Nadat ik in de lift weer bij kennis was gekomen, had ik direct mijn mond gehouden. Evenals de voorgaande keer bediende Ed Cetera de lift en spraken zowel Victor als ikzelf de hele rit geen woord met hem. Victor knipoogde enkel naar mij en glimlachte toen hij zag dat ik mijn ogen weer had geopend.
Ergens hoog boven in het redactiegebouw stapten we een andere etage op. De liftdeuren sloten zich achter ons en zowaar was ik aan Ed Cetera ontsnapt zonder eerst tien anderen van hem gezien te hebben.
“Hier zou ik je neus maar stevig dicht knijpen, als ik jou was,” adviseerde Victor mij, zodra wij nog niet koud op deze verdieping stonden – en te oordelen aan de lucht die je hier tegemoet kwam, begreep ik meteen waarom. “Dit is de Galbakkerij. Zo noemen we de plek waar onze stinkende collega zich steeds vaker ophoudt sinds hij aan zijn rubriek schrijft dat de ‘De Galbakkerij’ heet.”
“Kornelis bedoel je?” vroeg ik hem, terwijl ik het antwoord eigenlijk wel wist.
“Ja, wie anders?”
Een overheersende damp steeg op uit het bruinrode tapijt en liet een scherpe tinteling achter waar je huid klam van werd. Het eerstkomende uur gaf het je de behoefte om je eerst grondig te gaan wassen met groene zeep en keek je scheel van het gebrek aan frisse lucht.
Waar wij binnentraden was geen gang; bij het uit de lift stappen stond je direct tussen het meubilair. Het vertrek waar Victor over sprak was klein en overzichtelijk, maar was het ook wel erg sfeervol ingericht, met fauteuils in plaats van bureaustoelen, bijpassende salon- en bijzettafels en tegen iedere wand stond er wel een fraai afgewerkte tot de nok toe gevulde boekenkast. Alles was tot in de perfectie afgewerkt in klassiek Europees eikenhout en iedere fauteuil of stoel nodigde uit om erop plaats te nemen. Na Victors toelichting bedacht ik mij echter wel een tweede keer. Het was eigenlijk zonde; je had kans dat deze meubels voor altijd tot in het fijnste kernhout door Kornelis’ lichaamsgeur geïmpregneerd bleef.
Met de vingers op onze neuzen stapten we door deze naar slijk stinkende huiskamerachtige afdeling en kwamen vervolgens alsnog in een kort gangetje uit. Kornelis kwamen we daarbij niet tegen. Die was vast elders de boel aan het verontreinigen, of misschien was hij wel op pad om voor zijn rubriek smerige nieuwsfeiten te verzamelen. Mijn vermoeden was overigens dat Victor hier van te voren van op de hoogte was; dat hij van Kornelis’ afwezigheid afwist voordat we deze afdeling betraden. Ik had namelijk allang door dat hij Kornelis zoveel als mogelijk probeerde te mijden.
Hij sloot de ene deur achter ons en wachtte even met het openen van twee grote massieve deuren direct voor ons. In het fuikvormige gangetje stonden enkele dozen met boeken, opgestapeld links tegen de muur. Waarom die daar stonden zou mij spoedig duidelijk worden.
“Zou jij er daar één van willen meenemen naar binnen?” vroeg Victor mij toen, “dan neem ik er ook eentje mee.”
Ik deed keurig wat mij werd opgedragen en pakte een doos met boeken van een stapel.
“Oh, en als je er op wilt letten altijd eerst deze deur achter je te sluiten voordat je de dubbele deuren opent, dan scheelt dat in het fris houden van je werkplek.”
“Natuurlijk,” antwoordde ik meteen en maakte een klein lachje met mijn mondhoek. Enige vorm van gevoel van humor bleef aan de kant van Victor echter uit; hij had de opmerking serieus bedoeld. Met zijn doos met boeken in zijn handen keerde hij zich daarna naar de deur en wachtte ik geduldig wat we erachter zouden aantreffen.
“Wel,” zuchtte hij vervolgens zwaar, “dan is dit het moment. Laat mij die deuren nu maar openen.”
Ietwat gekunsteld, maar niettemin behendig, plaatste Victor de doos met boeken op z’n knie en haalde hij met een vrije hand een deurknop om. Onder enige weerstand, door het gewicht van de logge deuren, draaide één van beide langzaam naar binnen. Een bundel grauw zonlicht viel er dadelijk langs de mantel van mijn leidinggevende het relatief donkere gangetje binnen. Het was net alsof hij voorzichtig een roestige poort opende naar een tempel uit een lang vergeten oord, waarin het zonlicht mysterieus reflecteerde op het stof dat er door de ruimte dwarrelde, terwijl er diverse valstrikken op scherp stonden om je te verwelkomen.
Ik zal nooit vergeten dat ik destijds toch bijna die lading boeken uit mijn handen liet glijden, toen ik mij liet overdonderen door de visueel verbluffende voorstelling die zich langzaam voor mijn ogen ontvouwde. Snel verstevigde ik mijn grip op de kartonnen handvatten van de doos en stapte rustig achter Victor aan het enorme vertrek binnen.
Zodra ik eenmaal binnen stond keek ik geïmponeerd om mij heen. Mijn mond viel open van verbazing toen ik werd opgenomen door het sprookjesachtige interieur dat ik hier binnen aantrof. Om alles goed in mij op te kunnen nemen moest ik mijn hoofd ver naar achteren buigen en zelfs in die houding was het nog niet genoeg om alles te kunnen overzien. Ik plaatste de doos met boeken daarom tijdelijk even voor mij op de grond en draaide rond mijn as om het geheel nog eens goed te kunnen aanschouwen.
Van dwarrelend stof of hinderlagen passend bij de geheimzinnigheid van een verborgen tombe was hier geen sprake. Dit was een domein van geheel andere allure. Stellingen, te veel om in één blik te kunnen vangen, strekten zich aan weerszijden langs een pad in het midden en alle wanden rond om ons heen uit. Ieder ervan omvatte meerdere meterslange planken, die stuk voor stuk geduldig wachtten om met de inhoud van de dozen gevuld te worden. Tot drie etages hoog reikten sierlijke gietijzeren constructies die de stellingen completeerden en tot in de fijnste details waren uitgewerkt. Zowel in de stellages als in de balustrades, maar ook in de diverse wenteltrappen kwam het gietijzer als basiselement van deze ruimte in overvloed terug. Zelfs de traptreden en het hout van de vloeren op de hoger liggende etages waren in dit robuuste materiaal ingevangen. Het effect was indrukwekkend en tegelijkertijd oogstrelend, maar het loodzware metaal was vooral op die manier toegepast omdat het geluiddempende eigenschappen bezit, een welkome toevoeging voor wie zich hier wil terugtrekken en zich in alle rust op een goed verhaal wil storten. En ook daarmee was wel duidelijk waar deze sfeervolle ruimte voor was bedoeld.
“Welkom in de bibliotheek van de Tycoon Newspaper,” sprak Victor ten slotte vlak. Hij bracht het alsof hij iemand informeerde waar het toilet was en liep vervolgens nog een klein stukje voor mij uit. Trots of vreugde in zijn verkondiging was in het geheel afwezig.
Het duurde nog even voordat ik zelf in staat was een woord uit te brengen. Voor mij was een faciliteit als deze werkelijk een droom die nu stond uit te komen. Wat Victor ook voor mij in gedachten had, als hij bedoeld had dat dit mijn nieuwe werkterrein moest gaan worden, dan stond ik meteen al te popelen om te beginnen. Althans, zo dacht ik er toen nog over.
De Tycoon Newspaper zag ik inmiddels als een fantastische collectie van gebouwen, met verschillende voorzieningen samengebracht in één monumentaal bouwwerk, een overweldigend complex met – als je het mij vraagt – de bibliotheek als kers op de taart. Gezien de suikertaartstijl waarin het redactiegebouw is opgetrokken kun je dat laatste wel bijna letterlijk opvatten.
Met een zwevend loopje over de houten mozaïekvloer liep ik, mij nog altijd verwonderend over het oogstrelende interieur, verder de bibliotheek in. Tussen de gietijzeren wenteltrappen die naar de verschillende vloeren leidden, keek ik omhoog naar het glas in lood dak, waarachter de lucht inmiddels begon te betrekken. Een kunstzinnige voorstelling van rozenstruiken met dieren die in het bos leven werd hierin in een grote verzameling glasstukken ingevangen in loodlijsten. Het gebruik van warme kleuren zoals diepgroen, naar het bruin neigend oker en bloedrood maakten dat de bibliotheek bij de juiste lichtval daarmee haar uitnodigende laagdrempelige sfeer ontving.
Er was geen onderdeel van de leesinrichting die echt onderdeed voor de vele artistieke elementen waaruit alles was opgebouwd. Zelfs de noodzakelijke wandelstrook in het midden was rijk aan sierornamenten en droeg daarmee op eigen wijze bij aan het warme en intieme interieur van dit Walhalla aan fysieke informatiedragers. Leestafels, sculpturale versieringen van uiteenlopende fantasiedieren, tot en met meubelen en deurbeslag, al deze boeiende componenten pasten perfect bij dit architectonische hoogstandje.
Na lange tijd met open mond te hebben rondgelopen in deze leeszaal, waar nog zoveel boeken hun plek moesten krijgen, kwam ik eindelijk weer een beetje terug op aarde en hervond ik mijn vermogen om iets te kunnen uitbrengen.
“Dit is werkelijk…”
En heel veel verder dan dat kwam ik vervolgens niet.
“Fantastisch?” maakte Victor met een lichte zure ondertoon mijn zin af.
“Euh ja, ik bedoel, dit is nogal een ruimte met indrukken zeg. Vind je dit zelf niet machtig dan?”
“Oh ‘machtig’ is zeker een woord dat je hierop zou kunnen toepassen,” antwoordde mijn leidinggevende laconiek, “maar het is net zoals met zoveel dingen, als je eenmaal gewend bent aan wat er aan je ogen wordt gepresenteerd, verbleekt dat wat jij nu nog als schitterend ziet vanzelf wel een keer. Laat je hoofd niet te veel je op hol brengen. Het blijft werk waarvoor jij hier naar hier bent gekomen.”
“Wel, als je dit als mijn nieuwe werkplek hebt bedacht, dan vraag ik mij af hoe je hier ooit negatief over kan worden,” grinnikte ik.
Na die opmerking had ik absoluut een reactie van Victor verwacht. Hij was, sinds we hier samen binnenstapten, ineens zo onverteerbaar, dat ik mij al begon af te vragen of zijn eerdere plotselinge vriendelijkheid na mijn Ed Cetera-ervaring niet hartstikke gespeeld was. Waarom je de pracht en praal van deze toplocatie zou willen afkraken kon ik met mijn pet niet bij, daarom bereidde ik mij al voor op Victors volgende gejeremieer. Ik keek echter vreemd op toen hij daar juist niet op reageerde en dus de kans liet lopen om zich opnieuw nors uit te laten.
Toch vergat ik zijn gebrek aan interesse alweer gauw, aangezien ikzelf helemaal opging in de bibliotheek en haast niet kon wachten op wat Victor voor mij in petto had.
“Wel, dan lijkt mij dit een goed moment om je te vertellen waar jij de komende tijd jouw aandacht aan gaat besteden,” sprak Victor hardop en hij kwam met zijn armen in de mouwen van zijn mantel met een statig loopje naar mij toe. De doos die hijzelf naar binnen had gedragen had hij ondertussen al even een tijdelijke bestemming gegeven.
Een verwachtingsvolle glundering op mijn gezicht kon ik niet maskeren toen Victor mij met opgeheven kin passeerde en mij bijna en passant informeerde wat mij te doen stond:
“Jij Achmed, jij bent de eerste archivaris van de bibliotheek van de Tycoon Newspaper. Daarmee bekleed jij een eervolle en zeer bewonderenswaardige rol binnen dit bedrijf. Een grote verantwoordelijkheid rust er vanaf nu op jouw schouders. Iedereen zal jou voortaan kennen als de bibliothecaris, de wandelende encyclopedie in de ruimste zin van het woord. Jij zal zorgdragen dat alle boeken hier op alfabetische volgorde terug te vinden zullen zijn en daarmee ben jij dadelijk ook bekend met iedere kaft, inhoud en iedere titel die je hier in deze dozen zult aantreffen.”
Victor maakte deze taak duidelijk met veel opsmuk in zijn woordgebruik aan mij bekend. Maar de bedoelde glans van Victors woorden werd echter teniet gedaan door de koele wijze waarop hij zijn boodschap op mij overbracht. En of dat de glorie nog niet genoeg verpestte, klonk er hoog boven ons ineens een aanzwellend gespetter op het glas in lood dat langzaam overging in de woeste wolkbreuk die het morgenrood eerder die dag toch al had aangekondigd. Het was haast alsof het luister werd weggespoeld dat Victor aan zijn woorden had willen meegeven.
Ik bedacht mij even voordat ik op dit toch niet geheel onverwachte nieuws naar hem wilde reageren. Natuurlijk was ik blij en trots dat ik in zo’n fantastische ruimte als dit zou mogen werken, maar ik kon het gevoel niet onderdrukken dat ik een geheel andere verwachting had, aangezien mij eerder nog de functie van verslaggever voorgespiegeld was. Daardoor toch wat teleurgesteld liet ik mijn schouders afzakken en begon het in mijn hoofd te ratelen. Dit kwam natuurlijk doordat ik zo’n slechte beurt had gemaakt door onuitgeslapen aan mijn nieuwe werk te beginnen. Dit had ik gewoon aan mijzelf te danken. Het was eigenlijk niet verwonderlijk dat ik hier nu stond en min of meer toch de vuile klusjes kon gaan opknappen. Maar nee, bedacht ik mij toen, Victor had op voorhand al gewild dat ik hier in de bibliotheek zou belanden. Of had hij voldoende slechte indruk van mij gekregen toen ik met mijn collega’s in gesprek was nog voordat ik een heel circus aan Edjes te zien kreeg?
“Euhm Victor,” begon ik aarzelend na een korte stilte, “ik wil niet ondankbaar klinken, maar eet ik hiermee niet Ed Cetera het kaas van zijn brood? Ik bedoel, ik zou graag deze monsterklus met beide handen willen aanpakken, alleen is dit nou echt iets wat ik eerder onze breedsprakige collega zou zien doen.”
Victor keek mij daarop aan. Een zure glimlach vormde zich ineens rond zijn mond. Spontaan leek hij zich ergens om te kunnen amuseren.
“Een ‘monsterklus’ noem je dit, hè?” merkte hij toen op. Even moest hij hardop lachen.
Oei, dacht ik toen. Kennelijk had ik mij toch te oneerbiedig uitgedrukt. Dat had ik vast niet zo moeten zeggen.
“Wel wel. Dat noem ik nog eens een interessante woordkeuze,” vervolgde hij vlug, zonder verder in te gaan op wat hij daar zo opvallend aan vond.
Zijn glimlach veranderde in een grijns en Victor keerde zich weer van mij af. Hij liep voor een wenteltrap langs één van de paden met stellingen in waar boeken in moesten komen te staan. Luid genoeg opdat ik hem nog steeds kon verstaan beantwoordde hij alsnog mijn vraag:
“Wat Ed betreft… Zoals je inmiddels zelf eerder al hebt geconstateerd is onze Keniaanse vriend nogal een geval apart. Ik zal je daar iets meer over vertellen.”
In schril contrast met zijn koele verkondiging van zojuist, klonk Victor nu opeens weer even iets hartelijker.
“In meerdere opzichten wijkt Ed Cetera af van hoe wij onszelf als mens kennen. Behalve de feiten die je onlangs over hem hebt ontdekt is er nog iets anders wat je van hem moet weten. Door zijn vermogen om zichzelf te kunnen dupliceren zou je haast gaan denken dat de Tycoon Newspaper niemand anders meer nodig zou hebben. Het is verleidelijk om te veronderstellen dat als Ed zichzelf maar vaak genoeg zou dupliceren alle functies binnen dit bedrijf in één klap zouden zijn ingevuld. De eindredacteur zou dan nog slechts als Willy Wonka fungeren met een heel leger aan Oempa Loempa’s onder zich en de vacaturepagina uit onze krant zou je dan voorgoed kunnen schrappen. Maar zo eenvoudig ligt dat toch niet. Ed Cetera en de Nesnemenienen zijn namelijk nogal afhankelijk van een bepaald type voedsel, eten wat zij nodig hebben om überhaupt in leven te kunnen blijven. Voor ons geldt dat wanneer er op enig moment geen brood meer gemaakt zou kunnen worden, wij altijd op ander eten zouden kunnen overstappen. Maar in het geval van de Nesnemenienen zouden zij op den duur het loodje leggen. In het Land van Snooit groeit er een specifieke vrucht, de zwarte boon, die erg moeilijk te vinden is, maar waar dit volk er altijd wel voldoende van kan vinden, juist doordat zij zich zo eenvoudig kunnen dupliceren. Ze gaan dan samen op zoektocht en er is dan altijd wel een Nesnemenien die deze boon wel vinden kan. Je begrijpt inmiddels wel, dat wanneer het voor hun al zo moeilijk is om deze vrucht te kunnen vinden, dat het ook voor de Tycoon Newspaper daardoor nogal een opgave is om er voldoende van geïmporteerd te krijgen om onze Edjes in leven te houden. Hun buiken blijven wel gevuld door de boktorlarven, de zandsprinkhanen en het bloedbessensap, waar veel eenvoudiger aan te komen is, maar zouden ze voor langere tijd geen zwarte bonen eten dan loopt het niet erg best af met deze lilliputters.”
Zo pratende was Victor dieper het gangetje in gelopen en kwam hij tegen het einde van zijn uitleg terug met een voorwerp in zijn hand. Hij had dit ergens van een leestafel of boekenplank gepakt en hield het bij het terugkeren vast in zijn vuist. Zodra hij dicht genoeg bij mij stond verklaarde hij welk noodlot iedere Ed te wachten stond indien de zwarte boon niet gegeten zou worden.
“Dit, mijn waarde vriend, is wat er van Ed overblijft wanneer er te weinig van zijn bonen voorhanden zijn. Maak kennis met wie eigenlijk jouw voorganger had moeten zijn, de Ed Cetera die enkel van de bibliotheek heeft kunnen proeven.”
Hij opende zijn vuist en ik schrok mij wezenloos toen ik zag wat hij er werkelijk in vasthield. De gelijkenis was treffend. Een zo mogelijk nog kleinere versie van Ed Cetera, niet veel groter dan een miniatuur tuinkabouter, lag er op zijn palm in de vorm van een soort versteende variant van hoe ik Ed feitelijk kende. Ieder uiterlijk detail kwam exact overeen en ik kon mij haast niet voorstellen dat Ed Cetera hier werkelijk verschrompeld in Victors hand lag. Vol ontzetting en ongeloof keek ik mijn leidinggevende vervolgens aan.
“M-maar, wat verschrikkelijk. Hoe is dit mogelijk?”
Victor sloot zijn vuist weer en plaatste de gekrompen Ed achter zich, ditmaal op het einde van een van de stellingen.
“Tja, dat was ook onze reactie toen we dit voor het eerst meemaakten. Het heeft er in elk geval voor gezorgd dat we toch moesten gaan werven. Hoe cru het ook voor Ed is, de zwarte boon is duur en schaars en daardoor ziet de Tycoon Newspaper zich genoodzaakt om toch nieuwe mensen aan te trekken. Rina Oddel was erbij toen de eerste Ed verschrompelde. Het beeldje wat er van hem is overgebleven heeft ze nog steeds bij haar op de balie staan.”
“Jakkes. Wat een luguber idee.”
“Dat is ook hoe ik erover denk,” zuchtte Victor, zonder enige vorm van compassie en liep vervolgens weer wat rond in de bibliotheek. “Rina krijste het werkelijk uit toen het gebeurde. Maar om één of andere reden is ze toch gehecht geraakt aan die gekrompen dwerg. Ze wil er maar niet aan dat die Ed echt gestorven is in dat proces. Overbodig sentiment, als je het mij vraagt, maar ieder zo z’n ding. En wanneer je hier vroeg genoeg binnen komt, dan zul je ook zien dat ze hem altijd even groet wanneer ze de dag start. Maar genoeg nu over die Ed, er ligt hier werk op jou te wachten. Jij bent nu de archivaris van de bibliotheek. Ed heeft de kans nooit gehad om met zijn werk te kunnen aanvangen. Dus je bent hier hard nodig. Ik veronderstel dat je zelf wel kunt invullen wat wij hier van jou verwachten. Al deze boeken moeten een plek krijgen en ik zou het erg waarderen wanneer je daar dadelijk al mee gaat starten. Heb je nog vragen aan mij?”
Heel even keek ik nog wat glazig voor mij uit. Met mijn blik gefixeerd op het beeldje op het uiteinde van de stelling was ikzelf eigenlijk nog bezig te bevatten wat er hier aan mijn ogen en oren voorbij kwam. Hoe bestond het? Het leek hier maar niet op te houden met onwaarschijnlijke situaties, zodat ik mijn verstand er maar van probeerde te overtuigen dat ik het moest accepteren.
“Wel, wat het werk hier betreft niet,” begon ik, “daar kom ik vast wel uit. Maar er ligt mij toch een vraag op het hart dat ik je graag zou willen voorleggen.”
“En dat is?”
“Ik heb gesolliciteerd op de rol van een verslaggever. En hoewel dit werk mij ook best aanstaat, moet ik toch eerlijk naar mijzelf blijven en wil ik toch graag weten of het in de bedoeling ligt dat ik die functie hier nog zal bekleden?”
Victor schrok niet van wat ik zei en keek mij direct aan met een van zijn typische neerbuigende gezichtsuitdrukkingen. En ook bij deze vraag was het duidelijk dat hij genoot van een zekere autoriteit, dat zijn handelen kenmerkte en hij toepaste als een soort visitekaartje.
“Best aanstaat?” lichtte hij ernstig twee woorden uit van wat ik zojuist had gezegd, “is dat de waardering waarmee je tegen deze eerbare aanstelling aankijkt? Je liet mij juist nog geloven dat je niet kon wachten om met de werkzaamheden alhier aan de slag te gaan.”
Toen knipoogde hij.
“Wees gerust. De Tycoon Newspaper is nog in oprichting. Er staat nog een hoop werk te gebeuren, waarbij iedereen zijn steentje dient bij te dragen. Ook jouw collega’s heb ik al wat klusjes moeten laten opknappen die soms beneden hun niveau zijn, maar zij zijn nu toch ook aan de slag. Zie dit maar als een inwerkperiode. Al heb ik hierna ook nog wat, waar je wellicht wel langer mee bezig zult zijn. Let maar op mijn woorden, jouw tijd komt nog wel.”
Hoewel Victor nu toch weer wat innemender klonk, gaf hij mij nu nog niet echt direct het gevoel dat ik al ergens binnen een maand met mijn bloknootje erop uit kon trekken. Ik glimlachte wat moeilijk, maar vertrouwde er inmiddels toch op dat Victor het beste met me voor had.
Toen kneep hij zachtjes in mijn schouder, alsof hij daarmee moed probeerde in te masseren.
“Je zal zien, Achmed, dat je hier dadelijk nog best een afwisselend baantje aan overhoudt. Jij trekt straks de wijde wereld in en zal onze lezers trakteren op de meeste gruwelijke nieuwsfeiten die een mens ooit in een krant voorbij heeft zien komen.”
Nu begon ik toch te stralen. Het beeld wat hij mij daarmee voorhield beloofde wat. Zonder verder nog woorden over mijn functie vuil te maken greep ik al naar een doos met boeken liet daarmee blijken dat ik er geen gras over liet groeien.
“Goed, nou dan ga ik maar eens ergens beginnen,” sprak ik opgewekt tegen hem en wilde mij juist al op de inhoud van de doos storten die ikzelf had binnen gedragen. Het was duidelijk dat dit Victor tevreden stelde.
“Top,” reageerde hij prompt. Hij veegde met een hand wat stof van zijn mantel en keek er met eenzelfde blik naar zoals hij dat ook naar zijn collega’s deed. “Wel mocht er toch nog iets zijn wat je echt per se moet weten, dan weet je mij te vinden, op de zevende etage in mijn kantoortje.”
“Absoluut,” antwoordde ik en draaide mij om naar mijn nieuwe taak. Een enorme verzameling kartonnen dozen met boeken stond uitgestald langs alle stellingen, geduldig op mij te wachten om uitgepakt en ingedeeld te worden.
En precies op het moment dat ik mij opmaakte om mij daar op te storten en even terloops naar de onderzijde van de wenteltrap rechts naast mij keek, zag ik in het verlengde ervan ineens iets wat mijn wenkbrauwen weer danig deed fronzen. Mijn hemel, hoe kon dit toch steeds? Was direct mijn gedachte, toen ik het fenomeen aanschouwde dat ik nu toch al een paar keer eerder had gezien had. Lang had ik er niet voor nodig om voor mezelf te beslissen welke actie ik nu zou ondernemen en keerde mij dan ook meteen weer om zodat ik mijn observatie meteen met mijn nieuwe baas kon delen.
Een trillende sensatie van opwinding trok er door mijn lijf, nu ik deze ervaring eindelijk ook eens met een ander zou kunnen delen.
“Zeg Vict-…” begon ik al meteen – en voelde reeds hoe de bloeddruk van de spanning op mijn slapen omhoog schoot – Maar juist waar ik verwacht had om Victor nog te zullen aantreffen om zijn aandacht nog even te kunnen opeisen, was het afdelingshoofd van onze redactie al in geen velden of wegen meer te bekennen. Op de plaats waar hij zojuist had gestaan was nu helemaal niemand. “Euhm… Victor? Hallo, Victor?” probeerde ik nog terwijl ik vlot om mij heen keek, maar van Victor was ineens totaal geen spoor meer. Hij was nog maar echt pas bij mij weg gestapt, daar was ik van overtuigd, waardoor ik meende dat hij hooguit tien passen bij mij vandaan gelopen én dus nog zichtbaar moest zijn. Maar hij was toch echt weg en compleet uit het zicht verdwenen ook. Niet linksom, maar ook rechtsom, dieper de bibliotheek in, kon ik hem niet zien. Om zeker te zijn dat hij niet in één van de gangpaden was gedoken, richtte ik mij daarom maar even op en keek ik om de hoek van de stellingen.
“Victor? Hallo, Victor?”
Maar niets.
Waar Victor eerder had gestaan viel niets anders te bespeuren dan wat traag dwarrelend stof zwaarmoedig zwevend in het dompige luchtledige.
Victor was echt weg. Victor Anished was… verdwenen.
Ik vond het voorval zo curieus dat ik raadselachtig richting de dubbele deuren keek – die geen teken vertoonde dat ze zonet nog geopend en dichtgevallen waren. Ik snapte er echt helemaal niets van. Victor kon nooit zó snel naar de kamer van Kornelis verdwenen zijn.
En daarmee liet hij mij van het ene op het andere moment helemaal alleen achter met eigen mysterie, mijn andere raadsel, dat zich hier opnieuw voor mijn ogen had voorgedaan: een kortstondige vibratie achter de wenteltrap dat gepaard ging met een zoemend geluid.

