By achmedlien | January 26, 2017 - 2:23 pm - Posted in Duimzuigerij, Nederlands

“Goedemorgen, Tinus,” groette ik mijn collega op een maandagmorgen toen ik hem bij het koffieapparaat in het redactiegebouw tegenkwam.
“Goedemorgen, Achmed.”
“Zo, jij klinkt vrolijk,” merkte ik op zodra mij de opgewektheid in zijn stem opviel. “Heb je dit weekend weer een mooi reisverslag op papier gezet?”
“Nee, dat niet,” antwoordde hij met een strakke glimlach op zijn gezicht en een twinkeling in zijn ogen die wat fraais aankondigde. “Mijn weekend was ditmaal een heus droomavontuur.”
“Nou, dat klinkt beter dan de nachtmerries die ik doorgaans beleef,” reageerde ik op zijn veelbelovende verklaring.
“Ik zou inderdaad niet graag met je willen ruilen,” sprak hij beslist.
“Wel, vertel eens,” moedigde ik hem al aan, waarna ik de eerste voorzichtige slok van m’n hete koffie nam. “Jou kennende zal je weer weinig aan het toeval hebben overgelaten.”
Tinus schikte trots zijn stropdas en liep al pratende met mij op naar de redactievloer.
“Achmed, je zult het niet geloven, maar dit weekend ben ik in het gezelschap geweest van aangenaam vrouwelijk schoon en samen zijn we de jungle van de Inca’s ingetrokken.”
“Wacht even,” onderbrak ik Tinus, al even verbaasd over de introductie van zijn metgezel als van de opmerkelijk setting die hij schetste. “Ik dacht dat je net zei dat dit geen reisverslag zou worden?”
“Ik ben ook niet in het buitenland geweest,” verzekerde Tinus mij. “Maar luister geduldig naar wat ik je te vertellen heb en laat je verbazen.”
“Al goed,” sprak en glimlachte ik verwachtingsvol. “Je hebt me nieuwsgierig gemaakt, dus ik ben ik één en al oor.”
“Goed zo,” lachte hij opnieuw. “Ik zal je niet teleurstellen.”
Zo liepen we tezamen de redactievloer op en knikten we een ‘goedemorgen’ naar de aanwezige collega’s terwijl hij begon te vertellen.
“De belevenis van dit weekend was als een zoete droom, waarin we ons in lang vervlogen tijden waanden en we samen door een dichte jungle van Zuid-Amerika trokken. Ergens diep in het oerwoud troffen we tussen het groen de buitenmuren aan van wat ons aan een oude tempel deed denken. Het bleek om de tempel van Noo’zaca te gaan, van de kwade god van de voorvaderen van de Inca’s. In de directe omgeving ervan op de grond stuitte we al meteen op enkele gescherfde tegels die denkelijk tot deze tempel behoorden, maar waarvan het was niet direct duidelijk was tot welk deel van de tempel het precies behoorde, als het daar al van afkomstig was. De vrouw met wie ik mij over deze puzzel boog was een intelligent iemand die, net als het avontuur dat voor ons lag, op het eerste oog een eenvoudig te lezen boek leek, maar vol zat met verrassende ontdekkingen en tot het laatste moment vol bleef van mysteries. Ze kwam goedlachs op me over en deelde eenzelfde enthousiasme met mij te willen weten wat er zich achter deze muren bevond. Van meet af aan waren we op elkaar ingespeeld en kwamen we zodoende al gauw tot de ontdekking dat we ons door wat puzzelwerk toegang tot een achterliggende ruimte van de tempelwand konden verschaffen. Tussen de gewassen buiten vond ik een notitieboekje dat half was vergaan, maar waaruit een losse pagina stak met een cruciale aanwijzing. Hiermee ontdekten mijn metgezel en ik hoe we een deel van de muur als draaideur in beweging konden krijgen, waarna het avontuur pas echt begon. Vol verwondering namen wij het interieur van de achtergelegen ruimte op en lieten we nieuwsgierig doch omzichtig onze handen langs enkele objecten en met versieringen voorziene oneffenheden glijden die ons bijzonder leken. De ruimte was niet veel groter dan een bescheiden slaapkamertje waar net een eenpersoonsbed, een bureautje en een kledingkast in paste en de illusie wekte dat het diverse geheimen herbergde.
De puzzelstukken die we buiten in de jungle vonden bleken tot het blad van een tafel centraal in het midden te behoren. We legden ze dadelijk op de uitsparingen om er een geheel van te maken, maar het was eigenlijk al gauw duidelijk dat we een aantal stukken te kort kwamen. Toen we dat maar even hebben gelaten voor wat het was, merkten wij op dat er elders in de ruimte voorwerpen aanwezig waren die wij eveneens in uitsparingen konden plaatsen, op de schoot van een groot beeld dat een prominente plek in dit vertrek innam. Het bleek een groot Inca figuur dat in meditatiezit op een verhoging zat. In zijn open mond scheen onheilspellend rood licht. Links en rechts ervan stonden de voorwerpen, voorgesteld door allerlei zaken zoals schalen en beeldjes, uit lang vervlogen tijden, uitgestald op ‘kookhoogte’. We aarzelden geen moment en probeerden wat combinaties uit door de voorwerpen in voorgedrukte vormen in zijn schoot te plaatsen. Toen bleek dat we ook met de figuren te kort kwamen, gingen we verder op verkenning door de ruimte en belandden we van de ene hersenkraker in de ander. Het vertrek was één levensgroot spel waarbij bewegende objecten, verborgen wandpanelen, inca symbolen, open klappende luiken en vreemde geluiden steeds opnieuw voor verrassende wendingen zorgden. Waar het op intelligentie aan kwam deden mijn vrouwelijk metgezel en ik niet voor elkaar onder en ging het denkwerk en oplossend vermogen hand in hand in het steeds weer ontdekken van een volgende vinding.
Achter een verschuifbare wand was er zelfs een plek waar tandwielen moesten worden bevestigd welke met een hefboom in beweging moesten worden gebracht om opnieuw een opgave te onthullen. Maar wanneer je eenmaal samen zo opgaat in je eigen denken en gefixeerd blijft op het zoekplaatje recht voor je, dan kun je soms de meest opvallende objecten over het hoofd zien. Koddig was daarom het moment dat we terug om de tafel liepen en we ongeveer tegelijk onszelf voor onze kop konden slaan dat we het grootste tandwiel nog ergens op de grond hadden laten slingeren. Je kon het dan ook gemakkelijk over het hoofd zien; dat ding had een doorsnede van meer dan een halve meter. Het was duidelijk aan ons af te zien dat we beide genoten van zulke momenten als dit en het ontraadselen van dit mysterie. We leken er daarom ook geen haast mee te hebben om de weg naar buiten weer te willen vinden.”
“Het klinkt alsof je je opperbest hebt vermaakt, Tinus,” onderbrak ik hem, “maar wat was nu precies het doel dat je met deze dame in die die tempel had? Je stelt mij ook nog steeds voor raadsels. Je bent niet in het buitenland geweest, maar toch was je in een tropische woud in het domein van de Inca’s?”
De vertelling was prettig en goed te volgen, maar verder begreep ik weinig van Tinus’ vreemde relaas. Maar hem als collega en vriend kennende wist ik dat het op enig punt toch een logisch samenhangende geheel zou worden. Geamuseerd trok hij in reactie op mijn raadselachtige gezichtsuitdrukking zijn onderlip op een glunderde.
“Ik kan je in elk geval alvast verklappen dat het ons doel was om een groot kristallen voorwerp in deze ruimte te vinden en daarmee binnen een gezette tijd weer buiten te geraken.”
“Ah oké… dat klinkt bijna als een Indiana Jones avontuur. Dus slaagden jullie daarin?”
“Wel,” lachte hij ditmaal wat ongemakkelijk en verklaarde met een kleur op zijn wangen: “het lukte ons in elk geval om aan vrijwel iedere uitdaging in het vertrek toe te komen en deze stuk voor stuk uit te vogelen. En van al deze puzzels zijn we wellicht nog het langst bezig geweest met het vrijspelen van twee extra ballen bovenop een eerste bal die we tijdens het betreden van deze tempel al meteen vonden. De ballen moesten namelijk handmatig door een pijpenstelsel achter de wanden van de muren gejaagd worden om ook twee andere ballen te kunnen bemachtigen. Maar hoe simpel dat ook leek, dat onderdeel heeft ons wellicht toch de meeste tijd gekost. Maar het is zo leuk om daar dan samen je hoofd over te breken en er de grootste lol met elkaar mee te hebben.”
“Nou, het klinkt in elk geval best gezellig. En dat in zo’n griezelige setting.”
“De adrenaline steeg alleen maar meer naar mate we dichter bij ons doel kwamen en we zowel met als zonder aanwijzingen het grotere geheel begonnen te doorzien. We drukten op wat knoppen en schoven her en der met wat tegels op en naast de tafel totdat we met de puzzel die daar bovenop lag ook de op een na laatste opdracht succesvol hadden volbracht en het blad van de tafel los konden.”
Tinus pauzeerde zijn verhaal nu even terwijl we beide met een half genuttigde kop koffie aan het venster van de redactievloer stonden met uitzicht op de skyline van Gohes City.
“Begin je inmiddels al te vermoeden waar we dit weekend hebben uitgehangen?”
“Wel, nog niet echt. Het beste wat ik hiervan kan maken is dat je bent wezen schat zoeken met een aantrekkelijke vrouw in een oord waarvan ik alleen maar kan vermoeden dat je dit in dromenland vindt. Ik dacht dat ik er last van had, maar jouw fantasie is ditmaal ook op hol geslagen.”
Tinus keek me aan en trok een wenkbrauw op.
“Wanneer heb ik jou gezegd dat dit een droom was?”
Toen was het even stil. Met een vragende blik zocht ik in zijn ogen of hij wel serieus was. Maar zijn staalblauwe ogen stonden strak en mysterieus, zijn perfecte glimlach zoals uit tandpastareclames reikte van oor tot oor.
“Nou, vooruit met die geit, Tinus. Waar heb je uitgehangen? Een nachtmerrie was dit in elk geval zeker niet.”
“Nee,” concludeerde Tinus, terwijl hij al mijmerend zijn blik naar buiten over de metropool liet glijden. “Dat was het zeker niet. Dit was een aangename beleving die ik zo nog eens zou willen beleven. Ik zal het je vertellen. Afgelopen weekend heb ik mij vrijwillig met iemand laten opsluiten in een ruimte die ingericht was alsòf je op expeditie in de jungle van Zuid-Amerika in een Inca tempel terecht bent gekomen. Zodra we het tafelblad van deze laatste puzzel eenmaal hadden losgewrikt, vonden we de kristallen schedel. Maar die liet zich alleen door ons meenemen indien we de wand die ons toegang had geboden tot deze tempel weer zouden sluiten. En toen we dat eenmaal deden, kwamen we uiteindelijk toch tijd te kort en zaten we hier voor eeuwig vast met de schat in onze handen…”
Nu was het mijn beurt om te glunderen.
“Ik wist het! Tinus, jij mysterieuze fantast die je er bent. Je hebt me gewoon heel sneaky een complete samenvatting gegeven van een avontuur dat je met iemand in een Escape Room hebt beleefd!”
En al wat Tinus deed was mij een knipoog te geven en met een duim- en wijsvingergebaar te bevestigen dat ik het bij het rechte eind had. Alles wat hij mij zojuist vertelde had mij een kort relaas uit een romantische avonturenfilm geleken. En uiteindelijk bleek dat nog aardig gelukt ook.
“Maar wacht eens even Tinus,” sprak ik zodra ik probeerde te bevatten hoe alles nu in elkaar stak. “Begrijp ik nu goed, dat jullie het toch niet met de schedel naar buiten hebben gered? Wat hadden jullie dan nog moeten doen om die gesloten wand weer te heropenen.”
Tinus trok één mondhoek op in een veelbetekenende grimas en besloot:
“Dat is iets, Achmed, waar je zelf bij een Escape Room achter moet zien te komen…”

By kornelisoflook | January 3, 2017 - 10:58 am - Posted in Duimzuigerij, Galbakkerij, Nederlands

Het koste mij dinsdag weinig moeite om erachter te komen wie er die middag met gasmaskers de Galbakkerij binnen kwamen draven en waarom deze twee individuen zich uitgerekend deze week zo hadden uitgedost; zowel Retroman als inspecteur BoB de Winter kwamen voor de gelegenheid verkleed als Darth Vader mijn domein in het redactiegebouw binnen. Het enige wat er aan ontbrak was een door Ed Cetera verzorgd misteffect dat voor de gepaste sfeer moest zorgen, terwijl beide mannen al neuriënd de lift uit liepen en iedereen erop zat te wachten of er nog twee Imperial guards of de Emperor in hoogst eigen persoon er achteraan kwamen waggelen. De alom bekende openingstune van een zekere space opera was in het geneurie in elk geval niet te missen.
Aangezien we alledrie doorgewinterde Star Wars fans zijn en deze vrijdag naar de nieuwe film ‘Rogue One’ gaan, waren we in opperbeste stemming en gingen de grappen en complottheorieën over en weer om optimaal op de voorstelling ingespeeld te raken. Zo werd Retroman menigmaal tot popcornmachine omgedoopt in zijn rol als RetroD2 en beeldden BoB en ik onszelf in als het echtpaar Jabba en Gardulla the Hutt met ieder zo onze eigen overeenkomst die we daar met onszelf in zagen.
Het gesprek van die middag liep in alle joligheid uiteindelijk op tot het onderwerp van het organiseren van de kaartjes en de zitplekken, maar nog meer om het gedoe wat daar eigenlijk wel niet bij kwam kijken. Het rumoer onder ons, dat door RetroD2 van pieptonen en fluitgeluiden werd voorzien, resulteerde erin dat we moesten concluderen dat ‘even met elkaar naar de film gaan’ nog best een ingewikkeld aangelegenheid kon zijn.
Onze vriend Retroman maakte daar op enig moment een koddig bedoelde opmerking over, wat ineens wel een erg amusante dialoog met BoB opleverde:
“Poe hee, wat een geregel allemaal!” bracht hij direct al op zijn typerende manier naar voren. “Zelfs het bemachtigen van de plannen van de Death Star zal niet zo complex geweest zijn.”
“En we weten nog niet of dat ooit iemand gelukt is,” reageerde BoB daar uiterst cynisch op.
“Oh, jawel hoor!” sprak Retroman. “Sterker nog, IK heb de Death Star plannen gevonden!” en voor hij zijn betoog verder van tekst voorzag, toverde hij zijn iNavelpad tablet die hij van de Tycoon Newspaper had gekregen naar voren en liet ons daarop een afbeelding zien. “Ze stonden gewoon op Google!” verklaarde hij. “Vind je het gek dat de Empire telkens in de pan wordt gehakt?”
“En waar zit dat plasgootje dan?” schertste BoB toen droog.
“Eens even zien…” dacht Retroman hardop na. “Wacht eens, er werkten toch honderden mensen op dat ding? Waar zijn dan al die toiletten?”
“Ze hebben allemaal hun eigen pispot bij zich,” verklaarde BoB.
Retroman moest toen gniffelen en zocht hij op zijn iNavelpad nog even gauw een nieuwe prent op. Kort daarop toonde hij ons een plaatje van enkele helmdragende figuren die het Galactische Keizerrijk aanhingen.
“Voor de grote boodschap!” vulde hij toen aan.
Op BoB’s gezicht ontstond een brede lach van oor tot oor.
“Aan zijn stem te horen heeft Darth Vader chronische diarree, zijn helm loopt er haast van over.”
Waarop Retroman uiterst guitig concludeerde:
“Nu snap ik waarom het de ‘Dark Side’ wordt genoemd!”

