Het was onontkoombaar, zoveel zekerheid had ik; de dag dat ik het tijdelijke voor het eeuwige zou verruilen was in aantocht. De dood loerde en ik was er zeker van dat het zich sneller zou aandienen dan wanneer ik haar niet had ontmoet. Immers, eenieder die dit manuscript eerder in handen kreeg leed aan jeuk en korsten op de handen, ging automutileren en kon erop rekenen op enige dag zelf door het noodlot getroffen te worden. Het overkwam mevrouw Sjöberg en het overkwam al haar voorgangers. Deze jeuk kreeg ik ook, al leek het zich bij mij in mindere maten te manifesteren. Ik heb mij lang afgevraagd waarom. In plaats van de intensievere variant van deze huidaandoening werd ik overspoeld door een geweldige behoefte om te gaan schrijven en werd ik ’s nachts geplaagd door vreselijke nachtmerries. Belevenissen en wezens die ik daarin ontmoette gaan mijn verstand nog altijd ver te boven. Vele creaturen stonden qua verschijning wel erg ver weg van de humanoïde definities zoals wij daarmee vertrouwd zijn. Aan hen was weinig wat men tot de anatomie van de mens kan herleiden. Ik durf mij, in al mijn nietigheid in dit alles, niet in te denken hoe afschuwelijk mijn nachten zouden zijn geweest wanneer niet de ‘grijzen’ maar juist zij zich aan mij hadden opgedrongen. De kans is groot dat ik dan tijdens mijn dromen het leven al zou hebben verloren. Geen mens is tegen zulke monstrueuze voorkomen en begrippen opgewassen. Wel, hoe onwaarschijnlijk ook, mijn sterven had achteraf de mensheid zoals we die kennen, alleen maar goed gedaan. Tegelijk had dat ook te makkelijk geweest en hadden ze vast een ander slachtoffer gevonden. Mijn taak werd kennelijk te belangrijk geacht, voor de grote opzet dat vanuit deze kosmische atmosferen werd gesmeed, voor zover wij mensen dat met ons voorstellingsvermogen überhaupt al kunnen overzien. Alles had beter geweest indien mij de kans werd geboden mijzelf van het leven te beroven, zodat ik mij hier niet mee hoefde in te laten. Maar juist dát werd mij op alle mogelijke manieren belet, waardoor ik er ten lange leste aan toe gaf een instrument van dit monsterlijke meesterplan te worden. Hoe intens berouwvol ik er ook over ben en deze foltering zelfs mijn ergste vijand niet had willen aandoen, ik had simpelweg geen andere keuze.
Later ontmoette ik tijdens mijn nachtelijk dwalen de ‘grijzen’, waar ik zo menigmaal door werd onderzocht en door aan experimenten ben onderworpen (weet ik nu!). Zij kwamen verreweg in mijn dromen het meeste voor (en doen dat nu nog steeds). En in tegenstelling tot de eerdere gedrochten, hadden zij juist erg herkenbare lichamelijke kenmerken. Om iets preciezer te zijn: bij deze grijzen kon je tenminste spreken van een ‘lichaam’. Bij hen waren de karakteristieken waaraan we ons eigen ras zo duidelijk kunnen onderscheiden, betrekkelijk eenvoudig terug te vinden. Zo gemakkelijk zelfs dat ik bij mijn eerste ontmoeting welhaast meende met een misvormd kind van doen te hebben. Uiteraard wist ik dat het een nachtmerrie betrof, maar het menselijk voorstellingsvermogen is toch voortdurend bezig om ook abstractere beelden te refereren aan iets vertrouwds. Ik zeg ‘kind’, omdat deze grijzen kleiner zijn dan normale mensen, zo’n 1 meter 20 tot 1 meter 40 groot. Vanwege de afwijkingen die ik bij deze wezens observeerde, kon ik destijds dan ook de neiging niet onderdrukken het idee te hebben te dromen over kleine mensen die het slachtoffer waren geworden van een kernramp. Enorm grote ogen in een absurd omvangrijke schedel, geplaatst op een veel te klein lichaam.
Langzaam maar zeker begon ik wel te wennen aan hun verschijning. De morbide dromen die ik had werden almaar levendiger totdat ik op den duur merkte dat ze lucide werden, hetgeen wil zeggen dat ik controle zou moeten hebben over wat ik droom en daar eigen beslissingen in kan maken. Dat laatste was vooral schijn. Ja, de belevingen werden steeds echter, maar hoe meer ik de geprojecteerde beelden wist te relativeren en buiten mijn slaap nog als herinnering wist vast te houden, hoe meer ik de grip verloor op wat ik op de avonturen kon inbrengen. Het kwam er kort gezegd op neer dat ik mijn vrije wil verloor en ontvoerd en onderzocht werd.
Tussen de nachtmerries door werd ik vaak wakker, op de meeste bizarre tijdstippen. Het was niet doordat ik toiletbehoefte had dat ik meteen naar het kleinste kamertje in huis moest, nee, ik moest schrijven. Ik móest schrijven! Het was haast alsof mij geen andere keuze geboden werd en ik als voorgeprogrammeerde robot verhalen diende op te pennen, verhalen waar ik van kop tot staart en zelfs het middenstuk geen flauw benul had waar deze informatie vandaan kwam. Wel, dat is niet helemaal waar; het vermoeden ging bij mij langzaam rijzen dat het de Grijzen waren die mij tijdens mijn slaap, en dus tijdens hun experimenten, van deze beschrijvingen voorzagen. Nu vond ik dat al bizar. Wat zo mogelijk nog wonderlijker was, is dat ik de taal waarin ik deze teksten optekende helemaal niet beheerste. Beheerste, zeg ik nadrukkelijk. Want op den duur begon ik in de voor mij eerder nog betekenisloze woorden langzaam een structuur te ontdekken. Los begreep ik van de afzonderlijke woorden nog altijd niets, maar in samengesteld verband zag het er naar uit dat ik blauwdrukken aan het definiëren was, blauwdrukken van – zo noem ik het zelf – gekalibreerde gedrochten. Ik kreeg er oog voor.
Na verloop van tijd ontmoette ik op enig moment nog een geheel nieuw wezen. Het was er één die in de verste verte niet in de buurt kwam van de vormlozen en de Grijzen die ik eerder geregeld tegenkwam en waarvan de laatste mij aldoor gebroederlijk benaderden. De ontzagwekkende entiteit – ik zou niet weten hoe ik hem of het anders zou moeten noemen – verscheen ineens als een abstract gevoel dat alles in mijn nachtmerriewereld leek aan te sturen. In het begin vormde het nog enkel waas op mijn lens, alsof er een vuiltje in de hoek van je oog zat, maar daar is meteen ook alle vergelijking met zoiets futiels mee beschreven. Deze waas was namelijk een leunende, ik zou haast willen zeggen ’steunende’ factor die steeds prominenter in mijn dromen optrad. De buitenaardse gedrochten, zoals met name de Grijzen, waren onverminderd met mij aan het knoeien en stopten mij vol met onbegrijpelijke relazen die ik vervolgens weer in de realiteit dwangmatig moest uitwerken. De waas werd groter en, vreemd genoeg, op enig moment ook steeds vertrouwder. Ik ben niet zeker hoe ik het met de instrumenten die ons mensen is gegeven aan een ander zou moeten uitleggen, maar ik weet wel dat ik zonder dit alomvattende element in mijn nachtmerries, de nachtmerries niet zou hebben kunnen overleven.
Toch was er op één nacht ineens een erg angstwekkende nachtmerrie. Ik weet nog goed hoe verbitterd en ellendig ik mij toen voelde, maar ook hoe zwak mijn gestel toen was (mijn nachtelijke uitstapjes trokken een erg zware wissel op mijn gezondheid). Die nacht waren er in het geheel geen grijzen te bespeuren, die mij normaal op hun levenloze wereld als speelpop gebruikten. Daarvoor in de plaats waren er wel sliertvormige organismen, erg vriendelijk van aura, die mij meevoerden naar een soort enorme duistere grot. Eigenlijk kon je niet echt van een grot spreken, maar dat is de beste referentie die ik er zelf bij kan plaatsen. De ruimte waarin ik terechtkwam was veel grotesker, meer te vergelijken met een soort conische leegte van superkrater formaat, afgesloten en weggeborgen in een ondergrondse wereld. Ik werd er naar een rand, toelopend naar een afgrond toe geleid en had er de indruk dat ik mij erg dicht bij deze eerder genoemde ‘waas’ bevond. Wel, dat kwam wel uit. Maar omdat de ruimte waar ik mij bevond zo gigantisch was, kon ik onmogelijk overzien waar deze onderaardse uitgestrektheid begon of eindigde. Wat bleek was dat ik aldoor vlak bij het midden van een immens groot wezen stond. De omvang ervan ging alle voorstellingen te buiten. In vergelijking met het menselijk lichaam had ik zomaar een porie kunnen wezen tegenover een onwaarschijnlijke reus van een gedrocht. Want, een gedrocht was het. En deze afgrijselijk grote entiteit, die mij kennelijk hiervoor steeds vertrouwd had geleken, liet toen zijn ware kleuren zien en sprak mij op telepathische wijze demonisch toe.