Na een haast onmerkbare aarzeling stak ik ook mijn hand uit en reikte naar de zijne, die met verband was omwikkeld. Victors hand voelde erg warm aan,mogelijk door het werken op de typemachine, maar het was ook denkbaar dat de vele windselen om zijn armen hier een verklaring voor gaven.
“Aangenaam kennis te maken”, bracht ik uit. Ik had al meteen in de gaten dat er een extra laag in onze handdruk besloten lag. Victor kwam erg intimiderend op mij over en kennelijk kon ik dat gevoel niet voor hem verbloemen. Hij keek me vergenoegd aan en glimlachte. Victor leek me iemand die graag zijn natuurlijk overwicht liet gelden en mijn gereserveerde benadering beviel hem kennelijk prima. Mijn voorzichtige opstelling was absoluut niet bewust, maar door mijn verminderde scherpte door gebrek aan slaap slaagde ik er niet in mij krachtiger te presenteren. De vraag die ik daarna aan hem richtte maakte het er al niet beter op:
“Bent u de eindredacteur?”
Meteen was het duidelijk dat dit een domme vraag bleek. Victors ogen begonnen te twinkelen en hij grijnsde zo breed dat het er vanaf droop dat hij hiervan genoot. Ik stond weliswaar met mijn rug naar mijn nieuwe collega’s, maar ik kon gewoon voelen dat zij werden overvallen door plaatsvervangende schaamte. Toen schoten mij de woorden van Kornelis te binnen, waardoor ik mijn vergissing inzag en waar Kornelis zelf op dat moment ook op terugpakte:
“Dit is die collega is die ‘later nog zou komen aanschuiven’, Achmed,” fluisterde hij mij toe.
Hij sprak zacht, maar voldoende luid zodat Victor hem duidelijk had verstaan. Zijn grijns verdween op slag en hij wierp Kornelis daarop een afkeurende blik toe. Wat er tussen de twee speelde was mij niet geheel duidelijk, maar het was voor mij direct zonneklaar dat ze elkaar niet helemaal goed lagen.
“Noem mij maar gewoon Victor,” sprak hij vervolgens vriendelijk, waarbij hij opnieuw een glimlach op zijn gezicht toverde, “en eindredacteur is echt te veel eer voor mij, vriend. Ik ben slechts jullie afdelingshoofd. Desalniettemin is het een taak die heel wat verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Er zal hier toch iemand de beslissingen moeten nemen wie er waar wordt ingezet, nietwaar? Geschikt personeel groeit immers niet aan de bomen.”
Het was overduidelijk dat Victor met zijn opmerking over beslissingen nemen een sneer uitdeelde richting onze Kornelis, zodat de spanning die ik eerder al dacht op te merken alleen maar werd versterkt. Ik zou hier te zijner tijd ongetwijfeld meer over te weten gaan komen. Op deze dag moest ik mij vooral focussen op wat er van mij werd verwacht.
“Jullie waren het kennismakingsgesprek net aan het afronden, neem ik aan?” vroeg Victor op hooghartige toon, zonder zijn woorden aan iemand in het bijzonder te richten.
Het was Tinus die daar het antwoord op wilde geven.
“Wel, we…”
Maar Victor gaf hem de kans niet om uit te spreken en vulde de rest zelf al in.
“Goed zo. Dan kunnen jullie weer aan je werk en gaat Achmed eerst met mij mee.”
Hij maakte er een handgebaar bij alsof hij een of andere baron was die zijn hofhouding wegwuifde en legde een hand op mijn rug om mij apart te nemen.
“Al goed,” bromde Kornelis chagrijnig en haalde vervolgens zijn schouders op. Hij keek nog wel even misprijzend naar Victor, maar vond het de moeite niet er verder op in te gaan en maakte daarom aanstalten om terug te keren naar zijn plek.
Tinus stond er, nu hij was afgekapt, wat gelaten bij, maar ook hij besloot er geen woorden aan vuil te maken en verwijderde zich ook langzaam weer van het vergaderhok.
“Rina nog wat?” vroeg Victor, zodat hij aan eenieder zijn autoriteit had laten gelden, maar zij liet enkel met haar gezichtsmimiek blijken dat ze geen zin had hierop in te gaan.
“Kom je mee, Achmed? Dan zal ik je wijzen waar jij de komende tijd erg van nut kan zijn. Iemand met jouw kwaliteiten kunnen we hard gebruiken in de Archieven van de Tycoon Newspaper. Zodra je hier binnenstapte had ik al meteen door dat we jouw talenten niet onbenut moeten laten. Wat verhaaltjes oppennen door vrolijk de stad rond te trekken kun je altijd nog doen.”
Ik wist zo gauw even niet of ik er erg blij mee moest zijn dat Victor voor mij andere werkzaamheden in gedachten had, maar wist wel dat ik eerst dringend ergens anders behoefte aan had.
“Wel, dat lijkt me goed, maar als je het niet erg vindt, zou ik eigenlijk eerst even een toilet willen bezoeken. Waar kan ik die hier vinden?”
“Ach, natuurlijk,” reageerde Victor meteen, “Rina? Wijs jij deze meneer hier even waar hij het toilet kan vinden?”
Geschokt keek ik op hoe mijn nieuwe leidinggevende zelfs het wijzen waar het kleine kamertje was aan zijn collega’s uitbesteedde. Kort daarop liet ik mij weer meevoeren door de lieftallige blondine.

Niet veel later stond ik opnieuw wat te mijmeren over mijn zware nachten, ditmaal toen ik mijn handen stond te wassen aan de toilettafel. Ik was juist bezig mijn handen af te drogen toen er een klein kereltje de wc’s binnenliep.
“Dag, Ed Cetera,” groette ik de figuur die mij juist voorbij ging.
“Oh,-dag… euh…”
Het kleine mannetje, dat opeens in een proper wit pak was gestoken, keek mij bevreemd aan en leek zowaar voor een moment zijn tong even verloren.
“Ik-geloof-niet-dat-wij-elkaar-al-eens-hebben-ontmoet. Of-heb-ik-het-mis? Ik-bedoel-het-is-in-theorie-natuurlijk-mogelijk-dat-we-elkaar-in-het-voorbijgaan-elkaar-reeds-eerder-hebben-gepasseerd-, maar-eerlijkheid-gebiedt-me-te-zeggen-dat-ik-dat-niet-voor-de-geest-kan-halen. Of-denk-je-dat, ik-bedoel, ben-je-er-echt-zeker-van-dat…”
“Stop maar, stop maar, Ed,” onderbrak ik het tetterende mannetje meteen, omdat ik al door had dat dit weer zo’n lang gesprek zou gaan worden. Tegelijk begreep ik niets van zijn reactie, wij hadden elkaar toch zojuist bij de liften ontmoet? Of zijn mijn nachten echt zó slecht dat ik nu begon te hallucineren? Ik wist het even niet.
“Jij bent toch de Ed die Rina Oddel en mij zojuist met de lift naar boven heeft gebracht? Of ben ik nu compleet in de war?”
Het mannetje dat tijdens het praten een werkkast had opengetrokken en daar een mop en een waterbak uit had gepakt nam nauwelijks de tijd om adem te halen en begon, zonder mij aan te kijken, antwoord te geven.
“Nu, of-je-in-de-war-bent-daar-kan-ik-echt-niet-over-oordelen. Daar-moet-ik-een-persoon-echt-wel-vaker-dan-eens-voor-hebben-ontmoet. Compleet-in-de-war-zijn-is-sowieso-wat-onwaarschijnlijk, aangenomen-dat-je-dan-van-al-je-zinnen-zou-zijn-beroofd-en-je-zo-van-de-wereld-zou-zijn-dat-je-amper-in-staat-zou-zijn-om-een-normaal-gesprek-met-iemand-te-voeren. Daar-lijk-je-geenszins-last-van-te-ondervinden. Ik-begrijp-jou-immers-prima. De-Ed-waar-je-naar-refereert-ben-ik-in-elk-geval-niet. Hebben-we-samen-in-de-lift-gestaan? Daar-herinner-ik-mij-werkelijk-niets-van. Je-bent-mogelijk-in-de-war-met-Ed-Cetera, de-liftbediende. Dat-ben-ik-niet-hoor. Oordeel-nu-zelf; zie-ik-er-met-mijn-kleren-uit-alsof-ik-iemand-ben-die-mensen-met-liften-naar-boven-en-naar-beneden-haalt? Ik-zal-je-wel-vertellen, ik-ben-een…”
“Oh, nee help. Daar gaan we weer!” bracht ik uit. Ik had een ernstige fout gemaakt. Ik had deze Ed, of wie het ook had mogen wezen, een vraag gesteld. Of eigenlijk twee zelfs. En als ik iets uit mijn vorige gesprek met de liftbediende wel had moeten leren, dan was het dat ik hem in elk geval geen vragen moest stellen, anders kon ik erop rekenen overladen te worden met een hoeveelheid ongevraagde informatie waar je tureluurs van wordt. Of dit nu wel of geen Ed Cetera was, mannetjes bij de Tycoon Newspaper wiens lengte niet boven de 1,35 uitkomen, leken mij op voorhand geen handige gesprekspartners. Dus, hoewel het mij onder normale condities onbeleefd leek, negeerde ik dit mannetje verder en was ik al onderweg om de toiletten te verlaten.
De geur van lavendelbloesem uit het schoonmaakmiddel bleef bij het naar buiten lopen nog wat hangen.Ik was nog maar net buiten toen ik me realiseerde dat ik bij de entree van de toiletten tegen iets aan liep, of andersom, het is maar net hoe je het bekijkt. Een pijnlijke ervaring van rechts op mijn enkel was het gevolg; de rand van het onderste blad van een kantinekarretje waar koffie en thee mee geserveerd werd, stootte plots ferm tegen mijn rechtervoet. Ik sprong op van de pijn en nog voordat ik het wist zag ik een koffiepot van een blad opveren en recht op mij afkomen. In een reflex pakte ik deze beet . Pas later bedacht ik dat dit waarschijnlijk geen goed plan zou zijn geweest indien deze met verse koffie was gevuld, maar gelukkig was hij leeg. Tegelijk zag ik divers servieswerk voorlangs flitsen en kon ik niets anders doen dan toezien hoe deze in honderden scherven op de grond kapot vielen. Er bleef werkelijk niets van heel. Resten koffie en thee bevlekten het tapijt zodat ik concludeerde dat het om vuile vaat ging. De kar waar alles op had gestaan werd wel weer rap horizontaal getrokken, maar voor het gros van de lading was het reeds te laat.
“Oh, excuseert-u-mij!” klonk het meteen verschrikt vanachter de verrijdbare dienbladen. De persoon die erachter stond trok direct zelf alle schuld naar zich toe, snelde direct op mij toe en bekeek de scherven van het gevallen servies.
“Wat-dom-van-me,” vervolgde hij, “ik-had-nooit-zo-dicht-langs-de-toiletdeuren-moeten-lopen. Hier-treft-u-geen-blaam. Heeft-u-niets-gebroken?”
“Nee hoor,” antwoordde ik in een impuls en verzweeg de pijn die ik aan mijn enkel had, “ik ben in orde. Maar heb ik u niet laten schrikken dan? Ik kwam ook zo sne-..”
Op dat moment stokte mijn adem. Ik bekeek de persoon die voor me stond eens goed en kwam met een schok tot de ontdekking dat ook deze medewerker weer als twee druppels water op de liftbediende leek. Hetzelfde postuur, om en nabij 1 meter 35, de gebruinde huid van iemand van Afrikaanse komaf en ook precies dezelfde muisachtige gezichtsuitdrukking.
“Nee…!” spraken mijn lippen klankloos en ik staarde als verlamd naar de figuur voor me. Dit was onmogelijk. Daarnet zag ik hem hier al in de toiletten en nu direct weer bij de eerstvolgende stappen die ik zette. Twee figuren die sprekend op elkaar leken kon ik nog behappen, maar een derde? Onderhand begon ik echt aan mijn waarnemingsvermogen te twijfelen. Dit waren de buitenaardse wezens! Ze waren mij gevolgd vanuit mijn nachtmerries en deden zich nu als mijn nieuwe collega Ed voor, zo overtuigde ik mijzelf.
Bevend van schrik wankelde ik naar achteren en liet in die beweging de lege koffiepot die ik nog vast hield los. Even was mijn aandacht daar op gefocust, toen ik zag hoe deze in grove scherven op de grond versplinterde, maar al snel nam de behoefte om te vluchten bezit van mij. Ik wendde mij af van de koffiebediende die reeds zijn antwoorden begon te ratelen en draaide vlug naar het verlengde van de gang achter mij.
“Oh-pardoes!” klonk het meteen zodra ik de andere kant op keek en ik op een mannetje botste waarvan ik het gezicht nu al drie keer eerder had gezien. Een klein figuurtje, die een hele stapel papier in zijn handen had, keek verschrikt op toen we tegen elkaar aanliepen. Het bovenste deel van zijn papieren stapel gleed van het geheel en dwarrelde weldra op de grond. Onder normale omstandigheden had ik mij in zo’n situatie absoluut verontschuldigd en mijn hulp wel aangeboden om de boel op te pakken, maar dit waren, zoals ik toen kon oordelen, niet die normale omstandigheden. In plaats daarvan keek ik het mannetje gejaagd aan alsof ik iemand uit de dood zag opstaan en zette het daarna op een lopen.
Het tafereel achter mij latend spurtte ik zo rap als mijn benen mij konden dragen naar het einde van de gang, daar waar deze in een scherpe hoek naar rechts afboog en alwaar ik hoopte dat ik er in elk geval geen Ed Cetera meer zou tegenkomen. Groot was echter mijn ontzetting toen ik, bijna aangekomen bij de hoek van de gang, een volgend individu mijn richting op zag komen. Hij verscheen vanachter de hoek, liep achteruit en hield met zijn handen een soort draagkar stabiel terwijl hij de bocht door de hoek maakte. Een tweede drager werd kort daarna zichtbaar toen de stellage voor mij in z’n geheel in beeld kwam en ik ontdekte dat er twee Ed Cetera’s hun handen vol hadden aan het verplaatsen van enkele duivenkooien met daarin een achttal hagelwitte duiven. Ik dook opzij en plakte tegen de muur op het moment dat de twee mannetjes met de duiven, waarschijnlijk postduiven, mij voorbij gingen.
“Droom ik di-” maar nog voor ik mijn mompelende vraag had uitgesproken, legde ik mijzelf met beide handen het zwijgen op toen ik realiseerde dat ik bezig was een vraag te stellen. Het laatste wat ik wilde was dat één van beide mijn vraag zou horen en ik opnieuw een vuursalvo aan antwoorden zou krijgen met uitgebreide uitleg. En zeker niet van twee Ed Cetera’s tegelijk! Dat wil zeggen, als beide figuren hier voor mij al naar die naam luisterden. Links van mij hoorde ik hoe Ed Nummer Drie nog steeds staccato zijn relaas voorbracht op mijn vraag of ik hem had laten schrikken. Het geklop van hartslag werd al zichtbaar boven mijn borstbeen, zo benauwd kreeg ik het van deze voorstelling. Ik sloeg gade hoe het tweetal dwergachtige figuren met de stellage met gevogelte aan mij voorbij liep en staarde de mannen enkel aan toen de achterste van de twee mij met een hoofdknikje groette.
“Dit zie ik niet echt,” hield ik mezelf voor en wilde dat ook erg graag geloven. Ik weigerde te accepteren dat de Tycoon Newspaper zoveel Edjes had rondlopen en weet mijn beleving aan mijn chronische slaapgebrek. Ik sloot daarom mijn ogen en hield mijn lijf stijf tegen wandpanelen achter mij in de hoop dat deze nachtmerrie vanzelf voorbij zou zijn wanneer ik ze weer zou openen. Maar helaas, zodra ik mijn ogen weer voorzichtig open deed, waren Ed Cetera Vijf en Zes wel al verder doorgelopen, maar verscheen er een zevende achteraan die ook bij die laatste twee leek te horen. Ed Nummer Zeven liep er iets minder gemakkelijk bij dan de twee Edjes van zojuist, wat zich liet verklaren doordat hij de zwaarste lading met zich mee droeg. Zijn korte armpjes had hij om de buik van een beest voor zich geklemd en hij waggelde daarmee driftig achter zijn twee collega’s aan. Het beest was ongekooid en bovendien erg log, zodat de vertoning erg zielig aandeed voor deze Ed. In zijn armen droeg Ed Nummer Zeven een grote vette onwillige dodo.
Hij én de dodo keken mij vervolgens verdwaasd aan en toen werd het me allemaal te veel.
“Aaarghh!!!” schreeuwde ik het uit en trok met beide handen bijna de krullen uit mijn kruin. Dit was te veel van het goede. Ik sloeg volledig op tilt en wist niet meer waar ik het zoeken moest. ’s Nachts werd ik keer op keer ontvoerd door buitenaardse wezens, de krant op mijn werkplek werd door mechanische postduiven rondgebracht, één van mijn collega’s overleefde een aardbeving en stinkt erger dan een bunzing die te zwaar getafeld heeft en nu zag ik ook nog een half kabouterdorp aan kloonachtige medewerkers rondhobbelen. Dit waren té veel onwaarschijnlijkheden kort achter elkaar om mij nog te overtuigen dat ik ze zelf allemaal nog op een rijtje had. Paniek nam verder bezit van mij. Ik sloeg op de vlucht en rende door de gangen. Zonder me nu nog iets aan te trekken van wie ik verder nog tegen het lijf zou lopen was het enige waar ik nu nog aan kon denken dat ik hier moest zien weg te komen. Dan maar geen baan bij een prestigieuze redactie waar de hele mediawereld afgunstig de ontwikkelingen van volgt. Wat hier gebeurde was voor mij niet acceptabel meer. Mijn werkgever viel niets te verwijten. Dit lag geheel aan mij. Ik moest eerst mezelf uit de knoop halen en investeren in een goede nachtrust. Hoe kon ik zo stom zijn om onuitgeslapen aan een nieuwe baan te beginnen? Nu zag ik allemaal rare voorstellingen die er helemaal niet zijn, terwijl ze zo echt overkomen. Ik zou met een kladblokje de stad door moeten trekken en nieuwsfeiten verzamelen, maar dan moet ik wel fris zijn. Jeetje, waar was ik aan begonnen? Mijn slechte nachten hadden nu zo’n zware wissel op mij getrokken dat ik niet langer meer in staat was om mijn omgeving met normale ogen te aanschouwen. Waar ik in het redactiegebouw ook liep, ik zag ze nu echt overal, deze aardse manifestaties van de wezens uit mijn nachtmerries, deze praatzieke poltergeisten, deze gnoom geworden kwelgeesten, een compleet circus aan Ed Cetera’s dook nu op elke plek op waar ik ook maar ging.
“Help!” schreeuwde ik, snakkend naar frisse lucht, “hoe kom ik bij de uitgang?…”
Abrupt viel alles stil.
En toen bedacht ik mij, ten overstaan van een aantal van die Edjes…
… dit was wellicht het stomste wat ik had kunnen doen.
“U-bevindt-zich-op-het-ogenblik-op-de-zevende-etage, in-de-hoofdgang-tussen-de-redactieruimtes,” begon één van hen. Hij stopte met het recht hangen van de schilderijtjes en werd kort daarna door een andere Ed opgevolgd:
“Vanaf-hier-bekeken-zijn-de-lift-en-de-trap-uw-meest-voor-de-hand-liggende-wegen-naar-de-entree-van-dit-gebouw…” deze Ed was gekleed in een wit met roze jurkje met een hoop franjes en was dezelfde schilderijtjes aan het afstoffen die de Ed naast hem juist aan het recht hangen was.
“Beide-opties-brengen-u-ongeveer-even-snel-naar-beneden, afhankelijk-van-of-u-lopend-of-rennend-de-trap-gebruikt,” sprak de volgende Ed, die ik het in de lak zetten van een dressoir zag pauzeren.
“Past-u-er-wel-op-dat-u-de-kostbare-Ming-vaas-uit-de-regeerperiode-van-Jiajing-onderweg-niet-om-stoot? Deze-werd-vanmorgen-nog-door-Ed-Cetera-afgenomen-en-opgepoetst,” klonk het links van mij. Opnieuw was het een Ed Cetera die zijn werk voor een antwoord op mijn vraag onderbrak; twee emmers met sop, een doek en een trekker voor het glazenwassen werden even neergezet.
“Het-wachten-op-de-lift-kan-in-een-gebouw-als-dit-hoofdkantoor-van-de-Tycoon-Newspaper-gemakkelijk-oplopen-tot-6-minuten. Gemiddeld-6-minuten-en-43-seconden-om-precies-te-zijn. Hiermee-wordt-een-weekgemiddelde-bedoeld. De-maandagochtend-en-vrijdagmiddag-vallen-in-wachttijd-vaak-hoger-uit.” Deze woorden kwamen van een Ed die een deur aan het repareren was. “U-kunt-natuurlijk-ook-altijd-overwegen-om-buitenom-langs-de-gevel-af-te-dalen. Dat-is-natuurlijk-niet-zonder-risico, maar-voor-waaghalzen-absoluut-een-avontuurlijke-manier-om-bij-ingang-te-geraken. Bungeejumpen-is-niet-aan-te-raden, doch-met-de-geschikte-klimuitrusting-moet-het-zeker-gaan. In-het-winkelcentrum-Het-Mierennest-kunt-u-voor-deze-spullen-goed-terecht.”
“Ik-zou-u-toch-een-parachute-aanbevelen,” viel een volgende bij, “klimmen-is-ook-zo-weer-wat. Met-een-valscherm-afdalen-is-bovendien-sneller.”
“Alleen-moet-je-daarvoor-in-de-Volière-zijn,” voegde een ander toe, “daar-liggen-er-een-paar. Dan-ben-je-wel-al-bijna-bij-voordeur, dus-of-dat-echt-iets-toevoegt-vraag-ik-mij-wel-af.”
“Het-maakt-niet-uit-of-u-hier-linksom-door-de-gang-loopt-of-rechts-blijft-aanhouden,” sprak er weer één, die ook vast naar de naam Ed luisterde, “De-gangen-lopen-hier-toch-allen-in-een-vierkant.”
“En-komen-aldus-op-elkaar-uit,” vulde opnieuw eentje aan, die nog niet aan de beurt was geweest.
“U-zou-ook-Ed-Cetera-kunnen-vragen,” werd er nog geprobeerd. “Die-weet-er-ook-het-een-en-ander-van.”
Het was om krankzinnig van te worden. Overal waar ik keek kwam ik deze praatgrage elkaar complementerende personages tegen.
“De-kortste-weg-is-nog-steeds-de-lift. Ed-Cetera-brengt-u-graag-naar-de-begane-grond,” klonk het weer.
Allen keuvelden ze uitvoerig met hun antwoorden, steeds in eenzelfde trance-achtige staat, alsof ze elk moment door een ruimteschip konden worden opgestraald. Er waren Edjes bij die nieuwe typemachines kwamen afleveren, Edjes die lampen vervingen, Edjes voor ongediertebestrijding, Edjes die wat lekkers voor bij de koffie kwamen brengen, Edjes die telegrammen bezorgden, Edjes die plinten schilderden, Edjes die de waterleiding inspecteerden, Edjes die het schrijfgerei aanvulden, Edjes die de Edjes in het gareel hielden, Edjes die de melk en suiker aanvulden, Edjes voor het afstellen van nieuwe bureau’s, Edjes die het plafond verfden, Edjes die schrijfopdrachten moesten uitvoeren, Edjes die de plantjes water gaven, Edjes voor de hondenuitlaatservice, Edjes die prullenbakken leegden, Edjes die reclameposters vervingen, Edjes die voor versnaperingen zorgden, Edjes die de vuile vaat kwamen ophalen, et-…cé-…te-…ra!
Alle Edjes bij elkaar dreven mij onderhand tot waanzin, zodat ik door de gangen holde en wanhopig naar de redactieruimte zocht waar ik mijn directe collega’s had ontmoet. Misschien dat zij mij nog uit deze nachtmerrie wisten te redden en mij van deze manische manusjes-van-alles konden verlossen. Een kakofonie van toelichtingen en uitweidingen galmde er inmiddels door de gangen en maakte van de zevende etage een compleet kippenhok. Ten langen leste vond ik eindelijk een deur waar op het raampje de tekst ‘redactie’ te lezen viel. Ik liep er snel naartoe en greep naar de deurkruk. Buitelend viel ik de ruimte die erachter lag binnen, draaide me om en sloot meteen de deur. Hijgend stond ik tegen de binnenzijde van die deur op adem te komen en merkte pas toen ik naar de vloer keek hoe het zweet van mijn voorhoofd gutste en op het tapijt droop. Met gestrekte handen tegen de deur bleef ik zo een paar seconden staan, totdat ik achter mij iemand hoorde spreken.
“Kan-ik-u-soms-ergens-mee-helpen-mijnheer? Met-uw-welnemen, u-lijkt-mij-nogal-van-streek…”
Die slepende manier van spreken, die stem…!
Ik keek om en kroop vervolgens direct zo dicht tegen de deur als ik maar kon. De redactieruimte waar ik was binnengestapt was er kennelijk één van vele, maar in elk geval niet de vloer waar ik Kornelis, Rina, Tinus en Victor had ontmoet. Deze ruimte stond vol met bureaus en typemachines. Hier werd druk geschreven. Achter alle bureaus zaten kleine mannetjes en ik wist inmiddels maar al te goed naar welke naam zij allen luisterden.
“Gaat-het-wel-goed-met-u?” vroeg één van de Ed Cetera’s.
Op dat moment werd alles zwart voor mijn ogen en gonsde er enkel nog een specifieke zin door mijn hoofd, voordat ik het bewustzijn helemaal verloor:
Dimensies bestaan bij de gratie dat we ze verzinnen.