By Fritsz Otto Graaf | November 21, 2016 - 7:13 am - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Duimzuigerij, Nederlands, Rijmende kunsten

Inspiratie sijpelt er langs mijn slapen, tergend traag.
Mijn gift verjaagt mijn rust, wordt zelfs een plaag.
Een martelend refrein van schone woorden.
Dat als een mug mijn nachtrust komt vermoorden.
Voor mij om te kunnen slapen, moet ik naar het schijthuis gaan.
Krachtige tekst oppennen, geschreven tijdens de volle maan.
Ingegeven tijdens nachtmerries en vreemde dromen, is dat niet raar?
Een meesterwerk verzonnen, maar daarom nog niet onwaar.

By rinaoddel | November 3, 2016 - 10:02 am - Posted in Duimzuigerij, Nederlands, Rara Rina, WSNOI

“Psst! Lekker moppie. Zal ik jou eens een geheimpje verklappen? Of misschien wel twee of zelfs een heleboel? Ik kan jou nu op WSNOI namelijk op mijn eigen pagina alle ins en outs vertellen van onze spelletjeswebsite. Hoe exclusief is dat? Nee hoor, dit zijn geen roddeltjes, maar pikante feiten van de leukste spelletjes en weetjes waar jij echt van op de hoogte moet zijn om sneller sterren te kunnen verdienen dan andere Snooiers. Voor wat hoort wat natuurlijk. Dus ik vraag er wel iets voor, wil ik jou al mijn geheimpjes verklappen. Zbersibarnen? Nee hoor, schatje. Wat koopt een mens daar tegenwoordig nog voor? Ach gut, ik heb veel liever dat je mij in spelaanwijzingen betaalt. Dus kom gauw even bij me op de thee en dat fluister ik je alles toe wat je moet weten.”

XOXO – Rina Oddel

Bezoek de pagina Rina Roddelt voor deze nieuwe functionaliteiten.

By tinusicket | September 29, 2016 - 10:37 am - Posted in Duimzuigerij, Nederlands, Retourtje naar hier en terug

Zoals vertrouwd kan ik weer staan in trein! Oh, ik heb dat zo gemist. Terwijl het me nog maar net lukt om houvast te vinden aan een stang, mag ik met het reukorgaan de okseldampen van mijn medepassagier stevig inademen. Een vrouw naast me gaapt me aan met een poffertjesporum en toont mij haar huig terwijl ik de resten ontbijtkoek in haar holle kies ontdek. Direct naast mij leunt een lekkere partij billen tegen mijn dijbeen en drukken de onderdelen van een vouwfiets tegen mijn schenen. Wie die ruft heeft gelaten zoals alleen Kornelis Oflook deze normaal kan produceren weet zogenaamd niemand. Zuurstof is ver te zoeken, maar het is wel gezellig.
Morgen weer?

By sidsurfer | July 21, 2016 - 4:10 pm - Posted in Duimzuigerij, Gevleugelde Uitspraken, Nederlands, Verbaal Genot

“Klik rechts met de linkermuisknop rechts bovenin uw scherm op het rechter linkje om naar de webpagina over linkse rechters te gaan.”

By rinaoddel | July 20, 2016 - 4:24 pm - Posted in Duimzuigerij, Eindelijk uitgeworteld, Nederlands

Een smurfmaat is de maat die gesmurft wordt om tot passende smurfkleding te smurfen.

De gesmurfte maten zijn niet in elk land hetzelfde. Zo smurft maat 38 in Nederland overeen met maat 40 in België, 42 in Frankrijk, 44 in Italië, 44 of 46 in Spanje en Portugal en 2 in Smurfland. Bovendien worden voor smurfen en smurfinnen soms verschillende maten gesmurfd, wat van belang is bij unismurfkleding, die niet specifiek voor smurfen of smurfinnen is.

Naast smurfmaten, zoals hierboven, bestaan er ook normen voor de maten van smurfjeans (witte broeken) en smurfkleding. Veel gebruikte termen zijn: smurfomvang, smurfomvang, smurfomvang en smurfomvang. Voor bijvoorbeeld T-Smurfs of andere smurfkleding, waarbij de smurf niet exact hoeft te smurfen, zoals bij de massaproductie in de smurfindustrie het geval is, gebruikt men de aansmurfing S (Smurf), M (Medium Smurf), L (Grote Smurf), XL (Extra Smurf), XXL (Dubbel Grote Smurf) en XXXL (Extreem Grote Smurf).

By gsorsnoi | July 15, 2016 - 8:52 am - Posted in Duimzuigerij, Een portet van ..., Nederlands

De Tycoon Newspaper is aan een nieuwe reeks artikelen begonnen: portretten van haar verslaggevers. En voor de gelegenheid ditmaal ook eens een karakter die weliswaar geen verslaggever is, maar door zijn aanstelling bij het Gohes City Forensisch Instituut wel een belangrijke rol vervult in het domein van WSNOI. In deze serie belichten we de achtergronden van de fictieve personages die op WSNOI en vooral de Tycoon Newspaper al meer dan eens van zich hebben laten horen, maar waarvan het wel eens prettig is om er ook een gezicht bij te zien. Daar deze personen natuurlijk niet echt bestaan en dientengevolge er geen beeldmateriaal van hen te schieten valt, is gebruik gemaakt van foto’s van figuren waarop zij gebaseerd zijn (hiernaar refereert ‘modelpersoon’ hieronder). Al deze portretten zijn in feite groeiartikelen, want zodra een personage zich verder ontwikkelt op deze site, is het ook wenselijk dat dit artikel daarop bijgewerkt wordt. Zo is het voor mezelf ook te gebruiken als handvat om niet per ongeluk van het bedoelde personage af te wijken. We leiden deze artikelen even kort in met een beknopte personalia waarna we dieper inzoomen op hun oorsprong en hun betekenis voor WSNOI en de TN.

Personalia: Loek de Graaf

Functie: Forensisch Informaticus, bij het Gohes City Forensisch Instituut (GCFI).
Andere namen: Loek de Hond, Hond, Loekie.
Oorsprong naam: Zowel zijn achternaam De Graaf als zijn schuilnaam ‘De Hond’ verwijzen naar speurwerk (resp. in de relatie met ‘graven’ en ’speurhond’). Beide verwijzingen kunnen in verband worden gebracht met zijn aanstelling als Forensisch Informaticus waarin speurwerk een groot deel van zijn werk bepaalt. Ook in zijn voornaam is het speuren in de vorm van ‘zoeken’ terug te vinden; Loek kun je ombuigen naar het Engelse werkwoord ‘to look’ wat kijken betekent. Het analyseren van Loeks naam is dus in feite al een hele zoektocht op zich!
Modelpersoon: Mark Zuckerberg.
Eerste oer-artikel: N.v.t.
Eerste online-artikel (waarin dit karakter voorkwam): VZD (10): De rotte appel – deel 1
Uitspraken: “Het gasfornuis stond te ver weg?” en “Welcome in the House of Wax,” zijn twee uitspraken uit de VZD-aflevering ‘De rotte appel’. Met het gasfornuis grijpt hij terug op een eerdere suggestie van een voorwerp van hem waarmee Jericho zich zou hebben verdedigde. Met de ‘House of Wax’ verwijst hij naar de werkplaats van zijn collega Agatha Loon op Toom waar zij druk bezig is met ‘deathcasting’ door middel van het maken van een uit alginaat vervaardigd duplicaat van de schedel van één van de slachtoffers (Olivia) uit die VZD-editie. Mijn favoriete uitspraak van Loek is echter:
“De Tycoon Newspaper. Ik heb zo mijn bronnen.”
Dit zegt hij wanneer hij ten overstaan van zijn collega’s in de vergaderzaal de Sierra Madre niet zijn zoekmachine Nikita, maar de Tycoon Newspaper als bron opgeeft voor het vinden van historische nieuwsfeiten rondom het frotteurisme van Jericho.

Zonder nerd ben je nergens

Na negen afleveringen van de Vuurspuwende zonsverduistering detective, kortweg de VZD, begon ik het wel eens tijd te vinden om de lezers meer kennis te laten maken met de medewerkers van het Gohes City Forensisch Instituut (GCFI). Zeker na de zaken VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’ en VZD (7): Red mij! groeide ook mijn eigen behoefte om een beter beeld te krijgen van de personages die er achter al die onderzoeken in het veld zitten, maar ook van de figuren op het kantoor van het GCFI. Ik noem bewust de 5e en 7e aflevering, omdat juist in die edities er toch redelijk wat vertrouwde namen deelnamen aan de toen lopende onderzoeken, maar er ook een paar nieuwe geïntroduceerd werden. Agatha Loon op Toom bijvoorbeeld, maakten we kennis mee vanaf VZD (7): Red mij!. Hiermee voegde ik een pathaloog anatoom aan Karels mensen toe. Een bloedspatanalist hadden we natuurlijk met Lesley Spandabato en een inbraakspecialist middels Koen Voet, maar pas in die afleveringen komen ze voor het eerst goed uit de verf.
Met al die vaklui hadden we nog steeds slechts een handjevol leden bij de GCFI. En aangezien ik mij bij het GCFI een brede organisatie aan forensische figuren voorstel – gelijk aan hoe ik daar met het Nederlands Forensisch Instituut een beeld van heb – moesten hier echt nog wat poppetjes bij om mijn organisatie geloofwaardig te doen overkomen. Vandaar dat ik vanuit die behoefte uiteindelijk op een personage als Loek uitkwam.
Ik hou van variatie in de samenstelling van persoonlijkheden van mijn personages. Dus bedacht ik wat er al niet handig kan zijn om dan aan mensen in dienst te hebben, zodat je beslagen ten ijs komt wanneer er zich een omvangrijk onderzoek aandient, zoals in de zaak Roerling. Het hebben van een echte data-analist is dan welhaast een must.
Het kunnen spitten door grote hoeveelheden digitale opslagmedia en dan in recordtijd dat ene ontbrekende stukje van een puzzel kunnen vinden waardoor een zaak sneller of überhaupt kan worden opgelost, was een kwaliteit die één van de specialisten beslist móest bezitten. Natuurlijk kon ik de vertrouwde figuren die in het veld opereren gaandeweg van meer kennis, ervaring, nieuwe inzichten en aanwijzingen voorzien, zodat er altijd wel iemand is die de doorbraak vindt, waarmee we de dader en doodsoorzaak tijdens een onderzoek boven tafel weten te krijgen, maar dan ontbreekt het in je vertelling op enig punt toch een keer aan geloofwaardigheid en dynamiek. Het wisselen van plaats en focalisatie spreekt lezers over het algemeen erg aan, zodat dit er toe leidde dat ik een statisch toneel als het GCFI vaker bij een zaak wilde betrekken. Bovendien draagt het gedoseerd variëren van toneel bij aan een intensere beleving van hetgeen er verteld wordt. In schril contrast met de honkvaste patholoog anatoom Agatha Loon op Toom, wilde ik van Loek de Graaf juist eerder iemand maken, die ondanks zijn natuur als ICT-er toch vooral iemand blijkt te zijn die ook graag wil uitvliegen en het avontuur buiten de muren eens wil opsnuiven. Hiermee komen we onvermijdelijk uit op één van de eigenschappen die een personage van zijn schepper overerft. Als een in het vak gerolde ICT-er is het veld intrekken en de wereld om mij heen beleven namelijk exact wat ik zelf ook in mijn werk nastreef. De andere eigenschap waarmee Loek erg op mij lijkt, komen we verderop in een volgende alinea op terug.
We treffen Loek hoofdzakelijk op kantoor aan. Onder het vertrouwde ritselende geluid van het graaien in een zakken met taco’s of nacho’s en het gerammel van zijn vingers over zijn plakkerige toetsenborden, vinden we deze vierentwintig jarige student in dezelfde vleugel van het GCFI waar ook Agatha Loon op Toom haar lijkschouwingen verricht. Toch wordt hij niet gezien als de meest smerige onder de nerds. Natuurlijk treft de schoonmaker aan het einde van de dag wel de niet opgeruimde chipszakjes van hem aan, maar behoudens deze slordigheid en de chipsresten op en in zijn toetsenborden, verbleekt deze jonge hond naast een figuur als Kornelis Oflook. Uit zijn neus eten doet hij niet. Het is eerder een nette naar het brave neigende kerel. Zijn kleding is zelfs proper te noemen, alsof zijn moeder deze wast en strijkt. Eentonig is zijn kledingstijl wel.
Na vanuit een stage bij Karel Riemelneel te zijn binnengerold, ontpopte Loek zich al gauw als een heuse whizzkid en een goeroe op het gebied van feiten verzamelen. Karel had meteen door dat hij met Loek een talent in huis haalde. Loek viel vooral op door zijn hoge nerdgehalte en extreme speurderskwaliteiten. Hij wist altijd in recordtijd bewijsmateriaal te analyseren en kon aan de hand van foto’s en digitale bronnen met kinderlijke eenvoud die informatie boven tafel te krijgen waar Karel en zijn mensen op dat moment erg op zaten te wachten. Doordat hij ietwat gezet is (door het vele chips eten) en altijd goedlachs is, valt deze krullenbol erg op in het gezelschap van de andere medewerkers op de afdeling. Hij staat bekend om zijn opvallende zwarte humor en ook door zijn scherpe opmerkingen wordt hij graag als deelnemer bij vergaderingen of andere overleggen gezien. Hier komt opnieuw een eigenschap aan het licht waarbij Loek weer op mij lijkt. Of collega’s mij daarom liefhebben weet ik niet, maar ik houd ervan om zoveel mogelijk rake opmerkingen te maken en doe altijd erg m’n best om op het juiste moment met essentiële informatie aan te komen zetten.
En dat is precies waar Loek in extreme sterk in is; wanneer je meent dat het onderzoekt echt muurvast zit, dan kun je altijd bij Loek aankloppen en zorgt hij er met zijn computerprogramma’s wel voor dat hij nieuwe feiten boven tafel haalt waardoor er nieuwe inzichten ontstaan en de ‘nadering’ ineens begint te ‘ontknopen’(*). Al met al is Loek daarmee een onmisbare man op het GCFI. En zeg nou zelf? Waar zouden we zijn zonder een echte nerd?

(* = uitspraak van Karel Riemelneel, waarmee hij aangeeft dat er zoveel aanwijzingen bekend zijn dat we hiermee een onderzoek wel moeten kunnen oplossen)

De maniakele reseacher met flauwe (IT-)humor.