Kort daarna ontwaakte ik uit deze monsternachtmerrie. Badend in het zweet golfde ik zowat over mijn bed en donderde er uiteindelijk uit. Ik gaf in stoten slijm en bloed op en voelde mij zo ellendig dat ik serieus hoopte erin te zullen stikken om nooit meer op te staan.
Ik kreeg een opdracht mee. Of liever gezegd: ik wist nu met welke opdracht ik door de Grijzen inmiddels aan het werk gesteld was en wat daar het kortetermijndoel van was. En echt, ik zwoer het op hetgeen mij het meeste dierbaar is (wat heeft opgeleverd dat ik er mijn gezin aan ten onder heb zien gaan), ik had nog liever pijnlijk willen rotten in de hel dan onze wereld mee te trekken in deze kosmische horror. Met de moed der wanhoop heb ik, met het dreigement mijn eigen vrouw en kind te moeten begraven, besloten de opdracht toch ten uitvoer te brengen. Bovendien lag er de tegenprestatie eindelijk uit mijn lijden te zullen worden verlost.

Het spijt mij zo Achmed, dat ik deze onbeschrijfelijke last nu aan jou moet overdragen…

Een Hongaarse zaak met Tinus Icket als hoofdverdachte

Voor dit verhaal heb ik de inspiratie opgedaan in Boedapest, de hoofdstad van Hongarije. Toen ik daar met mijn gezinnetje een lang weekend heerlijk heb kunnen nazomeren en we vele bezienswaardigheden samen heb bezocht, deed ik op een avond zodra ik onder de douche vandaan stapte ineens een wel erg aparte ontdekking. Een man die zich een paar cabines verderop ophield had ik al die tijd geen geluid horen maken. Maar hoe kan dat? vroeg ik mij af. Je maakt toch altijd wel iets geluid wanneer je tien minuten onder de douche staat? Dus zodra ik de ruimte met de douches verliet, kon ik het niet laten om toch even voorzichtig te gluren of het wel goed ging met deze man. En wat bleek? Hij lag gewoon in de cabine zijn roes uit te slapen! En wie mij dan een beetje kent, weet dat er in mijn hersenpan dan al meteen een verhaal begint te ratelen. Aldus ‘Raining chestnuts’. Met de groeten uit Boedapest.

“De muzikale fontein was prachtig hè, schat?” zei Jenny met een gelukzalige glimlach rond haar mond terwijl ze haar man Tinus aankeek. “Wel jammer dat de muziek niet aan stond. We waren er toch echt op het moment dat er in de gids staat aangegeven dat hij een concert moest geven.”
Tinus zei niks, maar antwoordde met een instemmend keelgeluid. Bijna stoïcijns duwde hij de rode buggy voor zich uit waarin hun bijna twee jaar oude dochter Joaquima nog wat slaperig voor zich uit staarde. Hij en zijn gezin genoten nog even van hun lange weekend in Boedapest. Het was de laatste dag van hun korte vakantie, welke zij doorbrachten op dezelfde plek waar zij deze de dag na aankomst hadden besteed: Margaret Island. Jenny was op het idee gekomen hun reis daar af te sluiten aangezien het weerbeeld er nu beter voor stond dan op de dag dat ze hier voor het eerst waren. Toen begon het in de tweede helft van de ochtend te miezeren. Margaret Island is een eiland dat midden in de hoofdstad centraal is gelegen in de rivier de Donau, dat lokaal de Danu wordt genoemd. Het gehele eiland is een stadspark, ingevangen door de Margarethabrug en de Árpádbrug, die beide de vroeger nog afzonderlijke steden ‘Boeda’ en ‘Pest’ verbinden. In het park is een speciaal parcours aangelegd dat gemakkelijk vijf kilometer beslaat en joggers daarmee het hele eilandoppervlak laat zien. Voor sporters is het er sowieso een paradijs omdat er verschillende faciliteiten te vinden zijn, zoals een tennisbaan, een atletiekbaan en het Álfred Hájos sportzwembad. Maar ook voor hen die net wat minder sportief zijn aangelegd of gewoon zomaar de benen willen strekken is het er prima vertoeven. Het eiland biedt veel natuurschoon, gedomineerd door de talrijke grote kastanjebomen. Het eiland is op z’n mooist in de lente, maar het zal je ook fascineren in de herfst wanneer het gebladerte een mix van kleuren laat zien variërend van geel en oranje tot roodbruin, zoals nu het geval is.
Het park straalde een natuurlijke serene rust uit. De balans van schaduwen en het licht dat daarbij door de bomen viel was perfect. Terwijl Jenny op de camera de onlangs geschoten foto’s van de fontein nog eens doorliep, keek Tinus dromerig voor zich uit. Tussen de bladeren van twee berken hing een enkele draad van een spinnenweb dat glinsterde in het ochtendlicht. Zijn blik was er onbedoeld op gefixeerd. Toch had Tinus moeite om aan deze overdaad van luisterrijke indrukken toe te komen. Zijn gedachten waren namelijk nog steeds bij de ontdekking die hij de voorgaande avond had gedaan.

Terug van hun klimtochten aan Gellért Hill en Castle Hill kon het contrast met de verwarmde stoombaden uit Gellért Spa haast niet groter; om de kosten van hun reis te drukken hadden Tinus en zijn gezin een low budget overnachting geboekt op een botel nabij het Margaret eiland, met krappe kajuiten en erg eenvoudige douches. Tinus trok zich terug in de toiletruimtes van dit drijvende verblijf, waar deze voorziening tegenover de wc’s was aangebracht. Drie betegelde hokjes met een plastic gordijntjes ervoor was alles wat de douchecabines voorstelden. De douchekoppen kon je niet ophangen omdat alle beugels kapot waren en tenminste één van de slangen lekte. Trok je het gordijntje iets te veel naar links, dan kon men aan de rechterkant bij je naar binnen gluren en vice versa. Privacy was er dus ver te zoeken. Zelfs een eenvoudig haakje om je kleren aan op te hangen, was iets te veel gevraagd. Wilde men zich erin opfrissen, dan moest je bovendien op de koop toe nemen dat je vaak tegenover een paar schijtende Hongaren stond. Smerig was het er eigenlijk niet eens, maar voor je plezier jezelf een half uur schoonspoelen zullen weinig mensen hier graag doen.
Gelukkig maakte de overvloed aan wat de stad Boedapest te bieden had het gebrek aan luxe meer dan goed, zodat Tinus zich troostend met die gedachte naar de achterste doucheruimte begaf. Was dat onbewust omdat hem dat nog het meeste gevoel van privacy gaf? De voorste was in elk geval bezet. Na zich te hebben uitgekleed hing hij zijn kleren – zoals hij de dagen ervoor ook had gedaan – maar even op achter de in onbruik geraakte stang waar normaal de doucheslang mee op hoogte gehouden werd. Creatief probeerde hij zichzelf in te zepen en af te spoelen, zonder zijn opgehangen kleren nat te maken. Hetgeen aardig lukte. Door de warme waterstralen op zijn gezicht en bovenlichaam te richten stelde hij zich voor dat hij nog met z’n gat in de Hongaarse thermen dreef. Dit beeld kon hij echter maar moeilijk vasthouden; uit één van de hokjes tegenover hem klonken naargeestige geluiden waar hij zich liever geen visuele voorstelling van wilde maken. Ze verscheurden de stilte die er had geheerst toen Tinus dit vertrek was binnengestapt. Stiekem had hij natuurlijk gehoopt dat er, behalve de persoon in de eerste doucheruimte, in elk geval niemand op het toilet zat. En dat maakte een nieuwe gedachte bij hem los; het viel hem namelijk op dat hij de persoon in de voorste cabine nog helemaal niet had gehoord. Tinus stond hier toch al gauw een minuut of tien en had toch op z’n minst geluiden verwacht van iemand die zich aan het af te drogen was, stromend water, het ritselen van het gordijn of andere geluiden die bij het douchen pasten. Zou de man zich zo ongemakkelijk hebben gevoeld toen er op het toilet plaatsgenomen werd dat hij zich niet durfde te verroeren? Ach, kom op Tinus, dacht hij bij zichzelf terwijl hij dat absurde idee uit z’n hoofd schudde. Die Hongaren hier zijn allen van die kloeke types. Die trekken zich echt geen reet aan van hoe andere mannen zich hier onbehouwen ophouden. Aldus probeerde hij dit gegeven te negeren en concentreerde hij zich weer op het zichzelf afdrogen, zijn kleding droog houden en daarmee en het bewaren van zijn evenwicht. Toen hij ten slotte klaar was en wonder boven wonder droog en ongeschonden de cabine verliet moest hij langs de voorste wilde hij de toiletruimtes weer kunnen verlaten. En in het voorbijgaan van de ruimte waar de andere man zich nog altijd stil hield, kon Tinus zijn plichtsgevoel toch niet onderdrukken om toch even te controleren of het wel goed met hem ging. Tinus is immers bedrijfshulpverlener. Dus aarzelde hij even toen hij bij de entree voor het wastafeltje stond wat hij zou doen. IJdel als hij is wilde hij toch nog even een blik werpen in de spiegel, dus zou niemand ervan hebben opgekeken wanneer hij zich daar ophield. Nu worstelde hij toch even: aan de ene kant vond hij dat hij de man moest controleren, maar aan de andere kant zou hij zichzelf daarmee wel confronteren met een naakte man. Had hij daar wel behoefte aan? En hoe zou die vent daar op reageren, helemaal wanneer er niets aan de hand bleek?