“Achmed? Achmed? Hé, word eens wakker jongen,” drong een bekende stem bij mij aan toen ik langzaam weer bij kennis kwam, “Hallo? Aarde aan Achmed.”
Versuft tuurde ik door de spleetjes van mijn oogleden, terwijl ik in een reflex gehaast mijn longen vol zuurstof zoog. Een loom gevoel drukte zwaar op mij zodra ik geleidelijk mijn lijf voelde ontwaken en ik een tinteling in mijn benen gewaar werd. Ik proestte en schrok abrupt wakker toen ik zowat in mijn eigen speeksel stikte. Victor Anished was de eerste die ik meteen recht in de ogen keek. Hij zat geknield voor me en had zich blijkbaar zolang over mij ontfermd.
“Hé vriendje. Gelukkig man, je bent er weer,” sprak hij uiterst zorgzaam, “Je was even helemaal van de wereld. Ze hebben je naar hier gebracht voor een beetje frisse lucht. Wat is er net gebeurd met je?”
“H-huh? Wat?” bracht ik uit toen ik rechtop was gaan zitten en mezelf probeerde te oriënteren, “Dimensies… dimensies zijn er omdat wij ze verzinnen.”
Ik had de stelling – zij het op een iets andere manier – uitgesproken voor ik er zelf erg in had en had geen idee wat mij bewoog om dat als eerste te benoemen. Maar toen herinnerde ik dat dit ongeveer de tekst was die ik in mijn hoofd had horen galmen toen ik eerder in de redactieruimte flauw was gevallen.
“Euh, sorry?” reageerde Victor op deze wazige opmerking van mij. Zijn ogen stonden vragend. Ik kon hem niet kwalijk nemen dat dat wat ik had gezegd hem in verwarring bracht. Ikzelf snapte ook niet waarom ik precies die zinsnede had uitgesproken. Ik had de woorden opgedreund alsof het het eerste was dat mij relevant leek nadat ik even van de wereld was geweest.
“S-sorry. Nee, niks. Vergeet het. Waar ben ik? Wat is er gebeurd?”
Victors blik was nog steeds een en al vraagteken.
“Nou, dat zou ik ook graag willen weten.”
Toen keek ik eens wat beter om mij heen en merkte ik dat ik weer in de gang was. Van dat besef schrok ik even, zodat ik opstond en mij ervan vergewiste dat er geen Edjes meer waren. Tot mijn grote verbazing bleek dat ook daadwerkelijk zo. Behalve Victor en ik was er op dat moment verder helemaal niemand in de gang. Nu was het mijn beurt om raadselachtig te kijken.
“W-waar zijn ze allemaal gebleven? Zijn ze echt weg?”
Victor snapte er niets van.
“Achmed, gaat het wel goed met je?” reageerde hij in plaats van de vraag te beantwoorden, “je kijkt net alsof je door iemand achterna gezeten wordt.”
Verdwaasd keek ik nog eens goed om mij heen, maar ik moest toch concluderen dat ik het de eerste keer al goed had gezien; Victor en ik waren alleen. Ik had even nodig om te bevatten waar ik was en dacht zelfs even dat wat ik kort hiervoor had beleefd een nachtmerrie moest zijn geweest. Echter, toen ik links van mij op het tapijt bij de toiletten koffievlekken ontdekte, besefte ik dat dit niet in mijn slaap gebeurd kon zijn. De vlekken benauwden me en maakten dat ik weer onrustig werd.
“Victor, ik moet je iets bekennen. Bij nader inzien geloof ik dat ik eigenlijk helemaal niet de geschikte man voor jullie ben om bij dit bedrijf te komen werken. De afgelopen paar uur waren erg inspannend voor mij en ik vrees dat ik jullie alleen maar tot last zal zijn. Ik slaap slecht en heb nu ook al last van waanvoorstellingen. Is het nog mogelijk mijn contract nietig te laten verklaren? Ik kan misschien toch beter iets anders gaan zoeken.”
Mijn leidinggevende schrok erg van dit voorstel, dat voor hem ongeveer uit de lucht kwam vallen.
“Wat bazel je nu? Natuurlijk ben jij geschikt,” protesteerde hij. “We hebben je hartstikke hard nodig. Hoe kom je nou bij het idee dat je ons tot last zou zijn?”
Victor keek me indringend aan, al viel het me wel meteen op dat hij me nu opmerkelijk minder streng leek als eerder op de dag, toen hij onze andere collega’s op hun plek wees. Van de chef met de tirannieke trekjes, zoals ik hem mij eerder op de dag meteen had voorgesteld, viel ineens weinig meer te bespeuren. De open houding waarin hij nu tegenover mij stond maakte dat hij opeens een heel stuk warmer op mij overkwam.
“I-ik zie dingen die er niet zijn,” probeerde ik. Ik wilde hem graag verklaren waarom ik tot mijn plotselinge inzicht was gekomen, maar het viel niet makkelijk om dit onder woorden te brengen. “Eerder, voordat jij jezelf aan mij had voorgesteld, heb ik de collega’s al verteld dat ik elke dag door buitenaardse wezens word ontvoerd.”
Ik wachtte even voordat ik verder ging met mijn uitleg en peilde bij Victor of hij hier niet al direct op afhaakte. Hij keek me wel even aan alsof hij op een gedachte kauwde, maar ik had niet de indruk dat hij mijn verklaring als bespottelijk afdeed. Hij luisterde geduldig naar me, zodat ik vervolgde met mijn verklaring:
“Beste Victor, al geruime tijd word ik geplaagd met gruwelijke nachtmerries waarin ik word meegevoerd door ijzingwekkende kwelgeesten, vreemde wezens die niet van deze planeet lijken te zijn en ongeveer het postuur hebben van een kind van zes. Ze onderwerpen mij aan de meest verschrikkelijke onderzoeken en prenten mij beelden en gedachten in waardoor ik overdag grote moeite heb mij goed te concentreren. Hierdoor zie ik er zo belabberd en slecht uitgeslapen uit en gaat het nu zelfs zo ver dat ik collega’s dubbel zie of collega’s verzin die er waarschijnlijk helemaal niet zijn. En ik…”
“Doel je nu op Ed Cetera?” onderbrak Victor mij.
Ik had al meer willen vertellen, maar de snelheid waarmee Victor de connectie legde met Ed Cetera, maakte dat ik even mijn verhaal kwijt was en ik hem bevreemd aangaapte. Ik was verbluft.
“Huh? Hoe weet je dat zo gauw? I-ik bedoel, heb jij die vreemde wezens hier dan ook gezien?”
Alleen toen realiseerde ik dat ik precies voor dezelfde deur stond waar ik kort daarvoor was binnengestapt en er in de redactieruimte was flauwgevallen. Het leek er op dat de figuren die ik voor kwelgeesten hield mij enkel naar buiten hadden gedragen om Victor rustig naar me te laten kijken.
“Nee, ik heb hier geen vreemde wezens gezien. Maar wanneer je bedoelt dat Ed Cetera een buitenaards wezen is, een figuur van een andere planeet, dan kan ik je gerust stellen. Dat is hij niet.”
“Maar wat is er dan met me aan de hand? Zo-even voordat jij mij hier vond, liepen er hier allemaal mannetjes rond met een Afrikaans uiterlijk, die sprekend op Ed Cetera leken. En ook hier binnen, achter deze deur hier achter ons, zag ik er tientallen, misschien wel veertig. Ze leken allemaal op elkaar en ik zou niet verbaasd zijn wanneer ieder van hen naar de naam Ed Cetera luistert. Ik zweer het je Victor, de wezens die ’s nachts experimenten op mij uitvoeren, zijn mij naar hier gevolgd of spelen in elk geval dusdanig met mijn waarnemingsvermogen dat ik overdag haast lijk te hallucineren.”
“Je klinkt nu net als Ed Cetera,” grinnikte Victor kalm, “maar ik zal je uit de droom helpen,” sprak hij na een diepe zucht, “Overal is een goede verklaring voor. Dat verzeker ik je.”
Ik gaapte mijn nieuwe leidinggevende aan. Hoe zou hij in vredesnaam voor mijn recente belevenissen een logische verklaring kunnen geven?
“Ed Cetera is inderdaad een geval apart, maar dat had je inmiddels wel in de gaten. Hij is niet van hier. Tijdens de bouw en oprichting van de Tycoon Newspaper is hij naar ons land overgekomen vanwege zijn uitzonderlijke eigenschappen waar je zelf al mee in aanraking bent gekomen, de mogelijkheid om zichzelf te dupliceren en op te treden in waanvoorstellingen. Hij komt uit Kenia, of specifieker: uit het Land van Snooit…”
“Ho, wacht even,” viel ik Victor in de rede, “hij heeft het vermogen zichzelf te dupliceren? Victor, kom op nou. Mij houd je niet voor het lapje. In die onzin geloof tot zelf zeker niet? Bij alle aardse wetten is het onbestaanbaar dat iemand zichzelf zou kunnen klonen. Er werden dan wel proeven uitgevoerd om dieren te klonen, zoals met het schaap Dolly. Maar een mens, die nota bene in staat zou zijn een kopie van zichzelf te maken?”
“Hoor jezelf nu eens praten,” blafte Victor, met gefronste wenkbrauwen en een lagere octaaf in zijn stem, “je staat hier zelf net te verkondigen dat er figuren uit jouw droomwereld naar hier zijn gekomen. Tegelijk verklaar je mij voor gek wanneer ik je uitleg geef over de achtergronden van Ed Cetera. Wiens verhaal verliest hier nou aan geloofwaardigheid?”
Daar had Victor een punt. Beide situaties grensden aan het onzinnige, terwijl we er kennelijk beide van overtuigd waren dat ze de waarheid verkondigden. Ik hield verder mijn mond en probeerde voor mezelf te relativeren wat nou echt nog realistisch was sinds mijn nachtelijke uitstapjes zich voor het eerst hadden aangediend. Ik was allang niet meer mijzelf sinds er ’s nachts operaties op mij werden uitgevoerd. Iedere nacht lag ik wel een keertje naakt en vastgebonden onder een laken op een operatietafel, met felle lampen boven mijn hoofd, terwijl er schimmen over mij heen bogen en zij instrumenten op mijn lijf inbrachten. Vloeistoffen vloeiden op en neer door dunne slangetjes en klauwachtige gereedschappen plukten aan mijn schedel, alsof ze laagje voor laagje de huid van mijn hoofd los pulkten. Helse nachtmerries beleefde ik met deze onaardse griezels die tegelijk… zo vertrouwd op mij overkwamen.
Zwijgend stonden Victor en ik in de gang zo een tijdje tegenover elkaar, totdat we op enig moment vanuit onze ooghoeken een inmiddels bekend geworden figuurtje zagen naderen. Het was Ed Cetera. Wie had het ook anders kunnen zijn? En ik verwonderde mij er niet langer over wat hij nu weer bij zich had. De Afrikaanse lilliputter, die met een bijpassend waggelend loopje kwam aanzetten, was ditmaal gekleed in een keurig paars met zilvergrijs kostuumpje. Zijn zwarte haar was in een vette puntknot achterop zijn hoofd in model gebracht. Steunend liep hij ons voorbij, terwijl hij op een steekwagen twee watercontainers voor zich uit duwde.
“Goedemorgen heren,” groette hij ons.
Beide staken wij onze handen op en geduldig, zonder verder nog één woord te spreken, liep het gedrongen ventje tussen ons door. Hij liep tot het einde van de gang en verdween vervolgens om de hoek uit ons zicht.
“Zie je?” sprak Victor korzelig zodra Ed Cetera was verdwenen, “zo moeilijk is het dus niet.”
“Dus je hebt hem ook gezien?” vroeg ik hem meteen, alsof ik toch nog wilde testen of het geen luchtspiegeling betrof die alleen voor mij zichtbaar was.
Victor trok geïrriteerd een wenkbrauw op.
“Ik denk dat eerder de vraag is, wát je hebt gezien, Achmed? Heb je één Ed zien lopen met een tweetal watercontainers voor zich? Of zag je ook een Ed Cetera die een verrijdbaar aquarium voor zich uit duwde met in de waterbak een enorme zeeduivel?”
“Alleen die met de watercontainers, hoezo?”
“Wel, je zag alleen hem, omdat je de enige Ed Cetera die hier echt rondliep geen vraag hebt gesteld natuurlijk.” Victor vouwde zijn handen open en stak ze voor zich uit om zijn woorden extra emotie mee te geven. “De allereerste keer dat ik deze waterdragende Ed ontmoette stelde ik hem namelijk ook een vraag en verscheen er kort daarna nog een Ed, vanuit een waanvoorstelling. En het was die extra Ed die de zeeduivel met zich mee bracht. De waterdrager was aan het ratelen geslagen en de Ed met de zeeduivel…”
“…heb je er gewoon bij verzonnen? Net zoals ik er vandaag misschien ook wel tien of twintig bij verzonnen heb.”
“Klopt helemaal,” antwoordde Victor, bij wie het chagrijn weer enigszins verdwenen was.
“Dus Ed Cetera begint niet alleen te ratelen als een machinegeweer wanneer je hem een vraag stelt, maar het levert ook op dat je een extra versie van hem erbij verzint…” sprak ik vervolgens tot mijzelf.
“Niet altijd,” vulde Victor aan, die zijn handen weer onder zijn mantel stopte, “maar meestal wel. En zeker als je moe bent en er dus vatbaar voor wordt. Je gaf zelf al aan dat jij de laatste tijd niet echt wat je kunt noemen, uitgeslapen bent. Dit zou je dus moeten kunnen plaatsen.”
Ik knikte.
Na die woorden liep Victor weg van de plek waar we ons hadden opgehouden, zodat ik hem volgde.
“Ed Cetera is, zoals ze dat noemen, een Waangnoom,” lichtte hij verder toe toen we eenmaal samen opliepen, “een ras van gnomen uit die godvergeten stam waar we hem vanuit hebben geëxporteerd, destijds, toen hier alles nog in oprichting was.”
“Toch verklaart dat niet waarom Ed hier zoveel arbeidsplekken lijkt in te nemen. Ik bedoel, ik snap inmiddels dat een aantal ervan er door jezelf bij gefantaseerd worden, maar ik zie hem nog steeds opmerkelijk veel echte klusjes oppakken. Is dat dan toch iedere keer dezelfde Ed Cetera?”
“Eén en dezelfde. Maar toch ook weer niet. Hoe leg ik dat uit? Zoals je zelf al concludeerde, kan Ed zichzelf dupliceren. Ik weet ook niet hoe het kan, maar hij speelt het klaar.”
“Maar, even los van de onmogelijkheid die ik daar in zie, wat maakt dan dat mensen zoals jij en ik dan überhaupt nog nodig zijn? De Tycoon Newspaper zou al haar FTE’s dan eenvoudig kunnen invullen door Ed zichzelf maar zo vaak te laten dupliceren als de redactie dat belieft. Of is dat wellicht te simpel door mij gedacht?”
Victor zuchtte en haalde zijn schouders op. Een paar seconden staarde hij zwijgend voor zich uit.
Na een poosje draaiden we een andere gang in en sprak hij tot mij:
“Kom. Het wordt tijd dat ik jou ga laten zien welke taak in voor je in gedachte had.”
“Prima,” antwoordde ik hem en had inmiddels voor mezelf besloten dat ik dit toch een tweede kans moest geven. “Waar gaan we heen?”
“Deze kant op,” sprak hij opgewekt, “we pakken de lift.”
En toen hij dat zei hield ik mijn pas in en zette ik grote ogen op.
“D-de lift?” herhaalde ik beverig.
En voor de tweede keer op mijn eerste werkdag werd ik licht in mijn hoofd.

By achmedlien | February 19, 2016 - 10:54 pm - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Duimzuigerij, Nederlands

“Beroofd van mijn recente ervaringen en enig besef waar ik een moment hiervoor was geweest, lag ik daar, naakt en afgedekt onder een wit laken op een kille metalen operatietafel, althans, dat is wanneer ik mag geloven dat mijn ogen mij niet bedrogen. Felle lichten uit lichtbronnen nog geen meter boven mij, priemden recht in mijn gezicht en maakten dat ik moeite had alles om mij heen op normale wijze te kunnen aanschouwen. De lucht was zwaar en vochtig en het ademen ging bijzonder moeizaam. Tussen het schijnsel door ontwaarde ik op enig moment drie gedaanten, schaduwbeelden van figuren waar ik maar moeilijk de gezichten van kon scherpstellen, maar hun ogen waren angstaanjagend, zoveel kon ik er wel van zien.

Toen nam een benauwend gevoel bezit van mij, zodra ik doorkreeg dat ik met handen en voeten aan de tafel lag vastgebonden…”

By rinaoddel | January 27, 2016 - 9:48 am - Posted in Duimzuigerij, Gevleugelde Uitspraken, Nederlands, Verbaal Genot

Uitspraak: “Ik zal vragen of mijn collega in dit geranium even contact met je opneemt.”

Datum: dinsdag 26 januari.

Door: Quentin.

Het effect waar ik nu op zat te wachten was dat Tinus onbeschaamd in lachen zou uitbarsten. Hij zou compleet dubbel liggen en mij ongegeneerd vragen waar ik deze flauwekul nou weer vandaan haalde. Rina op haar beurt zou gaan giechelen. Met de armen over elkaar en hand voor haar mond zou ze proberen dit te maskeren, uit respect voor mij wellicht, dat ‘moppie’ op wie ze een oogje leek te hebben. En Kornelis? Die zou ongemakkelijk op z’n stoel een andere houding zoeken en zich hard op het achterhoofd krabben, zodat er schilfers roos over de koffietafel dwarrelden en er een gehele familie hoofdluis door het kantoor zou vliegen. Ze zouden het volstrekt belachelijk vinden wat ik zojuist had uitgesproken en mij voortaan als een vreemde eend in de bijt behandelen, de zonderlinge nieuweling met z’n rare verhalen, die daardoor vast ook geen lange carrière bij de Tycoon Newspaper beschoren was.
Maar blijkbaar maakte ik mij weer druk om niks en zat ik me weer in te beelden wat mensen van me zouden vinden terwijl dat helemaal niet zo hoefde te wezen, want volstrekt niets van wat ik mij had voorgesteld gebeurde. In plaats daarvan stonden de gezichten strak en nieuwsgierig en was het uitgerekend Tinus die mij aanmoedigde.
“Ja, ga verder.”
De reactie was eerder broederlijk, een manier van oprecht geïnteresseerd luisteren zoals mensen dat wel doen in lotgenotengroepen, waarbij iedereen wel weet dat je verslaafd bent geweest, maar er een grote emotionele overwinning voor nodig is om te bekennen hoe jij aan geld bent gekomen om in je eigen behoefte te kunnen voorzien en je dan vol begrip van de groep getroost wordt.
Tinus glimlachte. En eigenlijk deden Rina en Kornelis dat ook. Zouden zij soms ook door aliëns ontvoerd worden? Nee, dat leek me wat te ver gaan, bedacht ik mij toen. De aansporing om verder te gaan deed me in elk geval wel stralen, al bleef ik nog wat rood van schaamte.
“Het is nu al een paar nachten aan de gang,” vervolgde ik, in het begin nog wat onzeker, “iedere nacht opnieuw. En eerst dacht ik nog dat ik gewoon wat vreemd gedroomd had. Het was een bizarre droom waarin ik bezocht werd door kleine mannetjes. Overal waar ik ging verschenen ze. Of ik had dat gevoel, omdat ze juist met mij opliepen, terwijl ikzelf ook op weg was. Meestal bevond ik mij buiten op de straten van Gohes City en anders was ik wel ergens aan het ronddolen in de polders. Maar in alle gevallen was het midden in de nacht of waren de locaties zó donker dat het daglicht er geen grip op had. Op den duur begonnen de dromen zich te repeteren. Scènes waarin ik al eerder had verkeerd traden nogmaals op, alleen steeds in andere volgorde. Met ieder volgend nachtelijk avontuur werden de belevenissen ook steeds concreter. Van de eerste nacht herinner ik mij niet zo heel bijster veel meer, alleen, zoals ik al zei, dat ik het gevoel had gewoon wat vreemd gedroomd te hebben en wat was wezen rondspoken. Maar geleidelijk werden deze nachtelijke avonturen steeds meer samenhangend en werd het optreden van deze onaardse figuren steeds prominenter. Dat deze wezens niet van deze planeet konden zijn had ik tijdens mijn eerste nachtmerries eigenlijk nog geen benul van. Ik herinnerde mij na het ontwaken vaag iets van kinderen, met grote hoofden en onwaarschijnlijk grote zwarte glazige ogen. Later ontdekte ik al heel gauw dat er iets schortte aan die perceptie. Wat natuurlijk kwam doordat alles die eerste nacht nog erg vaag was. Precies die avond had ik ook vreemde geluiden gehoord. Ik was moe en ging zoals gewoonlijk laat naar bed toen ik een bizar geluid ontwaarde, vlak voor het slapen gaan. Ik was juist bezig om mijn leesstoel wat te schikken en mijn lege theeglas op te ruimen toen ik bij het binnenstappen van de keuken allereerst iets zag wat ik niet kon geloven; de muur achter het aanrechtblad leek te vibreren. Constant, alsof dat deel van mijn keuken deel uitmaakte van een soort luchtspiegeling. Ik boog naar voren, nog zonder het licht aan te zetten, om het rare fenomeen van dichterbij te kunnen aanschouwen. Maar zodra ik dat deed hoorde ik er een toenemend zoemend geluid van opstijgen, wat kort daarna ook weer verdween. Gauw haalde ik de lichtschakelaar toch om in de hoop mijn ervaring aan het kunstlicht te kunnen toetsen, maar zodra de kwikdamp in de tl-buis een constant licht uitstraalde was het alweer verdwenen. Omdat ik door mijn vermoeidheid niet helemaal meer wist of ik voor mijn thee ook nog een wijntje had genuttigd of dat ik dit de avond ervoor had gedaan, keek ik tussen mijn vuile vaat maar vond daartussen geen wijnglas. Had ik mij dit nou ingebeeld? dacht ik toen. Maar ik besloot niet te lang bij het voorval stil te staan en weet het fenomeen toe aan een gebrek aan slaap. Echter, zodra ik onderweg was naar boven, naar mijn slaapkamer, deed het fenomeen zich weer voor. Opnieuw kon ik toen een vibratie onderscheiden, ditmaal langs de trapwanden, alleen deed het zich veel zwakker voor dan eerder in de keuken. Ik streek met mijn hand langs het behang, maar zodra ik dat deed was het ook meteen weer verdwenen. Het zoemende geluid was dit keer wel veel sterker. En achter in dat zoemen dacht ik ook een soort schuivend tikken te horen, alsof de geiser aanslaat wanneer er iemand in het huis warm water pakt. Het was ook om die reden dat ik het gegeven al minder eng vond en maar accepteerde dat mijn vermoeidheid mijn fantasie op hol liet slaan en het waarschijnlijk hele normale geluiden in huis waren. Hoe ik toen in mijn bed ben beland en vervolgens over die buitenaardse wezens ben gaan dromen ben ik helemaal kwijt. Het enige wat ik nog als haarscherpe herinnering weet terug te halen van de ochtend erna, toen ik net mijn eerste bakkie koffie had ingeschonken was, dat ik realiseerde dat ik eigenlijk helemaal nooit geen geiser heb gehad.”
Deze laatste toevoeging deed een glinstering ontstaan in de ogen van mijn collega’s. Tegelijk keken ze me bevreemd aan.
“Hoe kan dat dan?” vroeg Rina meteen, “was dat tikken en die vibraties in je huis dan niet ook een onderdeel van je droom?”
“Daar ben ik inmiddels ook aan gaan twijfelen,” antwoordde ik.
“Misschien heb je gewoon een goede loodgieter nodig,” grapte Kornelis en passant.
“Maar kom op,” protesteerde Tinus, “je weet toch wel welke herinneringen er bij de realiteit horen en wat niet? Als dat al door elkaar begint te lopen, dan denk ik dat je serieus eens naar een dokter moet gaan.”
“Of liever een psycholoog,” opperde Kornelis, die vanaf zijn hand een pulkje uit zijn neus wegschoot.
“Wel,” zei ik, terwijl er bij mij toch weer wat twijfel begon te ontstaan, “het wordt allemaal nog veel raadselachtiger wanneer ik jullie alle details over mijn nachtmerries zou vertellen. De opstijgende lichten, de keren dat ik midden in de nacht ontwaakte en de tijd bevroren leek, de medische onderzoeken en mijn ervaringen buiten onze planeet. Maar kom, als ik daar nu aan begin, dan wordt dit wel echt een kort werkdagje. Misschien moet ik de rest maar even voor een andere keer bewaren. Ik heb jullie in elk geval deels verklaard waarom ik wat minder fit oog dan ik had willen wezen. Doet hetgeen wat ik tot noch toe heb verteld jullie trouwens niet wat erg sterk voorkomen? Ik kan mij zo voorstellen dat wat ik hier met jullie deel, vast wat onwaarschijnlijk in de oren moet klinken, maar wanneer ik jullie reacties peil dan strookt dat niet helemaal met mijn verwachting.”
“Misschien is het goed dat ik daar even op reageer,” reageerde Kornelis daar kalm op, “Ik kan me haast niet voorstellen dat je het gemist kan hebben, maar we hebben hier onlangs toch die aardverschuiving gehad, nu ongeveer een maand geleden?”
“Dat is me inderdaad niet ontgaan.”
“Nu is dat op zichzelf al een unicum op dit deel van het continent en uitgerekend in onze hoofdstad, maar de relatie die de Tycoon Newspaper daar onderhand in heeft, maakt wel dat als je al vindt dat jouw dromen en de fenomenen in jouw huis bizar zijn, de gebeurtenissen rondom de aardbeving daar weinig aan onder doen.”
“Nu maak je mij nieuwsgierig,” reageerde ik.
Aarzelend zocht Kornelis bijval bij collega Tinus. Hij streek onbewust met z’n tong langs de onderkant van zijn boventanden, wachtend op een respons van hem.
“Ik zal het je uitleggen,” begon Tinus en nam het daarmee van Kornelis over, “Wat al onze landgenoten in de Tycoon Newspaper hebben kunnen lezen is dat seismologen voor een raadsel staan hoe een aardbeving hier zo spontaan kon ontstaan. Ver van de gaswinningen in het noorden van het land en zo dicht aan de kust, komen hier eigenlijk nooit bevingen voor. Hoewel het een om kleine breuk gaat, heeft het gegeven dat het in de buitenwijken van de stad plaatsvond toch voor relatief veel schade gezorgd. Veel gevels van grachtenpanden zijn ingestort, kades zijn uit elkaar gerukt en ook de fundamenten van de huizen eromheen zijn zwaar aangetast. Onze huizenbouw is simpelweg niet bestand tegen dergelijke krachtproeven. Maar het meest opmerkelijke van deze beving is nog wel het feit dat er vreemde gassen uit de diepte opstijgen, daar waar er scheuren in de aarde zijn ontstaan en dat één van de slachtoffers nagenoeg ongeschonden onder het puin vandaan is gehaald. Dit laatste wordt om twee reden voor onmogelijk gehouden: ten eerste door het feit dat de reddingswerkers die met het gas in aanraking kwamen direct het loodje legden en dat dit slachtoffer dat ook zou moeten hebben gedaan…”
Tinus pauzeerde abrupt en staarde Kornelis aan.
Dat deed hij vervolgens zolang dat het me begon op te vallen. Blijkbaar hing er een zekere spanning rondom dit onderwerp, hetgeen ook wel bleek uit de zucht dit Tinus liet ontsnappen.
“En de tweede reden?” vroeg ik Tinus daarom maar, om het onderwerp toch weer op tafel te krijgen.
“De tweede reden,” zei Tinus na een kort goedkeurend knikje van Kornelis, “is dat het slachtoffer zoveel puin bovenop zich had liggen, dat dit neer zou komen op het begraven liggen onder een kleine kudde Afrikaanse olifanten. Met andere woorden, het slachtoffer kon zijn hachelijke situatie feitelijk nooit hebben overleefd.”
Ik geloofde niet wat ik hoorde.
“Wacht even,” ik begon iets te vermoeden, “en dat heeft het slachtoffer blijkbaar wel? Wie was dit slachtoffer dan?”
Tinus antwoordde niet meteen, maar keek eerst opnieuw Kornelis weer aan, die naar hem leek te seinen het maar te vertellen.
“Het slachtoffer zit recht tegenover je.”
“Het slachtoffer zit recht tegenover me?” sprak ik en pauzeerde kort even. “Kor… Kornelis was het slachtoffer?”
Ik keek alsof ik water zag branden. Om te controleren of ik dit goed had begrepen zocht ik ook bij Rina bevestiging. Met een simpele glimlach liet ze eenvoudigweg blijken dat het inderdaad zo was. Hoewel ik Kornelis nog maar kort kende – maar ook als dat al langer het geval was – had ik niet voor mogelijk gehouden dat hier op de redactievloer nog iemand zou rondwandelen waar zo mogelijk een nóg fantastischer verhaal achter schuil ging dan ik zelf al met mij meedroeg. Maar blijkbaar was dit toch het geval. Nu keek ik hem aan en hij haalde daarop zijn schouders op alsof hij wilde zeggen: ik kan er ook niets aan doen.
“Allemachtig, Kornelis…”
Ik wilde meer zeggen, maar kon de juiste woorden niet vinden om uit te drukken hoe verwonderd ik was.
“Je mag wel gewoon Kor tegen me zeggen. Iedereen doet dat.”
“Maar hoe overleef je zoiets? Met dat gas kan ik me nog iets voorstellen dat je er in verhouding tot de reddingswerkers minder van binnen hebt gekregen…”
“Mijn hoofd lag vrij en hing midden in een opstijgende kolom van die specifieke gas,” corrigeerde Kornelis mij meteen.
“Oh… Nou, dan denk ik dat we moeten constateren dat je een soort supermens bent. Kom je wel van deze planeet?”
“Dus snap je nu,” kwam Tinus tussenbeide, “waarom we je niet meteen voor gek verklaarde toen je over buitenaardse wezens begon?”
Ik knikte. Tegelijk ontstond er bij mij ook een soort angst, omdat het verhaal van ‘Kornelis het slachtoffer’ langzaam tot mij deed doordringen dat mijn eigen ervaringen schijnbaar veel echter waren dan ik zelf voor mogelijk had gehouden. De vibraties en geluiden bij mij thuis waren kennelijk toch wat minder alledaags, maar dat was misschien toch waar ik het minst bevreesd voor was; als wat er in mijn nachtmerries afspeelde toch eens echt was. Ik had mijn collega’s nog lang niet alles verteld, maar voor datgene waar ik ’s nachts tegenaan liep en geen logische verklaring voor kon vinden, had ik mezelf tot nog toe wijs gemaakt dat ik was wezen hallucineren.
“Ik kan je trouwens verzekeren dat ik dat niet ben,” voegde Kornelis toe, “een buitenaards wezen. Ik mag misschien wat eigenaardig op jullie overkomen, maar dat heeft niets te maken met invloeden van buiten onze planeet.”
“Maar bedoel je dan dat je…” en toen aarzelde ik echt, want wat ik wilde vragen ging over de aard van zijn slechte lichaamsgeur en zijn afstotelijke gewoontes. Maar zoiets kon je toch niet vragen, Achmed? hield ik mezelf voor. Ik kreeg het daarom warm en voelde het zweet al langs mijn slapen parelen. Dit was niet handig van me.
“Bedoel ik wat?” vroeg Kornelis mij, zich niet bewust van het mogelijk gevoelige onderwerp dat ik dreigde aan te snijden. En opnieuw was het Tinus die de zaken de juiste invulling gaf en er tussen sprong. Hij had wel door waar ik op toespeelde en boog het onderwerp daarom bewust iets om.
“De wonderlijke overleving van Kornelis onder dat puin is voor de Tycoon Newspaper een reden geweest dat we deze man bij ons op de loonlijst hebben staan. Je moet weten dat van al het nieuws wat er over de aardbeving naar buiten kon worden gebracht we nou juist dát niet in de krant wilde hebben staan.”
“Kornelis’ verhaal is een geheim,” vatte Rina kort samen nog voor Tinus uitgesproken was en nam daarna weer rustig een slok van haar kamillethee.
“Klopt,” ging hij vervolgens verder, “want zodra hij werd verlost en bleek hoe ongeschonden hij daarbij was gebleven, kwam dit nieuws allereerst bij onze eindredacteur terecht die daarop de persen een halt toeriep en verkondigde dat hij erg in Kor geïnteresseerd was. Achter een man als hij gaat een groot verhaal schuil, maar in plaats van dit naar buiten te brengen bood hij Kornelis een baan en onderdak aan. Wat Kornelis’ mee had is dat hij al broodschrijver was, weliswaar van scheikundige naslagwerken en almanakken, maar het was duidelijk dat onze eindredacteur meer in hem zag.”
“En rook,” fluisterde Rina, zo zacht dat alleen ik het kon horen.
Ik moest even grinniken. Wat ik hieruit afleidde is dat het overduidelijke gegeven dat Kornelis naar een ontbindend lijk rook en er uiterlijk ook wat van weg had, blijkbaar als taboe werd behandeld, in elk geval in zijn bijzijn. Later zou ik nog ontdekken dat dit toch weinig verband hield met zijn opmerkelijke wederopstanding vanonder de brokstukken.