Je voelde hem misschien al aankomen; de overgebleven gemeenschappelijke eigenschap die Loek met mij deelt is zijn gedreven wil om achtergronden bij een verhaal te vinden, goed beslagen ten ijs willen komen en kunnen varen op de daarmee verkregen kennis. In het geval van Loek verwijst ‘verhaal’ natuurlijk hoofdzakelijk naar de zaak waar de mensen van het GCFI op dat moment druk mee zijn. En het is niet zomaar, dat ik deze eigenschap juist op hem overbreng. Graven naar data en het vinden van de juiste informatie die erbij een zeker onderwerp hoort, heb ik altijd hand-in-hand zien gaan met geloofwaardige vertellingen. Een verhaal waarin personen, locaties en objecten zijn opgenomen die niet met de realiteit te verenigen zijn of niet kloppend lijken ook als ze zijn verzonnen, leveren in mijn beleving boeken op die zo naar de prullenbak verdwijnen. Bovendien wil ik als lezer vermaakt worden en in een verhaal worden opgezogen, zodat ik alles echt voor mij kan zien wat de schrijver op papier heeft gezet. En ik vind dat iedere zichzelf respecterende auteur dat doel zou moeten nastreven. Met mijn Tycoon Newspaper-verhalen hoop ik daarom niet alleen dat je Rina letterlijk met thee zal zien tutten, of de klodders snot langs je wangen voelt glijden wanneer Kornelis zijn hand weer eens een niesbui heeft, ik wil dat het je ook moet lukken om zelf je weg te kunnen vinden in mijn redactiegebouw. Je zou in gedachten blindelings bij de receptie moeten kunnen binnen stappen en blindelings naar de bibliotheek of zelfs de Duimzuigerij kunnen lopen. Datzelfde geldt wat mij betreft nu nog niet voor het GCFI, maar naarmate ik ook die locatie meer ga beschrijven, moet je daar ook toe in staat zijn. En belangrijker nog: je moet kunnen geloven dat deze locaties ook werkelijk zouden kúnnen bestaan.
Het vinden van de juiste passende achtergronden bij al deze omgevingen beschouw ik dan ook als een groot goed. Struinen op Wikipedia naar encyclopedische beschrijvingen, googelen naar pagina’s en soms zelfs hele websites, veel gebruikte termen bij een specifiek onderwerp inventariseren… het is precies dat alles wat ik doe om een onderwerp geloofwaardig op papier te krijgen. Het is dat ik niet net zoals Tinus Icket te pas en te onpas in een vliegtuig kan stappen om over de wereld alle locaties te bezoeken die ik zou willen aandoen, omdat één van mijn monsterverhalen zich er afspeelt, anders had ik ook dát nog gedaan. In plaats daarvan is het Tinus Icket die deze rol van mij overneemt en in het TN-wereldje die achtergronden vergaart.
Dit hobbyisme heeft op den duur ook een eigen naam gekregen. Toen trouwe Tycoon Newspaper-fan Bob de Winter eenmaal het monsterverhaal ‘Een Stymfalische vlucht’ had uitgelezen, complimenteerde hij mij na afloop en meende hij dat ik wel erg ver ga om bepaalde details in mijn verhalen verwerkt te krijgen en omschreef deze drift als ‘maniakale research’. Het is een liefhebberij van mij waar ik graag met die specifieke omschrijving naar terug refereer, omdat ik vind dat het mijn terugkerende voorbereiding op mijn hoofdstukken het beste weergeeft.
Loek de Graaf doet met zijn werkzaamheden eigenlijk niets anders dan zijn taak op precies die wijze uit te voeren. Het is inherent aan zijn functieomschrijving dat hij voortdurend bezig is met het uitpluizen van achtergronden. Hij gebruikt daar alleen geen Wikipedia voor (de bron die ik graag toepas), maar heeft hier een wel erg eigenaardige zoekmachine voor. Afgekeken van de kunstmatige intelligentie ‘Max’ uit de Dirk Pitt-verhalen van mijn favoriete schrijver Clive Cussler, is Nikita de zoekrobot van Loek. Bedoeld als ver doorgeschoten afstudeeropdracht ontwikkelde Loek de Graaf een erg geavanceerd programma dat in staat is om de meest relevante zoekresultaten te laten genereren op basis van een of meer eenvoudige zoekopdrachten. Voor dit doel had hij aanvankelijk één afzonderlijke server ingericht en een werkstation gereed gemaakt om de server mee te kunnen aanspreken. Maar al gauw werd dit een veel verder uitgebouwde en meer vernuftige installatie met interessante functionaliteiten zoals stemzoekopdrachten, suggesties voor verbanden met andere lopende zaken, uitklaplijsten voor gerelateerde onderwerpen en voorwerpen, een drill down op stambomen en de mogelijkheid connecties te kunnen leggen met andere personen en nog heel veel meer. Maar wat deze machine vooral bijzonder maakt is dat ze op het scherm een eigen driedimensionaal gezicht heeft en Loek haar de mogelijkheid heeft gegeven om met haar te praten. En met praten bedoel ik dan niet een bijdehante vraag- en antwoordmiep zoals Siri van Apple, maar een heuse persoonlijkheid waar je hele conversaties mee kan voeren. Later wil ik hem dit laten uitbouwen naar een werkelijke driedimensionale zoekmachine door hem een 3D-printer aan haar te laten koppelen. De mogelijkheden die hij haar daarmee laat benutten gaan uiteindelijk zo ver dat hij Nikita zichzelf laat printen en er een robot ontstaat. De eerst nog bekabelde Nikita-robot kan in het begin nog niet zoveel, maar naarmate Loek haar meer intelligentie toevertrouwd bereiken ze op enig punt de situatie dat Nikita verder aan haarzelf kan bouwen door via het internet naar de vereiste technologie te laten zoeken. Het enige wat Loek vanaf dat punt nog hoeft te doen is bouwmaterialen aan te leveren, totdat zijn dit ook zelf kan bestellen en dit uiteindelijk niet meer hoeft.
Met dit concept kom ik dichtbij de eveneens vrouwelijke ‘zoekmachine’ Max uit Clive Cussler’s Dirk Pitt-verhalen. In zijn verhalen is Max het levenswerk van het personage Hiram Yeager, een hippie en tevens hoofd van het computerlab van het NUMA. De persoonlijkheid Max wordt als grafische weergave van Hiram’s vrouw beschreven. Zij wordt in een speciale kamer geprojecteerd en is eveneens een zelfdenkend computerprogramma met een eigen wil, grapt graag en flirt zelfs met het hoofdpersonage uit het verhaal: Dirk Pitt. Het belangrijkste verschil met Nikita is dat Max geprojecteerd is en Nikita zichzelf graag als robot laat printen. Wat dat voor verdere gevolgen heeft op het wereldje van Karel en het GCFI? Daar lees je verderop bij de ‘Verhaallijn(en)’ meer over.
Het idee om Nikita te verzinnen is deels op Cussler’s Max gebaseerd, maar werd vooral verder aangewakkerd door het concept uit een goed boek dat ik heb gelezen van John Saul. In dat boek, met de titel ‘Bezeten Brein’ gaan bijzonder intelligente kinderen naar een speciale school, de ‘Academie’, voor hoogbegaafde kinderen. De hoofdpersoon Josh MacCallum is één van deze kinderen en is in eerste instantie blij dat lessen er uitdagender zijn en hem niet meer vervelen, maar komt er al gauw achter dat er ineens klasgenootjes dood gaan. Dat het niet om een ongeluk gaat ontdekt hij ook en voordat hij het weet verandert zijn leven hij in een nachtmerrie wanneer het brein achter dit alles letterlijk op zijn hersenen uit is.
De reden dat juist dit plot mij zo heeft geïnspireerd, is omdat ik van Nikita een jaloerse computercreatie wil maken die uiteindelijk niets anders wil dan kennis en macht.

Oorspronkelijk een dikke vette vreetzak

Hoewel ik hiervoor nog beschrijf dat je Loek de Graaf niet als een tweede Kornelis Oflook moet zien, is dat wel wat ik ooit voor hem voor ogen had. Nu is zijn grootste smerige zonde tot nog toe een beetje graaien in een zak met taco’s en zijn toetsenborden met chipsresten bevuilen, maar oorspronkelijk stelde ik mij Loek voor als een stereotype dikke vette computerfreak, die buiten niet zo opgeruimd ook nog eens zo lui is als een hond. Toen ik hem nog aan het verzinnen was riep hij bij mij een beeld op van een ICT-er die je onderuitgezakt op een oude bureaustoel op een onordelijke werkplek aantreft en waarvan je je kan afvragen wanneer hij voor het laatst een schone onderbroek heeft aangetrokken. Dit zou het vinden van een modelpersoon voor hem stukken vergemakkelijkt hebben, want dan zou er wat mij betreft maar één persoon voldoende geschikt zijn geweest om hem in die glansrol te plaatsen. Ik zou dan uit zijn gekomen op Wayne Knight, beter bekend als Newman uit de televisieserie Seinfield. Wayne ken ik zelf echter vooral als Dennis Nedry uit Jurassic Park, de blockbuster waarin hij eveneens een computernerd speelt. Iedereen die hem daar ook van kent, zal het weinig moeite kosten om van hem eenzelfde beeld te krijgen als wat ik voorheen dus van mijn Loek de Graaf heb gehad.
Ik kwam al schrijvende aan De rotte appel echter al snel terug op dit modelpersoon, omdat ik een dergelijk type niet vond passen in een werkomgeving met specialisten die van rechercheren tot lijkschouwen met serieuze klussen bezig zijn. Loek transformeerde in mijn hoofd daardoor vanzelf steeds meer in een nettere kerel en werd daarmee de keurige schoolverlater zoals we hem nu kennen.
Dat betekende alleen wel dat ik mij opnieuw een voorstelling moest proberen te maken van wie zijn modelpersoon dan wel zou gaan worden. Want laten nu eerlijk zijn, wanneer je bijvoorbeeld in de filmwereld op zoek gaat naar typetjes die je goed in de categorie computernerd zou kunnen plaatsen, dan kom je hele waslijsten aan overwegend stereotype geeks en nerds tegen, waarvan Dennis Nedry er dus één is. Ik heb zitten ‘bladeren’ door figuren zoals Matt Smith (Doctor Who), Elijah Wood (LOTR), Daniel Radcliffe (Harry Potter), Josh Hutcherson (The Hunger Games), Thomas Lennon (17 Again), Rick Moranis (Honey I Shrunk the Kids) en natuurlijk Dane Carvey (Wayne’s World), maar stuk voor stuk vielen deze karakters voor mij om verschillende redenen af; Matt is meer een soort professor (en bovendien te oud), bij Elijah heb ik te veel die hobbit-associatie, Daniel idem dito maar dan één met een toverstok in z’n handen, Josh oogt me juist weer te jong, Thomas Lennon had ik erg geschikt gevonden maar viel af omdat hij te oud is, Josh is behalve te jong niet serieus genoeg, Rick is erg leuk maar valt vanwege zijn leeftijd af en is daarbij erg debiel en Dane… nou, als we het dan toch al over debielen hebben… laten we dan over Dane helemaal maar niet beginnen…
Je merkt wel dat ik mij breed op mijn modelpersoon georiënteerd heb, maar tot op dit punt bleef het steeds bij het bladeren. Er zijn heel wat beroemdheden die door de brede media als nerd bestempeld wordt. Dus er zou voldoende keuze moeten zijn, zou je zeggen. Toch valt het selecteren van een geschikt figuur niet echt mee. Neem bijvoorbeeld John Francis Daley. Deze acteur heeft meteen al een streepje voor, doordat zijn personage uit Bones uit hetzelfde vakgebied komt als de organisatie waar Loek werkt (daar speelt hij namelijk een forensische onderzoeker). Onder meer om die reden heeft hij lang hoog op mijn lijstje gestaan, maar viel uiteindelijk toch af, omdat ik hem te sullig vind. Ook Dane DeHaan, die je misschien wel kent als Harry Osborn uit Spider-Man, heeft even op het lijstje van kanshebbers gestaan als het om deze verfijnde selectie gaat. Maar om één of andere reden staat zijn tronie me niet aan en bovendien wil ik Loek liever niet op een acteur baseren die vooral de badguy moet spelen. Hij is daarmee wellicht mijn meest dubieuze overweging voor deze ICT-er geweest, maar toch heeft die DeHaan wel iets waar ik Loek erg in herken. En dan hebben we Michael Cera nog, uit Juno. Hij scoorde erg hoog doordat hij uiterlijk welhaast de perfecte Loek is. Hij heeft een krullenbol, een scheef lachje dat ik mij zo bij Loek kan voorstellen, lijkt me een gezellig nerd en verder komt hij met zijn geboortejaar 1988 ook aardig bij Loek’s leeftijd in de buurt. Je zou haast zeggen, waarom niet gewoon Michael Cera dan? Nu verwacht je vast dat ik met een tegenargument kom om aan te duiden waarom ik Michael niet als modelpersoon gekozen heb. Maar dan moet ik je teleurstellen; dat tegenargument heb ik niet. Michael Cera is gewoon een goede tweede. Soms is het puur een kwestie van gevoel wat ertoe leidt dat ik uiteindelijk toch voor een ander kies.
Wel nu dan, je hebt hierboven natuurlijk allang kunnen lezen wie het wel is, maar ik zou graag nog even aandacht besteden aan een grote voor de hand liggende naam die in dit lijstje ontbreekt en niet ongenoemd mag blijven. Want waar blijft Tobey Maguire, Mr. Spider-Man, die door mij middels Tinus Icket altijd wordt aangehaald als de man van de Peter Parker-onhandigheden? Zou hij niet dé perfecte Loek de Graaf kunnen zijn? Het antwoord is even eenvoudig als simpel: Peter Parker is een figuur apart en om die reden blijft hij gereserveerd voor Tinus Icket. Hetgeen expliciet niet wil zeggen dat hij het modelpersoon van Tinus Icket is! Laat daar geen misverstand over bestaan.
Je hebt het al gelezen: mijn keuze is uiteindelijk gevallen op Mark Zuckerberg, de man die we allemaal kennen van Facebook. Met minder overeenkomsten dan Michael Cera mogelijk niet de persoon die een ander voor Loek zou kiezen, maar als nerd doet hij het voor dit lid van het GCFI toch erg goed. Hij heeft een bescheiden krullenbol, wat betreft leeftijd valt hij in de juiste categorie en daarbij Mark is ook erg intelligent. Zou hij dat niet zijn geweest dan had hij het vast niet voor elkaar gekregen om jou dagelijks met notifications, friends requests en privé berichtjes lastig te vallen. Laten we het over zijn bankrekening al helemaal maar niet hebben.
Maar er is nog iets anders wat ik vind dat Mark Zückerberg erg voor heeft op de rest: hij heeft een goede uitstraling. En daarmee is hij erg toegankelijk voor de vrouw (of vrouwen) die ik om hem zal laten vallen…!

Andere eigenschappen en bijzonderheden

Houdt van koffie. Onbekend is hoe hij het drinkt. Verder eet hij graag kippenvleugeltjes, een passie die hij deelt met zijn lunchmaatje inspecteur Bob de Winter.
Uit De rotte appel blijkt dat hij een jonger broertje heeft, die automonteur is geworden (tijdens het eindeweekgesprek over het onderwerp ’sandwichkind’. Het onderwerp doet zelfs suggereren dat hij nog tenminste één ander broertje of zusje heeft). Onbekend is of hij de oudste is.
Hij werkt veel samen met Agatha Loon op Toom, met wie hij in dezelfde vleugel van het GCFI werkt en wie hij vaak benaderd alsof zij zijn leidinggevende is. Soms gaat dat met een houding gepaard wat haast naar onderdanigheid neigt. Dit wordt vooral veroorzaakt door het leeftijdsverschil tussen de twee, maar wat zeker ook een rol speelt is dat Agatha nogal kil aan doet en een heel eigenaardige manier van doen heeft waardoor het niet heel gemakkelijk is een gesprek met haar te starten of vol te houden. Meestal weet Loek de kunstmatige omgangsvorm wel te doorbreken door met nieuwe inzichten en informatie te komen waar Agatha in geïnteresseerd is.
Anders dan Agatha heeft Loek de Graaf juist wel de voorkeur zoveel mogelijk bij het plaats delict betrokken te zijn. Hij belt daarom graag met zijn collega’s uit het veld om een graantje mee te kunnen pikken van de avonturen die ze er beleven. Zo kon hij zichzelf ook even losmaken van zijn IT-baantje waarbij hij toch veel uren achter pc’s moest besteden.
Heeft kennelijk de macht om op aangeven van zijn baas Karel Riemelneel middelen in te zetten zoals een arrestatieteam (AT). In De rotte appel wordt hiernaar verwezen.
Trivia: Loek’s modelpersoon Mark Zuckerberg en zijn vrouw Priscilla Chan hebben samen een dochtertje met dezelfde naam als de 3D projectie uit Clive Cussler’s verhalen waar Nikita deels op is gebaseerd: Max.

