING] onderhuids gif?” keek even van zijn stuur naar mij.
“Ik ben met u eens dat…” ik liet hem zijn zin niet afmaken.
“Koen, ik kan je wel zoenen,” ik schoot in mijn uitlating zowat door het dashboard. Mijn collega had mij een ingeving gegeven waardoor ik de relatie met de tatoeage en de vreemde dood van Dinand begon te zien. Als Dinand al dood was.

{VERVLOEKTE TATOEAGE}:
Die vervloekte tatoeage ook! Ik had direct door moeten hebben dat er hogere machten in het spel waren. Die Dinand had vast een tatoeage laten zetten in Myanmar (**) en was van het vliegveld opgehaald door een kennis . Dat moest dan die Olga zijn geweest. Ze waren op weg naar huis toen de vloek begon te werken en verreiste dat Olga doorreed naar het ziekenhuis. Alleen stak broer Damian – heel toevallig – tussen de korenvelden de weg over en BENG!  Een bizarre theorie die in Gohes City niemand echt zou verbazen en toch niet de ware toedracht zou verklaren. Aangekomen met Koen en mijn manschappen in het GCFI stormden wij de afdelingen over, onderweg naar de autopsiekamer. Met de gewapende collega’s voor mij waren Koen en ik beschut. En toen, niet ver van de ruimte waar de lijkschouwing werd verricht, hoorden wij een angstige stem:
“Kijk uit! Daar gaat ie! Straks [AANWIJZING] bijt hij jou ook!”

{GIFTIGE SLANG}:
“Dinand en zijn oudere broer Damian Spring in ’t Veld waren twee fanatieke hardlopers. Op die noodlotige vrijdagmorgen hadden zij zich door de lentezon laten verleiden om tussen de korenvelden nabij Gohes City te gaan sporten. Op de weg, waar wij nu staan, werd de jongste broer ineens gebeten door een exotische slang die tussen het koren vandaan was gekropen. Het was dezelfde slang waarvan we eerder deze week op het nieuws hoorde dat deze uit de Gohes’ Zoo was ontsnapt. Damian schrok zich wild en had direct door dat het om een giftige soort ging: zijn broer zakte door zijn hoeven en reageerde niet meer. Zowel hij als zijn kleine broertje hadden beide geen telefoon bij zich, dus liet hij zijn broertje achter en zocht voor hulp. Hiervandaan liep hij dat pad op,” ik wees in de richting van een pad dat in de verte bij een afgelegen woonhuis uitkwam.
“…maar daar was niemand thuis. Olga, de automobiliste die bij deze zaak betrokken was, vond Dinand in zijn hulpeloze toestand en moest hebben gedacht dat hij alleen was. Daarop besloot zij hem in haar auto te hijsen en maakte plankgas naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Aan het einde van deze weg draaide zij die verharde weg op en scheurde in de richting van de stad. Daar ontmoette zij Damian, die nog altijd in paniek om zijn broer naar hulp zocht. Hij was via een ander paadje op de hoofdweg beland waar Olga niet meer voor hem wist uit te wijken. Hoe dat afliep weet u reeds.”
Ik keek de boer aan die naast mij aan het veehek gezelschap had gezocht. Hij schudde vertwijfeld zijn hoofd en trachtte te bevatten wat er gebeurd was. We stonden allebei met onze armen over het hek gebogen en tuurde over het koren. De boer had mij aangeschoten, omdat het tumult op zijn land hem ook niet was ontgaan.
“Maar waarom werd die Damian dan niet direct gevonden?”
Ik vertelde hem dat Damian in het korenveld was geslingerd en het ambulancepersoneel, dat na het traumahelikopterincident verscheen, Dinand voor de getroffen Damian had aangezien. Er was nooit verder gezocht naar andere slachoffers. De boer bleef mij meelevend aanstaren. De beelden van de neergestorte hulpverleners leken nog op zijn netvlies gegrift. Verder was zijn gezicht één groot vraagteken. Niet omdat hij het niet snapte, maar gewoon moeite had dit alles te geloven. Een gevoel dat ik met hem deelde overigens.
“Het verklaart ook waarom de toxicologe gedacht moest hebben dat Dinand nog leefde,” en ik wendde mijn blik weer van hem af. Voor mij werd ik begroet door een vogelverschrikker. Een slappe hoed beschemde hem beter tegen de zon dan de hand die ik voor mijn ogen hield. Met een beetje fantasie leek hij ergens wel op die vervloekte Magere Hein. Ook dat zal geen toeval zijn geweest.
“Hoe dan?” vroeg de boer.
“De Burmese slang reisde al die tijd in de broek van Dinand mee. Ook op het kruispunt in de stad heeft deze slang in zijn broek gezeten. Op dat ogenblik was namelijk alleen zijn borst ontbloot geweest. Niemand was op het idee gekomen om onder de rest van zijn kleren te kijken. Maar de slang heeft zich natuurlijk niet continu stil gehouden en heeft geprobeerd te ontsnappen toen Anna Toxomia hem op de aanwezigheid van een biologische virus onderzocht. De slang deed zijn been bewegen…”
“… en deed de specliaste zo de schrik van haar leven krijgen,” vulde de boer mij aan.
“Exact.”
“Maar de tatoeage dan?”
“Dat heeft mij ook wat hersenbrekens bezorgd. Maar aangezien we uiteindelijk in het GCFI met de slang werden geconfronteerd, gaf dit de comateuze Dinand een kans. Hij werd gered dankzij een tegengif en voorkwam de obductie door Agatha. Zij stond juist op het punt om hem open te snijden toen ze bij het verwijderen van de broek met de slang in aanraking kwam. Mevrouw Loon op Toom heeft het voorval overigens overleefd. De man die ik in een telefoongesprek te spreken kreeg was dezelfde man die de slang uit de autopsiekamer wist te verwijderen. Maar man, wat waren ze daar geschrokken!”
“Ja, dat wil ik geloven,” zowel de boer als ikzelf moesten hier erg om lachen.
“De tatoeage?” herinnerde de boer mij nadat we heerlijk gelachen hadden.
“Oh ja, pardon,” en ik had al voorpret voordat ik het de man kon toelichten.
“Tja, dus die Dinand kwam later bij kennis en wist on doodleuk te vertellen dat dit de naam van zijn heavy metal band was!”
Nu als de boer kiespijn had gehad, dan had ik naast de boosdoener in zijn gebit meteen alle vullingen kunnen tellen, zo hard moest hij hierom lachen. Ook ik lachte me suf en boog mijn lijf diep naar achteren om nog ergens een restje adem te vinden.
“Afijn,” mijn kop was zo rood als een biet.
“…daarmee was de tatoeage uitgelegd en natuurlijk ook de afbeelding van de tatoeagepennen. De slang kwam uit Myanmar en het gif van de slang die uit hetzelfde land afkomstig was duidde op het onderhuidse gif waar Koen het eerder over had,” dat detail had ik de boer eerder in ons gesprek al verteld. De boer lachtte nog eens en keek verheugd op naar de strak blauwe lucht.
“Oh wat onbeleefd van me,”  realiseerde de boer zich en stak een hand naar mij uit.
“Ik heb mij nog helemaal niet voorgesteld.”
Begrijpend beantwoordde ik de handreiking en glimlachte hem toe.
“Gsor Russeller (***) is mijn naam.”
Opslag verdween de lach op mijn gezicht en voelde ik mijn hart in mijn borstkast stuitteren. Dit was meer toeval dan ik op één dag aankon.

Beloning gouden tip van ZB 2.675,- toegekend aan Sandra.

(* = Gohes City’s Forensisch Instituut )
(** = voorheen Birma)
(*** = zie VZD 5 )

image by c&w95, edited by Gsorsnoi

“Kijk uit overstekend wild!” galmt het in de wandelgangen tussen de hutten van het cruiseschip. Een klein moedertje van hooguit 1 meter 60 met reebruin haar en dito paardenstaart waarschuwt een medepassagier voor haar energieke kroost dat door de gangen rent. Ze is Europees, maar heeft haar dat zo pluist dat deze eerder neigt naar Afrikaans kroezen. Een keurig geklede inwoner van Newcastle moet zijn buik inhouden en buigt zijn beide armen buiten het bereik van het passerend wild. John lacht de vrouw die hij niet heeft verstaan, maar wel heeft begrepen, vriendelijk toe en beent verder naar de servicebalie op een lager gelegen dek. Na stampij te hebben gemaakt over een verstopt toilet, ontmoet hij een Aziatisch crewlid bij zijn hut nog geen minuut nadat hij daar zelf was teruggekomen. Het uiterst beleefde bemanningslid knikt na een korte toelichting begrijpend en zoekt hulp via een portofoon.

Even later klinkt een luid mompelend Russisch gevloek in dezelfde gang waar twee kinderen eerder werden ontweken. Een niet dikke, maar behoorlijk grof gebouwde klusjesman in een spierwitte overall veracht zijn baan bij het besef dat hij een smerig karwei heeft op te knappen. De afvoer van toiletten uit twee aangrenzende hutten is verstopt. Aan één zijde ligt een decadente Engelse drol te wachten tot de achteloos doorgespoelde Nederlandse tampon aan de andere zijde hem voorrang verleent.

Tien passen verder kan de Rus Mario horen groeien onder een alom bekend geluidseffect na het buitmaken van een paddestoel. Vanuit een leren sofa zijn nog net de handen van een jonge knul zichtbaar die een handzame spelcomputer omklemmen. Zijn haar, nog halfnat van een vluchtige douche, plakt aan zijn voorhoofd boven de gefronste wenkbrauwen die boekdelen spreken over zijn concentratie met betrekking tot zijn spel. Toch raakt de knul voor een ogenblik afgeleid door een passerend vrouwelijk leeftijdsgenootje die samen met een oudere broer maar net een botsing met de klusjesman kan vermijden.
“Big wheels keep on turning… Oh the proud Mary keep on burning,” klinkt er in de rookruimte van de Minicruise. Een jongen van 17 passeert, onderweg naar een vrije zitplek op deze bedrijvige kant va het achtste dek. Hij wordt gevolgd door een nakomertje uit de familie. Lotte(*) probeert driftig de pas van haar broer bij te benen. Bij Bake’n Coffee vinden zij een plaats om te zitten. Terwijl ze gaan zitten trekt Ferry een stapel kaarten uit zijn broekzak en begint ze te schudden. Samen zullen ze een spelletje Uno spelen. Schuin tegenover waar Ferry zit, nemen zeven mensen een afgezonderde verzameling stoelen en tafeltjes in. Drie van de zeven hebben zojuist in de afgelopen vijftien minuten een bescheiden bestelling gedaan bij de norse dame achter de balie. De bemanning van de DFDS Seaways bestaat overwegend uit Filippijnen die met hun schamele loontje zichzelf en hele familie onderhouden in het land van herkomst. Het andere personeel, inclusief kapitein, is Oost Europees. Zo ook de humeurige dame achter de kassa waar onder andere broodjes en koffie worden verkocht.