“Goh zeg, ik vind het onderhand een hele eer om in jouw gezelschap te verkeren, Kornelis,” repte ik zodra de gemoederen weer bedaard waren. Ik realiseerde echter naderhand pas hoe cynisch deze opmerking normaal zou hebben geklonken, wanneer ik niet van Kornelis’ verhaal had geweten. Tot nog toe had ik mij nog steeds niet op glad ijs begeven.
“Zeg Tinus, is het niet een idee om Achmed een keer met Kornelis mee te sturen naar die rampplek?” opperde Rina ineens nog voor Kornelis op het compliment kon reageren, “Dat zou voor hem meteen een goede klus zijn om zich vast te bijten in de materie waar we nu toch de actualiteiten mee gevoed houden. Bovendien stond toch al op onze agenda dat er iemand terug moet naar die plek om hoogte te krijgen van de huidige status.”
“Goed idee, Rina” vond Tinus meteen, “wat mij betreft gaan jullie vandaag nog op pad.”
Ook mij leek dit op het eerste gehoor een uitstekend plan. Toch lachte ik moeilijk. Maar voor Kornelis of ikzelf op het voorstel kon reageren werden we plotseling bruusk onderbroken.
“Geen sprake van!” weerklonk een luide donkere stem.
Alle hoofden richtten zich naar het achterste gedeelte van de redactievloer.
Ik moest mij geheel omdraaien om ook te kunnen zien waar de gesproken woorden vandaan kwamen. We keken daarbij iets schuin omhoog naar een verhoging in de afdeling. Links van de ingang van de afdeling was de hoek in twee verdiepingen opgedeeld. Het plafond van de etage was er hoog genoeg voor. Zo was er onder in deze hoek een open doorloop ontstaan, waar de verslaggevers hun actuele stukken in dossierkasten konden opbergen en was de ruimte erboven gereserveerd voor een werkplek waar je je rustig in kon terugtrekken. Het bleek om een heus kantoor te gaan, de werkkamer van iemand die kennelijk het hoofd moest zijn van deze afdeling. Ik tuurde er lang genoeg naar om me er even kort een beeld van te vormen, maar liet toen mijn blik van een sierlijk vormgegeven balustrade naar een kort trappetje glijden, waarover een lang manspersoon met stijlvolle schreden naar beneden en in onze richting liep.
Dat was meteen ook het enige wat ik aan deze man elegant vond.
Tinus had eerder tijdens ons introductieoverleg aangegeven dat er later in het gesprek nog een collega zou komen aanschuiven. Dit moest beslist die collega zijn. Maar om nu te zeggen dat ik meteen verheugd was om hem te zien, dat kon ik niet echt zeggen.
Over de schouders van de man lag een donkere bordeauxrode mantel gedrapeerd. De capuchon had hij misschien nooit op, maar maakte wel zijn plechtstatige aanschijn compleet. Onder zijn mantel kon ik een zilvergrijs gilet ontdekken. Koperkleurige lijnen liepen er recht op omhoog en wekten tezamen met zijn lichtbruine pantalon de indruk dat deze man nog iets langer was dan hij zich in werkelijkheid liet meten. Voor op het gilet ter hoogte van zijn borst lag een fluwelen koord in een knoop, dat zijn mantel bij elkaar hield. Al met al erg keurige kledij, maar wel een set waarvan ik vond dat deze zijn sluwe voorkomen enkel maar versterkte.
De man, begin dertig schatte ik toen, maakte op mij direct een erg gladde indruk. Over zijn gebruinde huid lag een bijna misdadig te noemen grijns, waarvan hij duidelijk z’n best leek te doen om deze innemend te laten lijken. Zijn schedel had hij kaalgeschoren. Hetgeen niet viel te zeggen van zijn stoppelige baardje. En langs zijn slapen glansden twee opzichtige aders.
“M-maar, dat lijkt mij juist een fantastisch idee van Tinus,” bracht Kornelis in tegen het verweer van deze man, “waarom zou hij niet met mij mee mogen? Zo leert hij ook meteen het veldwerk kennen.”
De man keek Kornelis daarop hooghartig met geopende mond aan en zweeg heel even. Voor de oranjegele zon die nu bijna ten zuiden van het redactiegebouw was komen te staan, schoven net wat wolken weg, zodat de zonnestralen precies over zijn kale hoofd en recht in mijn ogen priemden.
“Nee, Kor. Dat lijkt mij juist uiterst ongeschikt,” besloot de man toen, “voor onze nieuwbakken journalist heb ik eerst een ander klusje in gedachten, een geschikt werkje waarmee hij zich de komende tijd ook prima zal vermaken. Jij kunt best even in je eentje poolshoogte gaan nemen.”
Met beide handen schikte hij de knoop van zijn mantel en rechtte daarbij zijn rug. Zijn groenbruine ogen stonden streng en beheerst.
“Welkom Achmed,” zei hij toen tegen mij, “het lijkt mij de hoogste tijd dat ik je voorstel aan jouw meerdere.”
De man stond nu recht voor me, zodat ik kon zien dat hij ongeveer een halve kop groter was dan ik. Hij keek op mij neer, stak zijn hand uit en sprak uiterst vriendelijk:
“Aangenaam mijn beste vriend. Mijn naam is Victor Anished.”

By tinusicket | January 8, 2016 - 7:09 pm - Posted in Duimzuigerij, Nederlands, Scherpe Blik

Volgende week gaan we dan toch echt naar de nieuwe film van Stars Wars. Dus vanzelfsprekend ben ik al even wat voorwerk aan het doen om ervoor te zorgen dat we nog wel een kaartje kunnen bemachtigen. Deze welbekende ‘space opera’ blijkt namelijk nogal populair onder het bioscoop-gaand publiek. Dus ben ik al eens een kijkje gaan nemen op de website van ons lokale filmhuis. En wat blijkt? De film blijkt helemaal niet te gaan over Jedi Master en Sithlords, die elkaar het leven zuur maken in hun sterrenoorlogen. Nee, Star Wars schijnt nu echt als een heuse modefilm te boek te staan. Zo getuige het plaatje dat ik aantrof toen ik de film op de website selecteerde.
“Fashion Chicks? Nou, volgens mij gaat dat over een geheel andere verkleedpartij. Hm!”
Zodoende bracht mij dit op het idee de gehele triologie en de prequels en sequels er eens bij te pakken. En dat bracht mij tot de volgende interessante samenstelling van filmtitels:
  • Star Wars episode I: Gossip Gungans
  • Star Wars episode II: Designer Wars
  • Star Wars episode III: Confessions of a Sithlord
  • Star Wars episode IV: Sex and the Empire
  • Star Wars episode V: C3PO Avant Channel
  • Star Wars episode VI: Vader Wears Prada
  • Star Wars episode VII: The Fashion Awakens
By gsorsnoi | December 31, 2015 - 3:00 am - Posted in Duimzuigerij, Een portet van ..., Nederlands, WSNOI

De Tycoon Newspaper is aan een nieuwe reeks artikelen begonnen: portretten van haar verslaggevers. En voor de gelegenheid ditmaal ook eens een karakter die weliswaar geen verslaggever is, maar wel een belangrijke rol vervult in het domein van WSNOI. In deze serie belichten we de achtergronden van de fictieve personages die op WSNOI en vooral de Tycoon Newspaper al meer dan eens van zich hebben laten horen, maar waarvan het wel eens prettig is om er ook een gezicht bij te zien. Daar deze personen natuurlijk niet echt bestaan en dientengevolge er geen beeldmateriaal van hen te schieten valt, is gebruik gemaakt van foto’s van figuren waarop zij gebaseerd zijn (hiernaar refereert ‘modelpersoon’ hieronder). Al deze portretten zijn in feite groeiartikelen, want zodra een personage zich verder ontwikkelt op deze site, is het ook wenselijk dat dit artikel daarop bijgewerkt wordt. Zo is het voor mezelf ook te gebruiken als handvat om niet per ongeluk van het bedoelde personage af te wijken. We leiden deze artikelen even kort in met een beknopte personalia waarna we dieper inzoomen op hun oorsprong en hun betekenis voor WSNOI en de TN.

Personalia: George Enverbrander

Functie: voormalig stamhoofd. Tegenwoordig magiër, helderziende, kwakzalver en kapper.
Andere namen: Benjamin Arbier, Stamhoofd Pauklos, de magiër George, de voorzienige helderziende
Oorsprong naam:
- Benjamin Arbier: zijn voor- en achternaam kunnen samengetrokken worden tot zijn functie ‘barbier’, een ander woord voor kapper.
- Stamhoofd Pauklos: deze naam is ooit door de Moraelridder aan mij toegekend als variatie op mijn eigen naam.
- George Enverbrander: zijn voor- en achternaam kunnen samengetrokken worden tot zijn functie ‘genverbander’, een ander woord voor kwakzalver.
Modelpersoon: Johnny Depp
Eerste oer-artikel: ‘Stamhoofd Pauklos heeft een bezoek gepleegd aan ons land’
Eerste online-artikel (waarin dit karakter voorkwam): ‘Een Snooi 2015′
Uitspraken: “Ik ben u ook dankbaar dat ik weer deel uitmaak van deze bijzondere fantasiewereld en dat ik niet vergeten ben.” Uit ‘De Duimzuigerij‘.

Ooit had George een neusbotje

Om te weten wie George Enverbander is, moet je eigenlijk vooral weten wie zijn alterego(*) Pauklos is en hoe zijn persoontje in het domein van de Tycoon Newspaper terecht is gekomen. Lang geleden, toen de Tycoon Newspaper nog in oprichting was, ging ik veel om met een vriend die zichzelf de Moraelridder noemt (**). Deze vriend kennen we ook uit de eerste periode dat de Tycoon Newspaper pas digitaal was gegaan en waarvan sommige mensen hem vast nog wel zullen herkennen als commentator. In de tijd, lang dáár nog voor, dat ik hem leerde kennen deed ik nog aan badminton, waarbij ik geregeld een shuttle met hem heb overgeslagen. In deze memorabele periode heb ik hem, die ook wel naar de naam Patrick luistert, vaak bewonderd om zijn badmintonskills en trok daarom graag naar hem toe om de kunst te kunnen afkijken. Daarvoor betaalde ik echter wel een prijs, want hij zag het helemaal niet zitten om mij bij mijn eigen naam te noemen, maar noemde mij liever Bertus. De reden? Zijn broer heeft dezelfde voornaam als ikzelf. Dus dat wekte kennelijk een zekere verwarring bij hem op. Het zal in elk geval niet zijn geweest omdat hij niet met zijn broer geassocieerd wilde worden; de broers konden het immers goed vinden met elkaar. Maar om nou Bertus genoemd te worden, dat zag ik eerlijk gezegd zelf niet helemaal zitten. Dus dat heb ik bij hem aangegeven, waarop hij mij voortaan met Pauklos ging begroeten. Een naam die me veel beter beviel.
Dit ging zo een tijdje door en op een leuke manier. Ik stoorde mij niet echt aan die nieuwe naam. Het prikkelde mij zelfs om vanaf dat moment zelf eigen andere namen te gaan verzinnen. En dat gaf precies de juiste voedingsbodem om mijn ideeën voor de Tycoon Newspaper langzaam handen en voeten te geven. Gsorsnoi ontstond en ook kleurrijke figuren als Karel Riemelneel, Achmed Liën, Rina Oddel en Tinus Icket werden voor het eerst leven in geblazen, alsook de geurrijke figuur Kornelis Oflook. Maar Pauklos, als we het chronologisch even goed beschouwen, was er eigenlijk als eerste.
Toch, als het bij die andere aanspreeknaam was gebleven, dan had er nog altijd geen echt apart karakter Pauklos geboren geworden. Pauklos, zoals we het stamhoofd met z’n neusbotje vooral kennen, kreeg pas echt een beetje een eigen identiteit doordat andere vrienden van mij invulling aan hem gingen geven. Zodra ik door de Moraelridder met Pauklos werd aangeschreven, riep dat bij deze andere vrienden een bepaald beeld op. Kennelijk zagen zij dan een soort bosjesmens voor zich met de bekende neusversiering als extra uiterlijk kenmerk. Het duurde nog zeker tot mijn eigen verjaardag rondom de eeuwwisseling dat Pauklos ook echt een gezicht kreeg. Mijn vrienden Willem en Esther destijds lieten zich van hun meest creatieve kant zien, door een complete bloemlezing te schrijven met allemaal schertsende artikelen, gelijk aan hoe we de Tycoon Newspaper nu ook nog kennen, bedoeld als verjaardagscadeau. Een aantal exemplaren van die krant liggen nog steeds ergens opgeslagen in de Archieven van de Tycoon Newspaper (in de TN-wereld is dit op de bovenste verdieping van het redactiegebouw in de bibliotheek; bij mij thuis is dat gewoon op zolder tussen de folders ‘SVB’ en ‘Univé’). Pauklos werd daarin voor het eerst in opgenomen in een artikel met de titel ‘Stamhoofd Pauklos heeft een bezoek gepleegd aan ons land’. In 2016 zal ik deze wel een keer online zetten. Mijn ‘eerste’ alterego – die ik dus niet eens zelf verzonnen heb – liet zich voor het eerst in zijn berenvel echt aan ons zien en bracht dus, zoals de titel van het stuk al aangeeft, een kort bezoekje aan Nederland. In dit portret zal ik niet te veel over de inhoud van dat verhaal verklappen, aangezien ik het later toch nog zal plaatsen, maar dat er hier vooral wordt ingespeeld op het cultuurverschil tussen de in Ouagadougou verblijvende bosjesmens en de nuchtere Nederlandse vastgoedmagnaten W.Kwak en R.Raat dat komt er duidelijk uit naar voren.
Na deze prachtige publicatie is het snel stilgevallen voor wat betreft de avonturen van stamhoofd Pauklos. Alles wat er vanaf dat moment werd geschreven en in de Tycoon Newspaper terecht kwam concentreerde zich vooral rondom de andere TN-personages. Pauklos verdween naar de achtergrond en met hem Victor Anished, waarbij de laatste toch echt uit mijn eigen hoge hoed is voortgekomen. Hoe dat qua verwikkelingen precies in elkaar zit, daar zal onder andere bepaalde passages van de ‘Gekalibreerde gedrochten’ jullie meer over duidelijk maken. Ik zal jullie dan ook verklappen of er überhaupt een connectie bestaat tussen Victors miraculeuze verdwijning en de plotselinge afwezigheid van Pauklos. Maar dat die twee samen in ongeveer dezelfde periode het toneel hebben verlaten, dat mag wel opvallend worden genoemd.
Het was ook om die reden dat het me wel aardig leek om een keer een artikeltje op te vissen uit de Tycoon Newspaper Archieven dat ooit door Victor geschreven werd: Victor Anished (1): Krabbeltje over koning Pauklos Al vertelt hij daarin eigenlijk alleen maar dat stamhoofd Pauklos na zijn bezoek aan Nederland verder reist door Europa en later ook Noorwegen zal aandoen. Dat hier specifiek Noorwegen wordt genoemd, komt niet helemaal uit de lucht vallen; ik koester al langer een wens om dat land te bezoeken.
Daarna is er niets meer over deze twee kornuiten verschenen (behoudens een verwijzing naar het stamhoofd vanuit het anagrammenspel in de editie ‘Aardbei Prikt Tong‘).