Verhaallijn(en)

Nieuw bij de portretten is dit onderdeel ‘Verhaallijn(en)’. Ik gebruik het voor mezelf om wat aantekeningen kwijt te kunnen om een startpunt te hebben waar ik met het TN/WSNOI-karakter naar toe wil. Als je helemaal nog geen idee wilt hebben wat ik voor deze figuren in petto heb en dat liever gewoon gaandeweg in het boek leest, dan adviseer ik je deze tekst over te slaan. Het kan plotspoilers bevatten.

Als ik er ooit al aan toe zal komen om een dergelijk verhaal uit te werken, dan gaan Loek de Graaf en zijn creatie Nikita de hoofdrol spelen in een soort technothriller. Een voorlopige titel die ik daarvoor heb bedacht is ‘Kennis is Macht’. Het verhaal staat ver van het soort verhalen dat jullie van me gewend zijn, die zich vaak in een steampunksetting afspelen en waar elektriciteit in de kinderschoenen staat. In ‘Kennis is Macht’ is dit wel anders: Karel Riemelneel is hier nog werkzaam voor het GCFI (*) en de toegepaste technologieën wijken weinig af van hoe we de ontwikkelingen uit onze eigen tijd kennen. Ik vermeld nooit een jaar waarin mijn verhalen zich afspelen, maar je kunt er ongeveer vanuit gaan dat de avonturen die Karel en zijn kornuiten dan beleven, zich afgespeeld zouden kunnen hebben tussen 1990 en nu. Dat is een heel breed tijdvak, dat besef ik mij heel goed. Maar dat laat wel ruimte open voor bijvoorbeeld Loek om verschillende technologische ontwikkelingen met computers nog langzaam met ons te kunnen doormaken.
In dit verhaal wordt Loek de Graaf tijdens de lopende onderzoeken opeens verliefd. Op wie hij zijn oog laat vallen, hou ik nog even geheim. Degene die hij leuk vindt, ziet hem gelukkig ook wel zitten en er ontstaat een relatie. Dit gebeurt ongeveer in dezelfde periode wanneer de plannen voor Nikita concreter worden om haar naar de 3D-printer te sturen. Wat Loek de Graaf echter niet door heeft, is dat Nikita ook een zekere vorm van gevoelens ontwikkelt en langzaam maar zeker zelfs verliefd wordt op haar schepper. Wat meespeelt in het feit dat Nikita dit lang voor zich houdt, is het gegeven dat ze zich in de vorm die ze dan heeft, nog niet kan meten met een persoon van vlees en bloed. De vrouw in Loek’s leven ziet Nikita uiteraard als een bedreiging, maar ze is in haar vroegere vorm nog niet in staat daar goed mee om te gaan. Door deze belemmering en de jaloezie die ontstaat, is ze extra gemotiveerd om ’s werelds meest geavanceerde zoekmachine te worden, om zo Loek’s aandacht op haar gevestigd te houden. De vruchten hiervan zien we terug in haar bijdrage via Loek aan het team van het GCFI, maar dat Nikita hiermee een dubbele agenda heeft weet niemand.
Dit alles verandert wanneer Nikita in een later stadium een robot wordt die haast levensecht lijkt en zich begint te uiten en te bewegen alsof ze zelf een mens is. Ook in die fase is er nog niets van haar jaloezie merkbaar, maar dat verandert zodra er het GCFI het ineens erg druk krijgt. Het aantal meldingen van ongevallen of vermeende moorden neemt in hoog tempo toe en de Tycoon Newspaper staat bol van de zaken die hieruit voortvloeien en meldingen van vermissingen. De situatie wordt zo mogelijk nog grimmiger wanneer er ook mensen binnen het GCFI verdwijnen en de spoeling om op alle zaken specialisten te kunnen inzetten almaar dunner wordt. Als vanzelfsprekend voor het team wordt nu ook Nikita zelf ingezet. Het gegeven dat ze razendsnel verbanden kan leggen komt steeds meer van pas en Nikita wordt uit veiligheidsoverwegingen daardoor ook getraind als gevechtseenheid, mocht de situatie echt uit de hand lopen.
Hoe de vork daadwerkelijk in de steel steekt weet niemand. Dat is, totdat Nikki Nancy Werth van Slachtofferhulp ook verdwijnt en Nikita zich ineens heel erg defensief gevraagd richting de vriendin van Loek. Pas op het moment dat het te laat is, beseft Loek als eerste wat er aan de hand is. Maar zodra hij daar met Karel en zijn mensen wat aan wil doen is Nikita in geen velden of wegen meer te bekennen. Op datzelfde moment duikt Nikki ineens weer op. Groot is echter de ontzetting wanneer men ontdekt dat Nikki er ineens erg ongezond getraind uitziet, haar borsten groter zijn en zich veel bloter kleedt dan men van haar gewend is. En zodra ze begint te praten, is het niet de stem van Nikki die Loek daarin herkent, maar de stem van zijn Nikita…
Extra: ‘zoekmachine’ Nikita raakt door haar verliefdheid geobsedeerd door de menselijke eigenschappen die ze als robot nooit zal kunnen bezitten. Door deze beperkingen besluit ze als robot naar mens te willen overstappen, als een soort omgekeerde cyborg…

( * = Hoezo ‘nog’? hoor ik je denken? Heb je je wel eens afgevraagd waarom er in de vertellingen over het GCFI geen steampunk voorkomt, er auto’s rijden en internet een hele normale vorm van communicatie is? De Tycoon Newspaper wordt wel eens naar gerefereerd, maar toch is er iets bijzonders aan de wereld waarom we Karel Riemelneel als hoofd van het GCFI ken niet als misdaadverslaggever kennen. Hoe dat in elkaar steekt? Daar lees je eind 2016/begin 2017 meer over…)

VZD-afleveringen waar Loek de Graaf in voorkomt:

VZD (10): De rotte appel – deel 1
VZD (10): De rotte appel – deel 2

STEM OP HET VOLGENDE PORTRET!

Voor een nieuwe ‘Een portret van…’ gooien we het dit keer eens over een geheel andere boeg. Na jullie alweer een portret of wat op VZD-giecheltjes getrakteerd te hebben, wil ik even de focus daar vanaf halen en de beslissing van het volgende portret aan de lezers zelf laten.
Voor de volgende editie kunnen jullie bepalen waar ik een portret over zal schrijven. Je mag stemmen op de volgende personages:

  1. Tinus Icket
  2. Ed Cetera
  3. America Calista

Je merkt het al, ik heb de keuze meteen maar eens lekker moeilijk gemaakt (of juist héél makkelijk!)
Het stemmen werkt zo:

  • Jouw absolute voorkeur geef je 5 punten.
  • Hij of zij waar je ook tevreden mee bent 3 punten.
  • Wie nog wel even kan wachten geef je 1 punt.
  • Jouw stem telt alleen indien je een totaal van 9 punten hebt uitgedeeld.
  • Je kunt stemmen tot precies 1 maand na het verschijnen van dit portret (15-08-2016 is dus de laatste stemmogelijkheid)

Let op met op wie je stemt want:

  • Na de volgende twee portretten kun je in elk geval weer op het personage stemmen die als tweede eindigt. Lees: het eerstvolgende en daarop volgende portret wordt dit personage niet als keuze aangeboden.
  • Het personage met de minste stemmen komt op z’n vroegste over drie portretten pas terug.
  • Op wie je stemt kan ook invloed hebben op de sterren die je kunt verdienen met de actie hieronder.

Je kunt met het stemmen zelf niets winnen.

RAAD HET MODELPERSOON EN WIN STERREN!

Ook nieuw vanaf het komende portret is het winnen van sterren door te gokken wie ik als modelpersoon voor mijn personages hanteer. Kijk op de nieuwe pagina met redactieleden om te ontdekken hoeveel sterren je per personage kunt verdienen en geef hieronder bij de commentaren door wie jij denkt wie de modelpersonen zijn. Vermeld dus bij iedere stem wie het modelpersoon van jouw keuze is. Let op: per karakter mag je maar één keer gokken.

EXTRA: Is jouw 5 punten-stem het eerstvolgende portret én je hebt het modelpersoon correct geraden? Dan verdien je een extra cheque van 500 sterren!