Voordat het stel aan hun romantische trip naar de Engelse havenplaats was begonnen, behoorden Alexandra en Ruben nog tot het Aardse volk. Het ging echter mis op het moment dat de ambitieuze carrièrestarter de hand van zijn verloofde opzij schoof tijdens de betaling van twee kaas-ui broodjes. Negen zuurverdiende euro’s wisselden van eigenaar waarbij de cassiëre, afkomstig uit Oekraïne, zorgvuldig zorgde dat ze de hand van haar klant een korte aanraking deed ervaren. Op slag werd Ruben één met de Formorianen en ging op weg om de rest van de opvarenden te infecteren. Nadat hij vervolgens de gemanicuurde zachte hand van zijn aanstaande vrouw in de zijne nam, werd ook haar seksuele spanning teniet gedaan. Het plan om de tweede nacht op zee eveneens van vuurwerk te voorzien, maakte plaats voor een hele andere eenwording.

Het britse homopaar naast hen had het idee om hun geadopteerde Nigeriaanse zoontje wat van Europa te laten zien, ook laten varen. Een eerder spel met een kleine Super Mariofan had het monstervirus op de geplaagde kleurling overgebracht.
“Kun jij mij helpen? Ik kom niet verder,” bleek een uitstekende smoes. De DS werd doorgegeven en Terence, die daarvoor maar heel even uit de leren stoel opstond, had zijn slachtoffer gevonden. Als vanzelf had hij de praktisch zwarte vingers van Amechi kort beroerd. De naam van de jongeman uit Afrika betekent heel toepasselijk ‘Alleen God kent de dag van morgen’.

Het resterende en al even besmette bejaarde stel aan de andere kant moest het eerder die dag hebben van de warme hand van de Filippijn met de portofoon die later ook de hulp inriep voor de hutten met de verstopte toiletten. Hij was het die de dame van het stel in evenwicht hield door zijn hand op haar blote schouder te laten rusten. De deining van het schip had op de loer gelegen toen zij met haar man een akelige trap hadden getrotseerd om hun hut te bereiken. Een nare golf was genoeg aanleiding om de Filippijn een excuus te geven de vrouw aan te raken. Haar man, mijnheer Oosterbaan, dorst niet met de lift en alleen gaan deed ze niet.

Voor de kaartende broer en zus mocht het lijken alsof de zeven gasten aan de andere kant van de lounge onschuldige onderonsjes deelden. In werkelijkheid waren zij tot één Formorianen-eenheid versmolten en konden ze elkaars gedachten lezen over het plan dat heel lang geleden voor hun gesmeed werd. In de Ierse oudheid om precies te zijn, regeerden deze wezens over het eiland Inishmurray waar ook Partholons en Nemeds hun zinnen op hadden gezet. De Formorianen waren vervloekt en hadden daarom vanaf hun geboorte allerlei misvormingen in hun uiterlijk en misten ledematen of hadden ze juist dubbel. Hun lichamen waren nooit volledig menselijk en werd veelal ontsierd door dierlijke lichaamsdelen of soms zelfs hele monsters die uit hun lijven groeiden.

Deze slechtgehumeurde reuzen zouden volgens de Ierse overlevering tijdens een grote overstroming uit de Atlantische Oceaan zijn aangespoeld en werden kort na hun bezetting van het land geleid door Balor. Van al deze zeeduivels, die allen konden toveren, was hij de ergste. Als kind, toen de reuzen zich reeds lang op het schiereiland gevestigd hadden, was hij eens nieuwsgierig toen hij zijn vader bespiedde bij het brouwen van een toverdrank. Ongeveer gelijk aan het verhaal van de Gallische Obelix die in de ketel viel, kreeg ook Balor met een toverdrank te maken. Bij het mengen van de drank kreeg hij spetters in zijn gezicht en was vanaf dat ogenblik vervloekt. Zijn oog zwol op tot enorme proporties en had de krachten gekregen om mee te toveren en vijanden te doden. Op zijn kop werd hij bijgestaan door een soort kakkerlak, een meerogige rat, een gesnaveld wormwezen en een gekko met scherpe tanden die er allen toe dienden zijn vervaarlijke oog te openen en te sluiten. Ook zij waren Formorianen en behoorden tot zijn leger. Het oog moest steeds opnieuw gedicht worden, omdat zijn vermogen om in leven te blijven ook afhing van het gesloten houden ervan.

Echter, in de veldslag bij Moytura, waarbij de Formorianen het gebied van de Tuatha Dé Danann wilde inpikken, ging het Balor slecht af. Hij had zijn zinnen gezet op het veroveren van Ierse grondgebieden om zo langzaam maar zeker over heel Groot-Brittannië te kunnen heersen. Met als hoger doel: heerschappij over Europa en wie weet de hele wereld. De Tuahtha Dé Danann leken de strijd aanvankelijk te gaan verliezen, maar dat was tot Balor in conflict kwam met zijn kleinzoon Lugh. Deze jonge krijger was samen met twee andere broers voortgekomen uit de schoot van Balor’s dochter Ethlinn. De laatste was tevens de godin van de Noordelijke ster. De profeten hadden voorspeld dat één van haar zoons Balor zou komen verslaan, zodat Balor haar liet opsluiten in een kristallen toren op het eiland Tory om te voorkomen dat er überhaupt een zoon geboren zou worden. Die maatregel alleen bleek niet genoeg. Onderwijl was hij te weten gekomen dat zij in haar gevangenschap bezoek had gekregen van de Tuatha-krijger Cian die met haar vree. Toen Balor dit te weten was gekomen had hij één van zijn dienaren opdracht gegeven om de kinderen te vermoorden. De dienaar wikkelde de jongens in een doek en wierp ze in de draaikolk naast de toren waar ze zouden verdrinken.

Maar één van de jongens viel ongemerkt uit het doek. Lugh, die daardoor ontsnapte aan een vroege dood, bleek de door Balor gevreesde zoon die hem moest komen verslaan. Lugh stond ook wel bekend als ‘de lichtende’ of ‘de schitterende’. Hij versloeg zijn grootvader uiteindelijk door een steen naar zijn woeste oog te smijten. Deze duwde de oogbal uit de kas zodat hij naar achter vloog en Balor’s vernietigende blik over zijn metgezellen liet glijden. Zij die daardoor werden getroffen stierven hierop onmiddellijk. De overlevenden dropen af en kropen terug in de zee waar zij zich honderden jaren stil hielden.

Vele jaren later keerde één van hen terug. Het was Kal’i, de boosaardige kleinzoon die de worp in de draaikolk overleefde door zich in een aal te veranderen. Kal’i, die toen al een machtige jonge baby was, groeide in de oceaan op tot de nieuwe leider van de overgebleven Formorianen. Vele Formorianen van toen zijn allang niet meer in leven, maar Kal’i had voor zijn nageslacht gezorgd en deze voorzien van een betovering waar hij zijn nazaten mee vervloekte op de dag dat hij stierf; eenieder die voortaan door een Formoriaan zou worden aangeraakt, zou erdoor begiftigd raken. Alle Formorianen bezaten immers een giftig zweet dat Kal’i eenvoudig kon betoveren en de bloedlijn van deze gevreesde monsters kon doen voortzetten. Ieder huidcontact zou het virus overbrengen en de transformatie op gang brengen. Binnen een week zouden de geïnfecteerde afwijkingen in de vorm van mutaties gaan vertonen. Ze zouden niet langer onopgemerkt blijven en de mens zou weten dat er iets loos was. Voor de mensheid zou het dan al te laat zijn.

Voorbij de douane terug in Nederland begint Tinus ineens te lachen. Hij is zojuist met zijn vrouw en dochter van de boot afgestapt. Zij hebben er een prachtige minivakantie in New Castle op zitten. Met enkele lichte tassen om de schouders stappen zij de hal van DFDS Seaways uit en snuiven de met zout vermengde lucht van de Hoogovens van IJmuiden op.
“Wat is er schat?” wil zijn vrouw weten.
Tinus probeert zijn gelach wat te verbergen, omdat er toch eigenlijk niemand in de humor zou kunnen delen.
“Oh nee niets,” glundert hij en zijn vrouw weet genoeg. Ze was allang opgehouden door te vragen over de binnenpretjes van haar man. Het zou vast een flauwe grap zijn geweest of een hersenkronkel die hij voor zijn werk kan gebruiken. De man zat soms zo vol inspiraties dat hij gesprekken met zichzelf leek te houden. Ze vergeet de pret die haar man heeft en snijdt een ander onderwerp aan: de verdere vulling van hun dag. Tinus is echter nog in gedachten bij de reden waarom hij moest lachen. Het gaat zomaar eens niet over een geval van inspiratie. Hij denkt terug aan deze ochtend op de boot waar hij even een boek was gaan lezen tot de boot zou afmeren in de haven van IJmuiden. Op zijn weg terug naar de hut werd hij overdonderd door een stel spelende kinderen. Het was hetzelfde ‘overstekende wild’ zoals de Britse passagier ze de avond ervoor tegen het lijf was gelopen. Uitwijken had geen zin gehad. Hij kon alleen uit reflex zijn beide armen in de lucht steken waardoor hij zijn hemd uit zijn broek trok en zijn middel ontblootte. In één van zijn handen hield hij zijn boek vast. Een meisje met vlechtjes in het haar had zich in de gauwigheid achter hem verstopt. Ongetwijfeld in een poging om niet gepakt te worden in een spel dat op tikkertje leek. Guitig lachte zij naar haar speelgenoot. Tinus realiseert zich dat zijn ‘zwembandjes’ die het meisje zogenaamd uit bescherming beet pakte niet voor haar de redding in het spel was geweest. Ook voor hem was dit het begin van een nieuwe missie.
“Eerst de spullen thuisbrengen?” vraagt zijn vrouw.
“Goed plan schat,” antwoordt hij afwezig op dit voorstel.
“…en dan kunnen we daarna naar Haarlem gaan om te eten.”
Er wordt geglimlacht en met een hand op haar wang kust Tinus zijn vrouw.