( * = of het al niet erg genoeg is dat ik zelf vrachtladingen alterego’s heb. Misschien kan ik beter zeggen: zijn vorige persoonlijkheid)
( ** = beter bekend als Patrick Paulszoon Goodefroot van Berghesteyn Swaevelhooffen Koschter, moraelridder van Velschen tot Bloemendael, curator van de thermo-nucleaire, semi-biologisch getransmuteerde klonen van troetelbeertjes in diens lab in Capelle a/d IJssel)

Graaf Schaurig blies Pauklos nieuw leven in

Aangezien het vrijwel ondenkbaar is dat TN-personages gewoonweg uit het rijk der verbeelding verdwijnen, had ik eind 2014 ineens het idee opgevat om Pauklos weer eens onder het stof vandaan te trekken. Ik was immers hetzelfde van plan met Victor Anished. Maar voor Victor had ik al heel veel langer ideeën op de plank liggen en ben voor hem echt een grote ‘comeback’ (***) aan het voorbereiden. Je zult de twee boeken van de Gekalibreerde gedrochten in z’n geheel moeten uitlezen wil je alles over hem te weten komen. Voor Pauklos was dit plan veel minder concreet. Pauklos was wat dat betreft een beetje een speciaaltje. Natuurlijk dacht ik tijdens het verzinnen van de verschillende TN-verhaallijnen al wel eens vaker aan hem, maar ik had eigenlijk nooit een goed omlijnd beeld van hoe ik hem in mijn wereldje terug op het toneel zou krijgen. Natuurlijk kon ik altijd Tinus een keer op reis sturen en hem wilde avonturen laten beleven in Afrika, zodat hij stamhoofd Pauklos kon ontmoeten, maar dat ging me toch ergens wel wat erg ver. De kans dat dit onnodig veel nieuwe verhaallijnen zou opleveren die ver van de vertrouwde TN-wereld zouden komen te staan, was daarmee ook best reëel. Dus worstelde ik daar wat mee. Ik had zelfs al een paar keer voor mezelf besloten, begraaf die Pauklos nu gewoon maar, met dat karakter valt toch niet veel te doen.
Dat was totdat ik op een decembernacht ineens in mijn slaap werd overvallen door één van mijn vele inspiratiedromen. Daarin droomde ik dat ik mij in mijn eigen hersenkamer bevond, alwaar ik oog in oog stond met de door mijzelf gecreëerde graaf Schaurig. Dit was niet heel verwonderlijk, want voor het slapen gaan zat ik voor de voltooing van het Navelpad Mysterie nog te mijmeren over zijn ontstaansgeschiedenis, zodat hij zich via die gedachte in mijn droom heeft kunnen manifesteren. Het meest gehate karakter uit mijn TN-wereld was er middels een list in geslaagd om het redactiegebouw binnen te dringen en had daarbij wat hulp gekregen van een vrouwelijk personage die ik als actrice uit een zekere televisieserie ken (een week ervoor had ik haar eens gegoogled omdat ze in een nieuwe film zal spelen). Nu is het met dromen al niet erg ongewoon dat er verschillende realiteiten met elkaar vermengd raken en dat ze samen een gemixt beeld op het netvlies kunnen opleveren, maar deze bijzondere samenstelling van gedachten bracht mij na het ontwaken toch ineens op een lumineus idee: niet Ignatz en zijn vrouwelijk compagnon, maar stamhoofd Pauklos krijgt de uitzonderlijke kans om zijn schepper te ontmoeten.
Zo kwam het dus dat ik daarmee ook een spontane invulling kon geven aan het begrip ‘De Duimzuigerij‘. Ik heb mij de Duimzuigerij altijd al een beetje voorgesteld als mijn eigen hersenkamer, maar vooral ook als een soort groot geheim vertrek in het redactiegebouw van de Tycoon Newspaper waar je niet zomaar kunt binnentreden. Het is een ruimte zonder vaste elementen en waarin het volume en de indeling sterk kan variëren. Mijn inspiratie en eigen wensen bepalen hoe dit vertrek van moment tot moment zijn invulling krijgt. Ik zal later wel eens meer over deze speciale afdeling vertellen.
Voor de gelegenheid van de terugkeer van Pauklos bedacht ik dat het wel leuk zo zijn om hem in ‘mijn eigen kantoor’ te ontvangen. Zodoende creëerde ik een speciale entree voor dit vergeten figuur en plande ik een ontmoeting met hem in mijn bovenkamer. Alleen receptioniste Stefanie Gotch was geïnformeerd over deze afspraak, terwijl andere TN-personages juiste helemaal van niets mochten weten. Voor mijn bezoeker, die toen al naar zijn nieuwe naam George luisterde, was alleen al de komst naar mijn kantoor voor hem een spannende belevenis. Hij beschouwde het als een enorme eer en had er bovendien vrees voor dat Rina Oddel in het bijzonder zijn aanwezigheid zou opmerken. Want ondertussen had hij al begrepen dat Rina, na haar bezoek aan zijn ‘glazen bol’-praktijken (zie ‘Een Snooi 2015‘ ), ondertussen al begon aan te voelen dat er iets niet in de haak was. Gelukkig had ik er daarom voor gezorgd dat hij onze roddeltante onderweg niet zou tegenkomen en had ik ook voor de andere reporters iets bedacht waardoor George ongezien kon binnensluipen.
Het schiet z’n doel een beetje voorbij om het hele plot van het Duimzuigerij-artikel hier nu meteen in dit portret mee te nemen, maar er zijn toch een aantal elementen in die vertelling die ik even moet benoemen om meer over Pauklos/George (en verderop Benjamin) duidelijk te maken. Zoals de transformatie van stamhoofd Pauklos naar George Enverbrander. Gaandeweg in de vertelling komen steeds meer te weten over de ‘hebbelijkheden’ van George Enverbrander en we leren ook steeds meer over zijn uiterlijk. Het onvoorzichtig omspringen met de Wisseljaarbeker van de Quiz van de Maand is één voorbeeld van zijn gekunsteldheden. Een oplettend lezer die een beetje bekend is met de acteurs uit de filmwereld moet op dit punt al heel gauw de acteur Johnny Depp hebben herkend, de modelpersoon waar George en Pauklos dus op gebaseerd zijn. En net zoals je tijdens het selecteren van een aardig bioscoopflimpje al moeilijk om Johnny Depp heen kunt – of je hem nu leuk vindt of niet – geldt datzelfde een beetje voor onze George. Je merkt dit aan zijn typische manier van bewegen en reageren op bepaalde situaties, alsook zijn gespeelde ongemakkelijke gedrag. Pas veel later in het verhaal volgt de grote onthulling dat de bezoeker in wie we inmiddels George Enverbrander hebben herkend al die tijd ons stamhoofd Pauklos blijkt te zijn.
Nu is ‘De Duimzuigerij‘ al een verhaal op zich waar volgens BoB “[...]heel wat lijntjes uit het TN-universum bij elkaar komen[...]“, het is ook een vertelling dat bol staat van Snooise en niet-Snooise verwijzingen en symboliek (denk aan het beeldje van de pad waar de schepper z’n hand op legt). Op enig moment reageert George Enverbrander nederig dankbaar met de volgende uitspraak richting zijn geestelijk vader:
“Ik ben u ook dankbaar dat ik weer deel uitmaak van deze bijzondere fantasiewereld en dat ik niet vergeten ben.”
Je zou dit kunnen lezen als woorden die door Pauklos als onvoltooid karakter worden uitgesproken en daarmee te kennen geeft dat hij blij is dat hij als hele oude schets toch niet naar de prullenbak is verwezen, maar een nieuwe kans krijgt na een metamorfose weer in het TN-universum te worden opgenomen. De Grote Naamloze wist direct waar George Enverbrander op doelde. Het zegt heel veel over de totstandkoming van dit personage en het ‘tweede hands karakter’ dat hij door zijn transformatie geworden is.
Als toegift – toch maar even een spoiler – ontdekken we tegen het einde van ‘De Duimzuigerij‘ dat we nog ineens met nóg een plottwist te maken hebben; degene naar wie we steeds als ’schepper’ en ‘geestelijk vader’ hebben verwezen, blijkt ineens de duistere graaf Schaurig te zijn! Want, om deze überslechterik toch wat credits te geven voor het aandragen van inspiratie, besloot ik op het allerlaatste moment dat het mij wel aardig leek om de vertelling toch nog een beetje te laten lijken op de droom die ik had gehad. En omdat hij toen ook een vrouwelijke metgezel met zich meebracht, had ik meteen iemand gevonden waar ik de naam Charlene Latan aan kon toekennen (dit besloot ik pas tijdens het schrijven nádat ik George vorige identiteit als stamhoofd Pauklos al had onthuld!). Een beter passende naam had ik haast niet kunnen verzinnen voor deze wulpse slang (****).
Spijt heb ik niet gehad van deze plottwist, want tijdens het schrijven naar Pauklos’ onthulling was ikzelf gewoon de schepper. Pas toen George de scenario’s van de Tycoon Newspaper-verhalen mocht inkijken kwam de ingeving dat het wel leuk zou zijn als de schepper door graaf Schaurig gespeeld zou worden. Deze verandering van gedachte kun je nog heel duidelijk terugvinden doordat ik de schepper ineens wat geïrriteerd laat reageren op George’ vraag over het Navelpad Mysterie of er nog plannen zijn om dat werk te voltooien. De ’schepper’ reageert daarop kortaf dat dat nog te bezien valt en gebied George om door te lopen naar de andere tafel. Uiteraard reageerde de schepper zo, omdat het Navelpad Mysterie een verhaal is dat graaf Schaurig graag wil vergeten.
Interessant: eigenlijk verklap ik hiermee dat de afloop van het Navelpad Mysterie kennelijk niet in het voordeel zal uitvallen voor de graaf. Weten we dat ook alvast.

( *** = het is maar hoe je een nieuwe blik in het verleden interpreteert)
( **** = evenals het later toegevoegde nieuwe personage Ed Cetera zal ook Charlene Latan later een eigen portret krijgen en zal ik onthullen wie hun modelpersonen zijn. Ik speel met de gedachte dat Charlene nog een klein rolletje zal vervullen in de Gekalibreerde gedrochten, met een verhaal over weerwolven. En mochten we George nog gaan terugzien, dan ligt het voor de hand dat zij zijn tegenspeelster gaat worden.)

De paarse bonen-saga

George Enverbrander is dus, zoals je hierboven hebt kunnen lezen, nogal een karakter met een lange ontstaansgeschiedenis. Desondanks zou ik George toch willen omschrijven als een figuur dat ‘er gewoon ineens was’. Want zo heb ik die droom met graaf Schaurig en Charlene Latan en hem als voortvloeisel ervan vooral ervaren. En daarbij is zijn naam ook pas verzonnen toen deze nachtvoorstelling zich aan mij opdrong. Veel personages zijn (zeer) geleidelijk ontstaan, maar George stond gewoon van het ene op het andere moment in het midden van mijn denkraam.
Het is een beeld dat erg goed bij zijn eigenaardigheden past. George heeft namelijk iets wat we bij de andere TN-personages nog niet echt zijn tegengekomen. Hij is rebels en speelt ongewild de onruststoker, iets wat heel duidelijk terugkomt in ‘De paarse bonen-saga’, een serie van verhalende artikelen dat met zijn komst heel het Rijk van WSNOI z’n greep hield. Koffiebonen waren van de ene op de andere nacht in het gehele land ineens spontaan verdwenen en Lesley Spandabato werd samen met een aantal andere figuren ingeschakeld om een klopjacht te houden op de zogenaamde koffiedief, die, zo bleek veel later, George Enverbrander bleek te zijn. Nog nooit heeft een TN-personage zó enorm huisgehouden in het dagelijkse leven van het Rijk van WSNOI. Hiermee is het ontregelen van de ons zo vertrouwde vaste gewoonte en opvallende eigenschap van hem. En wist je trouwens dat hij met dit portret ook de plek heeft ingepikt van Loek de Hond? Want die zou ik nu eigenlijk hebben geschreven.
Het bevestigt alleen nog maar meer hetgeen wat ik jullie nu wil gaan vertellen. Om nog even terug te grijpen naar ‘De Duimzuigerij‘, daarin heb ik de rol van graaf Schaurig vooral als een soort metafoor willen gebruiken om de suggestie te wekken dat kwade gedachten bezit van mij namen, zodat George zijn geruchten kon verspreiden en het land in onzekerheid liet verkeren. Mensen werden ziek, de ziekte de bazelen brak uit, er vielen doden en daarmee stond het dagelijkse Snooise leven ineens volledig op z’n kop. Op WSNOI kreeg je vanaf 1 april van dit jaar ineens te maken met een onvoorspelbare nieuwe boon en liep je na het begraven ervan de kans gebeten te worden door een paarse bonen-kever. We hebben het natuurlijk over de paarse springboon, de eigenwijze variant op de toch al moeilijk onder bedwang te houden rode springboon. Het zijn allemaal ideeën die zich zomaar vanuit het niets aan mij op hebben gedrongen en daarmee opnieuw perfect passen bij het zonderlinge figuur dat George Enverbrander is, een man die kennelijk helemaal van ‘Gsor los is’.
En zijn macht reikt enorm ver, want dit fictieve karakter heeft het zelfs gepresenteerd om een werkelijk bestaand persoon bijna te kelen. Ik heb het natuurlijk over Romeo Mazzei, die het in de gedaante van zijn alter ego Retroman met hem aan te stok krijgt zodra hij nietsvermoedend een bezoekje brengt aan de kapper.
Toch hangt er iets mysterieus zachtaardigs om George heen, waardoor ik hem niet zomaar meteen in het hokje ‘goeierik’ of ’slechterik’ heb willen plaatsen. George acteert namelijk – vooral in zijn eigen beleving – volgens de genade van zijn schepper. En hij danst daarmee ook naar diezelfde pijpen. Want, zoals ook in de ‘De Duimzuigerij‘ valt na te lezen, is George feitelijk een marionet van een groot en machtig man voor wie hij veel respect heeft. Dat hij naar de wereld de indruk wekt dat hij zelf de touwtjes van alles en iedereen in handen heeft, is dus ook slechts gespeeld. Hij heeft dus pit en is in het publieke optreden amicaal en brutaal, maar naar zijn opdrachtgever (waarvan hij denkt dat dit zijn geestelijk vader is) is hij uiterst onderdanig. Niet zoals de hielenlikker Jochem A. Knikker (de lakei van de BoBfather), maar niettemin erg volgzaam. Hierdoor voorzie ik in George een personage waar we ongetwijfeld nog wel eens van zullen horen, zelfs nu hij in zijn woonwagen de stad is uitgevlucht (zie ‘Retroman gaat naar de kapper‘). En dan heb je kans dat hij evenals zij kompaan Joost Stunner weer als huurling zal optreden en het hem niet zal uitmaken of zijn rol voor de goede zaak zal worden ingezet of opnieuw voor het kwade.

Modelpersoon was zelfs de Dalai Lama van Uitgeest (en Kernfusiekapper)

Dan keren we nog even terug naar Johnny Depp, het modelpersonage waar ditmaal niet alleen het uiterlijk maar ook veel van George’ gedragingen op gebaseerd zijn. Je hebt het haast niet kunnen missen: waar ik normaal nogal wat mysterieus blijf over wie het modelpersonage van mijn alter ego’s toch zouden kunnen zijn, lag dat er bij George Enverbrander dit keer wel erg dik bovenop. Met name in het Duimzuigerij-artikel, maar zeker ook in enkele artikelen uit in de rest van ‘De paarse bonen-saga’ kun je keer op keer Johnny Depp ontdekken in die eigenaardige trekjes van dit nieuwe kleurrijke figuur.
Wist je trouwens dat we George Enverbrander zelfs al vóór zijn glazen bollen-actie en ‘De paarse bonen-saga’ ook al eens hebben gezien? Wel, sla er dan deze vacature maar eens op na: ‘Dalai Lama van Uitgeest‘.
Degene die daar met z’n giecheltje op de foto boven het artikel hangt, lijkt toch wel verdacht veel op Johnny Depp, nietwaar? En dat is hem natuurlijk ook. Kennelijk heeft de toen nog Pauklos geheten magiër zijn knappe koppie al eens geleend voor de schrijfsels van onze rechercheur Karel. En dan moet je echt Karel Riemelneel heten om dan niet eens het stamhoofd te herkennen in die prehistorische gelaatsbeschilderingen waar Pauklos zich mee dacht onherkenbaar te maken.
De keuze om Johnny Depp het modelpersoon voor George te laten zijn gebeurde net zo automatisch als dat het feitelijk ook gewoon erg voor de hand lag. Johnny Depp is namelijk een erg veelzijdig acteur, zodat zijn kameleon-achtige eigenschappen eenvoudig op George’ gevarieerde carrière toe te passen waren. De gekunstelde manier van bewegen, zijn verfijnde manier van op situaties inspelen, zijn sublieme wijze van onschendbaar lijken, alsook de theatrale uitspattingen. Het past allemaal perfect bij hoe ik George meteen voor ogen had. En zeg nu zelf, wie zou nou er beter een rol kunnen bekleden van een magiër, een helderziende, een kwakzalver of een kapper? Johnny Depp speelde al deze rollen zelf al eens in enkele van zijn talloze films. Ook de Gekke Hoedenmaker, waarin ik in ‘De Duimzuigerij‘ naar verwijs door ‘die hoed toch maar weg te laten’, bevestigde het vermoeden keer op keer dat George Enverbrander Johnny Depp wel móest zijn.
Oorspronkelijk en hoofdzakelijk bedoeld als een extraatje, voegde ik daar op het laatste nog een verstevigende factor aan toe. Want in het slotartikel van ‘De paarse bonen-saga‘, ‘Retroman gaat naar de kapper‘, werk ik toe naar een ultieme cliffhanger, maar laat jullie daarmee ook kennis maken van een achtergrond van nog vóór George Pauklos was. Ben ik nog te volgen? Net zoals met enkele verhaallijnen in het TN-universum verzin ik het uiteindelijke plot soms nog terwijl ik aan de helft ervan aan het schrijven ben. Datzelfde gold ook voor ‘De paarse bonen-saga’, zodat ik pas halverwege die saga besloot een bezoek aan de kapper voor Retroman in te plannen. En aangezien Johnny Depp toch al zo prominent in mijn hoofd aanwezig was, besloot ik dat het Sweeny Todd-verhaal zich eigenlijk wel erg goed leende voor het voltooien van her personage George Enverbrander.
Zo leren we uiteindelijk dat George oorspronkelijk eigenlijk Benjamin Arbier heette en de overstap naar stamhoofd Pauklos niet zijn eerste transformatie was…

Overige wetenswaardigheden over George Enverbrander

  • George kent de inhoud van de boekwerken uit de Tycoon Newspaper en heeft daardoor de meeste kennis over het wel en wee van het TN-universum. Hiermee fungeert hij in zijn rol als helderziende als een soort alwetende verteller. Wat er in het Tycoon Newspaper-jaar 2015 stond te gebeuren wist hij om die reden aardig goed te voorspellen.
  • George komt in ‘De Duimzuigerij‘ te weten dat al de herinneringen die hij en zijn collega’s hebben door de Grote Naamloze aan de TN-verslaggevers zijn toebedeeld. Herinneringen die niet voor verhaallijnen interessant zijn bezitten zij niet. Hiermee beseft George dat hij en de andere TN-personages fictieve karakters zijn.
  • George is er vooralsnog niet van overtuigd dat hij magische krachten zou bezitten en/of hoe hij deze eventuele krachten moet aanspreken. Daardoor gelooft hij niet in zichzelf als volwaardig magiër en vult deze rol daarom zolang in alsof hij een soort Wizard of Oz is (neptovenaar red.). Dit laat de ruimte open om hem in toekomstige verhaallijnen te laten ontdekken of hij inderdaad over bijzondere magische krachten zou bezitten, hoe hij daar aan is gekomen en wat hij ermee kan. Toch lijkt het er in ‘De Duimzuigerij‘ op dat hij onbewust reeds magische krachten toepast. Dit uit zich doordat hij bij het inkijken van de onvoltooide werken in een oogwenk veel informatie tot zich weet te nemen. Of zou hij dit zo bovenmenselijk snel kunnen doordat hij toch al in een ruimte aanwezig was waar toch al zoveel magie vanuit gaat?
  • “Fantasiewerelden bestaan bij de gratie dat we ze kunnen verzinnen”, was een zin die in de aantekeningen van de Grote Naamloze stond die George Enverbrander ook had moeten meekrijgen. Maar aangezien graaf Schaurig de positie had ingenomen van de Grote Naamloze, heeft de graaf verzuimd George Enverbrander daar wat mee te laten doen. Voor de oplettende lezer: dit is de openingszin van de Gekalibreerde gedrochten(*****)…
  • Het is stamhoofd Pauklos die zich ritueel vermaakt met het tromgeroffel op de navels van zijn dorpsleden om de verveling te verdrijven. Zie ‘Aardbei Prikt Tong‘.
  • Reageert nonchalant en afwezig (doet net of ie gek is) op betoog van Retroman zodra Retroman onthult hoe George Enverbander Gohes City maandenlang in z’n greep hield
  • Is dus kennelijk helemaal niet uit Gohes City ontsnapt, maar meteen teruggekeerd als de demonische kapper Benjamin Arbier.
  • Drinkt zijn koffie zwart. Zie ‘Retroman gaat naar de kapper
  • Retroman herkende in Benjamin Arbier een Jatmos, omdat Jatmozen gitzwart haar hebben en een bleke huid. Benjamin stribbelt echter tegen en ontkend zijn afkomst, uit vrees herkend te zullen worden. Hij verklaart dat zijn uiterlijk vanuit zijn familie komt en zelfs zo bruin was dat hij in Afrika heeft gevraagd aan een medicijnman om zijn hun te bleken. Alleen is die medicijnman daar zo ver in doorgeschoten dat hij nu zo overdreven bleek ziet. Dat bleken van de medicijnman is natuurlijk een verwijzing naar mijn idool Michael Jackson die aan Vertiligo leed (huidziekte) en met de medicijnman bedoelde Benjamin Arbier zichzelf toen hij destijds zijn nieuwe identiteit van stamhoofd Pauklos had aangenomen. Iemand heeft mij ooit eens geleerd dat als je toch moet liegen, dat je dan altijd moet zorgen dat je dichtbij de waarheid blijft. Wel, dat kan George Enverbrander als geen ander.
  • George is geen fan van de Tycoon Newspaper, in ‘Retroman gaat naar de kapper‘  noemt hij de TN een ‘onnozel onzinnige feitenkrantje’.
  • Doordat George Enverbrander als Benjamin Arbier geboren is in Jatmos, maakt dit hem een uitgelezen tegenspeler van Warwinkelaar Kerbert Rent, aangezien inwoners van Warwinkel geen beste relatie hebben met het naburige Jatmos.
  • Afijn, George Enverbrander is dus naast magiër, helderziende en kwakzalver ook stamhoofd Pauklos en kapper Benjamin Arbier. Mis ik dan nog iemand?
    Nee?
    …Niemand?
    ;-)

( ***** = daarin is ‘fantasiewerelden’ alleen vervangen in ‘dimensies’.)

TN-artikelen waar George Enverbrander in voorkomt (of aan gerelateerd is):

Een Snooi 2015
De Duimzuigerij
Lesley lost ‘t op (2): De koffiediefstal
Uitbraak bazelen (Morbus Aprilis)
Bazelenepidemie zet door
Het Enverbrander Wondermiddel
Tip uit Het Theehuis
Retroman gaat naar de kapper
Tezamen vormen deze artikelen ‘de Paarse bonen saga’.

De volgende keer gaan we weer verder met de VZD-portretten. Dan behandelen we eindelijk het portret van: Loek de Hond

Verstuurd vanaf mijn i-Navelpad

“[...]Ik ben geneigd te geloven dat er in de kastelen van de koninkrijken en in de burchten van gruwelijke graven en boze heksen ook bibliotheken zijn aangelegd, waarin misschien reproducties uit wereldberoemde sprookjes zijn opgeslagen, met artefacten uit de tijd dat onze kinderzieltjes nog niet verdorven waren met onooglijke tekenfilms en hun monden nog niet waren bevuild met de harde taal die tegenwoordig wordt uitgebraakt.

Soms kan men extreme, excentrieke sprookjesverschijnselen zien als iets wat niet zozeer als abnormaal als wel ongebruikelijk en soms zelfs magisch te noemen is. Dat de familie Wonderbaar een ondergronds domein had aangelegd met tal van deze relieken, mocht dan wat overdreven lijken, maar het kon ook beschouwd worden als een verstandige voorzorgsmaatregel op het veilig stellen van ons cultureel erfgoed.[...]”

Dit is een Tycoon Newspaper-spel waarin het de bedoeling is dat je binnen 2 weken na het verschijnen van bovenstaande afbeelding en beschrijving een titel (knappe kop) verzint dat er goed bij past. Meerdere inzendingen zijn toegestaan. De uitgebreide spelregels zijn hier terug te vinden.

De pot staat op: 544 sterren, gewonnen door Sandra.
(voor de gelegenheid een hogere startpot dan normaal, omdat dit voorlopig de laatste editie is van dit spel)

Jury: Een jongeman die sinds kort liever bekend staat onder de naam Kylo Ren

Voor deze opgave kun je dus insturen tot en met Tweede Kerstdag 2015. Enige tijd daarna zal de samenstelling van de jury en de uitslag bekend worden gemaakt.

By achmedlien | December 2, 2015 - 3:42 pm - Posted in Duimzuigerij, Navelpad Mysterie, Nederlands, Reuze Navelpad