Nadat ik in de lift weer bij kennis was gekomen, had ik direct mijn mond gehouden. Evenals de voorgaande keer bediende Ed Cetera de lift en spraken zowel Victor als ikzelf de hele rit geen woord met hem. Victor knipoogde enkel naar mij en glimlachte toen hij zag dat ik mijn ogen weer had geopend.
Ergens hoog boven in het redactiegebouw stapten we een andere etage op. De liftdeuren sloten zich achter ons en zowaar was ik aan Ed Cetera ontsnapt zonder eerst tien anderen van hem gezien te hebben.
“Hier zou ik je neus maar stevig dicht knijpen, als ik jou was,” adviseerde Victor mij, zodra wij nog niet koud op deze verdieping stonden – en te oordelen aan de lucht die je hier tegemoet kwam, begreep ik meteen waarom. “Dit is de Galbakkerij. Zo noemen we de plek waar onze stinkende collega zich steeds vaker ophoudt sinds hij aan zijn rubriek schrijft dat de ‘De Galbakkerij’ heet.”
“Kornelis bedoel je?” vroeg ik hem, terwijl ik het antwoord eigenlijk wel wist.
“Ja, wie anders?”
Een overheersende damp steeg op uit het bruinrode tapijt en liet een scherpe tinteling achter waar je huid klam van werd. Het eerstkomende uur gaf het je de behoefte om je eerst grondig te gaan wassen met groene zeep en keek je scheel van het gebrek aan frisse lucht.
Waar wij binnentraden was geen gang; bij het uit de lift stappen stond je direct tussen het meubilair. Het vertrek waar Victor over sprak was klein en overzichtelijk, maar was het ook wel erg sfeervol ingericht, met fauteuils in plaats van bureaustoelen, bijpassende salon- en bijzettafels en tegen iedere wand stond er wel een fraai afgewerkte tot de nok toe gevulde boekenkast. Alles was tot in de perfectie afgewerkt in klassiek Europees eikenhout en iedere fauteuil of stoel nodigde uit om erop plaats te nemen. Na Victors toelichting bedacht ik mij echter wel een tweede keer. Het was eigenlijk zonde; je had kans dat deze meubels voor altijd tot in het fijnste kernhout door Kornelis’ lichaamsgeur geïmpregneerd bleef.
Met de vingers op onze neuzen stapten we door deze naar slijk stinkende huiskamerachtige afdeling en kwamen vervolgens alsnog in een kort gangetje uit. Kornelis kwamen we daarbij niet tegen. Die was vast elders de boel aan het verontreinigen, of misschien was hij wel op pad om voor zijn rubriek smerige nieuwsfeiten te verzamelen. Mijn vermoeden was overigens dat Victor hier van te voren van op de hoogte was; dat hij van Kornelis’ afwezigheid afwist voordat we deze afdeling betraden. Ik had namelijk allang door dat hij Kornelis zoveel als mogelijk probeerde te mijden.
Hij sloot de ene deur achter ons en wachtte even met het openen van twee grote massieve deuren direct voor ons. In het fuikvormige gangetje stonden enkele dozen met boeken, opgestapeld links tegen de muur. Waarom die daar stonden zou mij spoedig duidelijk worden.
“Zou jij er daar één van willen meenemen naar binnen?” vroeg Victor mij toen, “dan neem ik er ook eentje mee.”
Ik deed keurig wat mij werd opgedragen en pakte een doos met boeken van een stapel.
“Oh, en als je er op wilt letten altijd eerst deze deur achter je te sluiten voordat je de dubbele deuren opent, dan scheelt dat in het fris houden van je werkplek.”
“Natuurlijk,” antwoordde ik meteen en maakte een klein lachje met mijn mondhoek. Enige vorm van gevoel van humor bleef aan de kant van Victor echter uit; hij had de opmerking serieus bedoeld. Met zijn doos met boeken in zijn handen keerde hij zich daarna naar de deur en wachtte ik geduldig wat we erachter zouden aantreffen.
“Wel,” zuchtte hij vervolgens zwaar, “dan is dit het moment. Laat mij die deuren nu maar openen.”
Ietwat gekunsteld, maar niettemin behendig, plaatste Victor de doos met boeken op z’n knie en haalde hij met een vrije hand een deurknop om. Onder enige weerstand, door het gewicht van de logge deuren, draaide één van beide langzaam naar binnen. Een bundel grauw zonlicht viel er dadelijk langs de mantel van mijn leidinggevende het relatief donkere gangetje binnen. Het was net alsof hij voorzichtig een roestige poort opende naar een tempel uit een lang vergeten oord, waarin het zonlicht mysterieus reflecteerde op het stof dat er door de ruimte dwarrelde, terwijl er diverse valstrikken op scherp stonden om je te verwelkomen.
Ik zal nooit vergeten dat ik destijds toch bijna die lading boeken uit mijn handen liet glijden, toen ik mij liet overdonderen door de visueel verbluffende voorstelling die zich langzaam voor mijn ogen ontvouwde. Snel verstevigde ik mijn grip op de kartonnen handvatten van de doos en stapte rustig achter Victor aan het enorme vertrek binnen.
Zodra ik eenmaal binnen stond keek ik geïmponeerd om mij heen. Mijn mond viel open van verbazing toen ik werd opgenomen door het sprookjesachtige interieur dat ik hier binnen aantrof. Om alles goed in mij op te kunnen nemen moest ik mijn hoofd ver naar achteren buigen en zelfs in die houding was het nog niet genoeg om alles te kunnen overzien. Ik plaatste de doos met boeken daarom tijdelijk even voor mij op de grond en draaide rond mijn as om het geheel nog eens goed te kunnen aanschouwen.
Van dwarrelend stof of hinderlagen passend bij de geheimzinnigheid van een verborgen tombe was hier geen sprake. Dit was een domein van geheel andere allure. Stellingen, te veel om in één blik te kunnen vangen, strekten zich aan weerszijden langs een pad in het midden en alle wanden rond om ons heen uit. Ieder ervan omvatte meerdere meterslange planken, die stuk voor stuk geduldig wachtten om met de inhoud van de dozen gevuld te worden. Tot drie etages hoog reikten sierlijke gietijzeren constructies die de stellingen completeerden en tot in de fijnste details waren uitgewerkt. Zowel in de stellages als in de balustrades, maar ook in de diverse wenteltrappen kwam het gietijzer als basiselement van deze ruimte in overvloed terug. Zelfs de traptreden en het hout van de vloeren op de hoger liggende etages waren in dit robuuste materiaal ingevangen. Het effect was indrukwekkend en tegelijkertijd oogstrelend, maar het loodzware metaal was vooral op die manier toegepast omdat het geluiddempende eigenschappen bezit, een welkome toevoeging voor wie zich hier wil terugtrekken en zich in alle rust op een goed verhaal wil storten. En ook daarmee was wel duidelijk waar deze sfeervolle ruimte voor was bedoeld.
“Welkom in de bibliotheek van de Tycoon Newspaper,” sprak Victor ten slotte vlak. Hij bracht het alsof hij iemand informeerde waar het toilet was en liep vervolgens nog een klein stukje voor mij uit. Trots of vreugde in zijn verkondiging was in het geheel afwezig.
Het duurde nog even voordat ik zelf in staat was een woord uit te brengen. Voor mij was een faciliteit als deze werkelijk een droom die nu stond uit te komen. Wat Victor ook voor mij in gedachten had, als hij bedoeld had dat dit mijn nieuwe werkterrein moest gaan worden, dan stond ik meteen al te popelen om te beginnen. Althans, zo dacht ik er toen nog over.
De Tycoon Newspaper zag ik inmiddels als een fantastische collectie van gebouwen, met verschillende voorzieningen samengebracht in één monumentaal bouwwerk, een overweldigend complex met – als je het mij vraagt – de bibliotheek als kers op de taart. Gezien de suikertaartstijl waarin het redactiegebouw is opgetrokken kun je dat laatste wel bijna letterlijk opvatten.
Met een zwevend loopje over de houten mozaïekvloer liep ik, mij nog altijd verwonderend over het oogstrelende interieur, verder de bibliotheek in. Tussen de gietijzeren wenteltrappen die naar de verschillende vloeren leidden, keek ik omhoog naar het glas in lood dak, waarachter de lucht inmiddels begon te betrekken. Een kunstzinnige voorstelling van rozenstruiken met dieren die in het bos leven werd hierin in een grote verzameling glasstukken ingevangen in loodlijsten. Het gebruik van warme kleuren zoals diepgroen, naar het bruin neigend oker en bloedrood maakten dat de bibliotheek bij de juiste lichtval daarmee haar uitnodigende laagdrempelige sfeer ontving.
Er was geen onderdeel van de leesinrichting die echt onderdeed voor de vele artistieke elementen waaruit alles was opgebouwd. Zelfs de noodzakelijke wandelstrook in het midden was rijk aan sierornamenten en droeg daarmee op eigen wijze bij aan het warme en intieme interieur van dit Walhalla aan fysieke informatiedragers. Leestafels, sculpturale versieringen van uiteenlopende fantasiedieren, tot en met meubelen en deurbeslag, al deze boeiende componenten pasten perfect bij dit architectonische hoogstandje.
Na lange tijd met open mond te hebben rondgelopen in deze leeszaal, waar nog zoveel boeken hun plek moesten krijgen, kwam ik eindelijk weer een beetje terug op aarde en hervond ik mijn vermogen om iets te kunnen uitbrengen.
“Dit is werkelijk…”
En heel veel verder dan dat kwam ik vervolgens niet.
“Fantastisch?” maakte Victor met een lichte zure ondertoon mijn zin af.
“Euh ja, ik bedoel, dit is nogal een ruimte met indrukken zeg. Vind je dit zelf niet machtig dan?”
“Oh ‘machtig’ is zeker een woord dat je hierop zou kunnen toepassen,” antwoordde mijn leidinggevende laconiek, “maar het is net zoals met zoveel dingen, als je eenmaal gewend bent aan wat er aan je ogen wordt gepresenteerd, verbleekt dat wat jij nu nog als schitterend ziet vanzelf wel een keer. Laat je hoofd niet te veel je op hol brengen. Het blijft werk waarvoor jij hier naar hier bent gekomen.”
“Wel, als je dit als mijn nieuwe werkplek hebt bedacht, dan vraag ik mij af hoe je hier ooit negatief over kan worden,” grinnikte ik.
Na die opmerking had ik absoluut een reactie van Victor verwacht. Hij was, sinds we hier samen binnenstapten, ineens zo onverteerbaar, dat ik mij al begon af te vragen of zijn eerdere plotselinge vriendelijkheid na mijn Ed Cetera-ervaring niet hartstikke gespeeld was. Waarom je de pracht en praal van deze toplocatie zou willen afkraken kon ik met mijn pet niet bij, daarom bereidde ik mij al voor op Victors volgende gejeremieer. Ik keek echter vreemd op toen hij daar juist niet op reageerde en dus de kans liet lopen om zich opnieuw nors uit te laten.
Toch vergat ik zijn gebrek aan interesse alweer gauw, aangezien ikzelf helemaal opging in de bibliotheek en haast niet kon wachten op wat Victor voor mij in petto had.
“Wel, dan lijkt mij dit een goed moment om je te vertellen waar jij de komende tijd jouw aandacht aan gaat besteden,” sprak Victor hardop en hij kwam met zijn armen in de mouwen van zijn mantel met een statig loopje naar mij toe. De doos die hijzelf naar binnen had gedragen had hij ondertussen al even een tijdelijke bestemming gegeven.
Een verwachtingsvolle glundering op mijn gezicht kon ik niet maskeren toen Victor mij met opgeheven kin passeerde en mij bijna en passant informeerde wat mij te doen stond:
“Jij Achmed, jij bent de eerste archivaris van de bibliotheek van de Tycoon Newspaper. Daarmee bekleed jij een eervolle en zeer bewonderenswaardige rol binnen dit bedrijf. Een grote verantwoordelijkheid rust er vanaf nu op jouw schouders. Iedereen zal jou voortaan kennen als de bibliothecaris, de wandelende encyclopedie in de ruimste zin van het woord. Jij zal zorgdragen dat alle boeken hier op alfabetische volgorde terug te vinden zullen zijn en daarmee ben jij dadelijk ook bekend met iedere kaft, inhoud en iedere titel die je hier in deze dozen zult aantreffen.”
Victor maakte deze taak duidelijk met veel opsmuk in zijn woordgebruik aan mij bekend. Maar de bedoelde glans van Victors woorden werd echter teniet gedaan door de koele wijze waarop hij zijn boodschap op mij overbracht. En of dat de glorie nog niet genoeg verpestte, klonk er hoog boven ons ineens een aanzwellend gespetter op het glas in lood dat langzaam overging in de woeste wolkbreuk die het morgenrood eerder die dag toch al had aangekondigd. Het was haast alsof het luister werd weggespoeld dat Victor aan zijn woorden had willen meegeven.
Ik bedacht mij even voordat ik op dit toch niet geheel onverwachte nieuws naar hem wilde reageren. Natuurlijk was ik blij en trots dat ik in zo’n fantastische ruimte als dit zou mogen werken, maar ik kon het gevoel niet onderdrukken dat ik een geheel andere verwachting had, aangezien mij eerder nog de functie van verslaggever voorgespiegeld was. Daardoor toch wat teleurgesteld liet ik mijn schouders afzakken en begon het in mijn hoofd te ratelen. Dit kwam natuurlijk doordat ik zo’n slechte beurt had gemaakt door onuitgeslapen aan mijn nieuwe werk te beginnen. Dit had ik gewoon aan mijzelf te danken. Het was eigenlijk niet verwonderlijk dat ik hier nu stond en min of meer toch de vuile klusjes kon gaan opknappen. Maar nee, bedacht ik mij toen, Victor had op voorhand al gewild dat ik hier in de bibliotheek zou belanden. Of had hij voldoende slechte indruk van mij gekregen toen ik met mijn collega’s in gesprek was nog voordat ik een heel circus aan Edjes te zien kreeg?
“Euhm Victor,” begon ik aarzelend na een korte stilte, “ik wil niet ondankbaar klinken, maar eet ik hiermee niet Ed Cetera het kaas van zijn brood? Ik bedoel, ik zou graag deze monsterklus met beide handen willen aanpakken, alleen is dit nou echt iets wat ik eerder onze breedsprakige collega zou zien doen.”
Victor keek mij daarop aan. Een zure glimlach vormde zich ineens rond zijn mond. Spontaan leek hij zich ergens om te kunnen amuseren.
“Een ‘monsterklus’ noem je dit, hè?” merkte hij toen op. Even moest hij hardop lachen.
Oei, dacht ik toen. Kennelijk had ik mij toch te oneerbiedig uitgedrukt. Dat had ik vast niet zo moeten zeggen.
“Wel wel. Dat noem ik nog eens een interessante woordkeuze,” vervolgde hij vlug, zonder verder in te gaan op wat hij daar zo opvallend aan vond.
Zijn glimlach veranderde in een grijns en Victor keerde zich weer van mij af. Hij liep voor een wenteltrap langs één van de paden met stellingen in waar boeken in moesten komen te staan. Luid genoeg opdat ik hem nog steeds kon verstaan beantwoordde hij alsnog mijn vraag:
“Wat Ed betreft… Zoals je inmiddels zelf eerder al hebt geconstateerd is onze Keniaanse vriend nogal een geval apart. Ik zal je daar iets meer over vertellen.”
In schril contrast met zijn koele verkondiging van zojuist, klonk Victor nu opeens weer even iets hartelijker.
“In meerdere opzichten wijkt Ed Cetera af van hoe wij onszelf als mens kennen. Behalve de feiten die je onlangs over hem hebt ontdekt is er nog iets anders wat je van hem moet weten. Door zijn vermogen om zichzelf te kunnen dupliceren zou je haast gaan denken dat de Tycoon Newspaper niemand anders meer nodig zou hebben. Het is verleidelijk om te veronderstellen dat als Ed zichzelf maar vaak genoeg zou dupliceren alle functies binnen dit bedrijf in één klap zouden zijn ingevuld. De eindredacteur zou dan nog slechts als Willy Wonka fungeren met een heel leger aan Oempa Loempa’s onder zich en de vacaturepagina uit onze krant zou je dan voorgoed kunnen schrappen. Maar zo eenvoudig ligt dat toch niet. Ed Cetera en de Nesnemenienen zijn namelijk nogal afhankelijk van een bepaald type voedsel, eten wat zij nodig hebben om überhaupt in leven te kunnen blijven. Voor ons geldt dat wanneer er op enig moment geen brood meer gemaakt zou kunnen worden, wij altijd op ander eten zouden kunnen overstappen. Maar in het geval van de Nesnemenienen zouden zij op den duur het loodje leggen. In het Land van Snooit groeit er een specifieke vrucht, de zwarte boon, die erg moeilijk te vinden is, maar waar dit volk er altijd wel voldoende van kan vinden, juist doordat zij zich zo eenvoudig kunnen dupliceren. Ze gaan dan samen op zoektocht en er is dan altijd wel een Nesnemenien die deze boon wel vinden kan. Je begrijpt inmiddels wel, dat wanneer het voor hun al zo moeilijk is om deze vrucht te kunnen vinden, dat het ook voor de Tycoon Newspaper daardoor nogal een opgave is om er voldoende van geïmporteerd te krijgen om onze Edjes in leven te houden. Hun buiken blijven wel gevuld door de boktorlarven, de zandsprinkhanen en het bloedbessensap, waar veel eenvoudiger aan te komen is, maar zouden ze voor langere tijd geen zwarte bonen eten dan loopt het niet erg best af met deze lilliputters.”
Zo pratende was Victor dieper het gangetje in gelopen en kwam hij tegen het einde van zijn uitleg terug met een voorwerp in zijn hand. Hij had dit ergens van een leestafel of boekenplank gepakt en hield het bij het terugkeren vast in zijn vuist. Zodra hij dicht genoeg bij mij stond verklaarde hij welk noodlot iedere Ed te wachten stond indien de zwarte boon niet gegeten zou worden.
“Dit, mijn waarde vriend, is wat er van Ed overblijft wanneer er te weinig van zijn bonen voorhanden zijn. Maak kennis met wie eigenlijk jouw voorganger had moeten zijn, de Ed Cetera die enkel van de bibliotheek heeft kunnen proeven.”
Hij opende zijn vuist en ik schrok mij wezenloos toen ik zag wat hij er werkelijk in vasthield. De gelijkenis was treffend. Een zo mogelijk nog kleinere versie van Ed Cetera, niet veel groter dan een miniatuur tuinkabouter, lag er op zijn palm in de vorm van een soort versteende variant van hoe ik Ed feitelijk kende. Ieder uiterlijk detail kwam exact overeen en ik kon mij haast niet voorstellen dat Ed Cetera hier werkelijk verschrompeld in Victors hand lag. Vol ontzetting en ongeloof keek ik mijn leidinggevende vervolgens aan.
“M-maar, wat verschrikkelijk. Hoe is dit mogelijk?”
Victor sloot zijn vuist weer en plaatste de gekrompen Ed achter zich, ditmaal op het einde van een van de stellingen.
“Tja, dat was ook onze reactie toen we dit voor het eerst meemaakten. Het heeft er in elk geval voor gezorgd dat we toch moesten gaan werven. Hoe cru het ook voor Ed is, de zwarte boon is duur en schaars en daardoor ziet de Tycoon Newspaper zich genoodzaakt om toch nieuwe mensen aan te trekken. Rina Oddel was erbij toen de eerste Ed verschrompelde. Het beeldje wat er van hem is overgebleven heeft ze nog steeds bij haar op de balie staan.”
“Jakkes. Wat een luguber idee.”
“Dat is ook hoe ik erover denk,” zuchtte Victor, zonder enige vorm van compassie en liep vervolgens weer wat rond in de bibliotheek. “Rina krijste het werkelijk uit toen het gebeurde. Maar om één of andere reden is ze toch gehecht geraakt aan die gekrompen dwerg. Ze wil er maar niet aan dat die Ed echt gestorven is in dat proces. Overbodig sentiment, als je het mij vraagt, maar ieder zo z’n ding. En wanneer je hier vroeg genoeg binnen komt, dan zul je ook zien dat ze hem altijd even groet wanneer ze de dag start. Maar genoeg nu over die Ed, er ligt hier werk op jou te wachten. Jij bent nu de archivaris van de bibliotheek. Ed heeft de kans nooit gehad om met zijn werk te kunnen aanvangen. Dus je bent hier hard nodig. Ik veronderstel dat je zelf wel kunt invullen wat wij hier van jou verwachten. Al deze boeken moeten een plek krijgen en ik zou het erg waarderen wanneer je daar dadelijk al mee gaat starten. Heb je nog vragen aan mij?”
Heel even keek ik nog wat glazig voor mij uit. Met mijn blik gefixeerd op het beeldje op het uiteinde van de stelling was ikzelf eigenlijk nog bezig te bevatten wat er hier aan mijn ogen en oren voorbij kwam. Hoe bestond het? Het leek hier maar niet op te houden met onwaarschijnlijke situaties, zodat ik mijn verstand er maar van probeerde te overtuigen dat ik het moest accepteren.
“Wel, wat het werk hier betreft niet,” begon ik, “daar kom ik vast wel uit. Maar er ligt mij toch een vraag op het hart dat ik je graag zou willen voorleggen.”
“En dat is?”
“Ik heb gesolliciteerd op de rol van een verslaggever. En hoewel dit werk mij ook best aanstaat, moet ik toch eerlijk naar mijzelf blijven en wil ik toch graag weten of het in de bedoeling ligt dat ik die functie hier nog zal bekleden?”
Victor schrok niet van wat ik zei en keek mij direct aan met een van zijn typische neerbuigende gezichtsuitdrukkingen. En ook bij deze vraag was het duidelijk dat hij genoot van een zekere autoriteit, dat zijn handelen kenmerkte en hij toepaste als een soort visitekaartje.
“Best aanstaat?” lichtte hij ernstig twee woorden uit van wat ik zojuist had gezegd, “is dat de waardering waarmee je tegen deze eerbare aanstelling aankijkt? Je liet mij juist nog geloven dat je niet kon wachten om met de werkzaamheden alhier aan de slag te gaan.”
Toen knipoogde hij.
“Wees gerust. De Tycoon Newspaper is nog in oprichting. Er staat nog een hoop werk te gebeuren, waarbij iedereen zijn steentje dient bij te dragen. Ook jouw collega’s heb ik al wat klusjes moeten laten opknappen die soms beneden hun niveau zijn, maar zij zijn nu toch ook aan de slag. Zie dit maar als een inwerkperiode. Al heb ik hierna ook nog wat, waar je wellicht wel langer mee bezig zult zijn. Let maar op mijn woorden, jouw tijd komt nog wel.”
Hoewel Victor nu toch weer wat innemender klonk, gaf hij mij nu nog niet echt direct het gevoel dat ik al ergens binnen een maand met mijn bloknootje erop uit kon trekken. Ik glimlachte wat moeilijk, maar vertrouwde er inmiddels toch op dat Victor het beste met me voor had.
Toen kneep hij zachtjes in mijn schouder, alsof hij daarmee moed probeerde in te masseren.
“Je zal zien, Achmed, dat je hier dadelijk nog best een afwisselend baantje aan overhoudt. Jij trekt straks de wijde wereld in en zal onze lezers trakteren op de meeste gruwelijke nieuwsfeiten die een mens ooit in een krant voorbij heeft zien komen.”
Nu begon ik toch te stralen. Het beeld wat hij mij daarmee voorhield beloofde wat. Zonder verder nog woorden over mijn functie vuil te maken greep ik al naar een doos met boeken liet daarmee blijken dat ik er geen gras over liet groeien.
“Goed, nou dan ga ik maar eens ergens beginnen,” sprak ik opgewekt tegen hem en wilde mij juist al op de inhoud van de doos storten die ikzelf had binnen gedragen. Het was duidelijk dat dit Victor tevreden stelde.
“Top,” reageerde hij prompt. Hij veegde met een hand wat stof van zijn mantel en keek er met eenzelfde blik naar zoals hij dat ook naar zijn collega’s deed. “Wel mocht er toch nog iets zijn wat je echt per se moet weten, dan weet je mij te vinden, op de zevende etage in mijn kantoortje.”
“Absoluut,” antwoordde ik en draaide mij om naar mijn nieuwe taak. Een enorme verzameling kartonnen dozen met boeken stond uitgestald langs alle stellingen, geduldig op mij te wachten om uitgepakt en ingedeeld te worden.
En precies op het moment dat ik mij opmaakte om mij daar op te storten en even terloops naar de onderzijde van de wenteltrap rechts naast mij keek, zag ik in het verlengde ervan ineens iets wat mijn wenkbrauwen weer danig deed fronzen. Mijn hemel, hoe kon dit toch steeds? Was direct mijn gedachte, toen ik het fenomeen aanschouwde dat ik nu toch al een paar keer eerder had gezien had. Lang had ik er niet voor nodig om voor mezelf te beslissen welke actie ik nu zou ondernemen en keerde mij dan ook meteen weer om zodat ik mijn observatie meteen met mijn nieuwe baas kon delen.
Een trillende sensatie van opwinding trok er door mijn lijf, nu ik deze ervaring eindelijk ook eens met een ander zou kunnen delen.
“Zeg Vict-…” begon ik al meteen – en voelde reeds hoe de bloeddruk van de spanning op mijn slapen omhoog schoot – Maar juist waar ik verwacht had om Victor nog te zullen aantreffen om zijn aandacht nog even te kunnen opeisen, was het afdelingshoofd van onze redactie al in geen velden of wegen meer te bekennen. Op de plaats waar hij zojuist had gestaan was nu helemaal niemand. “Euhm… Victor? Hallo, Victor?” probeerde ik nog terwijl ik vlot om mij heen keek, maar van Victor was ineens totaal geen spoor meer. Hij was nog maar echt pas bij mij weg gestapt, daar was ik van overtuigd, waardoor ik meende dat hij hooguit tien passen bij mij vandaan gelopen én dus nog zichtbaar moest zijn. Maar hij was toch echt weg en compleet uit het zicht verdwenen ook. Niet linksom, maar ook rechtsom, dieper de bibliotheek in, kon ik hem niet zien. Om zeker te zijn dat hij niet in één van de gangpaden was gedoken, richtte ik mij daarom maar even op en keek ik om de hoek van de stellingen.
“Victor? Hallo, Victor?”
Maar niets.
Waar Victor eerder had gestaan viel niets anders te bespeuren dan wat traag dwarrelend stof zwaarmoedig zwevend in het dompige luchtledige.
Victor was echt weg. Victor Anished was… verdwenen.
Ik vond het voorval zo curieus dat ik raadselachtig richting de dubbele deuren keek – die geen teken vertoonde dat ze zonet nog geopend en dichtgevallen waren. Ik snapte er echt helemaal niets van. Victor kon nooit zó snel naar de kamer van Kornelis verdwenen zijn.
En daarmee liet hij mij van het ene op het andere moment helemaal alleen achter met eigen mysterie, mijn andere raadsel, dat zich hier opnieuw voor mijn ogen had voorgedaan: een kortstondige vibratie achter de wenteltrap dat gepaard ging met een zoemend geluid.