“Hello sir? Are you okay?” probeerde hij uiteindelijk, puur op stemgeluid en zonder aan het gordijntje te zitten. Maar er kwam geen reactie. Direct realiseerde hij met een schok dat de andere man die blijkbaar op het schijthuis zat, zich daarop eveneens verdacht stilhield. Was dat ook niet vreemd? Maar toen Tinus daar even bij nadacht bedacht hij dat hij misschien net zo zou hebben gereageerd. Hij stond op het punt de situatie maar te negeren door de deur naar de gang al te openen, toen hij juist daardoor een hoek in zijn beweging ontdekte waardoor hij onopvallend bij de man naar binnen kon gluren. Het bleek precies voldoende om een glimp op te vangen van de conditie van de man zonder hem volledig in zijn adamskostuum te hoeven bewonderen. Het resultaat was onthutsend. Tinus schrok zich wezenloos; de man lag in een onnatuurlijke houding bewegingsloos op de grond.

“Nog steeds met je hoofd bij gisterenavond?” vroeg Jenny ongerust zodra ze merkte dat Tinus wat afwezig was. Abrupt werd Tinus hierop uit zijn roes en de mix van beelden getrokken waarin hij zojuist verzonken was en zijn belevingswereld maakte weer plaats voor de geuren en kleuren van het hier en nu. Twee mannen op grote grasmaaiers trokken voor hen links en rechts wilde patronen door de grasperken. De één deed z’n werk verderop over het veld, terwijl de andere grasmaaier langs het voetpad scheerde en het groene maaisel vers voor het wandelend gezinnetje opwierp, op een afstandje nog ver genoeg van hen verwijderd dat normaal ademhalen mogelijk bleef. Vol ontzag keek de kleine Joaquima vanuit de buggy naar het spektakel van dit parkonderhoud, terwijl Tinus de diepbruine kijkers van zijn vrouw ontmoette.
“Ja, sorry schat. Die ontdekking van zondag blijft nog wat door mijn hoofd spoken. Het gebeurt gelukkig niet iedere dag dat je een dode man in je botel vindt, nietwaar?”
Jenny knikte op haar typische manier ietwat onverschillig en haalde met eenzelfde gebaar haar schouders even op.
“Het was in elk geval erg lief van Karel dat hij aanbood om het onderzoek te ondersteunen. Dat hoefde hij echt niet te doen, hè?” haalde Jenny aan, terwijl ze controleerde of ze de dop al op de camera had gedraaid. Ze doelde daarmee op de tussenkomst van Tinus’ collega waarmee hij thuis in Nederland geregeld op de redactie samenwerkt en waarmee hij gisterenavond laat nog contact had gelegd. Het begon inmiddels al bijna nachtwerk te worden toen Tinus nog op het plaatselijke politiebureau aanwezig was voor de ondervragingen. Daar leek maar geen einde aan te komen, terwijl Tinus ze niet heel veel meer kon bieden dan te vertellen dat hij met zijn gezinnetje op vakantie was en toevallig deze man levenloos in de doucheruimte vond. Het begon er onderhand op te lijken dat hij zelf als verdachte werd aangemerkt. Voor zijn dames had hij daarom uiteindelijk maar een taxi naar het botel geregeld, zodat Joaquima nog een beetje op tijd naar bed kon. Vervolgens had hij hulp ingeroepen vanuit Nederland.
“Dat was beslist erg aardig van hem. Hoewel ik weet dat ik hem altijd kan bellen, was het voor hem toch ook een latertje geworden. We zijn tot na middernacht in gesprek geweest.”
“Maar hij zal nu niet naar Boedapest komen toch?” vroeg Jenny, oprecht begaan met Karel’s eigen tijdbesteding. Het verloop van de bewuste late verhandelingen had ze nog niet vernomen, omdat ze toen zelf ook al in dromenland verkeerde.
“Nee, dat zal niet nodig zijn denk ik. De hele reden waarom ik vroeg of ik hem mocht bellen is vanwege zijn invloeden in buitenlandse delicten en natuurlijk zijn reputatie als vooraanstaand rechercheur.”
Jenny keek opnieuw Tinus even aan en trok bedenkelijk een wenkbrauw hoog op. Tot noch toe had ze van Karel steeds een beeld ontwikkeld van een stuntelige speurder die met zijn grote politielaarzen dwars door alle plaatsen delict heen stampt.
“Ik weet wat je denkt schat,” reageerde Tinus meteen, zodra hij de blik van zijn vrouw interpreteerde. “Karel mag misschien ogen als niet de aller handigste rechercheur aller tijden, maar hij heeft ondertussen wel een goed woordje voor me kunnen doen, zodat we zonder verdere verplichtingen weer vanuit Hongarije naar Nederland kunnen vliegen.”
Jenny glimlachte tevreden. Dat was inderdaad wel een geruststelling. Hoewel ze erg had genoten van het lange weekend in deze hoofdstad met de vele prachtige bezienswaardigheden, wilde ze ook wel weer graag naar huis. “Dus hebben ze je niet meer nodig om te weten hoe deze man is gestorven?”
“Ik moet mezelf natuurlijk wel beschikbaar houden. Maar daarvoor hoef ik niet binnen landsgrenzen te blijven. Afgesproken is dat ze met Karel of mij contact zullen opnemen, mocht aanvullende informatie wenselijk zijn. Ze zullen altijd eerst met Lou Bas schakelen, een ex-collega van Karel waarmee hij eerder in Nederland heeft samengewerkt.”
“Een collega van Karel? Woont hij hier, in Boedapest?”
“Hier aan de ‘Pest-zijde’,” antwoordde Tinus, terwijl hij met zijn mond naar de oostelijke zijde van de Donau wees. Deze manier van het met pruilende lippen in een specifieke richting wijzen is een gewoonte die Tinus had overgenomen uit de Filippijnen, waar zijn vrouw vandaan kwam. Het werkte erg aanstekelijk op hem. “Ik geloof dat Karel zelfs zei dat Lou hier geboren was en dus zijn carrière hier wilde voortzetten. Hij woont en werkt hier nu alweer een paar jaar en is direct bij het onderzoek betrokken. Je hebt kans dat ik zo nog wel door hem of door Karel gebeld zal worden. Voor de rest kunnen we nog even van onze dag genieten, voordat we dadelijk naar het vliegveld terug moeten.”
“Klinkt goed. Al ben ik nu ook wel nieuwsgierig hoe de man die je gisteren vond…”
Jenny kreeg de kans niet haar zin af te maken. Ze werd onderbroken door een luide ringtone uit Tinus’ broekzak, waarmee tegelijk de rust in het park werd verstoord.
“Momentje schat,” reageerde Tinus en greep daarop naar zijn telefoon die hij vervolgens demonstratief met het display naar zijn vrouw gericht aan haar liet zien. “Als je het toch over de duivel hebt.”
Jenny trok betekenisvol zuur haar lippen samen. Het was één van haar vele cartooneske gezichtsuitdrukkingen waardoor Tinus zo gek op haar is. Hij grijnsde en genoot van haar bijna afkeurende blik. De buggy gaf hij aan zijn vrouw door en stond de beller te woord.
“Karel. Wat een verrassing. We hadden het net over je,” de zucht die Tinus hierbij ongegeneerd liet gaan kon zijn gesprekspartner, ondanks de afstand die er tussen hen zat, niet zijn ontgaan.
“Euh, hoi Tinus. Ik stoor je toch niet?” antwoordde Karel.
“Absoluut niet. We branden van nieuwsgierigheid. We willen graag weten wie er achter de dood van de man zit.”
“Nou, dat klinkt ook niet echt overtuigend.”
“Wat heb je voor ons?” Tinus’ woorden klonken absoluut sarcastisch, hetgeen Karel niet ontging. Toch kende hij zijn vriend goed genoeg om te weten dat dit iets onbenulligs tussen hem en Jenny moest wezen waardoor hij al snel besloot het te negeren.
“Het zijn de Hongaren, Tinus. Ze willen van je weten waar je gisteren allemaal hebt uitgehangen.”
“Wat?” nu klonk er wel wat irritatie door in zijn stem. “Dat heb ik ze gisteren toch allemaal al verteld? Ik heb ze zowat ons halve reisverslag zien meepennen. Proberen ze nu via jou ook nog te toetsen of mijn verhaal wel klopt? Belachelijk. Nou ja, jij hebt in elk geval recht te weten waar we zijn geweest. Anders had ik het je op kantoor toch verteld. We hebben gisteren gezwommen in de thermen van Géllert Spa. En daarna hebben we de heuvels die daarnaast aan de Budazijde van de rivier liggen verkend en hebben de dag afgesloten met een diner in het Spoon restaurant. Daarvoor moesten we de Chain Brigde oversteken, één van de vele bruggen hier in deze stad, omdat het restaurant aan de andere kant ligt en zijn daarna langs de Pestzijde terug naar ons verblijf gelopen.”
“Ja ja, ik hoor het alweer. Je hebt je weer flink in de watten laten leggen door Jen,” reageerde Karel, die van Tinus wist dat Jenny op hun vakanties meestal degene is die de portemonnaiee trekt. “En hoeveel wijn had je toen al op?”