Retroman wist werkelijk niet wat hij hoorde.
“Niet te geloven…” sprak hij zacht en zorgvuldig, toen het tot hem doordrong wat dit inzicht betekende en staarde even glazig voor zich uit. “200 jaar oud. Wie had dat gedacht?” Hij had een moment nodig om zichzelf te herpakken. “Je bent dus een heuse Methusalem geworden?”
Kornelis knikte.
“Huh, wat?” vroeg de Reuze Navelpad schaapachtig, die de verandering in energie tussen de twee opmerkte. Het drong alleen nog niet direct tot hem door welke constatering hier kennelijk werd gedaan. De pad keek met een raadselachtige blik van Retroman naar Kornelis en hoopte dat iemand hem spoedig van enige uitleg zou bedienen.
“Kornelis Oflook, de collega met wie ik vanaf het begin van mijn carrière bij de Tycoon Newspaper mee heb samengewerkt, blijkt onsterfelijk te zijn Pad,” verklaarde Retroman naar hem. “Hij is een ouwe sok. Een ouwe sok van inmiddels al bijna twee eeuwen oud. Ik bedoel, natuurlijk hing er altijd wel iets mysterieus om hem heen…”
Kornelis schraapte z’n keel en onderbrak hem:
“Je mag dat nu ook wel gewoon mijn onwelriekende odeur noemen hoor, Retroman,” en knipoogde vriendelijk naar hem.
Deze toevoeging bezorgde Retroman spontaan een glimlach op zijn gezicht. De Reuze Navelpad deed ook of hij het amusant vond.
“Snap je het nu? Onze grote vriend Kornelis hier zal altijd alleen maar ouder worden. Net zoals zombies, maar dan de levende variant… of euh… is dat een misschien wat ongelukkig gekozen vergelijking?” Retroman grinnikte moeilijk. “Ouderdom heeft in elk geval geen vat op hem. Het is die rekel, toen meer dan anderhalve eeuw geleden, gelukt om een drank voor onsterfelijkheid te brouwen.”
“Wel, in wezen was het natuurlijk Ignatz die het levenselixer in eerste instantie had gefabriceerd, maar uiteindelijk heb ik na de Zeppelinramp de ontbrekende ingrediënten gevonden om het drankje betrouwbaar en stabiel te maken,” viel Kornelis hem bij.
Terwijl de heren spraken nam Retroman Kornelis nog eens goed in zich op, alsof hij zijn collega en vriend nu voor het eerst zag en verwonderde hij zich nog eens over de feiten die hij nu te weten was gekomen.
“Wist Ignatz dat trouwens, dat jij het elixer hebt weten te voltooien?” vroeg Retroman.
Kornelis trok een wenkbrauw op en zuchtte.
“Dat antwoord ken je reeds. Hoe anders kan Ignatz in deze tijd nog steeds in leven zijn?”
“Ach, ja, natuurlijk.”
Retroman was inmiddels gaan staan en liep wat onrustig heen en weer. Hij mijmerde en blies terwijl hij dat deed wat warme adem in zijn vuisten omdat het niet erg behaaglijk was in de loods.
“Nu begrijp ik ook,” sprak hij na een kort moment, “waarom de geniën die jouw school hebben verlaten, de Paddocalypse hebben overleefd. De Alchemisten, de Rekenkundig Architecten, Advocaten van de Wetten der Natuurkunde en de Continuïteitsbewakers, waar je eerder over repte en die in Gohes City zijn gaan wonen, leefden natuurlijk in een andere tijd dan deze ramp zich hier voltrok. Gompie zeg! Wat moet jij ondertussen allemaal hebben meegemaakt, Kornelis?”
Kornelis trok bij deze retorische vraag z’n lip op, ten teken dat hij met die conclusie instemde. Ook de Reuze Navelpad, die ondertussen wel begreep hoe alles in elkaar stak, keek er verdrietig en weemoedig bij.
Veel kans om bij de pakken neer te gaan zitten kreeg het drietal echter niet. Want opeens werden alle ogen naar de loodsdeur en de ramen getrokken. De illusie van het veilige heenkomen werd verstoord toen de deur ineens akelig begon te rammelen en achter de ramen diverse bewegingen zichtbaar werden. In het venster waar Kornelis eerder een smoezelig gordijntje opzij had geschoven, werd door een smerig uitziende arm het glas bruusk verbrijzeld en graaide een klauw gretig naar binnen. Een tweede en een derde verschenen rap daarna. Klagelijke geluiden waren nu ook van buiten overal hoorbaar en daar waar er aan de gevel werd gerukt en getrokken, accentueerde de lichtval door de kieren de bedenkelijke staat van het bouwwerk. Verschrikt veerden Kornelis Oflook en de Reuze Navelpad nu ook op en deinsden ze met Retroman een stuk naar achteren.
“Het zijn de zombies!” riep de Reuze Navelpad uiterst paniekerig, “ze hebben het complex bereikt.”
“Ja, beste kerel. Dit is waar ik al een beetje voor vreesde,” gaf Kornelis treurig toe.
Verrast door de manier waarop zijn niet zo erg fijn geurende collega dit zei keek Retroman hem geïrriteerd aan.
“Wat? Ga je nu zeggen dat jij al wist dat ze met zovelen deze kant op zouden komen?”
Kornelis schrok natuurlijk van Retroman’s plotselinge aan hem gerichte verwijt, maar pareerde deze direct met een wild handgebaar en liet weinig ruimte om hier nu met elkaar over te gaan staan kibbelen. In plaats daarvan stapte hij zelf eerst op het gevaar af en tuurde hij op gepaste afstand tussen de armen van de zombies door naar buiten. Tussen nog een hele hoop meer van deze ondode creaturen ontwaarde hij ook hele volksstammen aan navelpadden en wist genoeg. Op schelle toon riep naar achteren om:
“Hier is nu geen tijd meer voor, Retroman. Het is waar dat ik wist dat de zombies en navelpadden massaal naar hier zouden komen. Dat was zelfs onvermijdelijk, maar we hebben nu andere zaken aan onze hoofden. Hier moet je mij nu echt even vertrouwen.”
“Vertrouwen?!” gaf Retroman ditmaal onthutst terug. Indringend keek hij Kornelis niet begrijpend aan en voelde zich voor een moment verraden. “Eerst voer je ons mee naar hier, naar dit schrale overblijfsel van wat volgens jou ooit een universiteit moet zijn geweest, en vervolgens wacht je terwijl je een verhaal vertelt over je verleden gewoon rustig af tot de vijand ons hier gevonden heeft? Ik geloof m’n oren niet. Sta je wel aan onze kant, Kor-..”
“Hou je mond, Retroman,” kapte Kornelis zijn nerveus geworden vriend kwaad af. “Wat denk je wel niet? Natuurlijk sta ik aan jullie kant. Ik heb jullie alleen juist bijgepraat zodat je beter bent voorbereid op wat komen gaat en dat we hier nog steeds de beste kansen hebben. Ik verwacht namelijk dat…”
Op dat moment was het Kornelis die abrupt de mond werd gesnoerd. Terwijl Retroman nog perplex stond van de felle toon die hij zojuist van Kornelis terug kreeg, schudde het toneel wild op z’n grondvesten. Een deel van het bovenstuk van de pui klapte opeens met veel geweld uit de voormuur naar binnen en brak op de vloer in stukken uiteen. Kornelis werd daardoor gedwongen zijn rede te onderbreken toen hij door de verplaatsing van het puin naar achteren werd geworpen. Uit het plafond werd ook een stalen balk losgewrikt. Deze maakte terstond met een noodvaart een halve draai door de ruimte en zwenkte vervaarlijk in de richting van de Reuze Navelpad. Hij kon de balk onmogelijk nog tijdig ontwijken, zodat hij zich enkel nog kon schrap zetten voor de impact. Gelukkig bleef hem de onzachte aanvaring met dit blok metaal ternauwernood bespaard; de balk bleef namelijk met hooguit een meter voor het hoofd van de Navelpad schijnbaar in het luchtledige te hangen en zwenkte daar uiteindelijk wat doelloos heen en weer toen het eenmaal vaart had geminderd. De pad had kennelijk groot geluk gehad; het andere uiteinde van de balk zat nog voldoende in een muur vastgeklonken, zodat het niet verder kon doorzwenken dan dat het zelf lang was.
Uit reflex had de Reuze Navelpad wel zijn armen al kruislings beschermend voor zich opgestoken. Naast hem stond Retroman tegen een gietijzeren stellage dat deel uitmaakte van de eerder door Kornelis beschreven gestapelde onderzoeksruimtes. Zijn aandacht werd meteen getrokken door het grote gapende gat dat er boven in de pui was en ontstaan, maar nog meer door de schaduw die hij daarachter voorbij had zien trekken.
“Het moment is daar” sprak Kornelis met een basstem duidelijk hardop, om zichzelf boven het gekrakeel van de navelpadden en zombies nog verstaanbaar te maken.
“Allemamachies,” reageerde Retroman vrijwel meteen daarna, toen hij ineens twee grote katachtige ogen door de ontstane opening zag kijken. Twee enorme harige armen gristen enkele zombies en navelpadden met tientallen tegelijk voor het pand weg, zodat het gigantische monster meer ruimte kreeg om naar binnen te gluren.
“Z-zijn we nu echt verloren?” vroeg de Reuze Navelpad, die nu toch echt beefde van angst.
“Nog niet,” antwoordde Kornelis. Vastberaden keek hij zijn twee vrienden nu strak aan. Vervolgens overwoog hij voor een kort ogenblik de opties die deze situatie bood en stelde: “Alleen jullie maken nog een kans om dit avontuur te overleven.”
“Hoezo ‘jullie’?” wilde Retroman meteen weten. De toon waarop Kornelis had gesproken, beviel hem namelijk allerminst.
“Hij is hier,” sprak Kornelis weer tegen hem.
“Wie, Ignatz?”
“Ja. En hij heeft dat beest van hem meegebracht.”
“Hoe? Wat voor beest is dit? Zijn een stad vol zombies en navelstarende amfibiën niet al meer dan genoeg?”
De blikken waren naar buiten gericht. Retroman keek op door het gapende gat naar buiten, maar doordat het donker was geworden kon hij het grote gedrocht, dat was komen kennismaken, nog niet duidelijk zien. Kornelis keek niet naar buiten. Hij stond de kansen in te schatten dat ze dit nog zouden overleven.
“Het spijt me mannen. Hier scheiden onze wegen…” besloot het terstond.
“Wat?” riep Retroman uit. “Je gaat ons toch niet verlaten?”
“Toch wel, vrienden. Dit is een vies vuil varken dat ik alleen moet wassen. Het was me een waar genoegen…”
En zonder verder nog tegenspraak te dulden greep Kornelis de beide heren eenvoudigweg beet en wierp hij ze naar opzij waar een oude lift erg geduldig met de deuren geopend op passagiers stond te wachten. Het was de lift die studenten in vervlogen tijden in staat stelden om hun slaapvertrekken te bereiken die op de zolders waren ondergebracht en op de begane grond was achtergelaten. Retroman en de Reuze Navelpad buitelden over elkaar heen en nog voor ze door hadden wat er gebeurde, had Kornelis de liftknoppen al bediend en de traliedeuren gesloten.
“Kornelis, nee! Wat doe je nu?”
“Vaarwel vrienden. Ik wil dat jullie het elixer vinden. Daar is het me met mijn verhaal al die tijd om te doen geweest. Alleen dat kan ons nu nog redden. Je vindt het op de Rode Zolder, waar Ignatz en ik ooit in studententijd onze kamers hadden. Het moet niet moeilijk zijn mijn kamer te vinden. En wanneer je dat lukt, zul je vanzelf merken dat het elixer je ‘roept’. Het is goudgeel van kleur en…”
Opnieuw werd de inmiddels ratelende Kornelis de mond gesnoerd. Een groter deel van de pui werd nu door het beest met veel geweld aan stukken gerukt. Vergezeld van een hoop kabaal en puin graaide een enorme klauw door het vertrek. Een stofwolk vulde vervolgens het vertrek en zorgde ervoor dat de heren tijdelijk even niets konden zien. Zodra de stofwolken echter weer was optrokken, moest Kornelis al meteen in actie komen, aangezien hele hordes navelpadden en zombies terrein hadden gewonnen en de entree hadden ingenomen.
“Alleen wanneer we alle drie onsterfelijk zijn, dan zijn we wellicht opgewassen tegen deze overmacht.”
Dit waren de laatste woorden die Kornelis nog aan zijn vrienden richten kon. Retroman en de Reuze Navelpad waren ondertussen zonder er zelf enige invloed op te hebben al onderweg naar boven, zodat Kornelis er nu alleen voor stond. Maar zo wilde hij het ook.
Retroman en de pad schreeuwden hem nog wel na dat hij dit niet had mogen doen, maar aan die woorden had Kornelis allang geen boodschap meer. Al wat hij kon doen was zichzelf te verweren omdat de navelpadden en zombies al direct driftig bezig waren zijn aandacht op te eisen. Hij deelde de ene na de andere rake klap uit en veegde met zijn kolenschoppen van armen eenvoudig de eerste belagers opzij. Niet alleen was Kornelis onsterfelijk, met zijn 2,36 meter lengte en forse bouw kon hij behoorlijk wat hebben en had daarbij ook een hoge pijngrens. Toen hij door een één of andere onbenullige zombie in zijn biceps werd gebeten, merkte hij dat natuurlijk wel, maar het was slechter voor wat er van het gebit van de zombie was overgebleven dan dat hij er zelf echt last van had. Alsof het een vervelende mug betrof, sloeg hij de zombie van zijn arm en gaf hem daarna nog een dreun na. Een volgende bleek wat taaier, zodat hij diens hoofd vastgreep en eerst moest vergruizelen tegen dat van een ander wilden ze beide hun aanval tegen Kornelis staken.
Zo baande Kornelis zich een weg tussen alle gedrochten die hem als hongerige hyena’s aanvielen, maar kreeg toch al gauw door dat de massa van monsters hem op deze oppervlakte gauw te veel werd. Het was dringen geblazen aan de voorkant van de binnenplaats, zodat Kornelis andere trucen moest verzinnen opdat hij niet onder deze griezels zou worden bedolven. Het gedrang greep ook hem, letterlijk, naar de keel. Daarom nam Kornelis op enig moment een diepe teug lucht en keerde even kort helemaal tot zichzelf toen hij zich aan het opladen was. Hij rechte zijn rug en balde zijn vuisten, terwijl hij met gesloten ogen alles liet opborrelen wat hij nog in z’n maag had zitten. Met z’n drieën tegelijk hingen de gedrochten nog aan zijn vuisten toen Kornelis ten slotte zijn ogen opende en zo’n geweldige hoeveelheid maagzuur produceerde dat het geluid waarmee de boer gepaard ging weinig onderdeed voor het volume van een misthoorn. De gassen uit het diepste van zijn buik golfden krachtig over zijn tong en lieten ieder levend wezen dat binnen vijf meter voor hem stond op slag bezwijken. Dit gold natuurlijk alleen voor de navelpadden, aangezien de zombies al ondood waren. Maar ook zij konden niet lang weerstand bieden tegen de alles verpulverende zure boerlucht die Kornelis zojuist had voortgebracht. Bijtende dampen vraten zich door de toch al weke delen van hun huid en zorgden ervoor dat het rotte vlees van hun botten droop alsof het kip betrof dat erg lang had doorgegaard. Een enkele ‘verstandige’ zombie die zich in een hoek had schuilgehouden had kennelijk toch niet de volle laag gehad, maar viel spontaan uit elkaar toen hij een stap dichterbij deed en de wolk van maagsappen binnenliep.
Tevreden keek Kornelis vervolgens rond, boerde wat laatste gassen uit en krabde aan zijn achterste.
“Zo, nu kan ik ook even ademen,” besloot hij toen en glimlachte.
Maar met de rust was het gauw bekeken. Want voor hij er erg in had, werd er links van hem alweer aan de restanten van de pui gemorreld. Met een laatste graai trok een enorme poot het laatste metselwerk uit de voorzijde. Ruige haren kwamen daarbij los en dwarrelden in het vertrek. Deze haal zorgde er meteen voor dat de ruïne van deze kant van de universiteit gammeler in z’n constructie kwam te staan.
Buiten het zicht van wat er beneden afspeelde, werd het verval ook door de Reuze Navelpad en Retroman bemerkt. Zij hadden de hogere etage bereikt, waar de lift tijdens het openen van de deuren gelijkvloers had moeten komen met een open overloop die schuin boven de L-vormige ruimte lag. Retroman en de pad stapten juist uit de lift toen de liftvloer kort daarop achter hen door het geweld naar beneden stortte. Tijd om hierbij stil te staan hadden ze niet. Ze moesten zich nu haasten om de overkant van de overloop te bereiken, voordat er andere obstakels waren die hen dit zouden beletten. Nu was de overloop wel degelijk genoeg om tegen nog een stootje te kunnen, maar de maagdampen van Kornelis stegen nu langzaam op naar de hoogte waar zij zich begaven. Beide heren hadden feitelijk geen benul van het gevaar dat daarmee dreigde, maar ze voelde zich evengoed al wel aangespoord om vlot door te lopen doordat er nu ook glas- en ijzerwerk uit het plafond begon los te komen.
Op de begane grond zette het gevecht zich ondertussen voort, nu de maagdampen optrokken en de ruimte zich langzaam met ‘verse’ hongerige zombies en navelpadden begon te vullen. Kornelis zag het alleen niet zitten om nu weer dezelfde truc te gaan uithalen zoals hij zojuist had gedaan, al was dat alleen maar omdat zoveel gassen opboeren toch best een hoop energie van hem vergde. Dan kon deze strijd wel eens ineens gauw beslecht worden, in het voordeel van graaf Schaurig. Daarom besloot hij nieuwe tactieken te overwegen voor zijn volgende slag. Maar voordat hij nu weer grote gaten kon slaan, verplaatste hij zich eerst naar buiten en ruimde hij gaandeweg met z’n blote handen wat vijanden op. Dat duurde even voordat hij buiten geraakte, maar eenmaal buiten het bereik van zijn eigen onpasselijke luchten binnen in het pand, stond hem in de frisse buitenlucht een grote verrassing te wachten. Kornelis was oog in oog komen te staan met zijn ultieme vijand. Dat op zich was natuurlijk niets nieuws, want Ignatz Schaurig had hij allang verwacht. Hij torende hoog boven al zijn monsterlijke creaties boven hem uit. In al zijn verdorven grimmigheid keek hij minachtend op zijn voormalige vriend en schoolgenoot neer. Het was vooral de gedaante waar de graaf bovenop zat wat hem bijkomende zorgen baarde. Kort geleden had hij de afgrijslijk grote poten en ogen van dit beest al gezien, maar eerder nog, toen Kornelis zijn vrienden door de stad had zien trekken en had geobserveerd hoe zij het opnamen tegen de zombies en navelpadden, had hij reeds een glimp opgevangen van dit schrikwekkende schepsel. Als een grote schimmige schaduw had hij het van verre afstand door Gohes City zien marcheren en al heel wat stuk zien maken.
Nu stond Kornelis recht voor dit ijselijke creatuur, een zoveelste wanproduct van de graaf. Even hoog als een gebouw van vier etages stond het massieve harige kolos rechtop tussen een zee van monsters, op een afstand van slechts een paar tientallen meters van Kornelis. Zijn klauwen hield hij vervaarlijk voor zijn lijf, met al zijn nagels op scherp voor een volgende uithaal. Een staart, al even ruig behaard als de rest van zijn vacht, kronkelde onrustig tussen de zombies en navelpadden. Het beest was namelijk razend, maar vooral ook bang. Bang voor zijn schepper, niet eens zozeer voor zijn belagers. Kornelis merkte de angst vooral door het diepe blazende keelgeluid dat het beest voortbracht. Kornelis had er eerder al een vermoeden van, maar nu hij het beest had gezien wist hij het zeker. Wat voor hem stond was een gemodificeerde versie van een kat, gekalibreerd door Ignatz.
“Monster!” riep Kornelis uit. “Wanneer houdt deze nutteloze strijd nu eens op, Ignatz? Wat heeft dit nou allemaal voor zin?”
Kornelis moest zichzelf overschreeuwen om boven het tamtam van het volk voor hem uit te komen. Hij negeerde voor een moment de zombies die zich alweer aan hem vastklampten en hem kwaad wilden doen. Niet dat ze hem echt konden deren, want de meesten dropen toch vaak af zodra ze door zijn geur bedwelmd werden. Maar hij vond ze vooral irritant.
Bovenop de kop van het grote katachtige wezen lachte een figuur sardonisch. Hij ging gehuld in een inktzwarte mantel die door een opspelende wind langs zijn flanken fladderde en aan de rafels en gaten die erin vielen was te zien dat het z’n beste tijd wel heeft gehad. Op de kop van de kat was een stellage bevestigd, met in het midden ervan een rode zetel. De stoel deed dienst als zadel en was door graaf Schaurig bevestigd om ervoor te zorgen dat hij de acties van zijn laatste creatie kon overzien en zich daarmee eenvoudig door de stad kon verplaatsen. Op zijn eigen hoofd had hij een kap naar achteren geschoven met daarop een stofwerende bril. Verrukt keek de graaf neer op het tafereel onder hem.
“Je krijgt er al handigheid in,” merkte hij droog op met z’n lijzige Duitse accent. “Is het stratenvegen van navelpadden en zombies je nieuwe aanstelling geworden? Ik had altijd al gedacht dat alchemie te hoog gegrepen voor jou was. En bij de redactie van dat flutkrantje hadden ze je allang de laan uit moeten sturen.”
“Je hebt gewoon m’n vrienden vermoord Ignatz! Je bent veel en veel te ver gegaan. Duizenden onschuldige slachtoffers die niets met onze historie te maken hadden en toen nog niet eens geboren waren, hebben het nu allemaal met hun leven moeten bekopen. En waarvoor? Zie je nou echt niet in dat deze strijd helemaal nergens over gaat?”
“Dat heb je allemaal aan jezelf te danken, Kor. Dat weet je best. Dat de wereld nu geheel aan jouw stommiteiten ten onder gaat is echt jouw eigen schuld. Je hebt mij alles afgenomen wat mij dierbaar was. Mijn studiekansen, mijn projecten, mijn uiterlijk, mijn liefde! Alles heb je kapot gemaakt.”
“Ach, hou toch op man!”
“Nee, het houdt niet op. Ik ben nog lang niet klaar met je, Kornelis. Je zal moeten boeten voor alles wat je mij hebt aangedaan. Elke kwelling die ik heb moeten doorstaan zal ik je in honderdvoud betaald zetten. Zolang jouw vrienden nog rond hobbelen en jij op je benen staat, zal ik iedereen kwellen die jou dierbaar is. Iedereen!”
Kornelis dacht aan zijn twee vrienden, die hij naar de bovenetages van de universiteit had gestuurd. Hij hoopte maar dat zij slaagden in zijn opzet. Anders zouden ook zij ten prooi vallen aan de toorn van de graaf.
“En weet je?” vervolgde de graaf, “eigenlijk bevalt het me prima dat jij onsterfelijk bent. Zo kun je iedere sterveling zien creperen of zien ronddolen als hersenloze zombies, terwijl jij degene bent die de ware marteling ondergaat. Diep tot in je ziel zul je pijn moeten lijden, net zoals ook ik heb moeten lijden om Christel.”
Dit begon te lang te duren en ging helemaal nergens meer over. Er werd steeds meer bij Kornelis geduwd en getrokken.
“Ben je nu klaar, Ignatz? Zoals je kunt zien heb ik nogal wat om handen op dit moment,” merkte hij ongeduldig op.
“Oh nee. Er is nog wel wat meer dat ik voor jou in petto heb. Zo is er iets dat jij moet weten over mijn nieuwste huisdier…”
Ignatz’ stem sloeg weer om van een duivelse toon naar een geacteerd luchtig redeneren.
“Moet dit echt?” overschreeuwde Kornelis zichzelf, die een opdringerige navelpad opzij wierp, “maak het af of donder een eind heen met die monsters van je.”
“Ha, maar dat is juist de gein. Want wat hier voor je staat is helemaal geen monster, Kor. Kijk nou zelf. Die kwijlende bek. Die hangende pootjes. Ze is weliswaar iets ruiger dan dat watje van een Reuze Navelpad die ik eerst voor dit doel had bedacht. Maar is ze geen schatje?”
Ignatz deed net of hij het grote katachtige wezen wat betuttelend en zogenaamd liefdevol toesprak.
“Wiens kat heb je hier nu weer voor geritseld, Ignatz?” vroeg Kor terwijl hij misselijk werd bij deze weerzinwekkende gespeelde genegenheid. Ik geloof namelijk nooit dat je zomaar een zwerfkat van de straat hebt geplukt. Dat lijkt veel te veel op adopteren. Wel?”
In de ogen van de duivelse graaf begon nu een zeer naargeestige twinkeling te ontstaan. Op dit moment had hij schijnbaar gewacht. Iedere kans die hij had kunnen aangrijpen om Kornelis te folteren had de graaf aangegrepen. Dus ook voor zijn ultieme meesterwerk had Ignatz een manier gezocht om de man die ooit zijn beste vriend was, diep in het hart te kunnen treffen. Hij grijnsde opnieuw, wederom op een manier die Kornelis allerminst beviel.
De graaf stond op en rees met één arm in de lucht. De ander had hij nodig om zijn evenwicht te bewaren.
“Hahaha!” bulderde hij uit, “aanschouw, wat ik hier voor jou heb meegebracht. Gekalibreerd en zodanig opgevoed dat ze nu alleen nog de bevelen van haar meester zal opvolgen. Opgepompt en uit haar kluiten gewassen…”
“Voor de draad ermee,” zuchtte Kornelis geïrriteerd.
Ignatz lachte en bracht ten slotte uit:
“Shampoo! De poes waar Tinus Icket al geruime tijd naar op zoek is, voor wie hij de buurt heeft volgehangen met posters ‘vermist’, zijn brokkenvreter, zijn hulpeloze haarbal, de monsterkat die nu beter bekend staat als…”
Bewust liet hij even een pauze vallen.
“Meaozilla!”
Ignatz had de nieuwe naam die hij voor dit schepsel bedacht had met veel enthousiasme uitgeschreeuwd, alsof het een aankondiging betrof waar veel bombarie en spektakel bij kwam kijken. De presentatie van Ignatz’ verdorven verworvenheid miste echter het geschikte publiek om zijn enthousiasme mee te delen. Op degene voor wie het bedoeld was had Meaozilla in elk geval niet de gewenste uitwerking.
“Wat ben je toch een misselijkmakende beul” reageerde Kornelis enkel wat matjes, “een onbeschofte wreedaard.”
En dat was ook meteen het enige wat Kornelis erover te zeggen had. Hij had wel genoeg gezien van dit soort ongein en ondertussen waren zijn emoties te ver afgestompt om door nog een volgend verlies echt geraakt te worden. Dit alles kwam uiteraard als een teleurstelling aan bin de gruwelijk graaf Schaurig. Die had namelijk wel verwacht dat impact intenser zou zijn geweest.
“Hij natuurlijk altijd even bij mij kunnen aankloppen of ik Shampoo niet toevallig had gezien,” probeerde Ignatz nog.
Maar het maakte geen indruk.
Kornelis zag zich vooral gedwongen om opnieuw wat gaten te slaan. Navelpadden en zombies waren nu zo talrijk bij hem aanwezig dat ze hem onderhand het zicht ontnamen. Hij draaide daarom in een woeste beweging met zijn armen om zich heen. Hierdoor wist hij de meest plakkerige ondoden en amfibieën wel van zich af te schudden. Maar er was veel meer voor nodig om überhaupt weer wat ruimte te krijgen om een paar passen te kunnen lopen. Daarom greep hij één van de manshoge navelpadden achter bij zijn kop, terwijl hij met zijn prothese de tong uit het blauwe wezen rukte. Hij duwde navelpad achteloos opzij en herhaalde de handeling bij nog een paar navelpadden die hij in handbereik had. De beesten waarbij hij deze ingreep steeds uitvoerden hadden hun bekomst en zorgden er meteen ook voor dat het bloed dat ze vervolgens uitspuugden de zombies in verwarring deed brengen. Door deze actie had hij een ander soort chaos weten te creëren waardoor hij het iets makkelijker kreeg om in de richting van de graaf en de enorme kat te komen.
De schepper van al deze gedrochten keek in zijn chagrijn toe hoe Kornelis aan het huishouden was.
“Denk maar niet dat je ook maar de geringste kans maakt om mij en mijn wezens uit te schakelen,” waarschuwde hij.
Kornelis sloeg echter geen acht de woorden die Ignatz nog sprak en was alweer grif klappen aan het uitdelen. Het zou hem ook nooit lukken om tegen aan deze ondieren weerstand te kunnen blijven bieden. Alleen in elk geval zeker niet. Het enige wat hij kon hopen, was dat Retroman en de Reuze Navelpad – als ze het eeuwige leven al konden verkrijgen – iets zouden kunnen bedenken om honderden navelpadden en zombies tegelijkertijd te kunnen omleggen. Maar zelfs als ze dat voor elkaar konden krijgen, dan was de winst een bittere; iedereen die door de navelpadden gezombificeerd was, heeft daarvoor een menselijk leven gekend. Het is niet ondenkbaar dat Kornelis en zijn vrienden onderwijl zombies hebben zitten opruimen, die in de weken hiervoor nog bekenden van hen waren. En dan was er nog Meaozilla. Wat voegde dat beest nog toe aan al de ellende die graaf Schaurig toch al had aangebracht? Zou Ignatz verder het land en daarna Europa intrekken om nog meer slachtoffers te maken? Hoe zou dit alles er momenteel in het wereldnieuws uitzien? Het waren allemaal vragen die bij Kornelis door het hoofd spookten, maar waarvan hij wist dat hij er toch geen antwoord meer op krijgen zou. In plaats van zich daar verder druk om te maken verkeerde hij onderhand in een soort roes. Kornelis bleef namelijk maar gaan en slaan en baande zich zo een weg tussen alle ondoden en die gemuteerde amfibieën. Op enig moment zocht hij wat variatie op om in de zee van gedrochten niet alleen maar zijn domme kracht te hoeven toepassen. Bovendien werkte al dat gemep toch voornamelijk uitputtend.
Daarom kwam hij ineens op het idee om een paar van die beesten van zich af te duwen en trok hij zijn hemd uit. Het katoen was werkelijk doordrenkt van het zweet. Boven de stof hing een damp waar een zeer overheersende chemische zuurheid van opsteeg. Kornelis’ persoonlijke hygiëne en de brij van huidvocht en schimmels die dat opleverden inspireerde hem ineens om iets stoutmoedig te doen. Bewust met de arm waar hij een prothese op had aangebracht pakte hij zijn hemd vast in de vorm van een bal. Hij kneep zijn hemd even samen en keek tevreden toen hij zag dat zijn hemd hierdoor stralen zweer begon los te laten. Vervolgens duwde hij nog een pottenkijker opzij en zocht hij tussen alle zombies en blauwe kwakers naar een specifiek soort navelpad. Eerder heeft hij ze altijd zorgvuldig op een afstandje geprobeerd te houden, maar ditmaal kwam zo’n mislukte kikker die hem aan zijn prothese had geholpen juist erg van pas.
“Bingo!” sprak Kornelis tot zichzelf toen hij er één gevonden had. En hij hield zijn ogen gericht op een Vuurpad, het speciale soort navelpad dat te veel roem had opgeslurpt en daardoor roem uitbraakte in de vorm van vuurballen. Kornelis ging er recht op af en sloeg iedereen opzij die hem in de weg stond. Op zijn rug voelde hij ineens een stel klauwen en wist, zonder dat hij het zag dat er weer een zombie op z’n huid zat. Navelpadden waren misschien wel lastig, maar durfden geen huidcontact met Kornelis te maken. En nu ze zijn van navelpluizen vergeven navel op zijn buik konden zien, bedachten ze zich ook wel twee keer voordat ze dáár naar binnen ging. Om de zombie op z’n rug kon hij zich ook nauwelijks druk maken. Zou deze het al in z’n hoofd halen om van de acne vergeven huid van Kornelis een hap te willen nemen, dan zou deze ook wel inzien dat Kor toch niet zo’n smakelijk hapje was.
Kornelis was nog maar een paar meter verwijderd van de Vuurpad en trok daarom een zombie uit de menigte die hij op een hapje van zijn met zweet inmaakte hemd trakteerde. Hij propte in het voorbij rennen de stof in zijn bek naar binnen en had niet eens in de gaten dat hij hiermee de onderkaak in tweeën brak. Gelukkig bood de rotte huid eromheen nog voldoende stevigheid om Kornelis zijn plan te kunnen laten uitvoeren. Hij daagde de Vuurpad uit om in zijn richting te komen vuurspuwen en hield tijdig de kop van de zombie voor zich zodat deze door al het zweet vlam vatte.
Nu had Kornelis een wapen en kon hij meerdere vijanden in één keer onschadelijk maken. Dit liet hij dan ook niet na, zodat hij wild om zich heen begon te maaien met de fakkel die hij zich nu eigen had gemaakt. De zombie was een stuk minder handzaam dan een houten toorts, maar hij redde zich er wel mee. De ene na de andere zombie en navelpad wist hij ermee in de hens te zetten en voor hij het wist moest hij uitkijken dat hij zichzelf niet klem zetten door een vuurzee te creëren. Wel, als dat ervoor nodig was om met ze allemaal te kunnen afrekenen dan had hij het ook gedaan en had hij er geen moeite mee om eervol in de vlammen mee ten onder te gaan.
Toch koos Kornelis niet voor die aanpak, want wie weet hadden zijn twee vrienden hem dadelijk nog ergens voor nodig. Behendig bleef hij daarom om zich heen zwaaien en liet ook niet na om met de Vuurpad zelf af te rekenen. Zodra hij inzag hoe gemakkelijk hem dit afging durfde hij zich meer richting Meoazilla te bewegen. Eens zien of we hem een poepje kunnen laten ruiken, dacht hij. Maar helaas voor Kornelis was het toen ineens uit met de pret. Na nog een paar gedrochten in de fik te hebben gezet, brak de affakkelende zombie boven de knieën af en doofde deze uit toen het de grond raakte. Kornelis staarde toen naar de twee onderbenen die hij al die tijd bij de enkels had vastgegrepen en lachte wat ongemakkelijk.
Een ongeluk komt nooit alleen, want zodra Kornelis de onderbenen van de afgefikte zombie liet vallen, stonden er ineens twee Vuurpadden voor hem. Hij bedacht zich geen moment en trok meteen zijn eigen arm op en likte even met zijn tong langs zijn eigen oksel. Hij moest even proeven hoe het smaakte. Alleen dan wist hij hoeveel kans hij met zijn volgende plan zou maken. Met een tijgersprong veerde hij toen op en belande hij op de nek van één van de twee Vuurpadden. De navelpadden keken verschrikt op, maar voordat de ene de kans kreeg om roem te gaan verzamelen voor een vuurbal, klemde Kornelis de kop van de Vuurpad waar hij op zat in zijn oksel. De overheersende smaakpapillenvernietigende kokhalscocktail van de ziltige zoute plak zweet begon meteen zijn werk te doen. Een zure lucht die van de oksel opsteeg kleurde de ogen van de Vuurpad groen en deden direct het licht bij hem uit. Kornelis sprong nu gauw weer van de schouders van dit beest en liet de rest over aan zijn compagnon. Te laat had de andere Vuurpad de list van Kornelis door en had zijn vuurbal al uitgebraakt toen Kornelis al dekking aan het zoeken was. Alsof je een volle fles terpentine in één keer over een barbecue schenkt, zo steeg er meteen een steekvlam op zodra de vuurbal de met zweet doordrenkte kop raakte. Kornelis’ okselharen die hij op de kop had achtergelaten kregen niet eens meer de kans om te verschroeien, maar verpulverden meteen in al dat geweld.
Onderwijl had Kornelis zich even opgehouden dichtbij de grond tussen de benen van enkele zombies, omdat hij ook niet precies wist hoe fel de steekvlam zou gaan worden. Dit leek hem wel een handige verstopplek. Toen hij meende dat de kust weer veilig moest zijn, richtte hij zich daarom op, maar stootte hij direct zijn kop tegen het kruis van één van de zombies. Hier ontdekte hij dat hij een cruciale fout had gemaakt. Kornelis had zijn hoofd tegen het schaambot van een vrouwelijke zombie gestoten. De zombie had wat gehurkt gestaan toen hij onder haar rok was gaan liggen. Ze tilde daarom haar rok omhoog en ontdekte Kornelis. Zijzelf was eerder verbaasd dan onthutst, maar datzelfde gold niet voor de zombies die om haar heen stonden. Zij reageerden wild toen zij hem zagen en doken één voor één bovenop hem. De vrouwelijk zombie werd aan de kant geduwd en vervolgens stapelde de ene ondode zich op de ander. De weerzinwekkende geur van Kornelis werd hierdoor geleidelijk gemaskeerd, nu de onderste zombies zich had opgeofferd om Kornelis de baas te kunnen zijn. Tussen die zombies doken ook navelpadden op de stapel en werd het voorbeeld nog door velen gevolgd.
Kornelis kon niet anders doen dan lijdzaam ondergaan dat hij werd bedolven onder het gewicht van al deze wezens. De kans dat hij het nu nog persoonlijk kon opnemen tegen Ignatz Schaurig en de grote monsterkat leken nu verkeken.