( * = Lot is ook een oorlogsgodin die de Formorianen aanvoerde. Zij had lippen op haar borsten en vier ogen op haar rug )

By gsorsnoi | March 3, 2011 - 11:03 am - Posted in Duimzuigerij, Galbakkerij, Nederlands, Wisselwereld

De verhalen van de Tycoon Newspaper zijn sinds enige tijd ook op andere plekken op het internet terug te vinden. Eerder al heeft Achmed Liën van ons de taak gekregen om zijn monsterverhalen, het Navelpad Mysterie en enige andere artikelen van collega reporters aan de Verhalensite aan te bieden. Dit is een site waar een flinke verzameling verhalenschrijvers hun eigen verhalen delen en ook vele tips aan elkaar uitdelen om van elkaar te leren. Ook wij hebben een hoop ervaringen opgedaan aan hun input!  Helaas houdt die site nu na tien jaar op met bestaan. 1 April, het is geen grap, gaat daar de stekker eruit. Zo zagen wij ons genoodzaakt een goed alternatief te vinden voor zo’n prachtig platform. En dat is nog helemaal niet zo eenvoudig. Die Verhalensite was namelijk best uniek. Ook de leden die daar momenteel bezig zijn hun eigen werk veilig te stellen, hebben er nog best een flink kluif aan uit te vinden waar ze met hun prachtige hersenspinsels heen moeten.

Gelukkig zijn we onlangs benaderd door de redactrice van de site YOUZZLE. Haar site is een prachtig medium dat begin dit jaar het levenslicht zag. Natuurlijk hebben ze daar nog niet de tien jaar ervaring die het eerder genoemde platform had, maar de potentie om een geschikte verhalendeler te worden heeft het zeker. Zij maken namelijk actief gebruik van de sociale media zoals de meeste internetgebruikers ze vast wel kennen:  Facebook, Hyves, Twitter en zelfs YouTube. Deze redactrice ziet wel iets in onze verhalen en heeft ons uitgenodigd om ook daar onze verhalen te delen.
Hoe konden we daar nou ‘nee’ tegen zeggen?

YOUZZLE is ook maar meteen gestart met een prachtig ander initiatief. Middels een wedstrijd waarbij leden steeds één hoofdstuk mogen schrijven, willen zij een boek gaan uitgeven. Zo maken amateurschrijvers ineens een grote kans een wens vervult te krijgen waar menig Nederlander van droomt: zelf een boek uitgeven. Afijn, helemaal je eigen boek is het dan natuurlijk nog niet; je deelt het boek tenslotte met de andere deelnemers aan deze wedstrijd. Het is namelijk de bedoeling dat er bij ieder hoofdstuk wordt gestemd op het verhaal dat het meest bij het publiek aanspreekt. Het hoofdstuk dat vervolgens de meeste stemmen en o.a. reacties  ontvangen heeft, wordt opgenomen in het te publiceren boek.

De Tycoon Newspaper doet natuurlijk ook mee aan deze schrijfwedstrijd. Het verhaal dat we hebben ingestuurd is een beetje ‘geleend’ uit het Navelpad Mysterie, maar lijkt ons prima geschikt om kanshebber te zijn. De navelpadden en andere hoofdpersonen hebben we voor het gemak uit het verhaal geveegd en Gohes City tot Prima City omgedoopt. ‘De Chinese doolhof’ is uiteindelijk de werktitel gevonden en we hopen natuurlijk met z’n allen dat wij de eerste ronde zullen winnen. Hierbij het eerste hoofdstuk zoals je deze kunt terugvinden op YOUZZLE:

http://www.youzzle.nl/nl-boek/de-chinese-doolhof/

Noot: de versie hieronder is inmiddels geredigeerd door BoB. We hopen onderstaande versie uiteindelijk in het boek te krijgen. 😉

De Chinese doolhof

Prima City’s China Town is niet zomaar een wijk in een grote metropool waarin toevallig een hoop Aziaten wonen. Deze wijk kun je betreden, maar de kans dat je er ooit weer uit zou geraken is praktisch nihil.

‘De Chinese doolhof’, zoals de beruchte wijk in de volksmond is gaan heten, is het grootste bewoonde labyrint op aarde. Je kunt er dagen door de straten dolen. Maar je zult altijd een keer in een straat uitkomen die je al eens had gepasseerd, zonder je dit te realiseren. Dit district beslaat bijna een kwart van de stad en strekt  zich uit tot de op één na buitenste laag ervan. Het is een compacte substad die even buiten het centrum ligt. Half China lijkt erin te wonen. Precies die eigenschap dat alles zo opeen is gebouwd , maakt dat de stad een verschrikking is om in te wonen. Alle straten lijken op elkaar en de infrastructuur is er beroerd. Voedselvoorzieningen reiken amper tot alle locaties, zodat er veel armoede is ontstaan. Huizen staan op elkaar gestapeld zonder dat je echt van flats kunt spreken. Kijk je om je heen door de straten dan bestaat het gros van de uitwegen uit onpraktische trapconstructies die weinig bewegingsvrijheid bieden aan de inwoners. De meeste mensen die hier zijn opgegroeid weten niet eens van het bestaan van de wereld die zich buiten de ‘muur’ afspeelt. De ‘muur’ is de abstracte benaming die is gegeven aan de horizon van het bekende. Alle straten die je niet kent bevinden zich buiten deze onzichtbare muur. Niet voor niets wordt de wijk aangeduid als een gigantisch complex doolhof.

Onfortuinlijke inwoners van Prima City die in de Chinese doolhof zijn geboren groeien er op, leven nauwelijks langer dan een jaar op één plek en sterven een vroege dood op een compleet andere plaats in dit stratengedrocht. Nergens op onze planeet kent een stad zoveel gevallen van inteelt binnen een gemeenschap. Kinderen die hun ouders nog kennen na hun eerste levensjaren mogen een unicum heten, want zodra een mens hier kan lopen hoef je de straat maar te verlaten en je bent verdwaald. Niemand zal er verbaasd over zijn dat de gemiddelde levensverwachting in dit deel van de stad onder de 35 jaar ligt. Komen kinderen in een andere straat terecht dan worden ze tot slaaf gemaakt door een van de vele bendes.

De enige constante factor in deze stad is de honderd procent kans op verdwalen. Om zichzelf daarom te kunnen beschermen tegen een al te grote verstrooiing van families is men sinds de jaren tachtig begonnen om de straten te markeren. Chinezen zijn door de straten getrokken met potten met verf om eigen gebieden af te bakenen. Hierdoor blijft echter de genenpoel beperkt;  men is bevattelijker  voor ziektes die de rest van Prima City zouden kunnen infecteren. Niet dat die dreiging ook maar enige waarde heeft voor de mensen uit deze substad: er is toch niemand die de rest van Prima City kent. Deze begrenzingen is men vooral gaan instellen zodat de families nog enigszins een kans houden om gezinnen bij elkaar te houden. Sindsdien blijven kinderen iets langer onder de bescherming van hun ouders,  maar een gemiddelde van de eerste vijf levensjaren is nog altijd angstaanjagend laag te noemen.

Tang was voorbestemd om de mede-uitvinder van de Trap Tuk Tuk te worden.  Samen met buurtgenoot Miu San zou hij een ware revolutie hebben ontketend in het grimmige zesde H-district. Dit nieuwe vervoermiddel zou de gebruikers ervan in staat stellen van de ene rand van de met verf gemarkeerde wijk naar de andere te kunnen reizen. De onzichtbare ‘muur’ zou doorbroken zijn. Een nieuwe Tuk Tuk met de kleur van de aangrenzende wijk en een letter van het district moest de verbinding gaan vormen tussen de ene onbekende plaats met de andere. De Trap Tuk Tuk moest het uiterlijk gaan hebben van een normale door stoom aangedreven Tuk Tuk. Het verschil zat hem in de wielconstructie die het vehikel in staat stelde om moeiteloos over Prima City’s honderdduizenden trappen op en neer te rijden. Drie wielen die onderling waren verbonden met rupsbanden zaten aan weerzijden van de passagierscabine. Onder het stuur van de chauffeurszit was een indrukwekkende veerconstructie gemonteerd die de ergste klappen moest opvangen van het bandloze voorwiel. Terwijl de achterkant van het voertuig iets weg had van een ingewikkeld opgebouwde fluitketel had de voorzijde van het apparaat  meer weg van een Harley Davidson-motor.

De jonge Tang Lee Swan zou zich op zeventienjarige leeftijd verbranden aan de ketel van één van deze apparaten om nog geen maand later te bezwijken aan de infectie die hij door zijn verwondingen had opgelopen. Zijn buurtgenoot Miu San was op dat moment al niet meer in beeld daar hij ondanks deze vervoersrevolutie alsnog zou verdwalen in een paar wijken verderop. Toch mocht hij zich gezegend voelen dat hij zijn einde vond op de in deze omstandigheden uitzonderlijk hoge leeftijd van 37. In de binnenhavens van Matsue Hakui stierf hij eveneens aan een infectie.

Deze op zichzelf al grauwe werkelijkheid was echter gereserveerd voor een andere dimensie waarin de zombies niet waren opgerukt. Miu San had de ingenieuze denkwijze van Tang namelijk nodig gehad om de rupsbanden zo te kunnen ontwikkelen dat zij geschikt waren om de hinderlijke trappen te bestijgen en af te dalen. Zonder Tang Lee Swan kwam er geen Trap Tuk Tuk.