Inmiddels drong het tot Tinus door dat zijn vriend hem weer eens zat te stangen. Ineens realiseerde hij dat hij zich weer eens door de inspecteur had laten meevoeren.
“Karel? Je bent onverbeterlijk. Je belt me toch niet serieus op om even te controleren hoe diep ik in het glaasje heb gekeken? Kom op man.”
Karel moest even vermakelijk lachen. Dit was niet de eerste keer dat hij Tinus in het ootje nam. Hij stonk er zo makkelijk in dat hij zich al verkneukelde voordat hij zijn nummer had gedraaid. Verder beheerste hij zich omdat hij zijn vriend serieuzere zaken mee te delen had.
“Wat heb je echt voor me?”
Tinus hoorde Karel een slok van zijn koffie nemen voordat hij vervolgde.
“Ik heb vanmorgen Lou gesproken en ze hebben enkele achtergronden nagetrokken van het slachtoffer. De man heet Szilágyi Endre. Ik heb even moeten studeren op die naam. Anders dan we in het Nederlands gewend zijn van de volgorde van voor- en achternamen, is het in het Hongaars gebruikelijk om dat om te draaien. Maar laten we hem gewoon Endre te noemen, dat lijkt mij wel zo praktisch. Zijn naam was niet zo heel moeilijk te achterhalen, daar zijn ze via de receptie van het botel zo aan gekomen. Alleen, anders dan met passanten zoals jullie, wisten ze in het geval van Endre ook zonder in het register van hun boekingen te duiken meteen te zeggen dat het om hem moest gaan. Hij was inmiddels een vertrouwde gast die al enkele weken op de botel stond ingeschreven. Endre verbleef onder in het drijvende hotel in hetzelfde type vertrek waar jullie ook verblijven, waaruit valt op te maken dat de beste man niet al te veel geld had om te besteden. En daarmee droogt het botel als bron van informatie ook meteen op. Dit komt doordat Endre er geen echt opvallende gast was. Dat heb je met sommige mensen. Die komen en gaan zonder dat je de kans krijgt om hun aanwezigheid echt op te merken. Ondanks zijn reeds langere verblijf sprak hij namelijk weinig met het personeel en besteedde hij juist meer tijd buiten dan op het botel. Hij was dus net een actieve kat, die alleen naar huis kwam wanneer je met voer rammelde of de bak weer had verschoond.”
“En zijn beroep, zijn ze daar al meer over te weten gekomen?” wilde Tinus weten. “Zijn er mensen die hem missen? Had hij voorbeeld een gezin?”
“Nee, zover zijn ze nog niet. Vergeet niet dat we pas één nacht verder zijn na jouw ontdekking. Zulke gegevens duren vaak iets langer voordat men daar achter is. Ik verwacht dat ze daar vanmiddag wel iets verder in zijn. De eerste inzichten komen vaak het snelst uit het plaats delict naar voren, omdat daar de eerste tastbare bewijzen gevonden worden. Al heeft dat in het geval van deze Endre voorlopig juist alleen maar meer raadsels opgeleverd. Wat ons tegen zit, want dat maakt dat jij daardoor langer op het verdachtenbankje blijft zitten.”
“Maar ik dacht dat we gisteren het sein vrij hadden gekregen, zodat Jenny en ik met Joaquima vanmiddag naar huis kunnen?”
Tinus voelde zich ineens wat ongemakkelijk en richtte zijn blik op zijn gezin, dat geduldig naast hem was blijven lopen. Jenny was ondertussen door Joaquima afgeleid doordat ze naar een stel vogels bleef wijzen en daarbij indringend ‘tie-tie’ bleef roepen, haar verzamelwoord voor vogels waar ze de naam nog niet van wist. Het betrof een drietal grote bonte kraaien, waarvan Tinus zo gauw de soort niet kende en ze daarom door hun uiterlijk en militaire loopje de ‘communistische kraaien van Boedapest’ noemde.
“Maak je niet ongerust, Tinus,” vervolgde Karel. “Het was verstandig van je om mij in te schakelen. Via Lou hou ik de lijn in dit onderzoek vanuit Nederland open. Zolang we de echte doodsoorzaak van Endre kunnen achterhalen, zal het forensisch team in Hongarije al snel haar interesse in jou hierin verliezen.”
“Ja, want daar ben ik nu ook wel echt nieuwsgierig naar. Is er op dit punt al duidelijk of het om een ongeluk gaat of is Endre door iemand omgebracht?”
“Daar zijn ze nog niet zeker van. Ze zijn al wel begonnen met de obductie. Daarbij wordt er door een patholoog anatoom bekeken hoe Endre kan zijn gestorven. Ons geluk is dat Lou nauw samenwerkt met deze lijkschouwer, zoals dat ook wel wordt genoemd, zodat hij mij daar vanmorgen al iets over kon vertellen.”
Tinus schoof het toestel nog wat beter tegen de schelp van zijn oor. Hij was oprecht benieuwd wat ze nu al over de doodsoorzaak te weten waren gekomen.
“Eén van de eerste dingen die de lijkschouwer meteen opviel was een verwonding boven op de rug van deze jonge man. Onder het rechterschouderblad is zijn huid namelijk stuk en ligt er een flinke bloeduitstorting omheen. Daarom wordt vermoed dat Endre ergens met veel kracht tegenaan is geknald of dat er met een hard voorwerp tegen zijn rug is geslagen. Maar omdat er ook vezels van zijn kleding in de wond terecht zijn gekomen, wordt er eerder aan het eerste gedacht.”
“Huh, waarom?” vroeg Tinus. “Kunnen ze dat daaruit opmaken?”
“Hm, zeker,” reageerde Karel, na opnieuw een teug koffie. “Gesteld dat er iemand was die Endre op de rug had geslagen, met bijvoorbeeld een honkbalknuppel of zelfs een vuil stuk hout, dan had zijn kleding recht ingeslagen geweest op de plek waar hij nu een wond heeft. Zijn jas moet dan het vuil hebben opgevangen. Dat blijkt ook wel, want ze hebben viezigheid op zijn jas aangetroffen. Maar wanneer er zo’n slag is uitgedeeld dan is het onwaarschijnlijk dat er ook materiaal werd overgedragen van zijn kleren op de wond. Je slaat geen stof los door er recht op te slaan, tenzij het om een erg oude jas gaat en dat droeg Endre niet. Dus is het aannemelijker dat hij tegen een harde ondergrond viel, omdat er redelijk wat synthetisch stof van zijn pullover is losgescheurd en in de wond terecht is gekomen. We spreken natuurlijk van enkele fijne vezels die je nog net met het blote oog kunt zien, maar toch.”
“Goh zeg, dat ze dat allemaal aan een wond kunnen aflezen. Dus begrijp ik goed dat Endre gewoon erg ongelukkig is gevallen?”
Karel pauzeerde even door zijn beker leeg te drinken en deze weg te zetten, voordat hij weer antwoordde.
“Ik weet wat je denkt, Tinus. Alleen verwacht ik eerlijk gezegd niet dat die wond Endre het leven heeft gekost. Zoals je waarschijnlijk wel hebt begrepen en hebt kunnen zien was Endre nog slechts een jonge gast. Uit de gegevens van het botel blijkt dat hij zevenentwintig was, een vitale jonge knul die mijns inziens wel tegen een stootje kan. Hoe lelijk die wond er ook uitziet, aannemelijker is nog steeds dat hij die wond eerder of later opliep naast het algehele letsel waar we mee te maken hebben.”
“Ik ben je even kwijt. Wat bedoel je met dat ‘algehele letsel’?”
“Zoals ik reeds aankondigde was die wond achter op zijn rug niet het enige wat de lijkschouwer direct opviel.”
“Je houdt me in spanning, Karel. Wat heeft hij nog meer kunnen vinden?”
Karel ademde even diep in en zuchtte flink uit. Dat was vaak het teken dat de inspecteur iets zou verkondigen waar hij zelf met zijn pet ook niet bij kon.
“Je herinnert je vast het roze slijm nog wel dat uit de mond van ons slachtoffer droop toen je hem vond.”
Tinus humde als teken van instemming.
“Dit roze slijm wordt ‘sputum’ genoemd en staat voor speeksel dat vermengd is met bloed dat wordt opgehoest uit de diepe luchtwegen. Daarnaast had Endre een bleke sterk opgeblazen huid en bloedingen in de oogslijmvliezen. Zijn neusgaten stonden wijd open en aan de huid rondom zijn lippen en nagels was te zien dat er sprake was van cyanose. Dat wil zeggen dat de huid blauw kleurt door de aanwezigheid van gedeoxygeneerde hemoglobine in de bloedvaten in de buurt van het huidoppervlak.”
“Karel. Iets minder uitleg en vakjargon alsjeblieft. Wat duidt dit allemaal op?”
“Waar het op duidt Tinus, is dat jouw slachtoffer verdrinkingsverschijnselen vertoont.”
Even viel er tussen de heren een korte stilte.
“En dat kan niet?” vroeg Tinus.