Na een haast onmerkbare aarzeling stak ik ook mijn hand uit en reikte naar de zijne, die met verband was omwikkeld. Victors hand voelde erg warm aan,mogelijk door het werken op de typemachine, maar het was ook denkbaar dat de vele windselen om zijn armen hier een verklaring voor gaven.
“Aangenaam kennis te maken”, bracht ik uit. Ik had al meteen in de gaten dat er een extra laag in onze handdruk besloten lag. Victor kwam erg intimiderend op mij over en kennelijk kon ik dat gevoel niet voor hem verbloemen. Hij keek me vergenoegd aan en glimlachte. Victor leek me iemand die graag zijn natuurlijk overwicht liet gelden en mijn gereserveerde benadering beviel hem kennelijk prima. Mijn voorzichtige opstelling was absoluut niet bewust, maar door mijn verminderde scherpte door gebrek aan slaap slaagde ik er niet in mij krachtiger te presenteren. De vraag die ik daarna aan hem richtte maakte het er al niet beter op:
“Bent u de eindredacteur?”
Meteen was het duidelijk dat dit een domme vraag bleek. Victors ogen begonnen te twinkelen en hij grijnsde zo breed dat het er vanaf droop dat hij hiervan genoot. Ik stond weliswaar met mijn rug naar mijn nieuwe collega’s, maar ik kon gewoon voelen dat zij werden overvallen door plaatsvervangende schaamte. Toen schoten mij de woorden van Kornelis te binnen, waardoor ik mijn vergissing inzag en waar Kornelis zelf op dat moment ook op terugpakte:
“Dit is die collega is die ‘later nog zou komen aanschuiven’, Achmed,” fluisterde hij mij toe.
Hij sprak zacht, maar voldoende luid zodat Victor hem duidelijk had verstaan. Zijn grijns verdween op slag en hij wierp Kornelis daarop een afkeurende blik toe. Wat er tussen de twee speelde was mij niet geheel duidelijk, maar het was voor mij direct zonneklaar dat ze elkaar niet helemaal goed lagen.
“Noem mij maar gewoon Victor,” sprak hij vervolgens vriendelijk, waarbij hij opnieuw een glimlach op zijn gezicht toverde, “en eindredacteur is echt te veel eer voor mij, vriend. Ik ben slechts jullie afdelingshoofd. Desalniettemin is het een taak die heel wat verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Er zal hier toch iemand de beslissingen moeten nemen wie er waar wordt ingezet, nietwaar? Geschikt personeel groeit immers niet aan de bomen.”
Het was overduidelijk dat Victor met zijn opmerking over beslissingen nemen een sneer uitdeelde richting onze Kornelis, zodat de spanning die ik eerder al dacht op te merken alleen maar werd versterkt. Ik zou hier te zijner tijd ongetwijfeld meer over te weten gaan komen. Op deze dag moest ik mij vooral focussen op wat er van mij werd verwacht.
“Jullie waren het kennismakingsgesprek net aan het afronden, neem ik aan?” vroeg Victor op hooghartige toon, zonder zijn woorden aan iemand in het bijzonder te richten.
Het was Tinus die daar het antwoord op wilde geven.
“Wel, we…”
Maar Victor gaf hem de kans niet om uit te spreken en vulde de rest zelf al in.
“Goed zo. Dan kunnen jullie weer aan je werk en gaat Achmed eerst met mij mee.”
Hij maakte er een handgebaar bij alsof hij een of andere baron was die zijn hofhouding wegwuifde en legde een hand op mijn rug om mij apart te nemen.
“Al goed,” bromde Kornelis chagrijnig en haalde vervolgens zijn schouders op. Hij keek nog wel even misprijzend naar Victor, maar vond het de moeite niet er verder op in te gaan en maakte daarom aanstalten om terug te keren naar zijn plek.
Tinus stond er, nu hij was afgekapt, wat gelaten bij, maar ook hij besloot er geen woorden aan vuil te maken en verwijderde zich ook langzaam weer van het vergaderhok.
“Rina nog wat?” vroeg Victor, zodat hij aan eenieder zijn autoriteit had laten gelden, maar zij liet enkel met haar gezichtsmimiek blijken dat ze geen zin had hierop in te gaan.
“Kom je mee, Achmed? Dan zal ik je wijzen waar jij de komende tijd erg van nut kan zijn. Iemand met jouw kwaliteiten kunnen we hard gebruiken in de Archieven van de Tycoon Newspaper. Zodra je hier binnenstapte had ik al meteen door dat we jouw talenten niet onbenut moeten laten. Wat verhaaltjes oppennen door vrolijk de stad rond te trekken kun je altijd nog doen.”
Ik wist zo gauw even niet of ik er erg blij mee moest zijn dat Victor voor mij andere werkzaamheden in gedachten had, maar wist wel dat ik eerst dringend ergens anders behoefte aan had.
“Wel, dat lijkt me goed, maar als je het niet erg vindt, zou ik eigenlijk eerst even een toilet willen bezoeken. Waar kan ik die hier vinden?”
“Ach, natuurlijk,” reageerde Victor meteen, “Rina? Wijs jij deze meneer hier even waar hij het toilet kan vinden?”
Geschokt keek ik op hoe mijn nieuwe leidinggevende zelfs het wijzen waar het kleine kamertje was aan zijn collega’s uitbesteedde. Kort daarop liet ik mij weer meevoeren door de lieftallige blondine.