De op slakkenslijm gelijkende substantie droop van de diepbruin gepleisterde wand op de plaats waar vier handen zich om beurten in bevend vlees groeven. Een reflex in een elleboog bracht een spasme teweeg waardoor een vaalblauwe hand naast de arm greep. Een andere al even lelijk blauwe hand greep de verminkte arm beet van het slachtoffer beet. Door de schokkerige beweging die zij maakte was deze naast het bed gevallen. Kraakbeen brak tussen de vingerkootjes vandaan met een akelig geluid toen de drie middelste vingers van de hand werden gerukt. Het wit van de knokkels werd daardoor even zichtbaar in de oorspronkelijke vorm die zich normaal alleen als een gelige afdruk liet zien onder de huid wanneer de vingers bogen. De rode vloeistof die uit de aderen vrij kwam maskeerde de blootgelegde botjes echter al rap en besmeurde het bed met vlekken en spatten.

Over gescheurde lippen werd het verse vlees naar een tong geleid die al even geen smaak meer kon waarnemen. Smakken was een onvermijdelijk gevolg geworden bij het naar binnen werken van het rauwe voedsel door de in verval geraakte kaken. De ontbinding had ook de slokdarm aangetast zodat een luid gegorgel hoorbaar was. Brokken in het bloed sijpelden over de kin welke eens met een stoppelbaardje gesierd was. Gulzig greep de zombie opnieuw naar de onderarm waar hij eerder al een paar lappen vlees uit had gebeten.

De vrouw op het bed die ten prooi was gevallen aan twee van deze zombies voelde de levenskracht nu wel heel vlug wegtrekken uit haar eens zo mooie lijf. Eén van hen keek plotseling op vanaf zijn maaltijd. De ander bleef geconcentreerd en zette zijn halve gebit in Pui-Yuk’s heup. Akio Arata was even afgeleid geraakt door de bewegingen van andere zombies die zich buiten op de daken boven een steeg ophielden. Zij hielden hun blik vanaf de rand van een rij dakpannen gefixeerd op twee ongelukkige bezoekers. Nieuw levend mensenvlees had zich in de doolhof gewaagd. Deze individuen waren vast op zoek naar een uitweg uit deze immense vergetelheid, zich niet bewust dat ze recht in de armen zouden lopen van monsters met onstilbare honger. Akio was alweer door zijn honger gegrepen en richtte zijn aandacht weer op de gedeelde maaltijd.  Hij was erin geslaagd om zijn leven lang bij zijn zus in de buurt te blijven. Samen hadden zij gezworen elkaar nooit uit het oog te verliezen. Nimmer zou hij weten dat Tang Lee Swan, die nog voor het doorlopen van de embryonale stadium stierf in de buik van Pui-Yuk, zijn bloedeigen zoon was.

By tinusicket | February 25, 2011 - 2:25 pm - Posted in Nederlands, Onbedoelde mening, Scherpe Blik

image by Ater, edited by Gsorsnoi

Op de vroege maandagmiddag waarop wij voor een minicruise gepland stonden om naar New Castle op en neer te gaan, zagen wij ons genoodzaakt om nog even een kleine boodschap te doen in de plaatselijke supermarkt. Het was om te beginnen al een foute gedachte dit op het allerlaatste moment te willen doen. Dat terzijde.

Zoals zoveel mensen ben ik vervloekt een kassarij langer te laten duren zuiver door er in plaats te nemen. Bij de wekelijkse boodschappen die ik met mijn vrouw samen doe, ben ik daarom zo tactisch haar naar voren te schuiven om een kassa te laten kiezen.
“Jij eerst schat.”
En het werkt altijd.

Hier ging ik die dag vóór onze korte vakantie toch nog weer even de fout in. Voor ons in de ellendige rij waarin ik mijn vrouw had meegezeuld, stond een bejaarde vrouw op haar beurt te wachten om af te rekenen. Compleet met rollator, een versleten lijf dat vibreerde van de Parkinson en een mandje dat uitpuilde met de complete verzameling basale supermarktartikelen, groette zij de dame die juist met haar betaling was begonnen. Ze had er een kennis in herkend.

Schuldbewust keek ik mijn eigen vrouw even kort aan. En uit mijn blik wist zij reeds af te leiden hoe laat het was. Shit, dacht ik. Wat is deze keer de reden dat we in een kassafile terecht zouden komen? Angstvallig bestudeerde ik de handelingen van de oude dame waarbij ze de inhoud van haar rollatormandje op de band probeerde te krijgen. Mijn God, straks kent zij de wonderen  van  Jezus’ vijf broden en twee vissen. De vrouw had immers wat brood en vis in haar mandje liggen. Die zou ze er natuurlijk eindeloos uit blijven pakken. De lopende band zou volgestapeld komen te liggen met honderden broden en vissen en de caissière er langzaam mee begraven. Op het einde kon zij voor zoveel brood en vis betalen, dat ze er meerdere weeshuizen mee kon voeden. Help! Een bejaarde weldoener!

Verheugd dat ik was toen bleek dat er wel degelijk een einde kwam aan de voorraad van de door haar verzamelde levensmiddelen. Halleluja. Ze had alle artikelen op een rij geplaatst en verwachtte dat de caissière haar vriendelijk gedag zou zeggen.
“Goedemiddag,” klonk het inderdaad aan de andere kant van de kassa.
De oudere vrouw beantwoordde de groet en ik hield mijn hart vast. Groente, had ze groente op de band geplaatst dat afgewogen had moeten worden? Bananen zonder stickertje, appels die toch ineens per stuk gewogen moesten worden, of had het plakkertje op de meloen soms losgelaten? Nee, niets van dat alles. Er lag zelfs helemaal geen product tussen wat van die afdeling was gepakt. Dus hoe kon het dat alles nog steeds vlekkeloos verliep?

Nu dan, de juffrouw achter de kassa was bezig alle producten te scannen. Hier moest toch iets fout gaan. Een barcode zou niet pakken of er ontstond onenigheid over een prijs die in de computer anders stond geregistreerd dan in de schappen werd vermeld. Waarom ging er niets fout? Piep … piep … product voor product ging moeiteloos over de scanner en de kassa verwerkte elke invoer zoals het hoorde.
Hebben ze het tot het laatst bewaard? Zou deze vrouw die kleinkinderen moest hebben bij alle tien haar kinderen onderuit zakken? Kwam ze nog andere bekenden tegen? Een tas die scheurde? Computerstoring?

Ah! Eindelijk. Achter ons was een nieuwe klant aangeschoven: een oudere man die vast bij haar op school had gezeten. De man had een stoffige pandjesjas die hij vast al jaren droeg. Misschien had hij dit wel bij deze vrouw gekocht toen zij nog in een kledingzaak actief was? De rollator was van hetzelfde merk. Ja zelfs daar kon de connectie ontstaan. Man, kom op, begin elkaar maar vast te herkennen, dan konden de jeugdsentimenten worden aangehaald en zaten mijn vrouw en ik muurvast geparkeerd tussen twee bejaarden. De boot van onze minicruise zou zonder ons vertrekken, omdat we net de laatste bus hadden en gemist en ik zou het nog maanden te horen krijgen dat we eerder naar de winkel hadden moeten gaan.

“Ah nee, dat zal je net zien,” mopperde ik al toen de vrouw voor ons allang geen obstakel meer vormde en ik mijn pas zocht om onze eigen spullen af te rekenen.
“…ik zal toch niet mijn pas zijn vergeten?”

image by Retroman, edited by Gsorsnoi

“Ja fijn dat heb ik weer,” zuchtte de man die we eerder alleen als de ninja kende. Zombie Akio Arata was de verantwoordelijke voor deze ontmaskering en had de inktzwarte stof nog vast. Met het samuraizwaard rechts van hem in beide handen geklemd bedacht Retroman zich wat het volgende zou zijn wat hij zou doen. Hij keek zijn nieuwe vriend aan en gaf hem een vriendelijke knipoog ten teken dat die zich niet om hem hoefde te bekommeren waar het op deze onthulling aankwam. Krampachtig doen omdat zijn gezicht ontbloot was, zou toch nergens op slaan. Hij kon er echt niet mee gaan zitten dat zijn identiteit was prijsgegeven. Niet dat hij die ooit hoefde te verbergen. De maskerade was meer voor de gein bedoeld toen Retroman het avontuur rook bij de eerste paddeninvasie. Sindsdien liep hij er in rond. Niet om zich te verbergen, maar gewoon omdat dit het laatste setje kleding was dat hij had aangetrokken voordat hij inzag dat hij tot de  laatste verzetstrijders zou gaan behoren.

Hij had thuis achter zijn computer gezeten en was bezig met het maken van eigen computerspelletjes toen zijn achtergrondmuziek werd overstemt door een vreemd kwakend geluid van buiten. Inmiddels weten we dat dit de eerste padden moeten zijn geweest die de wijken van Gohes City hadden bereikt. Retroman was nieuwsgierig geworden en had voorzichtig een blik naar buiten geworpen. Pixels en inspiratie maakten plaats voor een wel heel erg levendige inspiratie. Want wat hij daar kreeg te zien overtrof zijn stoutste verwachtingen. Voor het computerspel wat hij zelf aan het maken was, had hij namelijk een concept bedacht van een ninja die een invasie van gemuteerde padden voorgeschoteld kreeg. De verhaallijn was bewust heel simpel gehouden en de grafische effecten deden sterk denken aan de tijd dan de eerste computerspelletjes op de markt kwamen. Het was de stijl van games die hem het meest aanspraken. Van die heerlijke oude retrospelletjes die een heel stuk toegankelijker waren dat de omslachtige 3d avonturen waar softwaregiganten de spelliefhebbers later mee kwamen verwennen. Voor hem hoefde dat niet zo. Geef hem maar een karakter, die uit niet meer dan een handjevol pixels bestaat, een paar goede moves of een eenvoudig wapen, plaats deze in een tot de verbeelding sprekende zelf ontworpen wereldje en laat de monsters maar komen. Mierzoet achtergrondmuziekje erachter, een vooraf bepaald ‘einde van het level’ definiëren en Retroman had pret voor tien. Zelf spelletjes creëren was een nieuwe hobby van hem geworden.