Retroman en de Reuze Navelpad hadden ondertussen geen idee wat er buiten de muren van de universiteit allemaal gaande was en waren nog driftig op zoek naar de Rode Zolder. Maar zelfs zonder weet te hebben wat er buiten afspeelde, voelde zij de tijd wel tikken die hen nog reste. Iedere moment konden de navelpadden en zombies hen in de bovenste etages van de universiteit ontdekken en moesten ook zij zich weer voorbereiden op een nieuw gevecht. Zelfs de Reuze Navelpad had nu wel in de gaten dat met zo’n enorm harig kolos erbij, het gevecht amper nog in hun voordeel kon uitvallen. Nu wisten beide niet dat het hier om een kat ging, maar als die lichtflitsen die ze het eerder op een afstand tussen de gebouwen hadden zien maken dezelfde lichtstralen waren waarmee de Gigantische Navelpad gebouwen kon doorklieven, dan stond ze hier nog wat te wachten.
“Jottum! Ik heb het gevonden,” riep Retroman ineens uitbundig toen hij de Rode Zolder herkende. Ze waren helemaal bovenin het bouwwerk daar aangekomen waar de slaapvertrekken zich bevonden. Deze ruimtes waren gemakkelijk te herkennen doordat ze allen schuinaflopende plafonds hadden en er geen trappen meer waren die naar hogere etages leidden. Alle zoldervertrekken waren ieder in hun eigen kleur geverfd. De Rode Zolder liet zich daardoor gemakkelijk vinden. De Reuze Navelpad keek echter vreemd op, toen hij merkte hoe Retroman weer in z’n jolige taaltje had gesproken. Had die vent dan helemaal niet in de gaten hoe ernstig deze situatie is? Is het leven voor hem dan echt alleen maar één groot spelletje?
“Kom op, Pad. Dan zoeken we het vertrek van die twee ouwe sokken. Die power ups moeten hier vast ergens liggen.”
Retroman stond in een deurpost als een jongen zo blij net als toen hij als kind z’n eerste Atari had uitgepakt.
“Power ups?” vroeg de Reuze Navelpad.
“Ja, je weet wel. Net zoals de Super Stars die in old school games verstopt zitten, waarmee je onverslaanbaar wordt. Alleen dan zijn het geen sterren die uit blokken komen door je hoofd er tegenaan te stoten, maar spannende drankjes die door Kornelis en die verdorven graaf zijn bereid.”
De Reuze Navelpad legde verzuchtend zijn handpalm op z’n voorhoofd.
“Dit kun je niet menen? Neem je nou nooit eens iets serieus, Retroman? Maar kom op, vooruit. Laten we gaan zoeken. Die griezels zitten ons zo op onze hielen. Volgens Kornelis zou het ons geen moeite moeten kosten om zijn kamer te kunnen vinden.”
De Reuze Navelpad had die woorden nog maar amper uitgesproken of Retroman moest al beamen wat hij zojuist had gezegd.
“Oh nee, gatver. Oh wat een lucht. Dat komt vast uit zijn kamer vandaan.”
De pad en Retroman hadden de oude slaapkamer van Kornelis nog niet eens in het vizier of ze wisten al in welke richting ze moesten uitlopen.
“Karbonade! Ik geloof dat ik zojuist een kakkerlak heb vertrapt,” merkte Retroman ineens halverwege hun zolderwandeling op, “volgens mij kwam hij daar vandaan.”
Retroman wees naar een kamer waar de deur half in de sponning hing en waar een nog een paar andere kakkerlakken over de grond ritselden. Inderdaad, dat moest de kamer van Kornelis wel zijn, dacht de Reuze Navelpad. De rotzooi uit Kornelis’ studententijd had na het sluiten van de campus zoveel ongedierte aangetrokken, dat zijn kamer ook in de jaren daarna een fijne broeiplek is gebleven om insecten en andere aaseters te blijven aantrekken. Kadavers op kadavers en een overwoekerende plantengroei die de heren onderweg naar boven ook al zijn tegengekomen, pasten prima in dat beeld.
“Gossiemikkie. Hoe gaan we hier in hemelsnaam het elixer in terugvinden?” vroeg Retroman hardop toen ze voor de deuropening stonden en de jungle van troep binnen in de kamer aanschouwden.
“Wat je zegt,” reageerde de Reuze Navelpad terwijl hij zich met open mond verwonderde hoe de kamer zo’n bende kon zijn. “Wat de opstapeling van spullen betreft, herken je zo dat dit de kamer van onze vriend is.”
Retroman knikte en hield tegelijk aldoor een hand voor zijn gezicht voor de stank.
“Je maakt mij niet wijs dat Kornelis voor zijn transformatie tot Grote Stinkende Oorwurmen Reus daarvóór nog een nette jongen was die keurig zijn kamer schoonhield.”
“Kornelis zei dat het elixer ons zou ‘roepen’,” zei de Reuze Navelpad, “ik hoor nog niets. Weet jij wat hij daarmee bedoelde?”
“Ik heb ook geen idee jonge vriend. Kom, laten we op onderzoek uitgaan, mijn samuraizwaard kan nu mooi als kapmes dienen.”
En zo traden de Reuze Navelpad en Retroman het onfrisse onderkomen binnen dat allang niet meer naar stinkende sportsokken en vuile onderbroeken rook, maar nu eerder een onvergetelijke sensatie was van meurende schimmels, fnuikende fungi en rottende ratten. Onversaagd en met hun neuzen met één hand afgeschermd baanden ze zich een weg tussen alle rommel. De Reuze Navelpad schopte meteen voorzichtig wat bemoste kledingresten opzij en klom daarna met Retroman over een omgevallen fauteuil. Zodra ze vervolgens kregen te zien wat daar achter lag, moesten beide mannen echter al snel kokhalzen. Op de grond, tussen een wirwar van klimopbladeren dat hier ook z’n weg had gevonden, lag een in vier stukken uit elkaar getrokken vers vossenlijk. Er in en eronder krioelde het van de roofmijten en spiegelkevers en uit de ogen, neus en bek van het gestorven dier kropen de eerste maden al naar buiten. Retroman voelde zijn maag opkomen en draaide zich opzij om over te geven. Hij was met al die zombies en navelpadden natuurlijk ondertussen al wat akelige aanblikken gewend, maar zo’n verse vondst als deze had hij alweer enige tijd niet meegemaakt. Iets verderop in de kamer meende Retroman plotseling dat hij een vreemd geluid hoorde.
“Hoor je dat Pad? Het lijkt wel alsof er iets zoemt.”
De Reuze Navelpad hoorde het ook, maar maakte zich op het moment meer druk om de geluiden die hij achter zich hoorde. Hij herkende het gekibbel weer van zombies en hij vermoedde dat er ook navelpadden bij zaten.
“Ja, ik hoor het ook. Maar we moeten nu vaart maken. Ik hoor die monsters namelijk ook weer. Ze zijn ons gevolgd.”
“Je hebt gelijk. Hier, ik heb links van ons een andere kamer ontdekt waar het zoemen vandaan komt, vanuit een soort alkoof. Het is alleen zo begroeid met klimop dat je even afstand moet houden, anders heb ik geen ruimte om met mijn samuraizwaard te zwaaien.”
“Akkoord, maar maak vaart, wil je. Het is niet alleen dat die griezels weer achter ons aan zitten, maar er is ook iets raars aan de hand met mijn zakhorloge.”
“Hoe, wat?” Retroman pauzeerde na twee slagen even om zich naar de pad om te draaien om te zien wat hij bedoelde.
“Schiet nou op! Dat ding begint ineens te gloeien!”
De Reuze Navelpad hield het zakhorloge aan het kettinkje om zijn nek voor zich en keek ernaar. Hij moest het op deze manier vasthouden omdat het zakhorloge inderdaad onaangenaam warm was geworden en een geel licht begon uit te stralen.
“Wat heeft dat te betekenen?” wilde Retroman weten.
“Weet ik veel. Maar het is vast niet veel goeds. Ik krijg het gevoel dat we groot gevaar lopen. Wil je alsjeblieft opschieten?”
En de Reuze Navelpad was nog niet uitgesproken of hij kreeg vanachter ineens de volle laag van één van zijn soortgenoten die hem opzij beukte. Wat volgde waren twee zombies, die heel wat slomer binnen kwamen wandelen en met een steunend geluid zichzelf kenbaar maakten. De Reuze Navelpad was ondertussen in een hoek terecht gekomen waar hij een oude wereldbol uit een grote gebogen houder stootte en de bol nog net niet op zijn kop kreeg. Retroman voelde de zenuwen oplopen en begreep dat er nu echt haast bij was. Fermer dan tevoren hakte hij als een bezetene in op de laag klimop en kreeg nu bijna de kans om de alkoof binnen te stappen.
“Pak aan!” klonk het achter hem, toen de Reuze Navelpad de wereldbol met beide handen naar de kop van de andere navelpad wierp en zich daarna weer bezig hield met het heet geworden zakhorloge op afstand te houden. De bol suisde door de kamer en kegelde de navelpad eenvoudigweg omver. Helaas echter voor Retroman stond hij precies in de baan die de navelpad beschreef toen hij met bol en al zijn kant op viel. Zodoende vielen beide door de resterende klimopbladeren en belandden ze samen in de alkoof. De Reuze Navelpad hield van schrik zijn handen even voor zijn mond en liet meteen het zakhorloge weer op zijn borst vallen.
“Au! Dat ding is echt heet geworden,” schreeuwde hij uit. En terwijl hij vlug het zakhorloge weer bij het kettinkje voor zich hield, bedacht hij dat hij hier wat op moest vinden. Want hij wilde het zakhorloge liever niet afdoen, maar had wel zijn handen nodig om zich tegen de vijanden te verweren. Daarom greep hij zo gauw hij kon een voorwerp van een glazen tafeltje dat hem wel geschikt leek om het zakhorloge in te stoppen. Ook hij moest snel wezen, want de zombies hadden zich al over de blokkerende fauteuil gehesen.
“Oh, dit meen je niet,” zei de Reuze Navelpad toen hij zag wat hij van de tafel had gegrist. Hij hield een half verteerd kledingstuk voor zich dat blauw zag van de schimmel en uitliep van de pissebedden.
“Uitgerekend een onderbroek. Wat een tent trouwens.”
En terwijl hij de grootste moeite deed om zijn slokdarm in bedwang te houden liet hij zou gauw hij kon het zakhorloge in de onderbroek glijden. Net op tijd, want de zombies stonden nu recht voor hem.
“Deze is voor Kornelis!” schreeuwde hij uit en haalde krachtig naar de zombies uit met de houder waar eerder de wereldbol in hadden gezeten. Zonder veel inspanning werden met die klap de twee zombies onthoofd en stortten hun rompen ter aarde.

“Sakkerloot!” klonk het ineens vanuit de alkoof, “daar is het! Pad! Ik heb het elixer gevonden!”
En terwijl Retroman zich probeerde los te wurmen uit de klimopplanten en de navelpad van zich afduwde, hoorde hij hoe het gezoem de alkoof vulde. De alkoof, een ruimte niet veel groter dan een riante kledingkast die in het vertrek lag verzonken, herbergde een enorme verzameling van zalven, brouwsels en andere snuisterijen. Dit moest Kornelis’ hobbykamer zijn geweest, bedacht Retroman en hij richtte zich op om het elixer te kunnen pakken. Opnieuw klopten de aanwijzingen van Kornelis, want wat hij eerder voor een zoemend geluid had gehouden kwam eerder neer op een soort zingend geluid dat uit enkele van deze flesjes afkomstig was. De flesjes die het betrof straalden allen een hel licht uit en de vloeistof was goudgeel van kleur, precies zoals Kornelis had beschreven.
“It’s a me, Mario!” riep Retroman guitig uit toen hij zijn ‘power ups’ had gevonden en maakte een 8-bit vreugdesprongetje zoals zijn held Super Mario ook zou hebben gedaan. Snel borg hij zijn samuraizwaard op en reikte naar één van de flesjes. Hij rukte de dop eraf en hield de geopende hals ervan voor zich.
“We hebben het gehaald!” schreeuwde hij naar de Reuze Navelpad en aanschouwde hoe er een goudgele damp uit het flesje opsteeg. Even aarzelde hij of hij niet eerst samen de toost moest uitbrengen met zijn vriendje Pad, maar toen realiseerde hij dat daar helemaal geen tijd voor was. Het leek hem veel beter dat hij alvast het elixer innam en daarna rap de volgende fles aan de Reuze Navelpad kon geven. Hij bracht daarom de fles naar zijn mond en… liet hem toen uit zijn handen vallen.
Het elixer dat hij in zijn handen had vastgehouden viel op de grond in duizend glasscherven uiteen en de kostbare inhoud die het bevatte stroomde rijkelijk over de vloer. Een helse pijn maakte zich van Retroman meester. Ineens voelde hij hoe hij licht in zijn hoofd werd en de wereld langzaam begon te draaien. Hij zwenkte met zijn lijf alle kanten uit en moest houvast zoeken aan het meubilair. In die beweging trok hij diverse flessen met inhoud van de planken en stapte hij in de glasscherven tot zijn voeten er van begonnen te bloeden. Alles wat hij nog aan maaginhoud bezat braakte hij uit en keek daarop naar zijn handen die hij met het braaksel had bevuild. Het duurde even voordat hij zijn zicht had scherp gesteld, maar toen hij eenmaal weer een beetje normaal kon zien merkte hij dat er iets aan zijn handen veranderd was. Zijn huid leek ineens valer geworden en bovendien voelde hij de smurrie niet eens die er van zijn handen droop. Maar het was nog veel erger: Retroman voelde namelijk in het geheel niets meer.

Enkele momenten later staarde Retroman wezenloos naar het plafond. Hij had geen idee hoe het daar gekomen was of hoe hij juist op de vloer was beland. Het lichte gevoel in zijn hoofd was in elk geval nog niet verdwenen. Hij keek naar links opzij en zag dat hij in een plas met elixer en scherven lag. Verderop was er ook een boekenkast omgevallen waar hij eerder de flesjes in had zien staan. Hij boog naar voren en zag dat de boekenkast zijn enkel had ontwricht. Het gekke was alleen dat het leek alsof dit helemaal geen pijn deed. Toen herinnerde hij dat hij die ervaring kort hiervoor ook al had gehad. Blijkbaar was er iets geweest dat zijn gevoel had uitgeschakeld en was hij daarna op de grond gestort. Maar de schrik sloeg hem helemaal om het hart toen hij naar zijn buik keek. De stof van zijn ninjakleding was namelijk omhoog geschoven en op de plek waar zijn navel had gezeten was nu enkel nog een bloederig gat te zien. Een gevoel van verdoving nam nu bezit van zijn zinnen en het enige waar Retroman nu nog aan kon denken was mensenvlees. En dan bij voorkeur mensenhersenen.
En op het moment dat hij te maken kreeg met een honger die hij nooit meer stillen kon, drong bij Retroman allang het besef niet meer door dat hij kennelijk was vergeten de navelpad uit te schakelen…

Even verderop was de Reuze Navelpad aan het uithijgen van de inspanningen die hij had geleverd. Hij was op de grond in een hoek gaan zitten waar het aantal insecten beperkt was. Zijn borstkas ging heftig op en neer. Hij was moe. De strijd die hij in de afgelopen weken heeft moeten leveren hadden zijn tol geëist. Op zijn borst gloeide het zakhorloge als niet eerder tevoren en het gewicht ervan woog zwaar. Hij voelde zich benauwd en kreeg het gevoel dat er iets vreselijks stond te gebeuren. Het enige wat hij nu nog kon hopen was dat Retroman gauw met het elixer naar hem toe zou komen en dat hij zich daarna beter zou voelen.
Op dat moment kwamen er eerst meer andere zombies de kamer binnen. Ditmaal zonder navelpadden. Ook zij schuifelde voetje voor voetje in dat zenuwachtige tempo van hen naar binnen en volgde dezelfde hindernissen die eenieder had gemaakt om tot hier te komen. De Reuze Navelpad wachtte af. Hij kon niet anders meer. Hij was uitgeput en was koortsig. Toen kwam ook Retroman uit de alkoof geklommen. Eindelijk, dacht de Reuze Navelpad. Die zal wel doorhebben dat ik niet meer kan en hakt voor mij die zombies wel omver.
Maar toen zag de pad dat er iets veranderd was. Retroman hinkte. Zou hij ergens over gestruikeld zijn? En ook de blik in zijn ogen was heel anders, helemaal niet wat de pad verwachtte hoe iemand eruit zou zien die net het eeuwige leven had verkregen. Dat had hij vitaler verwacht, veel meer sprankeling en levendigheid. Alleen was levendigheid nu juist erg ver te zoeken bij zijn vriend. Die manier van lopen, die contactloze manier van kijken, die vieze smurrie die er uit zijn mond droop, Retroman was gezombificeerd! Oh nee, dacht de Reuze Navelpad. Niet hij ook al.
Alles was nu voor niks geweest. Kornelis had zich opgeofferd door de strijd met die gruwelijke Graaf Schaurig aan te gaan en heeft daar zeer waarschijnlijk ondertussen het leven wel bij gelaten. Een gigantisch monster was met de graaf meegekomen en de stad wemelt van de navelpadden en de zombies. En nu is ook Retroman, zijn kloeke en humoristische vriend, met wie hij samen heel wat hellebroed mee om zeep heeft geholpen ten prooi gevallen aan de wraak van die verschrikkelijke meneer De Graaf. Alles, maar dan ook alles is nu verloren. De stad gaat ten onder.
Op dat moment kwamen Retroman en de andere zombies steeds dichterbij. Met Retroman voorop schoven de monsters voetje voor voetje naderbij, totdat de man die eerder nog zijn vriend was met zijn handen achter op zijn rug tastte en vervolgens het samuraizwaard tevoorschijn haalde. Voor een laatste maal hanteerde hij het en wierp zo het zwaard in de richting van de Reuze Navelpad. Maar toen gebeurde er iets geheel onverwachts. Terwijl het zwaard nog door de lucht suisde, begon het zakhorloge feller te gloeien en beefde het op de borst van de Reuze Navelpad. Zodra het zwaard de Reuze Navelpad had moeten raken, ontstond er ineens op de plek van het zakhorloge een soort spiraalvormige cirkel dat een zwart soort licht uitstraalde. In een oogwenk zoog het de Reuze Navelpad en het samuraizwaard op en verdween het in het niets.