Niet veel later stond ik opnieuw wat te mijmeren over mijn zware nachten, ditmaal toen ik mijn handen stond te wassen aan de toilettafel. Ik was juist bezig mijn handen af te drogen toen er een klein kereltje de wc’s binnenliep.
“Dag, Ed Cetera,” groette ik de figuur die mij juist voorbij ging.
“Oh,-dag… euh…”
Het kleine mannetje, dat opeens in een proper wit pak was gestoken, keek mij bevreemd aan en leek zowaar voor een moment zijn tong even verloren.
“Ik-geloof-niet-dat-wij-elkaar-al-eens-hebben-ontmoet. Of-heb-ik-het-mis? Ik-bedoel-het-is-in-theorie-natuurlijk-mogelijk-dat-we-elkaar-in-het-voorbijgaan-elkaar-reeds-eerder-hebben-gepasseerd-, maar-eerlijkheid-gebiedt-me-te-zeggen-dat-ik-dat-niet-voor-de-geest-kan-halen. Of-denk-je-dat, ik-bedoel, ben-je-er-echt-zeker-van-dat…”
“Stop maar, stop maar, Ed,” onderbrak ik het tetterende mannetje meteen, omdat ik al door had dat dit weer zo’n lang gesprek zou gaan worden. Tegelijk begreep ik niets van zijn reactie, wij hadden elkaar toch zojuist bij de liften ontmoet? Of zijn mijn nachten echt zó slecht dat ik nu begon te hallucineren? Ik wist het even niet.
“Jij bent toch de Ed die Rina Oddel en mij zojuist met de lift naar boven heeft gebracht? Of ben ik nu compleet in de war?”
Het mannetje dat tijdens het praten een werkkast had opengetrokken en daar een mop en een waterbak uit had gepakt nam nauwelijks de tijd om adem te halen en begon, zonder mij aan te kijken, antwoord te geven.
“Nu, of-je-in-de-war-bent-daar-kan-ik-echt-niet-over-oordelen. Daar-moet-ik-een-persoon-echt-wel-vaker-dan-eens-voor-hebben-ontmoet. Compleet-in-de-war-zijn-is-sowieso-wat-onwaarschijnlijk, aangenomen-dat-je-dan-van-al-je-zinnen-zou-zijn-beroofd-en-je-zo-van-de-wereld-zou-zijn-dat-je-amper-in-staat-zou-zijn-om-een-normaal-gesprek-met-iemand-te-voeren. Daar-lijk-je-geenszins-last-van-te-ondervinden. Ik-begrijp-jou-immers-prima. De-Ed-waar-je-naar-refereert-ben-ik-in-elk-geval-niet. Hebben-we-samen-in-de-lift-gestaan? Daar-herinner-ik-mij-werkelijk-niets-van. Je-bent-mogelijk-in-de-war-met-Ed-Cetera, de-liftbediende. Dat-ben-ik-niet-hoor. Oordeel-nu-zelf; zie-ik-er-met-mijn-kleren-uit-alsof-ik-iemand-ben-die-mensen-met-liften-naar-boven-en-naar-beneden-haalt? Ik-zal-je-wel-vertellen, ik-ben-een…”
“Oh, nee help. Daar gaan we weer!” bracht ik uit. Ik had een ernstige fout gemaakt. Ik had deze Ed, of wie het ook had mogen wezen, een vraag gesteld. Of eigenlijk twee zelfs. En als ik iets uit mijn vorige gesprek met de liftbediende wel had moeten leren, dan was het dat ik hem in elk geval geen vragen moest stellen, anders kon ik erop rekenen overladen te worden met een hoeveelheid ongevraagde informatie waar je tureluurs van wordt. Of dit nu wel of geen Ed Cetera was, mannetjes bij de Tycoon Newspaper wiens lengte niet boven de 1,35 uitkomen, leken mij op voorhand geen handige gesprekspartners. Dus, hoewel het mij onder normale condities onbeleefd leek, negeerde ik dit mannetje verder en was ik al onderweg om de toiletten te verlaten.
De geur van lavendelbloesem uit het schoonmaakmiddel bleef bij het naar buiten lopen nog wat hangen.Ik was nog maar net buiten toen ik me realiseerde dat ik bij de entree van de toiletten tegen iets aan liep, of andersom, het is maar net hoe je het bekijkt. Een pijnlijke ervaring van rechts op mijn enkel was het gevolg; de rand van het onderste blad van een kantinekarretje waar koffie en thee mee geserveerd werd, stootte plots ferm tegen mijn rechtervoet. Ik sprong op van de pijn en nog voordat ik het wist zag ik een koffiepot van een blad opveren en recht op mij afkomen. In een reflex pakte ik deze beet . Pas later bedacht ik dat dit waarschijnlijk geen goed plan zou zijn geweest indien deze met verse koffie was gevuld, maar gelukkig was hij leeg. Tegelijk zag ik divers servieswerk voorlangs flitsen en kon ik niets anders doen dan toezien hoe deze in honderden scherven op de grond kapot vielen. Er bleef werkelijk niets van heel. Resten koffie en thee bevlekten het tapijt zodat ik concludeerde dat het om vuile vaat ging. De kar waar alles op had gestaan werd wel weer rap horizontaal getrokken, maar voor het gros van de lading was het reeds te laat.
“Oh, excuseert-u-mij!” klonk het meteen verschrikt vanachter de verrijdbare dienbladen. De persoon die erachter stond trok direct zelf alle schuld naar zich toe, snelde direct op mij toe en bekeek de scherven van het gevallen servies.
“Wat-dom-van-me,” vervolgde hij, “ik-had-nooit-zo-dicht-langs-de-toiletdeuren-moeten-lopen. Hier-treft-u-geen-blaam. Heeft-u-niets-gebroken?”
“Nee hoor,” antwoordde ik in een impuls en verzweeg de pijn die ik aan mijn enkel had, “ik ben in orde. Maar heb ik u niet laten schrikken dan? Ik kwam ook zo sne-..”
Op dat moment stokte mijn adem. Ik bekeek de persoon die voor me stond eens goed en kwam met een schok tot de ontdekking dat ook deze medewerker weer als twee druppels water op de liftbediende leek. Hetzelfde postuur, om en nabij 1 meter 35, de gebruinde huid van iemand van Afrikaanse komaf en ook precies dezelfde muisachtige gezichtsuitdrukking.
“Nee…!” spraken mijn lippen klankloos en ik staarde als verlamd naar de figuur voor me. Dit was onmogelijk. Daarnet zag ik hem hier al in de toiletten en nu direct weer bij de eerstvolgende stappen die ik zette. Twee figuren die sprekend op elkaar leken kon ik nog behappen, maar een derde? Onderhand begon ik echt aan mijn waarnemingsvermogen te twijfelen. Dit waren de buitenaardse wezens! Ze waren mij gevolgd vanuit mijn nachtmerries en deden zich nu als mijn nieuwe collega Ed voor, zo overtuigde ik mijzelf.
Bevend van schrik wankelde ik naar achteren en liet in die beweging de lege koffiepot die ik nog vast hield los. Even was mijn aandacht daar op gefocust, toen ik zag hoe deze in grove scherven op de grond versplinterde, maar al snel nam de behoefte om te vluchten bezit van mij. Ik wendde mij af van de koffiebediende die reeds zijn antwoorden begon te ratelen en draaide vlug naar het verlengde van de gang achter mij.
“Oh-pardoes!” klonk het meteen zodra ik de andere kant op keek en ik op een mannetje botste waarvan ik het gezicht nu al drie keer eerder had gezien. Een klein figuurtje, die een hele stapel papier in zijn handen had, keek verschrikt op toen we tegen elkaar aanliepen. Het bovenste deel van zijn papieren stapel gleed van het geheel en dwarrelde weldra op de grond. Onder normale omstandigheden had ik mij in zo’n situatie absoluut verontschuldigd en mijn hulp wel aangeboden om de boel op te pakken, maar dit waren, zoals ik toen kon oordelen, niet die normale omstandigheden. In plaats daarvan keek ik het mannetje gejaagd aan alsof ik iemand uit de dood zag opstaan en zette het daarna op een lopen.
Het tafereel achter mij latend spurtte ik zo rap als mijn benen mij konden dragen naar het einde van de gang, daar waar deze in een scherpe hoek naar rechts afboog en alwaar ik hoopte dat ik er in elk geval geen Ed Cetera meer zou tegenkomen. Groot was echter mijn ontzetting toen ik, bijna aangekomen bij de hoek van de gang, een volgend individu mijn richting op zag komen. Hij verscheen vanachter de hoek, liep achteruit en hield met zijn handen een soort draagkar stabiel terwijl hij de bocht door de hoek maakte. Een tweede drager werd kort daarna zichtbaar toen de stellage voor mij in z’n geheel in beeld kwam en ik ontdekte dat er twee Ed Cetera’s hun handen vol hadden aan het verplaatsen van enkele duivenkooien met daarin een achttal hagelwitte duiven. Ik dook opzij en plakte tegen de muur op het moment dat de twee mannetjes met de duiven, waarschijnlijk postduiven, mij voorbij gingen.
“Droom ik di-” maar nog voor ik mijn mompelende vraag had uitgesproken, legde ik mijzelf met beide handen het zwijgen op toen ik realiseerde dat ik bezig was een vraag te stellen. Het laatste wat ik wilde was dat één van beide mijn vraag zou horen en ik opnieuw een vuursalvo aan antwoorden zou krijgen met uitgebreide uitleg. En zeker niet van twee Ed Cetera’s tegelijk! Dat wil zeggen, als beide figuren hier voor mij al naar die naam luisterden. Links van mij hoorde ik hoe Ed Nummer Drie nog steeds staccato zijn relaas voorbracht op mijn vraag of ik hem had laten schrikken. Het geklop van hartslag werd al zichtbaar boven mijn borstbeen, zo benauwd kreeg ik het van deze voorstelling. Ik sloeg gade hoe het tweetal dwergachtige figuren met de stellage met gevogelte aan mij voorbij liep en staarde de mannen enkel aan toen de achterste van de twee mij met een hoofdknikje groette.
“Dit zie ik niet echt,” hield ik mezelf voor en wilde dat ook erg graag geloven. Ik weigerde te accepteren dat de Tycoon Newspaper zoveel Edjes had rondlopen en weet mijn beleving aan mijn chronische slaapgebrek. Ik sloot daarom mijn ogen en hield mijn lijf stijf tegen wandpanelen achter mij in de hoop dat deze nachtmerrie vanzelf voorbij zou zijn wanneer ik ze weer zou openen. Maar helaas, zodra ik mijn ogen weer voorzichtig open deed, waren Ed Cetera Vijf en Zes wel al verder doorgelopen, maar verscheen er een zevende achteraan die ook bij die laatste twee leek te horen. Ed Nummer Zeven liep er iets minder gemakkelijk bij dan de twee Edjes van zojuist, wat zich liet verklaren doordat hij de zwaarste lading met zich mee droeg. Zijn korte armpjes had hij om de buik van een beest voor zich geklemd en hij waggelde daarmee driftig achter zijn twee collega’s aan. Het beest was ongekooid en bovendien erg log, zodat de vertoning erg zielig aandeed voor deze Ed. In zijn armen droeg Ed Nummer Zeven een grote vette onwillige dodo.
Hij én de dodo keken mij vervolgens verdwaasd aan en toen werd het me allemaal te veel.
“Aaarghh!!!” schreeuwde ik het uit en trok met beide handen bijna de krullen uit mijn kruin. Dit was te veel van het goede. Ik sloeg volledig op tilt en wist niet meer waar ik het zoeken moest. ’s Nachts werd ik keer op keer ontvoerd door buitenaardse wezens, de krant op mijn werkplek werd door mechanische postduiven rondgebracht, één van mijn collega’s overleefde een aardbeving en stinkt erger dan een bunzing die te zwaar getafeld heeft en nu zag ik ook nog een half kabouterdorp aan kloonachtige medewerkers rondhobbelen. Dit waren té veel onwaarschijnlijkheden kort achter elkaar om mij nog te overtuigen dat ik ze zelf allemaal nog op een rijtje had. Paniek nam verder bezit van mij. Ik sloeg op de vlucht en rende door de gangen. Zonder me nu nog iets aan te trekken van wie ik verder nog tegen het lijf zou lopen was het enige waar ik nu nog aan kon denken dat ik hier moest zien weg te komen. Dan maar geen baan bij een prestigieuze redactie waar de hele mediawereld afgunstig de ontwikkelingen van volgt. Wat hier gebeurde was voor mij niet acceptabel meer. Mijn werkgever viel niets te verwijten. Dit lag geheel aan mij. Ik moest eerst mezelf uit de knoop halen en investeren in een goede nachtrust. Hoe kon ik zo stom zijn om onuitgeslapen aan een nieuwe baan te beginnen? Nu zag ik allemaal rare voorstellingen die er helemaal niet zijn, terwijl ze zo echt overkomen. Ik zou met een kladblokje de stad door moeten trekken en nieuwsfeiten verzamelen, maar dan moet ik wel fris zijn. Jeetje, waar was ik aan begonnen? Mijn slechte nachten hadden nu zo’n zware wissel op mij getrokken dat ik niet langer meer in staat was om mijn omgeving met normale ogen te aanschouwen. Waar ik in het redactiegebouw ook liep, ik zag ze nu echt overal, deze aardse manifestaties van de wezens uit mijn nachtmerries, deze praatzieke poltergeisten, deze gnoom geworden kwelgeesten, een compleet circus aan Ed Cetera’s dook nu op elke plek op waar ik ook maar ging.
“Help!” schreeuwde ik, snakkend naar frisse lucht, “hoe kom ik bij de uitgang?…”
Abrupt viel alles stil.
En toen bedacht ik mij, ten overstaan van een aantal van die Edjes…
… dit was wellicht het stomste wat ik had kunnen doen.
“U-bevindt-zich-op-het-ogenblik-op-de-zevende-etage, in-de-hoofdgang-tussen-de-redactieruimtes,” begon één van hen. Hij stopte met het recht hangen van de schilderijtjes en werd kort daarna door een andere Ed opgevolgd:
“Vanaf-hier-bekeken-zijn-de-lift-en-de-trap-uw-meest-voor-de-hand-liggende-wegen-naar-de-entree-van-dit-gebouw…” deze Ed was gekleed in een wit met roze jurkje met een hoop franjes en was dezelfde schilderijtjes aan het afstoffen die de Ed naast hem juist aan het recht hangen was.
“Beide-opties-brengen-u-ongeveer-even-snel-naar-beneden, afhankelijk-van-of-u-lopend-of-rennend-de-trap-gebruikt,” sprak de volgende Ed, die ik het in de lak zetten van een dressoir zag pauzeren.
“Past-u-er-wel-op-dat-u-de-kostbare-Ming-vaas-uit-de-regeerperiode-van-Jiajing-onderweg-niet-om-stoot? Deze-werd-vanmorgen-nog-door-Ed-Cetera-afgenomen-en-opgepoetst,” klonk het links van mij. Opnieuw was het een Ed Cetera die zijn werk voor een antwoord op mijn vraag onderbrak; twee emmers met sop, een doek en een trekker voor het glazenwassen werden even neergezet.
“Het-wachten-op-de-lift-kan-in-een-gebouw-als-dit-hoofdkantoor-van-de-Tycoon-Newspaper-gemakkelijk-oplopen-tot-6-minuten. Gemiddeld-6-minuten-en-43-seconden-om-precies-te-zijn. Hiermee-wordt-een-weekgemiddelde-bedoeld. De-maandagochtend-en-vrijdagmiddag-vallen-in-wachttijd-vaak-hoger-uit.” Deze woorden kwamen van een Ed die een deur aan het repareren was. “U-kunt-natuurlijk-ook-altijd-overwegen-om-buitenom-langs-de-gevel-af-te-dalen. Dat-is-natuurlijk-niet-zonder-risico, maar-voor-waaghalzen-absoluut-een-avontuurlijke-manier-om-bij-ingang-te-geraken. Bungeejumpen-is-niet-aan-te-raden, doch-met-de-geschikte-klimuitrusting-moet-het-zeker-gaan. In-het-winkelcentrum-Het-Mierennest-kunt-u-voor-deze-spullen-goed-terecht.”
“Ik-zou-u-toch-een-parachute-aanbevelen,” viel een volgende bij, “klimmen-is-ook-zo-weer-wat. Met-een-valscherm-afdalen-is-bovendien-sneller.”
“Alleen-moet-je-daarvoor-in-de-Volière-zijn,” voegde een ander toe, “daar-liggen-er-een-paar. Dan-ben-je-wel-al-bijna-bij-voordeur, dus-of-dat-echt-iets-toevoegt-vraag-ik-mij-wel-af.”
“Het-maakt-niet-uit-of-u-hier-linksom-door-de-gang-loopt-of-rechts-blijft-aanhouden,” sprak er weer één, die ook vast naar de naam Ed luisterde, “De-gangen-lopen-hier-toch-allen-in-een-vierkant.”
“En-komen-aldus-op-elkaar-uit,” vulde opnieuw eentje aan, die nog niet aan de beurt was geweest.
“U-zou-ook-Ed-Cetera-kunnen-vragen,” werd er nog geprobeerd. “Die-weet-er-ook-het-een-en-ander-van.”
Het was om krankzinnig van te worden. Overal waar ik keek kwam ik deze praatgrage elkaar complementerende personages tegen.
“De-kortste-weg-is-nog-steeds-de-lift. Ed-Cetera-brengt-u-graag-naar-de-begane-grond,” klonk het weer.
Allen keuvelden ze uitvoerig met hun antwoorden, steeds in eenzelfde trance-achtige staat, alsof ze elk moment door een ruimteschip konden worden opgestraald. Er waren Edjes bij die nieuwe typemachines kwamen afleveren, Edjes die lampen vervingen, Edjes voor ongediertebestrijding, Edjes die wat lekkers voor bij de koffie kwamen brengen, Edjes die telegrammen bezorgden, Edjes die plinten schilderden, Edjes die de waterleiding inspecteerden, Edjes die het schrijfgerei aanvulden, Edjes die de Edjes in het gareel hielden, Edjes die de melk en suiker aanvulden, Edjes voor het afstellen van nieuwe bureau’s, Edjes die het plafond verfden, Edjes die schrijfopdrachten moesten uitvoeren, Edjes die de plantjes water gaven, Edjes voor de hondenuitlaatservice, Edjes die prullenbakken leegden, Edjes die reclameposters vervingen, Edjes die voor versnaperingen zorgden, Edjes die de vuile vaat kwamen ophalen, et-…cé-…te-…ra!
Alle Edjes bij elkaar dreven mij onderhand tot waanzin, zodat ik door de gangen holde en wanhopig naar de redactieruimte zocht waar ik mijn directe collega’s had ontmoet. Misschien dat zij mij nog uit deze nachtmerrie wisten te redden en mij van deze manische manusjes-van-alles konden verlossen. Een kakofonie van toelichtingen en uitweidingen galmde er inmiddels door de gangen en maakte van de zevende etage een compleet kippenhok. Ten langen leste vond ik eindelijk een deur waar op het raampje de tekst ‘redactie’ te lezen viel. Ik liep er snel naartoe en greep naar de deurkruk. Buitelend viel ik de ruimte die erachter lag binnen, draaide me om en sloot meteen de deur. Hijgend stond ik tegen de binnenzijde van die deur op adem te komen en merkte pas toen ik naar de vloer keek hoe het zweet van mijn voorhoofd gutste en op het tapijt droop. Met gestrekte handen tegen de deur bleef ik zo een paar seconden staan, totdat ik achter mij iemand hoorde spreken.
“Kan-ik-u-soms-ergens-mee-helpen-mijnheer? Met-uw-welnemen, u-lijkt-mij-nogal-van-streek…”
Die slepende manier van spreken, die stem…!
Ik keek om en kroop vervolgens direct zo dicht tegen de deur als ik maar kon. De redactieruimte waar ik was binnengestapt was er kennelijk één van vele, maar in elk geval niet de vloer waar ik Kornelis, Rina, Tinus en Victor had ontmoet. Deze ruimte stond vol met bureaus en typemachines. Hier werd druk geschreven. Achter alle bureaus zaten kleine mannetjes en ik wist inmiddels maar al te goed naar welke naam zij allen luisterden.
“Gaat-het-wel-goed-met-u?” vroeg één van de Ed Cetera’s.
Op dat moment werd alles zwart voor mijn ogen en gonsde er enkel nog een specifieke zin door mijn hoofd, voordat ik het bewustzijn helemaal verloor:
Dimensies bestaan bij de gratie dat we ze verzinnen.