Helaas bleek zijn fantasie tot leven gekomen en mocht hij zelf aan de bak. Vele bovenmaatse blauwe padden hadden het straatbeeld van Gohes City bepaald en leken kwade bedoelingen te hebben met hun komst. In niet veel meer dan zijn ondergoed – omdat hij kort daarvoor had gedoucht en zijn bed in zou gaan – stond hij als aan de grond genageld tegen zijn vensterbank geplakt. Buiten zag hij hoe de eerste twintig padden in zijn blikveld zich bruut op het volk op straat worpen. Daarbij rolden zijn ogen zowat uit zijn kassen toen hij zag hoe meerdere padden in de lijven van de mensen kropen om er volgevreten weer uit te komen. De slachtoffers die vielen bleven enkele minuten als voor dood op de grond liggen. Het kostte hem niet meer dan een enkele minuut om zijn plan te trekken. Retroman liet zijn pc voor wat het was, snelde naar zijn slaapkamer en trok zijn kledingkast open. Veel tijd voor het bladeren naar een geschikt setje had hij niet en was al tevreden met hetgeen dat hij als eerste te pakken kon krijgen. Of dit nou een kort of lang avontuur zou gaan worden, hij kon moeilijk halfbloot de straat optrekken.
“Mijn carnavalkostuum,” sprak hij zorgvuldig en pakte het eerste setje kleding vast dat binnen handbereik viel. Hij keek even met blik van iemand die een curieus cadeau voorgeschoteld kreeg, maar bood geen ruimte voor eventuele schaamte.
“..waarom ook niet?”
De keuze was gauw gemaakt. Zonder meer tijd te verspillen trok hij het ninjapak aan en griste een sporttas mee waar hij nog vluchtig wat andere kleren in propte. Momenten later verliet Retroman zijn huis via het dak en dacht nog even aan het spel dat hij op zijn computer had achtergelaten.
“Het zou toch niet waar zijn?”

Hij had inmiddels aardig wat avonturen met padden en zombies beleefd en daarbij ook een hoop familie en vrienden jammerlijk aan de strijd verloren. Amper had hij de kans gekregen om alle gebeurtenissen op een rijtje te zetten. Bepalen hoe reëel dit allemaal was kon hij dus ook niet. Het was niet te bevatten. Wat hij wel wist, omdat een collega van de Tycoon Newspaper hem dat had toegefluisterd, was dat niet zijn computerspel de oorzaak was van deze horror, maar de zieke geest van een verknipte graaf.

“Hou vol,” zei Retroman tegen de pad, die nog steeds door een andere zombie bij zijn nek in de lucht werd vastgehouden. De ontmaskerde ninja plaatste zijn rechtervoet en stukje naar voren, draaide linksom op de bal van zijn andere voet en zette zijn linkervoet iets opzij naar links nadat hij bijna driekwart rond was gedraaid. Hierdoor kwam hij face-to-face te staan met de gewezen Akio Arata die een ontmoeting ging maken met de scherpste zijde van zijn zwaard. Het zwaard had voldoende impulsmoment gekregen om de zombie de vernietigende slag toe te brengen. De kop werd bruusk van zijn romp gescheiden. In plaats van bloed schoten enkele kleine vlokjes rottend vlees over het plein. De kopromp scheiding was zo vlot en netjes dat Arata’s hoofd pas zijn vorm begon te verliezen toen deze met een harde klap op het beton belandde. Met een doffe bons volgde het lichaam dat niet langer in balans werd gehouden.

Retroman kon onmogelijk vermoeden wat er zich in Gohes City’s China Town zou hebben voorgedaan als de zus van Arata hun zoontje Tang Lee Swan had kunnen grootbrengen. Het drama wat zich juist had afgespeeld toen de pad en hij dit toneel betraden ging volledig aan hem voorbij. Zijn zwaard was links van hem geëindigd met zijn draaibeweging Arata te onthoofden. Zonder tijd of energie te verspillen bracht hij deze alweer terug in de strijd en doorkliefden twee andere zombies die zich binnen zijn werkruimte hadden gewaagd. De zombie die de Reuze Navelpad vasthield, kneep nog iets harder in het dunne keeltje van de pad en wilde hem naar de muur slingeren. Onze bruine vriend verloor daarbij de grip op zijn lange stok en liet deze op de grond kletteren. Retroman was deze actie echter voor en gaf de zombie een saltotrap. Hiermee werd de zwaaibeweging met de pad halverwege afgebroken en donderde hij uit de lucht.

Een kostbare minuut ging verloren waarin hij zichzelf moest herstellen. De zombie lag gebogen onder de benen van Retroman en was nauwelijks gedeerd door de trap die was uitgedeeld. Maar Retroman gaf hem geen kans om zich weer op zijn benen te hijsen. De zombie voelde de punt van het zwaard al gauw door zijn ribbenkast glijden. Tegen zijn hoofd kreeg hij een artistieke schop na om er zeker van te zijn dat de zombie ermee werd uitgeschakeld.

Nu was er even een kort moment voor het heldhaftige duo om zich te recapituleren. Binnen het bereik van vijf meter schuifelden enkele nieuwe zombies alweer dichterbij. De pad snakte niet langer naar adem, maar zijn eigen botjes klaagden nog jammerlijk van de smak die hij had gemaakt. Niet alleen zijn fysieke conditie ging eraan, ook zijn honger naar energie nam vormen aan waar hij maar moeilijk tegen kon vechten. Ook Retroman’s mensenvlees werkte bijzonder aantrekkelijk op dit ondode volk. Als een magneet trok hij nieuwe monsters aan die uit waren op zijn hersenen en andere organen. De meeste zombies die hun weg naar dit plein hadden gevonden kwamen door de wirwar van steegjes, trappen en straten naar deze plek. Het tweetal zette zich schrap op de nieuwe aanvallen, maar de Reuze Navelpad bedacht iets slinks. Bij het zien van de meer dan honderd zombies die op hun afkwamen zei hij:
“Dit trekken we niet. Ik ben aan het einde van mijn Latijn en jij lijkt ook niet veel energie meer te hebben.”
Retroman knikte.
“Klim langs de huizen naar boven. Lukt dat nog?”
Misschien had de Reuze Navelpad die vraag beter aan zichzelf kunnen stellen, maar hij hield zich groot.
“Euh ja, laten we het maar gewoon doen,” antwoordde Retroman.
“Het zal de zombies meer moeite koste dan wij om boven te raken. Mochten we elkaar uit het oog verliezen, probeer dan in elk geval weer bij mij te komen. Ik heb een plan.”

Wordt vervolgd.

Vorig hoofdstuk: De ontmaskering
Volgend hoofdstuk:  Honger

By retroman | February 19, 2011 - 1:18 pm - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Duimzuigerij, Nederlands

image by informatique, edited by Gsorsnoi

Er zijn aangenamere plekken te bedenken om de nacht door te brengen dan op een kerkhof.
Toch stond daar een eenzame gedaante in de duisternis, even roerloos als de grafzerken die hem omringden.
Het statische tafereel werd plotseling in beweging gebracht door een kille herfstbries. Overal ritselden struiken en vanuit de klokkentoren galmde zachtjes een morbide gerinkel. Dichtbij schraapten dorre takken langs het toegangshek alsof ze een harp aan het bespelen waren.
Dit naargeestige schouwspel zou menigeen doen huiveren, maar Nathan was niet meer in staat om angst te voelen. Angst ervaar je wanneer je bang bent om iets te verliezen; hij had alles al verloren wat hem dierbaar was.
Een jaar geleden waren Nathan en zijn vrouw betrokken geraakt bij een tragisch verkeersongeval. Een dronken trucker was op de verkeerde weghelft beland en had in een oogwenk het asfalt getransformeerd tot een luguber tapijt van verwrongen staal, verschroeid rubber en bloed.
Hoewel Nathan op het laatste moment zijn auto uit de baan van de op hol geslagen vrachtwagen had weten te manoeuvreren, kon hij niet voorkomen dat een rondvliegend brokstuk zich door de voorruit boorde en zo genadeloos een einde maakte aan de mooie toekomst die het pasgetrouwde stel had uitgestippeld.

Hier stond nu de lege huls van een man, de glinstering in zijn ogen reeds lang verdwenen. Er was voor hem geen reden meer om te bestaan. Zonder zijn geliefde was alles ondraaglijk.
Gedreven door een obsessief verlangen naar haar affectie, was voor hem de grens tussen leven en dood dusdanig troebel geworden dat deze geheel leek te zijn verdwenen.
Soms dacht hij haar tot hem te horen spreken; troostende woorden, maar ook woorden doordrenkt van verdriet vertrouwde zij hem dan toe. Het was op momenten zoals deze dat hij haar aanwezigheid het sterkst voelde. Dit deed hem geloven dat het graf geen rustplaats was, maar een gevangenis van de ziel.
Zijn onvermogen om los te laten resulteerde in de onwrikbare overtuiging dat zelfs Magere Hein hen niet kon scheiden.
Nathan was klaar om zich weer met zijn echtgenote te herenigen.

*

Voor het eerst in tijden zag de woning er weer opgeruimd uit. Vergeelde foto’s en condoleancekaarten waren in een doos gestopt en op zolder gezet, talloze lege wijnflessen hadden de bodem van de glasbak gevonden en het bed – nu al een jaar niet beslapen – was van nieuwe lakens voorzien. Eindelijk leek het huis niet langer op een stoffig reliek uit een grijs verleden.
Geestelijk ging het ook stukken beter. Slapeloze nachten en paniekaanvallen waren minder frequent geworden, en de immense somberheid waar het afgelopen jaar door werd gedomineerd begon langzaam maar zeker plaats te maken voor een meer hoopgevende stemming.
Natuurlijk was de pijn nog lang niet geheeld, maar er was duidelijk vooruitgang geboekt.

Na de dood van haar man had Linda de buitenwereld de rug toegekeerd. Ze verwaarloosde zichzelf en zocht tevergeefs troost in drank en zware antidepressiva. Het had niet veel gescheeld of ze had de hand aan zichzelf geslagen.
Mede dankzij de steun van haar familie was het Linda met veel pijn en moeite toch nog gelukt om uit dit diepe dal te klimmen. Vooral haar zus liet geen kans onbenut om de treurende weduwe mee te sleuren naar kookcursussen, theatervoorstellingen, danslessen en dergelijke activiteiten. Alles om de aandacht af te leiden van haar verdriet en haar te beletten in een verbitterde kluizenares te veranderen.
En hoewel Linda zich in het begin hevig verzette tegen deze bemoeienissen, zag ze na verloop van tijd in hoeveel baat zij hierbij had. De dikke muur van rouw die rondom haar was opgetrokken, begon beetje bij beetje af te brokkelen. Eindelijk was ze weer in staat om te lachen.