“Wel,” zei Karel. “Niet tenzij iemand hem kort daarvoor verzopen heeft en hem daarna in zijn blote gat onder de douche heeft geplaatst. Dat lijkt mij op zich al een hele prestatie om dat onopvallend op een botel te ensceneren. Maar wat ik vooral niet snap, is dat Endre’s lichaam volledig was ingezeept. Op het moment dat hij verdronk, wilde hij zich waarschijnlijk juist gaan afspoelen. Dus waarom was al dat zeep nog op zijn huid aanwezig?”

Joaquima mocht eindelijk zelf weer eens de benen strekken. Na een korte wandeling door het eilandpark, waarbij ze haar vader gemakkelijk een derde ervan aan de telefoon had zien hangen, maakte mama eindelijk het gordeltje los van haar buggy. Het gezinnetje was teruggekeerd naar de kant van het eiland waar je er via de Margarethabrug op kwam en je in alle rust van de muzikale fontein kon genieten. Ook ditmaal werd er geen muziek afgespeeld, maar daar lieten Jenny en Tinus zich al niet meer door afleiden. Mogelijk was hij stuk of was er sprake van onderhoud. Ze hadden ervoor gekozen om zich nog even op te houden bij een open veldje dat aan het voetpad werd geflankeerd door enkele grove kastanjebomen. Majestueus pronkten de imposante loofbomen aan het openbaar groen. Uit de schutbladen hadden zich eerder dit seizoen flinke bolsters gevormd die overvloedig de aandacht opeisten tussen de grof gezaagde lancetvormig bladeren. Startklaar om de onbegonnen strijd aan de gaan met de zwaartekracht gluurden enkele glanzende vruchten al voorzichtig door hun stekelige pantsers.
“Papa!” klonk het vol enthousiasme toen Joaquima al uit de buggy begon weg te rennen terwijl haar moeder nog bezig was om één van haar armen los te wurmen. In volle sprint vloog ze achter haar vader aan. Tinus had het idee opgevat zijn dochter uit te dagen door het grasveld op te rennen. Nergens was een bordje te bekennen dat dit niet mocht en aangezien ze ook andere mensen van de velden gebruik zagen maken voelde hij zich niet geremd. Behendig griste hij vast enkele ontblote kastanjes van het veld terwijl hij met ingehouden tred speels voor zijn dochter uitrende.
“Papa!” schreeuwde Joaquima weer naar haar vader. En uit haar intonatie kon Tinus opmaken dat hier de grens lag tot waar hij zijn dochter kon uitdagen voordat ze er driftig van zou worden. Prompt stopte hij op de plek waar hij stond en draaide zich naar haar om. Joaquima vloog in volle vaart in haar vaders armen die hij voor haar omlaag hield waarop vader en dochter door haar snelheid omvielen en in het gras verder stoeiden. Op de achtergrond had Jenny ondertussen de buggy wat uit het looppad geplaatst en was ze zelf neergestreken op één van de talrijke parkbankjes. Zorgvuldig had ze er een gekozen die niet precies in het bereik van de kastanjes stond, want in tegenstelling tot haar durfals had ze het zelf niet zo op de voortdurende kastanjeregen. Het kruispunt van de wandelpaden waar Jenny zat telde precies twee kastanjebomen, beide rechts van haar, ieder in een hoek van een veld. Langs de bast van de verste van de twee kon ze haar man en dochter zien ravotten.
Tinus was het gesprek met Karel blijkbaar alweer even vergeten. Zijn aandacht ging nu volledig op aan de tijd die hij met zijn kleine meid spendeerde. De amper twee jaar oude Joaquima had zich inmiddels uit de knuffelgrage armen van haar vader verlost en was plagend bij hem weggerend. Jenny sloeg de twee gade en schreeuwde vanuit de verte iets over de boomvruchten die ze langs Joaquima naar beneden zag suizen, maar zowel Tinus als zijn dochter ontgingen het schijnbare gevaar evenals de moederlijke bezorgdheid.
“Quima!” riep Tinus naar zijn dochter en wierp haar een van de kastanjes toe die hij onderweg had opgeraapt, haar aanmoedigend naar hem hetzelfde te doen. Hij realiseerde dat hij haar hiermee wel aan het aanleren was om met spullen te gooien, maar de verleiding om dat hier niet te doen was simpelweg te groot. Zijn dartele dochtertje draaide zich naar hem om en begreep direct wat er van haar verwacht werd. Vanuit haar onderzoekende karakter bestudeerde ze de kastanje eerst voordat ze hem weg wierp. In haar kleine knuistje had de glanzende vrucht zowat een tennisbal geleken. Echt heel veel deed het daar niet eens voor onder; de grootste kastanjes die je hier op Margaret Island kon vinden kon je naast een kleine mandarijn leggen en discussiëren over welke van de twee de grootste was. Het lukte haar maar net om hem met één hand op te werpen. Ver komen deed hij natuurlijk niet. De boog waarin ze hem weg smeet was veel te hoog, maar daar ging het niet om.
Tinus stapte ondertussen op zijn dochter af en deed net alsof Joaquima hem net had geraakt. Hij acteerde dat hij pijn had. Hier moest ze erg om lachen. En dat prikkelde hem. Hun act en haar lachje werkte zo aanstekelijk dat ze erin bleven en Tinus het slachtoffer bleef spelen in een zogenaamde regen van kastanjes.
Op den duur kreeg Tinus er toch genoeg van en besloot hij uit de strijd met zijn dochter te stappen door even in het gras onder de boom te gaan liggen. Zoals de zon hier door het gebladerte viel was het heerlijk. Joaquima echter ging ongestoord verder. Hoewel de kastanjes aan de voet van de stam dichterbij lagen had ze meer oog voor het aantal dat verder in het gras lag. Tinus genoot met volle teugen van het leven en sloot voor een moment zijn ogen. Op een afstandje hoorde hij zijn dochter lachen en steeds om papa gillen. Ook alleen vermaakte zij zich prima. Onderwijl dwaalden Tinus’ gedachten toch weer af naar de dag ervoor en de analyse uit gesprek met Karel. Het was slechts een mix van woorden en van beelden, maar op een of andere manier vond hij er toch zijn rust in. Het zou de laatste keer zijn dat hij gedurende het verblijf in Boedapest met zijn gedachten bij de man uit de doucheruimte was. Toen Tinus nog praktiseerde over hoe Endre aan zijn einde was gekomen voelde hij ineens een harde doffe klap midden op zijn borst.
“Oef!” bracht hij automatisch uit en opende gauw zijn ogen op wat hem was overkomen. Instinctief richtte hij zich op en merkte daarbij hoe één van de enorme kastanjes van zijn borst rolde. “Joa-” Tinus wilde al naar zijn dochter roepen, om haar te manen een beetje voorzichtig met papa te zijn. Soms kon ze wat ruw wezen, maar toen Tinus zag dat Joaquima rustig met haar benen wijd in het gras van hem afgekeerd met de kastanjes aan het spelen was, begreep hij dat hij het zelf was die onvoorzichtig was geweest. Hij wreef over zijn borstbeen waar de boomvrucht met veel geweld op was neergekomen en keek gebeten omhoog.
“Voor tamme kastanjes vind ik ze toch behoorlijk moordzuchtig,” sprak hij toen, vooral tegen zichzelf. Ruggelings lag hij zich daarna te verwonderen over de kracht en het gewicht van de kastanje die hij in zijn handen genomen had.
“Papa!” hoorde hij toen weer. Aangespoord door zijn eerdere aanroep was Joaquima ondertussen opgestaan en kwam ze weer op hem afrennen. Onnozel keek Tinus voor zich uit. Wijdbeens lag hij onder de boom. Maar zodra hij dat realiseerde en zijn dochter op het onvermijdelijke afstevende vertrok zijn gezicht ineens in pure angst.
Even later landde Joaquima, in al haar onschuld, met haar knietjes…
…in een geheel andere boom.

Drie dagen passeerden. Tinus was inmiddels alweer op de redactievloer te vinden. De pijnlijke streek tussen zijn benen werd met de dag minder en daarmee het zittend kantoorwerk draaglijker. Karel had hij sinds hun laatste telefonisch onderhoud niet meer gesproken. Hij had er dus geen idee van hoe en of het onderzoek in Boedapest was voortgezet en wat zijn vriend daar eventueel nog over gerapporteerd had gekregen. Hij was zelf ook niet vanuit het buitenland benaderd, waaruit hij concludeerde dat er geen aanleiding was om Tinus verder nog als verdachte aan te merken of de ontwikkelingen in de zaak Endre moesten zijn gestagneerd. Toch hoopte hij dat Karel hem spoedig nieuws kwam brengen. Naast zijn redactiewerk aan de Tycoon Newspaper had Karel Riemelneel nog een baan als hoofd van het Gohes City Forensisch Instituut, waardoor het eigenlijk nooit viel te zeggen wanneer zijn collega’s op de nieuwsvloer hem weer kregen te zien. En kwam hij langs dan was dat vaak om verslag uit te brengen van de zaken die er op het instituut hadden gelopen of ontwikkelingen die hij had opgevangen vanuit de onderwereld. Het was een beeld waar men inmiddels wel aan vertrouwd was geraakt. Er was dan ook niemand die verrast opkeek toen de forse misdaadverslaggever halverwege de donderdagochtend de lift kwam uitstappen. Niemand, behalve Tinus. Zoals gebruikelijk mompelde hij een goedemorgen naar zijn collega’s dat door zijn zware basstem nauwelijks viel te verstaan en hing hij zijn gleufhoed en vale regenjas op aan de kapstok. Dat was wel altijd het moment dat hij door de meteoroloog Wilburt Eerman geërgerd werd aangestaard, omdat het Karel’s gewoonte was zijn grote regenjas lomp over twee haken te verdelen. Hierdoor was het voor Wilburt, aangezien hij veel kleiner van stuk was, ‘s middags soms erg moeilijk zijn jas eronder terug te vinden.