“Achmed? Achmed? Hé, word eens wakker jongen,” drong een bekende stem bij mij aan toen ik langzaam weer bij kennis kwam, “Hallo? Aarde aan Achmed.”
Versuft tuurde ik door de spleetjes van mijn oogleden, terwijl ik in een reflex gehaast mijn longen vol zuurstof zoog. Een loom gevoel drukte zwaar op mij zodra ik geleidelijk mijn lijf voelde ontwaken en ik een tinteling in mijn benen gewaar werd. Ik proestte en schrok abrupt wakker toen ik zowat in mijn eigen speeksel stikte. Victor Anished was de eerste die ik meteen recht in de ogen keek. Hij zat geknield voor me en had zich blijkbaar zolang over mij ontfermd.
“Hé vriendje. Gelukkig man, je bent er weer,” sprak hij uiterst zorgzaam, “Je was even helemaal van de wereld. Ze hebben je naar hier gebracht voor een beetje frisse lucht. Wat is er net gebeurd met je?”
“H-huh? Wat?” bracht ik uit toen ik rechtop was gaan zitten en mezelf probeerde te oriënteren, “Dimensies… dimensies zijn er omdat wij ze verzinnen.”
Ik had de stelling – zij het op een iets andere manier – uitgesproken voor ik er zelf erg in had en had geen idee wat mij bewoog om dat als eerste te benoemen. Maar toen herinnerde ik dat dit ongeveer de tekst was die ik in mijn hoofd had horen galmen toen ik eerder in de redactieruimte flauw was gevallen.
“Euh, sorry?” reageerde Victor op deze wazige opmerking van mij. Zijn ogen stonden vragend. Ik kon hem niet kwalijk nemen dat dat wat ik had gezegd hem in verwarring bracht. Ikzelf snapte ook niet waarom ik precies die zinsnede had uitgesproken. Ik had de woorden opgedreund alsof het het eerste was dat mij relevant leek nadat ik even van de wereld was geweest.
“S-sorry. Nee, niks. Vergeet het. Waar ben ik? Wat is er gebeurd?”
Victors blik was nog steeds een en al vraagteken.
“Nou, dat zou ik ook graag willen weten.”
Toen keek ik eens wat beter om mij heen en merkte ik dat ik weer in de gang was. Van dat besef schrok ik even, zodat ik opstond en mij ervan vergewiste dat er geen Edjes meer waren. Tot mijn grote verbazing bleek dat ook daadwerkelijk zo. Behalve Victor en ik was er op dat moment verder helemaal niemand in de gang. Nu was het mijn beurt om raadselachtig te kijken.
“W-waar zijn ze allemaal gebleven? Zijn ze echt weg?”
Victor snapte er niets van.
“Achmed, gaat het wel goed met je?” reageerde hij in plaats van de vraag te beantwoorden, “je kijkt net alsof je door iemand achterna gezeten wordt.”
Verdwaasd keek ik nog eens goed om mij heen, maar ik moest toch concluderen dat ik het de eerste keer al goed had gezien; Victor en ik waren alleen. Ik had even nodig om te bevatten waar ik was en dacht zelfs even dat wat ik kort hiervoor had beleefd een nachtmerrie moest zijn geweest. Echter, toen ik links van mij op het tapijt bij de toiletten koffievlekken ontdekte, besefte ik dat dit niet in mijn slaap gebeurd kon zijn. De vlekken benauwden me en maakten dat ik weer onrustig werd.
“Victor, ik moet je iets bekennen. Bij nader inzien geloof ik dat ik eigenlijk helemaal niet de geschikte man voor jullie ben om bij dit bedrijf te komen werken. De afgelopen paar uur waren erg inspannend voor mij en ik vrees dat ik jullie alleen maar tot last zal zijn. Ik slaap slecht en heb nu ook al last van waanvoorstellingen. Is het nog mogelijk mijn contract nietig te laten verklaren? Ik kan misschien toch beter iets anders gaan zoeken.”
Mijn leidinggevende schrok erg van dit voorstel, dat voor hem ongeveer uit de lucht kwam vallen.
“Wat bazel je nu? Natuurlijk ben jij geschikt,” protesteerde hij. “We hebben je hartstikke hard nodig. Hoe kom je nou bij het idee dat je ons tot last zou zijn?”
Victor keek me indringend aan, al viel het me wel meteen op dat hij me nu opmerkelijk minder streng leek als eerder op de dag, toen hij onze andere collega’s op hun plek wees. Van de chef met de tirannieke trekjes, zoals ik hem mij eerder op de dag meteen had voorgesteld, viel ineens weinig meer te bespeuren. De open houding waarin hij nu tegenover mij stond maakte dat hij opeens een heel stuk warmer op mij overkwam.
“I-ik zie dingen die er niet zijn,” probeerde ik. Ik wilde hem graag verklaren waarom ik tot mijn plotselinge inzicht was gekomen, maar het viel niet makkelijk om dit onder woorden te brengen. “Eerder, voordat jij jezelf aan mij had voorgesteld, heb ik de collega’s al verteld dat ik elke dag door buitenaardse wezens word ontvoerd.”
Ik wachtte even voordat ik verder ging met mijn uitleg en peilde bij Victor of hij hier niet al direct op afhaakte. Hij keek me wel even aan alsof hij op een gedachte kauwde, maar ik had niet de indruk dat hij mijn verklaring als bespottelijk afdeed. Hij luisterde geduldig naar me, zodat ik vervolgde met mijn verklaring:
“Beste Victor, al geruime tijd word ik geplaagd met gruwelijke nachtmerries waarin ik word meegevoerd door ijzingwekkende kwelgeesten, vreemde wezens die niet van deze planeet lijken te zijn en ongeveer het postuur hebben van een kind van zes. Ze onderwerpen mij aan de meest verschrikkelijke onderzoeken en prenten mij beelden en gedachten in waardoor ik overdag grote moeite heb mij goed te concentreren. Hierdoor zie ik er zo belabberd en slecht uitgeslapen uit en gaat het nu zelfs zo ver dat ik collega’s dubbel zie of collega’s verzin die er waarschijnlijk helemaal niet zijn. En ik…”
“Doel je nu op Ed Cetera?” onderbrak Victor mij.
Ik had al meer willen vertellen, maar de snelheid waarmee Victor de connectie legde met Ed Cetera, maakte dat ik even mijn verhaal kwijt was en ik hem bevreemd aangaapte. Ik was verbluft.
“Huh? Hoe weet je dat zo gauw? I-ik bedoel, heb jij die vreemde wezens hier dan ook gezien?”
Alleen toen realiseerde ik dat ik precies voor dezelfde deur stond waar ik kort daarvoor was binnengestapt en er in de redactieruimte was flauwgevallen. Het leek er op dat de figuren die ik voor kwelgeesten hield mij enkel naar buiten hadden gedragen om Victor rustig naar me te laten kijken.
“Nee, ik heb hier geen vreemde wezens gezien. Maar wanneer je bedoelt dat Ed Cetera een buitenaards wezen is, een figuur van een andere planeet, dan kan ik je gerust stellen. Dat is hij niet.”
“Maar wat is er dan met me aan de hand? Zo-even voordat jij mij hier vond, liepen er hier allemaal mannetjes rond met een Afrikaans uiterlijk, die sprekend op Ed Cetera leken. En ook hier binnen, achter deze deur hier achter ons, zag ik er tientallen, misschien wel veertig. Ze leken allemaal op elkaar en ik zou niet verbaasd zijn wanneer ieder van hen naar de naam Ed Cetera luistert. Ik zweer het je Victor, de wezens die ’s nachts experimenten op mij uitvoeren, zijn mij naar hier gevolgd of spelen in elk geval dusdanig met mijn waarnemingsvermogen dat ik overdag haast lijk te hallucineren.”
“Je klinkt nu net als Ed Cetera,” grinnikte Victor kalm, “maar ik zal je uit de droom helpen,” sprak hij na een diepe zucht, “Overal is een goede verklaring voor. Dat verzeker ik je.”
Ik gaapte mijn nieuwe leidinggevende aan. Hoe zou hij in vredesnaam voor mijn recente belevenissen een logische verklaring kunnen geven?
“Ed Cetera is inderdaad een geval apart, maar dat had je inmiddels wel in de gaten. Hij is niet van hier. Tijdens de bouw en oprichting van de Tycoon Newspaper is hij naar ons land overgekomen vanwege zijn uitzonderlijke eigenschappen waar je zelf al mee in aanraking bent gekomen, de mogelijkheid om zichzelf te dupliceren en op te treden in waanvoorstellingen. Hij komt uit Kenia, of specifieker: uit het Land van Snooit…”
“Ho, wacht even,” viel ik Victor in de rede, “hij heeft het vermogen zichzelf te dupliceren? Victor, kom op nou. Mij houd je niet voor het lapje. In die onzin geloof tot zelf zeker niet? Bij alle aardse wetten is het onbestaanbaar dat iemand zichzelf zou kunnen klonen. Er werden dan wel proeven uitgevoerd om dieren te klonen, zoals met het schaap Dolly. Maar een mens, die nota bene in staat zou zijn een kopie van zichzelf te maken?”
“Hoor jezelf nu eens praten,” blafte Victor, met gefronste wenkbrauwen en een lagere octaaf in zijn stem, “je staat hier zelf net te verkondigen dat er figuren uit jouw droomwereld naar hier zijn gekomen. Tegelijk verklaar je mij voor gek wanneer ik je uitleg geef over de achtergronden van Ed Cetera. Wiens verhaal verliest hier nou aan geloofwaardigheid?”
Daar had Victor een punt. Beide situaties grensden aan het onzinnige, terwijl we er kennelijk beide van overtuigd waren dat ze de waarheid verkondigden. Ik hield verder mijn mond en probeerde voor mezelf te relativeren wat nou echt nog realistisch was sinds mijn nachtelijke uitstapjes zich voor het eerst hadden aangediend. Ik was allang niet meer mijzelf sinds er ’s nachts operaties op mij werden uitgevoerd. Iedere nacht lag ik wel een keertje naakt en vastgebonden onder een laken op een operatietafel, met felle lampen boven mijn hoofd, terwijl er schimmen over mij heen bogen en zij instrumenten op mijn lijf inbrachten. Vloeistoffen vloeiden op en neer door dunne slangetjes en klauwachtige gereedschappen plukten aan mijn schedel, alsof ze laagje voor laagje de huid van mijn hoofd los pulkten. Helse nachtmerries beleefde ik met deze onaardse griezels die tegelijk… zo vertrouwd op mij overkwamen.
Zwijgend stonden Victor en ik in de gang zo een tijdje tegenover elkaar, totdat we op enig moment vanuit onze ooghoeken een inmiddels bekend geworden figuurtje zagen naderen. Het was Ed Cetera. Wie had het ook anders kunnen zijn? En ik verwonderde mij er niet langer over wat hij nu weer bij zich had. De Afrikaanse lilliputter, die met een bijpassend waggelend loopje kwam aanzetten, was ditmaal gekleed in een keurig paars met zilvergrijs kostuumpje. Zijn zwarte haar was in een vette puntknot achterop zijn hoofd in model gebracht. Steunend liep hij ons voorbij, terwijl hij op een steekwagen twee watercontainers voor zich uit duwde.
“Goedemorgen heren,” groette hij ons.
Beide staken wij onze handen op en geduldig, zonder verder nog één woord te spreken, liep het gedrongen ventje tussen ons door. Hij liep tot het einde van de gang en verdween vervolgens om de hoek uit ons zicht.
“Zie je?” sprak Victor korzelig zodra Ed Cetera was verdwenen, “zo moeilijk is het dus niet.”
“Dus je hebt hem ook gezien?” vroeg ik hem meteen, alsof ik toch nog wilde testen of het geen luchtspiegeling betrof die alleen voor mij zichtbaar was.
Victor trok geïrriteerd een wenkbrauw op.
“Ik denk dat eerder de vraag is, wát je hebt gezien, Achmed? Heb je één Ed zien lopen met een tweetal watercontainers voor zich? Of zag je ook een Ed Cetera die een verrijdbaar aquarium voor zich uit duwde met in de waterbak een enorme zeeduivel?”
“Alleen die met de watercontainers, hoezo?”
“Wel, je zag alleen hem, omdat je de enige Ed Cetera die hier echt rondliep geen vraag hebt gesteld natuurlijk.” Victor vouwde zijn handen open en stak ze voor zich uit om zijn woorden extra emotie mee te geven. “De allereerste keer dat ik deze waterdragende Ed ontmoette stelde ik hem namelijk ook een vraag en verscheen er kort daarna nog een Ed, vanuit een waanvoorstelling. En het was die extra Ed die de zeeduivel met zich mee bracht. De waterdrager was aan het ratelen geslagen en de Ed met de zeeduivel…”
“…heb je er gewoon bij verzonnen? Net zoals ik er vandaag misschien ook wel tien of twintig bij verzonnen heb.”
“Klopt helemaal,” antwoordde Victor, bij wie het chagrijn weer enigszins verdwenen was.
“Dus Ed Cetera begint niet alleen te ratelen als een machinegeweer wanneer je hem een vraag stelt, maar het levert ook op dat je een extra versie van hem erbij verzint…” sprak ik vervolgens tot mijzelf.
“Niet altijd,” vulde Victor aan, die zijn handen weer onder zijn mantel stopte, “maar meestal wel. En zeker als je moe bent en er dus vatbaar voor wordt. Je gaf zelf al aan dat jij de laatste tijd niet echt wat je kunt noemen, uitgeslapen bent. Dit zou je dus moeten kunnen plaatsen.”
Ik knikte.
Na die woorden liep Victor weg van de plek waar we ons hadden opgehouden, zodat ik hem volgde.
“Ed Cetera is, zoals ze dat noemen, een Waangnoom,” lichtte hij verder toe toen we eenmaal samen opliepen, “een ras van gnomen uit die godvergeten stam waar we hem vanuit hebben geëxporteerd, destijds, toen hier alles nog in oprichting was.”
“Toch verklaart dat niet waarom Ed hier zoveel arbeidsplekken lijkt in te nemen. Ik bedoel, ik snap inmiddels dat een aantal ervan er door jezelf bij gefantaseerd worden, maar ik zie hem nog steeds opmerkelijk veel echte klusjes oppakken. Is dat dan toch iedere keer dezelfde Ed Cetera?”
“Eén en dezelfde. Maar toch ook weer niet. Hoe leg ik dat uit? Zoals je zelf al concludeerde, kan Ed zichzelf dupliceren. Ik weet ook niet hoe het kan, maar hij speelt het klaar.”
“Maar, even los van de onmogelijkheid die ik daar in zie, wat maakt dan dat mensen zoals jij en ik dan überhaupt nog nodig zijn? De Tycoon Newspaper zou al haar FTE’s dan eenvoudig kunnen invullen door Ed zichzelf maar zo vaak te laten dupliceren als de redactie dat belieft. Of is dat wellicht te simpel door mij gedacht?”
Victor zuchtte en haalde zijn schouders op. Een paar seconden staarde hij zwijgend voor zich uit.
Na een poosje draaiden we een andere gang in en sprak hij tot mij:
“Kom. Het wordt tijd dat ik jou ga laten zien welke taak in voor je in gedachte had.”
“Prima,” antwoordde ik hem en had inmiddels voor mezelf besloten dat ik dit toch een tweede kans moest geven. “Waar gaan we heen?”
“Deze kant op,” sprak hij opgewekt, “we pakken de lift.”
En toen hij dat zei hield ik mijn pas in en zette ik grote ogen op.
“D-de lift?” herhaalde ik beverig.
En voor de tweede keer op mijn eerste werkdag werd ik licht in mijn hoofd.