Die avond sliep ze voor het eerst weer in haar bed in plaats van op de bank. Ze had de slaapkamer steeds ontweken omdat die zo kil en leeg had geleken zonder haar man. Een beetje onwennig was het nog wel, om daar te liggen zonder het warme en veilige gevoel van zijn lichaam tegen het hare, maar nu had ze eindelijk de moed gevonden om dat deel van haar verleden los te laten.
Al gauw viel zij in een vredige, diepe slaap.

*

Diep in de nacht strompelde een zonderlinge figuur over straat. Zijn armen hingen slap naast zijn lichaam en zijn rechterbeen sleepte over het trottoir alsof er een loden bal aan was bevestigd. De weinige passanten die op zijn pad kwamen, liepen zonder uitzondering met een grote boog om hem heen.
Hoewel zijn lijf duidelijk zwak en broos was, leek niks hem ervan te kunnen weerhouden zijn bestemming te bereiken. Met de blik op oneindig en gewapend met een onuitputtelijk doorzettingsvermogen doolde hij stug verder.
Urenlang zwierf hij door de duisternis, totdat hij uiteindelijk voor de toegangsdeur van een appartementencomplex stopte. Hij deed instinctief een graai in zijn binnenzak, maar zijn sleutels waren nergens te bekennen. Hierop begon hij aan de deurknop te morrelen in een halfbakken poging het pand te betreden.
Voordat hij tijd had om een andere aanpak te verzinnen, werd de deur geopend door een gezette vrouw die op het punt stond haar hond uit te laten. Glimlachend liet zij de man binnen en wilde hem een fijne nacht wensen, maar toen zij in zijn ogen keek bleven de woorden in haar keel steken en sleurde ze haar viervoeter haastig mee het pand uit. Geblaf schalde door de slapende stad en werd prompt vergezeld door het nerveuze getik van hoge hakken.
Terwijl achter hem de deur in het slot viel en de buitengeluiden verstomden, begon het curieuze individu de trap te beklimmen. Tree voor tree trok hij zichzelf aan de trapleuning omhoog, totdat hij de deur tegenkwam waar het juiste nummer op stond.

*

Linda sliep nog steeds als een roos. Een goede nachtrust kon ze wel gebruiken. De zware periode die zij had moeten doorstaan had zijn tol geëist; haar gelaat was erg bleek en diepe kringen stonden onder haar ogen.
Toch was er een glimlach op haar gezicht te bespeuren. Een glimlach die verraadde dat zij weer in staat was om haar ogen te sluiten zonder gekweld te worden door nachtmerries waarin piepende banden, krijsende claxons en versplinterd glas figureerden.
Lang had ze echter niet van haar slaap kunnen genieten, want gestommel in het trappenhuis deed haar verschrikt ontwaken. Ze ging rechtop zitten, streek een donkerblonde lok uit haar gezicht en tuurde naar de klok, waarna ze een diepe zucht slaakte en weer met haar hoofd op haar kussen plofte.
Ze vond haar bovenbuurvrouw een schat van een mens, maar haar gewoonte om midden in de nacht haar hond uit te laten kon ze een stuk minder waarderen.
Geïrriteerd trok ze de deken over zich heen en sloot haar ogen.
Net toen ze weer een beetje begon weg te dommelen, werd ze nogmaals opgeschrikt door lawaai in het trappenhuis. Ze probeerde het eerst nog te negeren, maar toen het aanhield besloot ze uit haar bed te stappen om de buurvrouw eens streng toe te spreken. Slaperig maar vastberaden liep ze naar de deur en opende deze met een grote zwaai.
Verbijstering, ongeloof en doodsangst maakten zich van haar meester toen zij Nathan ineens tegenover zich zag staan. De expressieloze ogen in zijn grauwe, door rotting aangetaste gezicht leken dwars door haar heen te staren. Zijn onderkaak hing scheef en er zat een gapende opening op de plek waar zijn neus ooit had gezeten. Hij droeg een stoffige zwarte smoking; dezelfde waarin hij zowel getrouwd als begraven was.
Linda wilde gillen, maar haar vrees was dermate verstikkend dat zij geen geluid meer kon uitbrengen. Als gehypnotiseerd bleef zij in de deuropening staan terwijl hij tergend langzaam dichterbij kwam.
Voorzichtig bracht hij een trillende, knokige hand naar haar gezicht. Vanuit haar ooghoeken zag Linda dat de huid van zijn vingertoppen bijna geheel was weggerot.
Hij streelde haar wang. Dat was altijd het eerste wat hij deed wanneer hij Linda begroette. Zo liefdevol als dit kleine gebaar vroeger was geweest, zo koud en mechanisch voelde het nu. Het was het product van een vage herinnering aan een oude gewoonte, ontdaan van alle menselijkheid.
Nathan leunde naar voren en drukte zijn halfvergane lippen op de hare. Het was het laatste wat Linda voelde voordat haar levenskracht onverbiddelijk werd weggenomen.

*

Verslagenheid stond op de gezichten van de veelal in het zwart geklede bezoekers die zich rond het graf hadden verzameld. In de stromende regen zochten zij troost en warmte bij elkaar, hun geweeklaag overstemd door het onophoudelijke gekletter van druppels op de eikenhouten kist. De bloemen die zij hadden meegebracht, leken op deze grauwe ochtend nagenoeg kleurloos.
Hoewel Linda’s overlijden in mysterie was gehuld en de doodsoorzaak niet kon worden achterhaald, gingen de meeste mensen er van uit dat de eenzaamheid haar te veel was geworden.
Terwijl haar doodskist langzaam in het graf naast dat van Nathan neerdaalde, vonden vrienden en familie berusting in het feit dat Linda nu tenminste niet meer alleen zou zijn.

De hereniging was voltooid.

image by Kevin-kun, edited by Gsorsnoi

De achttien jaar jonge man bewoog zich soepel door de natuurlijke obstakels van het Jiundimoeras. Hier waar de noordelijke zacht golvende plateau’s van Zambia langzaam overgaan naar een terrein met meer hoogteverschillen naarmate je meer naar het Oosten beweegt, kende Kaondé het woud als zijn broekzak. Ten noorden van het West Lunga National Park in het grensgebied met Congo en Angolo ligt Mwinilunga. Het stadje wordt doorkruist door dezelfde rivier de Lunga waar het lagergelegen park haar naam aan dankt. Het is de rivier waarlangs Kaondé bij zijn stam is opgegroeid. Gebukt onder zware depressies die de levensduur van het tropisch regenwoud verder verlengen, sleepte hij zich door de begroeiing en ontweek iedere overhangende tak met het zuiverste gemak.

Aangekomen op een bescheiden open plek tussen al dat groen kreeg deze jonge Zambiaan de schrik van zijn leven. Met haar schedel van hem afgewend lag daar iemand in de kreukels tegen de ontblote wortels van een woudreus waar mossen en zwammen zich dankbaar aan tegoed deden. Hij spoedde zich naar haar toe en moest zijn adrenaline beteugelen om zijn voet niet te verzwikken in een petieterige waterstroom die het open terrein doorsneed. Dit was de plek waar het drama zich had voltrokken. Hier sloeg eerder het noodloot van Kaondé’s zusje toe.

Zonder er al te veel aandacht aan te besteden plantte hij zijn speer tussen de varens en knielde naast haar neer. Van het lichaam was niet veel meer over dan een half kaalgevreten geraamte. Alleen pezen met repen vlees van verschillende formaten waren nog aan haar botten bevestigd.  Het monster of het dier dat zich aan haar te goed had gedaan was zich allerminste van enige tafelmanieren gewoon. Tezamen met het overgrote deel van haar rok en een stuk romp lag één van haar benen gescheiden van de rest van haar lichaam. Het andere been was verdwenen. Gevoelens van paniek en gruwel trachtten bezit te nemen van deze aangeslagen broer toen hij zijn blik vasthield op haar zwaar verminkte gelaat. Maar hij wist het zeker. Hij had geen bevestiging nodig van het patroon dat zijn zusje zelf op haar rokje geschilderd had om er bij de mannen mee in de smaak te vallen. Dit was Kwalila.

Tien vingers groeven zich verbeten in de drassige ondergrond toen een waterval van tranen zich tezamen met een ijzingwekkend kreet opbouwden om los te barsten. Kaondé zou hebben gewild dat de inboorlingen bovenin Congo hem hadden gehoord met het keelgeluid dat klaarstond om over zijn lippen gebruld te worden. Hij was alleen zo slim om dat juist niet te doen. Een overvloed van zout vocht was het enige wat loskwam. Tranen schreiden tussen de regendruppels over zijn wangen. Hartverscheurende emoties van verdriet om verlies maakten plaats voor bittere boosheid. Kwalila´s dood moest gewroken worden.

Een rood besmeurde varen die hij eerder met zijn schenen plat tegen de grond had gedrukt bleef nog onder zijn gewicht gebogen toen hij zijn bovenlichaam naar achteren liftte. De punt van de speer trok hij los uit de bodem en tuurde furieus om zich heen. Om zijn beweeglijkheid te vergroten sprong hij in één beweging vanaf zijn positie in een gehurkte stand en zocht alle bomen en planten af. Verkneukeld blad van het varen plakte onder Kwalila’s bloed aan zijn knie.
“Waar ben je?” en “Waar zijn jullie?” sprak hij woest in dezelfde taal waaraan hij zijn naam dankte. De bomen antwoordden niet, de planten al evenmin. Kaondé liet zijn blik niet meer langs het ontzielde lichaam van zijn zusje glijden. Zijn focus was erop gericht het monster te vinden dat verantwoordelijk was voor deze gruwelijke afslachting. Gefixeerd op ieder blad dat afwijkend bewoog van de rest onder de stroom van regen die uit de lucht kwam zetten probeerde hij eventuele belagers te ontwaren. Het geluk was alleen niet met hem.

Een plotselinge ferme pijnscheut in zijn rug maakte dat hij de grip op zijn speer verloor. Op dat moment wist hij dat zijn grootste kansen op succes al verkeken waren. Nu was hij ontwapend en tevens verslagen in de strijd de eerste te zijn die op de vijand toebeet. Klauwen die zo dodelijk waren als die van een adelaar hadden zich in de spiermassa van zijn rug verankerd. Twee nagels schraapten bijna evenwijdig aan elkaar langs zijn ruggengraat. De andere drie van elke klauw doorboorden aan iedere zijde de onderkant van een long.