Opnieuw werd de Reuze Navelpad een zwart universum ingejaagd, een ruimte zonder sterren dat zich oneindig leek uit te strekken. Hij werd meegezogen in een onnoemelijk leegte en verkeerde daar enige tijd met niets anders bij zich dan het samuraizwaard waar hij door Retroman mee geraakt had moeten worden. De reis door de dimensies zorgde er echter voor dat het zwaard zijn hoofd miste en vergezelde hem op een tocht naar het onbekende.
Later of eerder, daar had de Reuze Navelpad geen besef meer van, schoot hij tezamen met het samuraizwaard de werkplaats van Theo Nologie binnen. Het zwaard boorde zich in een houten wand en de Reuze Navelpad volgde daarna. Hij klapte met veel geweld tegen diezelfde muur. Na de onzachte aanvaring tuimelde hij op de vloer en belande een paar meter naast de etmaluren die nog aan de hefboom gekleefd waren. Hij verloor het bewustzijn en met zijn tong uit zijn bek knipte bij hem het licht uit. Zo gauw ze konden renden Achmed Liën en Theo Nologie op de pad af en ontfermde zij zich over hem. Zij hadden geen weet van wat de Reuze Navelpad allemaal had meegemaakt. In hun beleving hadden zij hem enkel naar één van de twee etmaluren zien vliegen en wisten niet beter of de Reuze Navelpad was er dwars doorheen getrokken om aan de andere kant weer naar buiten te komen. Achmed ging op zijn knieën op de grond naast zijn vriend zitten. Hij overtuigde zich er nog wel even van of er geen rondvliegend materiaal meer was dat hem verwondingen konden bezorgen. Maar de uitvindingen van Theo Nologie waren allen tot stilstand gekomen en vormden geen gevaar meer. Achmed boog daarom voorover en pakte de pols beet van de pad. Zodra hij dat deed viel zijn oog op het kettinkje dat er om de nek van de Reuze Navelpad hing. Hij geloofde zijn ogen niet toen hij het voorwerp dat er aan het kettinkje hing zag vervagen. Het leek haast wel alsof dat het zakhorloge was dat ze ook wel als de etmaluren kenden. Achter het gezelschap vielen twee etmaluren op de grond. Ze werden niet langer door het zwarte licht naar elkaar toe getrokken. Geen van beide heren had door dat één ervan de Reuze Navelpad op een spannend reis door de tijd had vergezeld.
“Theo!” riep Achmed toen ineens paniekerig uit.
“Oh, wat is het?” vroeg de geleerde.
“Het is de Reuze Navelpad. Hij heeft geen pols meer…”

In andere tijden, in een toekomstig universum, ver van waar Achmed, Theo en de Reuze Navelpad zich ophielden, vond er ergens in het centrum van Gohes City een grote explosie plaats. Een enorme bruine wolk was met veel kabaal losgekomen uit een gigantische stapelen met lichamen. De lichamen varieerden in kleur tussen vaalgrijs en donkerblauw en behoorden toe aan honderden hongerige zombies en navelpadden. Met z’n allen hadden zij zich op Kornelis Oflook gestort, in de hoop hem te kunnen verstikken, zodat ze hem konden uitschakelen en graaf Schaurig zijn ultieme wraak kon beleven. Maar Kornelis had nog een laatste pijl op zijn boog, eentje waarmee hij wist dat hij niet alleen zichzelf, maar ook een hoop gedrochten kon opruimen. En als hij een beetje geluk had dan stuurde hij in die actie ook zijn voormalige schoolgenoot Ignatz daarmee naar de poorten van de hel. Want terwijl de ene navelpad zich nog op de andere zombie aan het opstapelen was, had Kornelis Oflook zijn anus open gezet.
Eén zucht van een Vuurpad was voldoende om een paddenstoel boven de universiteit te laten opstijgen.

- Einde boek 1 -

By gsorsnoi | September 29, 2015 - 9:17 pm - Posted in Duimzuigerij, Een portet van ..., Nederlands, WSNOI

De Tycoon Newspaper is aan een nieuwe reeks artikelen begonnen: portretten van haar verslaggevers. En voor de gelegenheid ditmaal ook eens een karakter die weliswaar geen verslaggever is, maar wel een belangrijke rol vervult in het domein van WSNOI. In deze serie belichten we de achtergronden van de fictieve personages die op WSNOI en vooral de Tycoon Newspaper al meer dan eens van zich hebben laten horen, maar waarvan het wel eens prettig is om er ook een gezicht bij te zien. Daar deze personen natuurlijk niet echt bestaan en dientengevolge er geen beeldmateriaal van hen te schieten valt, is gebruik gemaakt van foto’s van figuren waarop zij gebaseerd zijn (hiernaar refereert ‘modelpersoon’ hieronder). Al deze portretten zijn in feite groeiartikelen, want zodra een personage zich verder ontwikkelt op deze site, is het ook wenselijk dat dit artikel daarop bijgewerkt wordt. Zo is het voor mezelf ook te gebruiken als handvat om niet per ongeluk van het bedoelde personage af te wijken. We leiden deze artikelen even kort in met een beknopte personalia waarna we dieper inzoomen op hun oorsprong en hun betekenis voor WSNOI en de TN.

Personalia: Koen Voet.

Functie: Forensisch sporenonderzoeker gespecialiseerd op inbraken, bij het Gohes City Forensisch Instituut (GCFI).
Andere namen: Geen
Oorsprong naam: Zijn voor- en achternaam kunnen samengetrokken worden tot een voorwerp dat duidelijk iets met zijn functie te maken heeft: koe(n)voet.
Modelpersoon: Gers Pardoel.
Eerste oer-artikel: N.v.t.
Eerste online-artikel (waarin dit karakter voorkwam):VZD (4): Triest bericht‘.
Uitspraken: op de vraag van Jolien van Biesheuvel komt Koen in ‘VZD (4): Triest bericht‘ na sporenonderzoek tot de conclusie: “Inderdaad inspecteur, diegene die de E 2.400,- heeft buit gemaakt was in het bezit van de sleutel van het huis.” & in ‘VZD (6): Verrassing!‘: “Welnee inspecteur,” reageerde Koen op het dakterras en hield een roestige kandelaar omhoog, “het was vast Kolonel Mustard met een kandelaar!” – dit zei hij als reactie op Karels verzoek dat de heren geen spelletje maakten van hun werk.

Op gelijke voet met Karel

Koen Voet maakt onderdeel uit van de paar essentiële personages uit de detectivereeks VZD. Met zijn eerste optreden in ‘VZD (4): Triest bericht‘ gaf hij invulling aan de behoefte die zomaar een keer spontaan ontstond toen – zoals je hierboven kunt lezen – inspecteur Jolien van Biesheuvel wilde weten of er bij de familie Ten Dam was ingebroken. De detectiveserie was zich in die tijd nog grotendeels aan het ontwikkelen, hetgeen ook wel bleek uit de spelregels die in diezelfde vierde aflevering pas echt vorm begonnen te krijgen. Ditzelfde gold voor het minimale setje forensisch onderzoekers, waar het team waar Karel geregeld mee op pad trok, tenminste uit zou moeten bestaan. Het hebben van een inbraakspecialist was een onvermijdelijk gegeven waar we vroeg of laat tegenaan zouden lopen (zie ook ‘Een portret van… Lesley Spandabato‘). Koen Voet was hierop vanzelfsprekend het antwoord. Zijn naam, zoals gebruikelijk bewust wat flauw gekozen, bleek een geniale vondst; iedereen wist direct wie hij was en vooral wat hij kwam doen. En dan te bedenken dat de opdracht waarvoor hij helemaal naar de plattelandsgronden buiten Gohes City kwam afreizen, tot het resultaat leidde dat er helemaal niet eens wàs ingebroken. Ik herinner me nog dat ik Koen toen even snel verzon en hem een korte alinea gaf om niet te veel van de rode draad van het toen lopende onderzoek af te willen wijken. Inbraak, of iets wat daar op lijkt, was helemaal niet aan de orde. Dat was meteen ook de reden waarom ik Koen in datzelfde verhaal niet meer aan bod liet komen en hij pas weer in VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’ een nieuw optreden deed. Opmerkelijk genoeg bleek ik Koen eigenlijk al eerder nodig te hebben gehad, in één VZD-aflevering eerder: ‘VZD (3): De koprol‘. In dat onderzoek werd er namelijk over een kluis gerept en of daar eventueel sportfondsen uit ontvreemd zouden zijn. Mocht hij toen al dienst hebben gehad, dan had hij ook toen tot een weinig spannend te noemen ontdekking gekomen: de kluis was leeg en lag onder het stof.
De totstandkoming van het personage Koen Voet is daarom goed te vergelijken met zijn werkgever Karel Riemelneel; beide verschenen pas een verhaal of artikel later dan eigenlijk logisch was (Karel Riemelneel had oerartikel Bewaking Kwak & Go vat vlam na bomaanslag wat genre betreft beter kunnen schrijven dan Tinus Icket, red.).

Onwrikbaar element

Eenmaal thuis in de detectiveserie werd Koen ook meteen een terugkerend personage waar je van op aan kon. Vanaf de 4e aflevering tot en met zaak nummer 10 werd iedere keer wel even zijn hulp ingeroepen. Het begon natuurlijk met ‘VZD (4): Triest bericht‘ waarin hij constateerde dat er geen deur was geforceerd en ook bij de kozijnen van huize Ten Dam geen sporen van braak gevonden konden worden. Zo concludeerde hij dat degene die de E 2.400,- buit had gemaakt in bezit moest zijn geweest van de sleutel van het huis. In VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’ bevonden wij ons ineens terug in de tijd en hield hij zich bezig met zandzakken. Hij ontdekte dat in één ervan een juwelenkistje zat verstopt, een cruciale aanwijzing die ons uiteindelijk bewust op het verkeerde spoor zette. Tijdens de speurtocht naar aanwijzingen in ‘VZD (6): Verrassing!‘ was hij vooral in de tuin te vinden en later ook op het dakterras, waar hij naar Karel een geestige opmerking maakte over Kolonel Mustard (zie ‘Uitspraken’ hierboven). Hij was het die de ontdekking deed dat er een raam naar binnen toe was gebroken, terwijl het slachtoffer buiten in de tuin lag. Dit zette ons even voor raadsels, maar werd uiteindelijk toch een passende verklaring voor gevonden. Ook in ‘VZD (9) SPECIAL: The Last Angel‘ bleek Koen weer even niet naar zijn specialisme toe hoeven handelen; hij zou Karel vrijkopen uit het gevang, waarvoor hij helemaal naar de Filippijnen was komen vliegen, maar iemand anders bleek hem al voor te zijn geweest. Helemaal aan het einde van deze spannende zedenzaak was er ineens een lolbroek die de werkelijk absurde suggestie deed dat ons slachtoffer mogelijk wel eens kon zijn ‘dood geswaffeld’. Koen en Karel pikte die suggestie op een creatieve manier op om erachter te komen of de daders daadwerkelijk hun geslachtsdelen in de aanslag hadden gehad. Hetgeen gelukkig niet het geval bleek (althans niet voor de doodsoorzaak). In die aflevering verleende Koen het duo ook de toegang tot een garage door in een metalen bakje even naar een sleutel te voelen. Dit stelde mij als schrijver nog even in gelegenheid om alvast een aparte eigenschap aan Koen toe te dichten; namelijk dat hij zich soms als wijsneus opstelt (waar Karel zich aan irriteert), maar wat er over het algemeen wel voor zorgt dater schot in de zaak komt. Dat gegeven wordt namelijk tijdens dat zoeken naar een sleutel door Karel even aangehaald.
Met het aanbreken van de 10e editie van de VZD gebeurde er veel meer wat binnen het expertisegebied van Koen valt. Wat voor Koen begon met de vondst van een man die erg akelig door een dakkapel van een trap naar beneden was gevallen. Bij het schrijven van de ‘aantekeningen’ rondom deze zaak (er gebeurde zoveel in deze ene detective dat het wenselijk was er even een samenvatting van op papier te zetten) werd even kort uit de doeken gedaan wat Koen’s inbreng ongeveer nog meer in het verhaal was:
Koen Voet stuitte op twee lijken bij het brengen van een huisbezoek aan het familieadres van Roger Roerling. In de woonkamer vond hij het ontzielde lichaam van Roger’s vrouw Olivia. Zijn zoon Jericho was er zo slecht aan toe dat een reanimatiepoging niets meer uithaalde. Hierop heeft Karel Koen naar huis moeten sturen, zoals de CGFI-regels voorschrijven. Hij was emotioneel te zwaar aangeslagen om het verlof niet te accepteren. Niet eerder dan dinsdag werd hij vervolgens weer op kantoor verwacht. Maar zolang zouden de verwikkelingen niet duren, zodat dit ook meteen zijn voorlopige laatste optreden in de serie was. Over de specifieke rol die hij in die 10e aflevering had valt veel te zeggen, maar leuker is om het bewuste fragment er nog eens een keertje op na te lezen, dat onderaan dit artikel terug te vinden is. Een ander leuk onderdeel is hoe er in diezelfde zaak nog eens wordt teruggekomen op de bijzondere samenstelling van zijn naam. Dat is het andere fragment wat je hieronder leest.
Vanaf het moment dat de 10e VZD even een voorlopig einde aankondigde op de detectiveserie, leek het ook gedaan met het optreden van onze helden. Maar gelukkig vult Lesley Spandabato dat gat soms op door even een van Mickey Mouse afgekeken Lesley lost ‘t op te produceren. En in de tweede editie, die over gestolen koffiebonen ging, rent Koen op enig moment met Lesley nog even achter een ontsnapte paarse springboon aan, zodat deze miniversie van de detective serie toch oplevert dat we deze VZD-personages af en toe nog eens terugzien.

Toffe gast

Koen is één van de jongere medewerkers bij het GCFI. Hij is, zoals vele collega’s hem zullen omschrijven, een nogal ‘vlotte jongen’. Ik zie hem graag als een handig figuur die, in tegenstelling tot het aantal klunzen dat het Rijk van WSNOI ondertussen telt, z’n hand niet omdraait voor een vuil of lastig klusje. Om die reden is het eigenlijk ook wel praktisch dat ik hem steeds in bepaalde scenes bij bepaalde zaken inzet, waarvan je wellicht zou denken dat je niet per se een inbraakspecialist hoeft te wezen om aan een dergelijke taak invulling te kunnen geven. Het vlotte aan hem zien we ook terug in de omgang die hij heeft met zijn collega’s. Aan het begin van de zaak ‘De rotte appel‘ bijvoorbeeld vraagt hij nogal ongenuanceerd aan Lesley “Woh, heb je die borsten gezien man?” waarmee hij verwijst naar het imposante voorkomen van hun nieuwe collega America Calista. Aan de ene kant geeft dit aan dat hij het kennelijk goed kan vinden met Lesley, maar het vertelt ook dat Koen niet iemand is die om de hete brij heen draait. Hij is dus erg recht voor z’n raap en daardoor ook een medewerker die snel meters maakt.
“Met jouw nichterige voorkomen maak je toch geen kans,” zei hij in datzelfde stukje tekst nadat hij over America’s borsten begon en refereerde daarmee naar het niet erg hetero uiterlijk van zijn collega Lesley Spandabato.
Kort daarop slaat Koen zijn collega Lesley op gebroederlijk doch hardhandig tussen zijn schouderbladen om hem geluk te wensen. Dit deed Koen, omdat hij inmiddels ook wel door had dat America nogal een pittige tante bleek en Lesley hem niet mans genoeg leek om haar onder zijn duim te houden.
Verderop in diezelfde aflevering komen we nog te weten dat Koen zijn koffie met een scheutje melk drinkt. Het is een niet heel noemenswaardig detail, maar het komt en passant voorbij, vlak voor een scene waarin er wat interessants gebeurt zodra collega Abdel zich laat afleiden door de schone verschijning van America Calista.
“Aarde aan Abdel! Hallo?!” was de boodschap die Koen zacht fluisterend via extraterretische signalen aan zijn collega probeerde over te brengen. “We hebben je hier nodig, niet in de armen van onze schone Calista.”
De heren zijn hier in gesprek met de geëmotioneerde Johannes IJzerdraat, die de eigenaar is van het dakdekkersbedrijf Lekt ‘t een beetje. In deze fase van de ondervraging lijkt schotrestenonderzoeker Abdel de verantwoordelijkheden echter geheel aan Koen over te willen laten. De billen van America Calista en de rest van haar voorkomen leiden hem namelijk zo af, dat hij liever Koen opscheept met de taak om het slechte nieuws aan de familie Roerling over te gaan brengen.
“Nee, Abdel dat flik je me niet” dacht Koen toen, maar slikte deze lage streek.
Uiteraard heb ik deze grap er toen met opzet zo ingeschreven, want ik wilde echt een keer iets verzinnen waardoor we konden lezen waarvoor inbraakspecialist Koen in de schoolbanken gezeten heeft. Daarnaast was het weer een leuke uitdaging voor mezelf om mij te verdiepen in een onderwerp (sporen van braak onderzoeken) waar ik tot dan toe zelf niet zoveel kaas van gegeten had. Voor dit soort scenes struin ik dan het internet af naar omschrijvingen van hoe echte experts in zijn vak hun werk uitoefenen. Dan beland ik op de site van het NFI (waar het GCFI van is afgeleid) en vermaak ik mij opperbest terwijl ik bezig ben met wat men noemt ‘maniakale research’.

Geen gezicht

Koen Voet heeft, net zoals zijn collega Abdel Desertecon Kretonshos, lang geen gezicht gehad. Ik kan dan ook niet zeggen dat ik al die tijd – al was het ongeveer – een plaatje in m’n hoofd had van hoe hij eruit zou moeten zien. Maar ja, helemaal geen uiterlijk aan m’n karakters meegeven is natuurlijk ook geen pan. Dus ook voor Koen heb ik even thuis op mijn luie stoel m’n ogen gesloten en mijn gedachtes de vrije loop laten gaan op wie ik dacht dat toch het beste bij het personage Koen Voet zou passen. In conversaties met BoB en Retroman kwam ik zodoende (via Huub Stapel, Tom Felton, Waldemar Torenstra, Johnny de Mol, Pieter Storms, Lange Frans, Brainpower, Yes-R en Ali B) op niemand minder dan Gers Pardoel.
Spring maar achterop bij mij… dan gaan we even een zaak oplossen!

Verhaallijn(en)

Nieuw bij de portretten is dit onderdeel ‘Verhaallijn(en)’. Ik gebruik het voor mezelf om wat aantekeningen kwijt te kunnen om een startpunt te hebben waar ik met het TN/WSNOI-karakter naar toe wil. Als je helemaal nog geen idee wilt hebben wat ik voor deze figuren in petto heb en dat liever gewoon gaandeweg in het boek leest, dan adviseer ik je deze tekst over te slaan. Het kan plotspoilers bevatten.

Met Koen Voet heb ik vooralsnog geen specifieke verhaallijnen voor ogen.

– fragment uit ‘VZD (10): De rotte appel – deel 1′:
Onze inbraakspecialist nam het zekere voor het onzekere en schakelde met zijn mobiele telefoon naar de vaste verbinding voor collega-hulpdiensten. Daar kreeg hij te spreken met centraliste Monique van Wijngaarden van de locale meldkamer. Zij liet, op basis van de melding die ze van Koen doorkreeg, een ambulance aanrijden. Onderwijl spurtte hijzelf naar zijn dienstwagen om daar zijn inbraakkit tevoorschijn te toveren. Met de juiste gereedschappen in de aanslag controleerde hij de voordeur en koos hij zijn geautomatiseerde KLOM Lockpick Gun om de klus mee te klaren. Zo dreef hij de Pickgun naalden één voor één het slot in tot hij de juist had en kreeg daarmee in een handomdraai de deur geforceerd. Deze was nabij de scharnieren nog wel voorzien van dievenklauwen, maar die stonden er overdag natuurlijk niet op. Eenmaal binnen trad hij vanuit het voorportaal eenvoudig de woonkamer binnen, maar had uit voorzorg zijn Beretta al in de aanslag. Omzichtig knielde hij bij het eerste slachtoffer dat hij eerder vanaf buiten maar half kon zien en zocht naar een pols. Godzijdank vond hij die, maar deze was kritiek zwak. Het ging om een jonge knul van een jaar of 16 of 17 die [AANWIJZING] gekneusd en vol blauwe plekken in de hoek van de kamer tegen een fauteuil lag gevouwen. Hij vloekte inwendig en wist dat de hulpdiensten hier op voorhand zouden falen als hij niet zelf in actie kwam. Om zeker te zijn dat hij de vrouw, die vermoedelijk zijn moeder was, een kans had gegeven, stond hij even op en controleerde hij ook haar. Kort daarop was hij alweer bij zijn jongste slachtoffer terug; de moeder was niet meer te redden. Bij zijn poging de pols terug te vinden, was hij gealarmeerd toen hij daar moeite mee had. Koen twijfelde geen ogenblik en met oog voor eventueel nieuw letsel positioneerde hij de jongen precies zo dat hij voldoende werkruimte had om reanimatiecontroles uit te voeren. Op aanspreken werd door de jongen niet meer gereageerd. Ademhalen deed hij evenmin. Hij seinde de centrale opnieuw in om een tweede ambulance te laten aanrijden en vermeldde daarbij dat hij de reanimatie was opgestart.
Al zijn inspanningen ten spijt overleed de jonge knul nog voor de eerste ambulance was gearriveerd. De broeders hadden de reanimatie bij aankomst nog wel overgenomen, maar staakten hun gespecialiseerde hulp al snel. Hij was al niet meer te redden voordat Koen Voet het huis was binnengedrongen. De inwendige kwetsuren hadden zijn lot reeds lang bezegeld. Vermoeid en ontdaan stond Koen even later onvast op zijn benen. Alhoewel hij vaker reanimaties heeft moeten toepassen – en helaas allen zonder het gewenste resultaat – was hij opnieuw flink geëmotioneerd. Ik heb hem daarop van de zaak gehaald en hem verzekerd dat zijn collega’s het hier zouden overnemen.
De slachtoffers werden eenvoudig geïdentificeerd als Olivia Roerling en haar zoon Jericho. Tezamen met Andrea in het duinbos en Roger op zijn klus onderaan een trap, was één ding duidelijk: iemand was erop uit geweest dit hele gezin om te leggen.

{KOEVOET} – fragment uit ‘VZD (10): De rotte appel – deel 1′:
Het was mij opgevallen dat Loek voor een tweede maal op een rij ons vlot van belanghebbende informatie omtrent dit onderzoek wist te verschaffen. Naast hem zat ik niet, zodat ik het schouderklopje verbaal moest uitdelen.
“Fijn dat je de feiten zo paraat hebt Loek. Daar steunt ons enorm. Wellicht dat je ons ook bij kunt schijnen voor wat betreft de moordwapens waarmee Gert Jan om het leven is gebracht? We zijn nu al zo’n tijd over zijn verwondingen aan het speculeren dat een oplossing toch binnen handbereik moet komen te liggen?”
Loek voelde de druk op zijn schouders toenemen en weifelde met een reactie, simpelweg omdat hij ditmaal zijn antwoord niet paraat had, terwijl hij moest bekennen dat hij verschillende theorieën had getoetst. Verzuchtend haalde hij zijn schouders op en schudde langzaam van nee. Hij wist het niet. Ook voor hem was de klauwhamer werkelijk de beste kandidaat. Plotseling ontstond er geroezemoes aan tafel waarbij de verschillende collega’s met elkaar in discussie gingen en theorieën met elkaar uitdeelden. Deze vraag had blijkbaar wat losgemaakt in mijn team waarop ik merkte hoe zeer dit vraagstuk ons allen bezighield. Maar aan wat wild gekakel had ik natuurlijk helemaal geen bal, zodat ik de groep moest manen niet door elkaar te praten.
“Hé, hé, hé, ik wil het even centraal houden allemaal! Graag de focus erbij. Jullie gekwebbel klinkt als onrustige stemmetjes in mijn hoofd.”
En zodra ik dat had uitgesproken, doofde abrupt het gonzende gesprek. Retroman was iets trager met reageren, maar maakte zichzelf onsterfelijk briljant met de timing van zijn op de eerste gehoor onbenullige vraag richting Sjors Kersten:
“…Dus jij hebt Koen Voet niet meer gezien voordat jij het Sambeekse Korenveld van hem overnam?…” Bedremmeld keek hij naar mijn strenge blik op welke geleidelijk overging in naar een zachtere gezichtsuitdrukking waarin ik in gedachten verzonken was. Iedereen had zijn of haar blik op Retroman of mij gericht en kreeg door dat er iets bizars aan tafel was gebeurd. Enkelen die het ook door hadden, proefden op hetzelfde moment met mij dat ene woord dat zich langzaam begon te manifesteren.
“…Koe-voet… Koevoet! Mannen dat is het!” riep ik verheugd. “Dat is de grote broer van de klauwhamer. Het profiel, de langere steel, het klopt allemaal. Gert Jan is vermoord met een koevoet. Haha!” Verrukt ontmoette mijn bruine kijkers één voor één eenieder die aan tafel zat. De meesten waren even blij verrast als ik. Ik stond op en liep die twee passen verder langs de tafel om Retroman hartelijk in zijn schouders te knijpen. Wat was ik blij. Retroman op zijn beurt keek nog altijd wat beduusd om zich heen alsof hij had opgetreden als de onbedoelde superheld in een strip. Duidelijk was dat iedereen de vreugde deelde. Alleen Agatha zat er nog wat bedenkelijk bij. Met haar vuist voor haar lippen gebald zat ze achteruit in haar sofa. De andere hand had ze om een elleboog gevouwen.
“Wat is het Agaat, ben jij niet blij dat we nu eindelijk weten hoe Gert Jan op de kop is getikt?”
“Oh jawel, dat ben ik zeker,” en ter bevestiging trakteerde ze ons op een gedoceerde glimlach. “Maar ik weet ook dat we met een koevoet nog altijd niet kunnen verklaren hoe Gert Jan aan de steken op zijn torso is gekomen. Zo’n handspaak is niet van [AANWIJZING] zaagtanden voorzien, wat zou kunnen verklaren dat de wonden op de voorkant van zijn lijf gekarteld zijn.”
En zo liet Gert Jan ons opnieuw met een raadsel achter.

VZD-afleveringen waar Koen Voet in voorkomt:

VZD (4): Triest bericht
VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’
VZD (6): Verrassing! – bij het zoeken naar een linkerschoen. In de tuin niet gevonden.
VZD (7): Red mij!
VZD (8): Eendjes voeren – alleen een korte ontmoeting met Karel om van gedachten te wisselen.
VZD (9) SPECIAL: The last Angel
VZD (10): De rotte appel – deel 1

Voorlopig gaan we even door met de VZD-portretten. Daarom is het portret van de volgende keer: L…