“Morrie Tinus,” groette hij zijn collega nog eens toen hij hem achterin op de afdeling naast roddelverslaggeefster Rina Oddel aantrof. Het was elke keer opnieuw een verrassing waar collega’s Tinus zouden vinden omdat hij, ondanks dat hij er de meeste dienstjaren sleet, op de redactievloer nooit een vaste plek had gehad. Inherent aan zijn functie als ‘reizende reporter’ was het keer op keer ook voor hem steeds spannend waar en of hij überhaupt een plek zou hebben waar hij aan kon schuiven. Al was er altijd wel iemand op pad om het laatste nieuws te halen, waardoor er toch steeds wel een stoel vrij was. Iedere verslaggever had inmiddels wel eens naast hem gezeten. Dat wil zeggen, iedereen behalve Kornelis Oflook natuurlijk, omdat niemand het vol kon houden om in zijn zweetlucht en andere odeurs zuurstof te kunnen halen. Laat staan dat je er geconcentreerd naast kon werken. Dus dat was al één plek waar je andere collega’s nooit hoefde te zoeken. Toch had Karel nooit moeite om zijn collega en tevens goede vriend op deze bedrijvige redactievloer terug te vinden. Aan zijn grote uilenbril herkende iedereen hem meteen en bovendien sleepte hij altijd van alles met zich mee, waardoor de onordelijkheid van zijn bureau typerend voor hem was.
“Ook goeiemorgen, Karel,” groette Tinus terug en liet het niet na om even naar de klok op te kijken waarop de middag langzaam al in zicht kwam. Het weinig subtiele gebaar ontging Karel volledig – zoals dergelijke hints hem altijd ontgingen – waarna Tinus vol verwachting op hetgeen Karel hem kwam brengen het volgende ritueel vast inkopte. “Eerst even een bakkie zeker?” gokte hij.
“Ja. Dat lijkt me goed. Daar ben ik inmiddels wel aan toe,” bromde Karel. Tinus staarde hem vol scepsis aan. Karel liet het namelijk klinken alsof hij nog niets had gedronken sinds hij zijn bed uit was gestapt. Tinus wist wel beter. Hem kennende moest de inspecteur op dit tijdstip van de dag al zeker vijf bakken koffie naar binnen hebben geteugd. Maar aangezien hij zelf ook wel behoefte had aan een shotje cafeïne liet hij de gelegenheid niet voorbij gaan en stapte graag bij zijn bureau weg om koffie te halen. Een prettige bijkomstigheid was dat dit meteen een mooi excuus was om even te ontvluchten uit Rina’s kamillewalm.
Terug met twee dampende mokken stimuleerde Tinus zijn collega om alvast van wal te steken: “Al nieuws over ons slachtoffer op het botel?” vroeg hij zijn altijd wat verwilderd ogende collega die ondertussen een stoeltje had bijgetrokken tegenover de werkplekken van Tinus en Rina. Tinus zelf bleef staan.
De inspecteur sipte even van de gloeiend hete koffie. “Hm, ik wist dat je me daar meteen naar zou vragen. Er zijn inderdaad wel nieuwe inzichten in deze zaak, maar helaas is het nog onvoldoende om te kunnen zeggen of Endre opzettelijk door iemand werd gedood of zelf om het leven kwam. Dinsdag heb ik nog contact gehad met Lou Bas. Tijdens ons gesprek vertelde hij mij dat hij het eerste voorlopige autopsierapport in handen had.”
“Ah, interessant,” reageerde Tinus meteen. “Dus bleek daaruit dat Endre inderdaad verdronken was?”
Karel grinnikte vol cynisme en zei: “Tja, in technische zin was verdrinking inderdaad wat hem de das omdeed. Maar een klassieke verdrinking was het allerminst.”
Rina, die eerder al door Tinus van de ontwikkelingen van afgelopen weekend op de hoogte was gebracht, keek van haar werk op en mengde zich in het gesprek: “Dus hij was niet even kopje ondergegaan in de Donau?”
“Nee, niet precies,” antwoordde Karel haar. “Zoals ik Tinus maandag al informeerde leek het mij onmogelijk dat hij na verdrinking nog aan boord van het schip had kunnen komen. Niet tenzij iemand hem daarna ongemerkt en ingezeept onder de douche zou hebben gezet. Een dergelijke veronderstelling komt nu sowieso te vervallen nu blijkt dat Endre niet is verdronken door onderdompeling, maar door wat ze noemen een ‘secundaire verdrinking’. Dat wil zeggen dat hij is gestikt in vocht dat in zijn eigen lichaam vrijkwam.”
“Je bedoelt,” Tinus nam even een moment om te begrijpen wat dit kon betekenen. “Je bedoelt dat hij in zijn eigen bloed was verdronken?”
Karel knikte. “Dat is inderdaad waar het op lijkt. Bloed is het eerste lichaamseigen vocht waar men bij secundaire verdrinkingen aan denkt. Al zijn er geen anatomische aanwijzingen dat hij vroegtijdig om het leven kwam door een ernstig ziekteverloop. Endre lijkt niets onder de leden te hebben gehad. Dan had hij bijvoorbeeld chronisch longoedeem kunnen hebben, meestal veroorzaakt door hartfalen. Wat wel kan is de acute vorm van longoedeem. Dit treedt meestal op als gevolg van zwaar inwendig letsel, wat nu blijkbaar bij Endre is geconstateerd. Het verklaart in elk geval het opgehoeste slijm en de andere typerende symptomen zoals de blauwe huid rondom zijn lippen en nagels. Allemaal kenmerken van iemand die wanhopig probeert lucht binnen te krijgen en verkeert in levensbedreigende ademnood. Endre vocht in de douche om zijn leven door een ophoping van vocht in zijn longweefsels.”
“Dat moet dan gebeurd zijn nog voordat ik de toiletruimte binnen stapte,” stelde Tinus vast.
“Daar moeten we nu inderdaad wel vanuit gaan,” sprak Karel. “Anders had jij Endre beslist nog horen gorgelen en eerder aan de bel getrokken.”
“Tja, dat had ik dan zeker. En nu begrijp ik ook waarom ik niets hoorde toen ik met douchen bezig was.”
“Is het ook bekend hoe laat Endre precies stief, Karel?” viel Rina tussenbeide.
“Ja, daar hebben ze wel een idee van. Er wordt altijd een schatting gemaakt op basis van de mate waarin het lichaam is afgekoeld en de optredende lijkstijfheid. Uit de lijkschouwing moet worden opgemaakt dat het slachtoffer was gestorven kort voordat Tinus binnen kwam.”
“Dus betekent dit dat ik niet langer als verdachte wordt gezien?” wilde Tinus nu wel weten.
Zowel Tinus als Rina keken de inspecteur vol verwachting aan.
“Nee, dat kan hier helaas nog niet uit worden geconcludeerd. In theorie kun jij namelijk nog steeds de dader zijn. Het geschatte tijdstip waarop Endre de verwondingen opliep valt precies tussen jullie diner bij het Spoon restaurant en het moment dat hij de doucheruimte binnen ging. En daarmee blijf jij voor de recherche in Boedapest nog steeds de hoofdverdachte.”
Tinus baalde zichtbaar en nam nu ook maar weer plaats achter zijn bureau.
“En de andere man op het toilet dan?” vervolgde hij. “Ik begreep dat ze hem ook hebben verhoord?”
“Klopt. Die man hebben ze inderdaad dezelfde avond nog naast jou op het verdachtenbankje geplaatst. Het punt met hem is alleen dat hij een redelijk sterk alibi heeft.”
“Huh, hoezo? Waarom dan?”
“Doordat hij voor zijn uitgebreide toiletbezoek in gesprek is geweest met de boteleigenaar en daarvoor steeds met gasten op de boot is gezien. En in de uren daarvoor ook. Endre zelf kwam pas later terug op de boot. Hij zou vanaf de ochtend niet in het botel gesignaleerd zijn. Tussen het moment dat hij terugkwam en het moment dat hij stierf hebben hooguit tien minuten gezeten. In diezelfde tien minuten, is door getuigen inmiddels bevestigd, was de man van de grote boodschap steeds in gezelschap geweest van anderen. Zoals ik de feiten van Lou doorgebriefd heb gekregen kan hij de moord, als het al een moord was, onmogelijk hebben gepleegd. Het lichamelijk letsel dat Endre heeft opgelopen heeft dus of buiten plaats gevonden of in de tien minuten tussen binnenkomst en zijn bezoek aan de douche.”
“Maar wie gaat er nu uitgebreid een douche nemen wanneer je in de tien minuten ervoor zwaar bent toegetakeld?” vroeg Rina zich hardop af.