De onzichtbare belager die de jonge Zambiaan had aangevallen was de Kongamato, een voorhistorisch vliegend reptiel die de bevolking van de Kikaondéstam nog steeds hele actuele angst inboezemen. Nog steeds hebben niet alle details van deze ongevederde schrik van het woud tot de overtuiging geleid van cryptozoölogen die zich bezig houden met het onderzoeken van de bestaanbaarheid van onbekende levensvormen met onwaarschijnlijke karakteristieken. Meldingen van ontmoetingen met dit beest zijn simpelweg te schaars, omdat de meeste mensen zo’n confrontatie niet overleefd blijken te hebben.
Eenzelfde lot was Kaondé bezegeld. Twee even kleurrijke pterodactylen verschenen vanuit het niets tussen het gebladerte, maar meer dan geamuseerd pottenkijken zouden ze op dat ogenblik niet doen. Hun maaginhoud was nog rijk van vers en onlangs buitgemaakt mensenvlees. Eén van hen stak even een lederen vleugel terug omhoog om deze beter naast zijn lijf te kunnen opvouwen. Daarbij gebruikmakend van zijn lange snavel om de boel een beetje gepast onder de oksel te krijgen. Het was niet verwonderlijk dat de Kongamato een ongemanierde tafelgast was: uit zijn snavel staken meerdere puntige tanden die netjes eten onmogelijk maakten. Onder de tak waarop hij samen met de andere zat, bungelden twee ruitvormige staarten naast elkaar. Voor hun volgende maal hoefden ze enkel te wachten tot de jongeman bezweek.

Dezelfde soort torretjes die Kwalila en Kaondé eerder die ochtend hadden buitgemaakt om zelf van te snoepen, hadden hun weg reeds gevonden naar de restanten van het jonge meisje. De twee hadden een vaartocht over de wateren van het Jiundimoeras koste wat kost willen vermijden, omdat het zwarte hart van de duisternis er waakte. De Kongamato had onder de inboorlingen de reputatie van ‘botenbijter’ gekregen. Dit monster staat erom bekend kleine boten aan te vallen en tot zinken te brengen. Nu waren zij evengoed hun dood tegemoet gelopen bij het verzamelen van voedsel in de bossen. Zij hadden zich, zonder het te weten, te dicht bij het nest van de Kongamato’s  gewaagd.

Kaondé worstelde heftig om deze ongenode gast van zijn rug te kunnen verwijderen. De monsterachtige vogel had zich echter zo vast gegrepen in zijn huid, dat hij eveneens worstelde om los te komen. Slagen daarin deed hij niet. Bloed stroomde rijkelijk over de klauwen en langs Kaondé’s rug naar beneden. Schreeuwend was de pijn die hij ervoer bij iedere poging van zichzelf, maar ook van de vogel om zich van elkaar te kunnen scheiden. Het was alsof een leeuw zijn nagels aan zijn rug wilde scherpen en er in bleef vastzitten.

Eén moment keek hij naar zijn soortgenoten die afwachtend aanschouwden hoe hij sterven zou. Hij wilde zich van hun uiterlijk en fysieke mogelijkheden vergewissen, zodat hij zijn eigen kansen op waarde kon schatten. Met de angst dat de vogel zou gaan beginnen om zijn rug open te pikken besloot hij daarom om er mee naar een boomstam te rennen. Daar was hij reeds te laat mee. De eerste hap liet een gapend heftig bloedend gat in zijn nek achter. De angst voor nieuwe helse pijnen die hij zou ervaren verdrong hij wilskrachtig. Hij moest en zou de Kongomato op zijn rug tegen de boom schuren om hem los te werken. Zijn opzet was tot mislukken gedoemd. In de botsing met de boom kwam er slechts één poot los en de jonge vogel raakte verpletterd onder het gewicht van de jongeman. Onderweg naar deze grote woudreus was Kaondé over zijn eigen speer gestruikeld en had zijn been er akelig mee ontwricht.

Zwaargewond en met de dode vogel nog aan zijn rug gekleefd was Kaondé’s situatie aan het verslechteren. Het bloedverlies liep op en maakte dat hij zichzelf niet meer op de been kon krijgen. Misschien was het toegeven aan het van achteren opgevreten worden door de vogel helemaal nog geen verkeerde optie geweest. Dat had zijn lijdensweg kunnen bekorten. In plaats daarvan lag hij nu langzaam tegenover zijn zusje te sterven in zijn eigen levenssappen. Wachtend op de hulp die nooit zou komen. Wachtend tot de twee overgebleven Kongamato’s weer honger zouden krijgen.

By gsorsnoi | February 13, 2011 - 7:30 am - Posted in Duimzuigerij, Nederlands

Het woordenboek der Magnaten is een verzameling woordbetekenissen voor superieure en minder superieure individuen die zich voor de arbeid of de hobby toeleggen op een zekere bezigheid die vaak wat oneerbiedig als ‘spelletje’ bestempeld wordt. Meer dan elf jaar geleden inmiddels verscheen deze verzameling woordbetekenissen als naslagwerk voor enkele fanatieke bordspelers. Het merkwaardige gezelschap bestaande uit de grootgrondbezitters Willem Kwak, Rio Raat en Paul van der Zee bezigden familiespellen op zo’n hoog niveau, daar kunnen normale stervelingen nog altijd niet tegenop. ‘Risk’, ‘Tycoon’, ‘Monopoly’, ‘Holland’s Glorie’ … stuk voor stuk ging het om spellen waar absolute macht het ultieme doel was. Zoals wel valt te verwachten, namen deze heren de zaak bloedserieus en maakten er zeker geen potje van.

De terminologie die nonchalant over de tafel werd gesmeten bestond – naast de deftige scheldpartijen – voornamelijk uit kreten waarvoor universitaire scholing een must was om ze te kunnen begrijpen. Vreemd genoeg komen deze woordbetekenissen niet voor in de van Dale zodat wij ons genoodzaakt zien hier de aanvullingen te publiceren.

Heden, ruim een decennium later, zijn de tijden flink veranderd. Een enorme golf van criminaliteit is over ons land getrokken. En met die golf heeft de Neerlanse taal een forse verandering ondergaan. Nieuwbakken giganten uit Gohes City die zich opwerken om de ‘Tycoon’-status te kunnen bereiken wordt geadviseerd om weerstand te bieden tegen de typetjes die straattaal in de mond durven nemen. Met name de straatsoldaten zijn voortdurend in de weer om onze moedertaal te verkrachten. In de strijd tegen deze verloedering van onze taal bevelen wij de voorvechters van de schone communicatie het ‘Magnatenwoordenboek’ aan:
(aanvullingen zijn welkom!)

A

  • Ach-ter-‘af bw min acht.
  • Ach-ter-‘een bw komt twee.
  • ‘A-der|ver-kal-king v -en ziekte onder bordspelers als zij koken van woede als ze verliezen van de tegenspeler(s).
  • Al-‘licht bw niet langer donker.
  • A-na-‘gram v warrig zwaar ondervoed meisje die luistert naar de naam Ana.
  • Ar-che-o-‘loog m, v –logen bordspelers die het hele spel doorzeuren over gedane zaken.
  • ‘Au-to-weg m –en straat in Nederland waar geen personenwagens mogen rijden. Anders worden ze weggesleept.
  • A-ve-‘rij v -en kordon groetende Romeinen.

B

  • ‘Ba-by-|zit-je o erg jonge slechterik uit Star Wars.
  • ‘Bag-ger-mo-len m –s instrument waarmee een verveelde magnaat in het reukorgaan zit te wroeten in de hoop er nog iets zinnigs uit te krijgen.
  • Bank-|‘roet o –en smet op het saldo.
  • Bed-‘rag o –en weefsel der spinnen gevonden in een lang onbeslapen bed.
  • Be-‘gro-ten -grootte, h -groot kijken hoeveel geld je kan uitgeven in het spel om je tegenstanders zoveel mogelijk te dwarsbomen.
  • ‘Bel-gen-mop m -pen Antwerps schoonmaakartikel.
  • Be-nard bn, bw iem. die voor joker is gezet.
  • ‘Bi-ki-ni-|be-wa-ker v -s WSNOI-fan met ondergoedfetisch.
  • Bo-ven-‘stuk v -en beneden werkt het wel.
  • ‘Boe-ken-leg-ger v(o) –s slaapkamermeubel waarin bibliothecaressen in worden verwekt.
  • ‘Boe-li-mi-a v door herkauwen veranderen in een koe.
  • ‘Bouw-val m -len listig trucje van een aannemer om de klant financieel klem te zetten.

C

  • Cal-cu-‘la-tor –s –toren berekenend insect.
  • Cho-co-‘la m plaats waar reepjes worden bewaard.
  • Clow-‘nesk bn, bw gedraging van een beginnende bordspeler als hij meent een eerst goede zet te hebben gedaan.
  • Cul-ti-‘ve-ren –veerde, h gecultiveerd het deponeren van een bouwsel in een stad met als doel er iets beschaafds mee te ontwikkelen.

D

  • Daad’wer-ke-lijk bn 1 als er na lang bakkeleien eindelijk een beslissing wordt genomen in een spel 2 na het niet opletten toch besluiten tot actie te komen.
  • Di-a-‘mant o bewaarbak voor projectieplaatjes.
  • ‘Dood|von-nis o -sen de fatale zet van een bordspeler.
  • ‘Dron-ken m alcoholverslaafd ex-vriendje van barbie.
  • ‘Dronk-aard m wijsneus uit Sesamstraat die er wel een paar lust.
  • ‘Druk-|fout v(m) –en naast de pot gescheten.

E

  • ‘E-del-steen m -stenen kei waar blauw bloed door stroomt.
  • ‘Ei-cel m- en gevangenis voor jonge kippen.
  • ‘Ei-lei-der m -s autoritaire kip.
  • ‘Eind|klas-se-ment o -en uitslag van een bordspelletje.
  • Ef’fect-be-jag o het overmatig streven naar het maken van indruk.