“Precies,” antwoordde Karel. “Nogmaals, dat kan wel. Maar dan zal hij dat zeker niet uit eigen beweging hebben gedaan wanneer dat op de boot plaatsvond. Iemand moet hem daarheen hebben gebracht om het te laten lijken alsof hij zelf de ruimte binnenstapte.”
“Onmogelijk,” sprak Tinus toen. Nieuwsgierig keken zijn collega’s hem aan. “De ruimte tussen de hutten en de toiletten is tamelijk klein en goed te overzien. Als er al iemand was die zijn dood ensceneerde, dan moeten Jenny of ik hem hebben gezien.”
“Waarom dan?” vroeg Karel.
“Heel simpel. Jenny, Joaquima waren, als ik even af mag gaan op de informatie die de politie van Boedapest heeft verzameld, een paar minuten eerder terug op het botel dan Endre. Jenny worstelde buiten onze hut nog wat met Quima’s buggy terwijl ik alvast wat spullen voorbereide om Joaquima’s broek te verschonen. Maar voordat ik daar goed en wel aan begonnen was, kwam Jenny de kajuit alweer binnen en stelde voor om het van me over te nemen zodat ik kon douchen. Het enige moment dat wij in die tijd dus niet buiten onze hut waren, was het moment dat ik even een handdoek en douchespullen pakte. Laat ik daar hooguit dertig seconden mee bezig zijn geweest. Met andere woorden, we kunnen de dader niet gemist hebben. Endre kwam na ons de boot op. Hij moet meteen zelf zijn douchespullen gepakt hebben en regelrecht naar de toiletten zijn gegaan. Als getraind bedrijfshulpverlener heb ik er de gewoonte van gemaakt om in een vreemde omgeving meteen het vluchtplan op te nemen. Hij kan mijns inziens alleen via de hoofdentree over de trap naar het lager gelegen dek zijn gekomen. Hij zal ons dus ook wel hebben gepasseerd toen wij bij onze hut bezig waren, maar ja, er lopen natuurlijk ook wel meer mensen voorbij dus je onthoudt ook niet elk gezicht.”
“Dus wat denk je,” vroeg Rina na deze verklaring van Tinus. “voelde hij zich niet goed dan? Dat hij zich bij terugkomst op het botel meteen wilde opfrissen en regelrecht naar de douche vertrok?”
“Dat moet dan bijna wel,” sprak Karel. “Dat is de enige logische verklaring die je kunt geven waarom hij zo snel daar terug te vinden was. Hoe dan ook, ik moet het met Tinus eens zijn dat Endre de verwondingen dan buiten de boot al moet hebben opgelopen. Blijkbaar voelde hij zich nog net knap genoeg om in zijn hut zijn spullen te pakken en zich daarna op te frissen. Het blijkt een taaie kerel, want nu ik weet welke verwondingen hij precies heeft opgelopen, doe ik hem dat op mijn leeftijd echt niet na.”
Geïntrigeerd door deze woorden keek Tinus hem daarop strak aan en vroeg hem: “Wat bedoel je daar ineens mee Karel? Zijn er nog andere verwondingen gevonden waar we maandag nog geen weet van hadden dan?”
Geamuseerd door deze vraag trokken Karels gezichtsplooien zich in een brede grimas. Hij had dit stukje informatie bewust nog even achtergehouden om de spanning in het gesprek iets op te bouwen. Hij zag dat Rina weer in afwachtende houding tegen de rugleuning van haar stoel was ging zitten, met de armen over elkaar en in één hand een kop thee, terwijl Tinus juist op het puntje van zijn stoel zat en de woorden wel bijna uit Karels keel had willen trekken. Priemend werd hij door hem aangekeken, het indringende beeld versterkt door zijn grote uilenbril.
“Maandagochtend,” begon Karel tenslotte. “nadat wij elkaar hadden gesproken, was de lijkschouwer nog volop met zijn onderzoek bezig terwijl wij de eerste uitslagen die dat had opgeleverd al met elkaar doornamen. Tijdens of na ons gesprek heeft hij nog ontdekt dat Endre, behalve de wond achter op zijn rug, ook voor op zijn borstkas nog een flink wond heeft zitten. Volgens Lou was hem die wond bij aanvang van de schouwing niet dadelijk opgevallen doordat Endre van zichzelf wat mager is en onder zijn ribben een kuiltje heeft zitten waardoor die plek toch al wat donkerder lijkt. Dit wordt ook wel een ‘trechterborst’ genoemd en komt waarschijnlijk door een te sterke groei van het ribkraakbeen. Slechts een klein percentage van de wereldbevolking is geboren met zo’n afwijking. Hoe het ontstaat is nog onbekend, maar zoiets is in elk geval niet belemmerend voor normaal functioneren. De wond die daar dus later is ontdekt is bijna helemaal rond en valt precies in het kuiltje op zijn borstbeen. Uiteindelijk zou er toch op inwendig onderzoek zijn overgegaan, waardoor deze wond vroeger of later aan het licht moest komen. Alles lijkt erop te wijze dat het ontstaan van dit letsel onvermijdelijk tot de dood moest leiden. Naast de verwondingen op zijn romp liep Endre namelijk ook nog twee gebroken ribben op en penetreerden beide het weefsel erachter. Bij een breuk kunnen scherpe botstukken namelijk schade geven aan de onderliggende longen en treden al snel complicaties op. In het geval van Endre is er zelfs een klaplong ontstaan en liep de ruimte tussen zijn ribben en longen vol met bloed, waardoor hij dus verdronk.”
“Gatver zeg, wat een akelig dood,” reageerde Rina met een hand voor haar mond.
Karel knikte.
“Maar hoe kan hij hier helemaal mee naar de douche zijn gegaan?” vroeg Tinus zich hardop af. Terwijl hij die vraag stelde wreef hij zonder dat hij er erg in had zelf nog eens over zijn eigen borstbeen en ging weer naar achteren zitten. “Ik bedoel, als je zo zwaar bent toegetakeld dan is het toch haast onmogelijk dat je überhaupt nog in staat bent in een boot te stappen en vrolijk onder de douche te gaan staan?”
“Iets zegt mij dan ook dat dat niet is wat er echt is gebeurd,” meende Karel. “Eigenlijk acht ik het waarschijnlijker dat de klaplong pas is ontstaan…”
“…toen Endre zich onder de douche wilde afspoelen.” Tinus maakte de zin voor Karel af en keek vervolgens met open mond zijn twee collega’s aan. Vol verwondering liet hij, nu ze bijna alles hadden uitgevogeld, alle beelden in zijn hoofd de revue nog eens passeren. De puzzel klopte helemaal. Het enige stukje dat nog ontbrak was de oorzaak van zijn verwondingen. Met dit scenario volledig uitgedokterd hadden ze een fundament om de autoriteiten van Boedapest van Tinus’ onschuld te overtuigen. Dat wil zeggen, zolang ze konden achterhalen wanneer en waarmee Endre het letsel midden op zijn borst opliep. Wat het ook had veroorzaakt, de wond had hem niet meteen gedood, maar de combinatie van het naar de boot strompelen, de trap afdalen om op het lager gelegen dek te komen en de handelingen onder de douche hadden er samen voor gezorgd dat de spanning in zijn borst opliep totdat zijn ribben knapten en de klaplong een feit was. Tinus bedacht dat zelfs het gestuntel met de gebroken douchekoppen zoals hij dat zelf had ervaren weleens voor de spreekwoordelijke druppel heeft gezorgd. Hij zag al helemaal voor zich hoe Endre, ingezeept en al, naar de douchekop reikte en door die beweging zichzelf de doodsteek bezorgde. “Hoe bizar kan iemand aan zijn einde komen zeg?” vroeg hij, zonder echt een antwoord te verwachten. “En nu we dit weten, wordt het nog extra interessant erachter te komen waarmee Endre op zijn borst is geraakt of hoe hij die plek achter op zijn rug kreeg, nietwaar Karel?”
Opnieuw knikte Karel. Dat was ook wat hem bezighield.
“Dat is het volgende wat ons weer voldoende stof geeft om over te speculeren. Vooralsnog kunnen we alleen af gaan op hoe Lou aan mij heeft beschreven hoe die wonden eruit zien. Die op zijn rug heb ik jou al over verteld.”
“Kom maar op,” sprak Tinus.
“Wel, volgens hem ging het om een U-vormige afdruk. Vermoedelijk is hij door een rond voorwerp geraakt. Aannemelijk is dat dit onder een flauwe hoek is gebeurd, omdat de huid in de boog van de ‘U’ het diepst is ingedrukt. Een hoek van onder dus. Een theorie is dan dat Endre op de grond lag toen dit voorwerp op zijn borst terecht kwam. Anders zou het misschien een stang kunnen zijn geweest van een of andere machine waar hij bij heeft gestaan, want als hem dit vanuit staande positie zou zijn aangebracht, dan moet iemand vanuit de heup op hem in hebben gebeukt. En dat is voorlopig het enige wat ze nu over de wond weten.”