F

  • Foe’draal o –dralen het los overtreksel van de lege hersenpan wat men de huid pleegt de noemen.
  • ‘For-tuin v –en zwaar beveiligde grond aan de voorzijde van een gebouw.
  • Front o -en het oorlogsgebied waarin de bordspelers strijden. Verkleinwoord: -je. Dit heeft de bordspeler op zijn telefoon geplaatst om te patsen bij de tegenstanders.

G

  • Galg v(m) voorloper van de letterbak tevens zondebok voor alles wat niet deugt aan WSNOI.
  • Ga-‘zon v 1 uitspraak van een regenliefhebber 2 –nen persoon met een fobie voor lijkbleke mensen.
  • Ge-‘bak-je o -s niet noemenswaardige tegenstander.
  • Ge‘bed o -en het voorrecht in gesprek te zijn met Gsorsnoi.
  • Ge‘belgd bn bij de neus genomen zijn.
  • ‘Geld-boom v(m) opgeblazen kluis.
  • Ge-‘dach-te-gang m -en ontvangstkamer van de Duimzuigerij.

H

  • ‘Hol-lee-der m leren string.
  • ‘Hoog-zwan-ger bn ongeduldig worden van een ander z’n getreuzel.

I

  • ‘In-boor-ling m, v sprokkelfiguur.
  • Ir-ri‘ta-tie|grens m -en als dit bereikt wordt, wees dan op je hoede, want dan gaat het hard tegen hard.
  • I-so-‘leer m -eren keurmerk voor koeienhuid.

J

  • Jeuk m tinteling die je ondervindt als je te veel met je rivalen te maken krijgt.

K

  • ‘Kap-sa-lon m en o -s luxe verblijf voor houthakkers.
  • Ka-ra-‘vaan v(m) –vanen verzameling nietsnutten.
  • ‘Kat-te-bel o -len deurbel op een kattenluikje.
  • Ka-‘zu-bans o Zbersibarn-centen.
  • ‘Kof-fie m –s Ghanese diplomaat met navelpluisje.
  • ‘Kop-lo-per m, v -s ondersteboven atleet.

L

  • Lad-der-‘zat m(o) –en 1 dronken dakdekker 2 dakdekker die het helemaal gehad heeft met zijn ladder.
  • Li-qui-‘da-tie v –s liefkozing van de tegenstander.
  • ‘Lift-boy m –s jongeman die hogerop wil.
  • ‘Los-|geld o –en zeer kleine geldbedragen waar tyconen hun hand niet voor omdraaien.
  • ‘Lucht|ko-ker m -s kok in een vliegtuig.

M

  • ‘Ma-ten-naa-ier m, v -s (inform) oversekst persoon met zeer ernstige galgjeafwijking!
  • ‘Ma-trix v zo wordt de koningin door haar kinderen aangesproken.
  • ‘Melk-bus v (m) –sen touringcar voor koeien.
  • Mil-jo-‘nairs-|beurs m -en goedgevulde portomonaie.
  • Mi-‘ni-ster m, v -sheel kleine ster.
  • Mo-no-‘po-lie o -s -liën ouderwetse versie van stereopolie.
  • ‘Mug-gen-zif-ter m, v -s persoon die de grote gendeeltjes van muggen van de kleine gendeeltjes scheidt met een zeef.
  • Mu-‘ni-tie v ander woord voor stemvibratie bij uiting van negatieve energie.

N

  • ‘Naakt|lo-per m, v –s bankroetfiguur.
  • Non-ac-‘tief bn ADHD zuster.
  • ‘Na-vel-|klop-per o -s hij of zij die de meeste anagrammen in een reeks oplost. Niet te verwarren met een medicijnman uit de stam van stamhoofd Pauklos die zich ritueel vermaakt met totemgeroffel op de navels van zijn dorpsleden om de verveling te verdrijven.
  • ‘Na-ve-log-ie m verzameling woordbetekenissen die toelichting geven op termen die zijn ontstaan vanuit het anagrammenspel op de Tycoon Newspaper en het Navelpad Mysterie.
  • ‘Na-vel-|pluis-je o –s ontstaat wanneer de Reuze Navelpad heeft liggen ronken en niet echt heeft opgelet met welke letters hij een anagram heeft willen bouwen. Zo missen er letters in een anagram, staan er verkeerde letters tussen of staan er zelfs te veel letters bij. Dit leidt bij de ontanagrammaniseerders tot grote frustraties wanneer zij ontdekken dat er iets niet pluis is. Of eigenlijk: er is juist iets pluis, er zit namelijk een navelpluisje in dit anagram!

O

  • Ont-a-na-‘gram-ma-ni-se-ren –eerde, -eerd oplossen van een anagram.
  • Ont-a-na-‘gram-ma-ni-seer-der m oplosser van een anagram.
  • Ont-‘na-ve-len –navelde, – naveld verbastering van ontrafelen indien van toepassing op anagrammen.
  • Ont-‘goo-che-ling v -en illusionist die de mist in gaat.
  • ‘Op-los|kof-fie m terwijl je niet weet hoe je een situatie precies moet oplossen, deze situatie vervolgens maar een beetje geïmproviseerd en slecht afwerken.
  • ‘Over-|stap-pen stapte, gestapt synoniem van overlopen naar de vijand.
  • ‘Over-|u-ren m de nacht op WSNOI doortrekken.

P

  • Pa-rel-|‘moer o vrouwelijke oester.
  • ‘Pat-stel-ling v amfibisch standpunt.
  • ‘Plan-ten-bak o grapje van de tuinman.
  • ‘Pok-ken-weer o humeurige stemming aan tafel.
  • Po-‘si-tie v –s toiletfunctionaris.
  • ‘Pret-|park o –en speellocatie in Californië voor jonge ondernemers die zich graag blootgeven.
  • Pro-‘cent o -en voorstander van kleingeld.

Q

  • Qua-ran-‘tai-ne v(m) isolatieruimte voor mislukkelingen.

R

  • ‘Re-bus m –sen met een zeer onbegrijpelijke stelling naar voren komen.
  • Recht-‘scha-pen kudde bn, bw wollige ambstdragers.
  • ‘Reu-zen-|rad o -eren doorgeschoten knaagdier.
  • Rijk-|dom m blonde miljonair.
  • ‘Rij|tuig o -en stel boeven op een rij.

S

  • ‘Schijn-hei-li-ge m huichelaar die lichtgevende wonderen verricht.
  • ‘Schoon-ge-maakt m niet echt schoon.
  • ‘Sneeuw-bal m -len testikel van een koel persoon.
  • ‘Spaar-|var-ken v initiatiefloze schijterd die tegenstanders schaamteloos het vuile werk laat opknappen.
  • ‘Strop-|das v(m) –sen accessoire bij de galg. Afkomstig van een klein marterachtig roofdier.
  • ‘Sud-de-ren sudderde, h gesudderd het lijdende houden van je tegenstander.
  • ‘Sui-ker-|pot v v spaarpot van een lesbische filantroop. In alle kleuren leverbaar behalve roze.

T

  • ‘Tank-|sta-ti-on o –s 1 basis voor zwaargeschut 2 synoniem voor koffieautomaat.
  • The-o-‘loog m,v -logen Theo speelde vals.
  • ‘Tijd-|schrift o –en tijd uitgedrukt in woorden.
  • Ton-‘deu-se v –s synoniem voor hand, hiermee kortwieken tegenstanders elkaars belangen.
  • ‘Trau-ma v(m) en o -‘s en mata schoonmoeder.

U

  • ‘Uit-laat-plaats m –en plek op de achterkant van de bolide van een zakenman waar het vehikel zijn ongenoegen uit.
  • U-‘ra-ni-um o en m 1 Tycoonciaanse likeur; 2 een radioactief handelswaar; 3 een wel veel tijd in beslag nemende sanitaire ontspanning.

V

  • ‘Va-ge-vuur o (r-k) door magnaten veel genuttigde tabaksoort.
  • ‘Vrucht-baar bn, bw; -der -st bevalling van een perzik.
  • Vuur-spu-gen-de zons-ver-duis-ter-ing de-tec-tive v –s vurige doch omslachtige manier om een (moord-)zaak te duiden. Maandelijks verschijnt er een zaak op de Tycoon Newspaper die onder leiding staat van inspecteur Karel Riemelneel. Magere Hein heeft in de meeste gevallen een foto voor Karel achtergelaten die een verwijzing moet zijn naar het moordwapen. Lezers van de Tycoon Newspaper kunnen zelf in de rol kruipen van inspecteurs door Karel te helpen de zaak op te lossen. De spelregels zijn hier na te lezen.

W

  • ‘Wa-ter-|lei-ding v –en hij of zij die beslist of je naar het toilet mag.
  • ‘Wa-ter-|or-gel v(o) –s variant op muziekinstrument welke doorgaans bespeeld wordt in Purmerend.
  • Wa-‘xi-ne-licht-je o –s weinig voorstellende schijntegenstander.
  • ‘Weer-|man m –nen resultaat van tweede genderoperatie.
  • ‘Weer-zin-|wek-kend bn gevoel van terugkomen van je lust.
  • ‘Wel-licht v(o) had iemand het licht uitgedaan dan?
  • ‘Wind-gong m -en onwelriekend slaginstrument.
  • ‘Win-naar m irritant iemand die altijd de beste wil zijn. We noemen geen namen!
  • ‘Wis-kun-de v studie naar versierde eierkoppen.
  • ‘Wolk-|breuk v(m) –en reken maar op een huilbui indien een tycoon verliest.
  • Won-der-|‘lijk o miraculeus stoffelijk overschot.

X

  • Xe-no-fo-‘bie v drang om je tegenstander voor van alles en nog wat uit te maken, terwijl je eigenlijk niet goed tegen je verlies kan.

Y

  • Yen m –s irriterende valsemunter.

Z

  • ‘Zak-ja-pan-ner m calculator voor trage economen.
  • ‘Zber-si-barn o -nen munteenheid van WSNOI.
  • ‘Zin-loos v – zen magnaat met spraakwaterval.
  • ‘Zom-bie m, v -s ondode die zowel vrouwelijke als mannelijke hersenen lust.
  • ‘Zuip-lap m, v -pen stuk textiel met stuk in de kraag.
  • Zwoel v sensueel damspel op lange afstand.

Aanvullingen:
februari-2011: door Retroman, Paap, Jolien van Biesheuvel, BoB de Winter en Zombie
09-05-2009: door Straatsoldaat
07-09-2001: door Doubleyou