Tinus was inmiddels weer van zijn stoel opgestaan. Hij liep naar het raam en zei verder niets. Het enige wat hij deed was een hand in zijn zij te plaatsen en met het ander liep hij over zijn gezicht te wrijven. Hij bedekte zijn ogen en dacht diep na. Met het weinige wat ze nu wisten probeerde hij zijn gedachten te ordenen. Onderwijl staarden zijn collega’s voor zich uit en lieten beide zo hun eigen gedachtes over de materie gaan. Karel was juiste begonnen wat irritant met zijn stoel heen en weer te draaien toen Tinus, als uit een trance ontwaakt, zich weer naar beide reporters richtte en hen daarop cryptisch aankeek. Zijn gezicht leek smal vertrokken toen hij grote ogen opzette en Karel ten slotte haast indringend vroeg: “Zeg Karel, hoe groot zei jij dat die plek op Endre’s borst was?”
Karel was volkomen verrast door de manier waarop Tinus hem deze vraag stelde. Voor een moment was hij zelfs even uit het veld geslagen en was daarom niet meteen in staat het antwoord te geven. Maar toen hij er even over de vraag nadacht zei hij uiteindelijk: “Euhm, ik kan me eigenlijk niet herinneren dat ik dat al verteld heb. Maar nu je het toch zo graag wilt weten, ik meen dat Lou mij van de week vertelde dat de wond ongeveer zo groot is als, nou ja, zoiets,” hij maakte een cirkel met zijn duim en wijsvinger om Tinus een idee te geven van de grootte. “Zeg maar zo groot als een kastanje.”
Karel had zijn woorden niet treffender kunnen kiezen. Bij Tinus sloeg de vergelijking in als een bom. Nu was het zijn beurt om even compleet van zijn stuk te zijn, hetgeen direct door Karel en Rina werd bemerkt. Net zoals kort hiervoor greep Tinus zonder erbij na te denken weer naar zijn borst en liet hij zijn hand er op zijn borstbeen rusten. Tegelijk hief hij zijn hoofd iets op en staarde hij langs Karel. Hij proefde nog eens wat de inspecteur hem had gezegd: “Een kastanje, zei je?”
Karel maakte een instemmende hoofdbeweging knikte, eentje die slechts onbewust door Tinus werd opgepikt. Tinus had geen andere reactie verwacht. En hij was opslag weer met zijn gedachten bij de maandagochtend in het park en dacht terug aan het ravotten met zijn dochter. Als in slow motion herinnerde hij hoe het beeld van de spelende Joaquima op de achtergrond vervaagde en hoe de kastanjevrucht hoog boven zijn hoofd uit de ruwe bolster werd los gewipt. Alsof niets anders om hem heen er iets toe deed aanschouwde hij hoe de ronde vorm van de kastanje door de snelheid steeds ronder leek te worden en recht naar beneden zeilde. Gevangen in de perfecte focus van een telelens voor sportfotografie werd de actie door zijn bijna hypnotische toestand tot op het kleinste detail voor hem in beeld gebracht. Centimeter voor centimeter werd de afstand tussen het vervaarlijke projectiel en de borstkas van Tinus steeds kleiner. Hijzelf lag prinsheerlijk met zijn ogen dicht en mijmerde met minder kennis dan hij nu had over de mogelijkheden waarop Endre aan zijn einde was gekomen. Het alziende oog van zijn onderbewuste volgde ondertussen de loodrechte baan naar beneden waarlangs de kastanje steeds dichterbij zijn lijf kwam. Theatraal werden de laatste tuimelingen afgelegd en draaide het wit van de glanzende kastanje nog één keer rond tot het de borstkas moest raken. Op dat precieze moment werden boven en onder in deze schijnbare herinnering plotseling voor Tinus omgedraaid en opende hij in een schok zijn ogen zodra een hard voorwerp de lucht uit zijn longen perste. Hier had Tinus verwacht dat hij de boomvrucht zou ontdekken die langs zijn zij het gras in rolde. Maar in plaats daarvan was hij het zelf die de strijd met de zwaartekracht was aangegaan en ontwaarde hij twee schimmen die voor hem stonden terwijl hij zelf naar achteren werd geduwd. Het zonnige herfstachtige tafereel in het park was verdwenen en had plaats gemaakt voor een duister toneel waarin details ver te zoeken waren. Op de achtergrond dacht hij nog water de kunnen zien met daar weer achter een bergachtig landschap. Het was precies voldoende voor hem om daar de Donau in te herkennen en de indruk te krijgen dat hij zich aan de kade ervan bevond. Een van de twee schimmen voor hem moest volgens hem een vrouw voorstellen, terwijl de andere schim daar recht achter stond en minder van duidelijk werd. Ondertussen draaide Tinus met zijn lijf naar achteren en verdwenen de schimmen weer uit beeld. Alles werd even zwart voor zijn ogen zodra hij meende weer een liggende positie aan te nemen. Toen volgde er een pijnlijke dreun en Tinus zag voor zich hoe hij op de stoeptegels landde terwijl zijn rug een pijnlijke smakker maakte tegen de trottoirband. Bovenop zijn rug scheurde zijn huid los en tegelijk het stof van zijn pullover. Opnieuw werd alles zwart en verdween de onwerkelijke herinnering.
“Ik weet waar Endre zijn verwondingen heeft opgelopen!” schreeuwde Tinus ineens uit. Losgerukt uit zijn eigen denkbeelden had hij zich weer naar zijn collega’s gericht die hem vol verbazing aangaapten. En stoot adrenaline had ervoor gezorgd dat hij de fictieve voorstellingen direct wist om te zetten naar reële actie. Onmiddellijk boog hij over Rina Oddel heen, die van schrik op haar bureaustoel iets naar achteren veerde, en reikte hij zonder het te vragen naar haar telefoontoestel. Hij nam de bakelieten hoorn van de haak en draaide op de verchroomde draaischijf het nummer van zijn eigen huistelefoon.
“Maar hoe…?” Karel Riemelneel snapte er niets van. Het drong geen moment tot hem door dat Tinus klaarblijkelijk tot zijn handelen was gekomen door iets wat hij had gezegd. Rina op haar beurt schikte even haar goudblonde krulletjes en keek al even verwonderd. Tinus stond ondertussen nog voorovergebogen aan haar bureau en wachtte ongeduldig tot er thuis werd opgenomen.
“Hallo met Jenny?” klonk het na vier keer overgaan zoet in zijn oor. Bij het horen van de vertrouwde meisjesachtige klanken krulde er automatisch een gelukzalige glimlach rond zijn gezicht. Altijd blij om de stem van zijn vrouw te horen groette hij haar beminnelijk en stak gelijk van wal: “Hoi schat, met Tinus. Zeg lieverd, kun jij je nog herinneren wat er van het weekend bij de boot was gebeurd toen wij net het restaurant uitliepen?”
Tinus overviel haar erg met deze vraag waardoor haar schattige telefoonstem even verdween en ze niet meteen het juiste antwoord wist te geven: “Hoe bedoel je schat? Natuurlijk weet ik dat, jij had op de boot die man toch gevonden?”
Onmiddellijk realiseerde Tinus dat hij in zijn enthousiasme niet specifiek was geweest.
“Oh sorry lieverd. Nee, ik bedoel naast de boot van het restaurant, vlak nadat we daar uitstapten, toen we nog naar huis moesten lopen. Herinner je die paar ruziënde mensen bij de Chain Bridge?”
Hier hoefde Jenny niet lang over na te denken. Dit herinnerde ze meteen.
“Euh jawel, dat was met die twee mannen en die vrouw toch, waar zoveel mensen omheen stonden?”
Beide zagen ze de situatie weer voor zich. Kort nadat Tinus met zijn gezin de aanlegsteiger van het Spoon restaurant afliep kwamen ze nog geen twintig meter daarvan verwijderd dit kibbelende stel tegen. Er bleek sprake te zijn van een heftige woordenwisseling en te oordelen aan de omstanders die zich om dit drietal hadden verzameld liepen de gemoederen hoog op. De rel had plaatsgevonden voordat Tinus op het botel een douche nam, maar ze hadden eerder eigenlijk geen verband gelegd tussen deze twee afzonderlijke situaties.
“Er was een grote man,” zei Jenny. “Hij hield een boze vrouw vast. En voor hen stond nog iemand, meen ik. Maar die heb jij toch ook gezien?”
“Ja, natuurlijk,” antwoordde Tinus. “Ik hoop alleen dat jij nog andere details dan mij weet te herinneren.” Bij de volgende woorden draaide hij zich even om, zodat Rina en Karel zijn deel van het gesprek ook kon volgen: “Er is namelijk en grote kans dat één van deze mensen Endre is, het slachtoffer uit het botel.”
Op dat moment viel er even een stilte, ook aan de andere kant van de telefoonlijn. Jenny besefte dadelijk waar Tinus naartoe wilde. Dit was wel erg toevallig. Al wist ze dat Tinus erom bekend stond dat hij niet in toeval geloofde. Rina en Karel luisterde gespannen mee met het gesprek.
“Jeetje,” zei Jenny. “Dus betekent dit dat één van de mensen die we hebben gezien die man heeft vermoord?” Jenny zag voor zich hoe omstanders in het begin van de twist nog probeerden om de situatie te temperen. Zowel zijzelf als Tinus kenden natuurlijk geen woord Hongaars, maar er viel toen wel duidelijk op te maken dat het vooral om een persoonlijke ruzie tussen deze drie mensen ging. Uit voorzorg hadden voorbijgangers wel naar het verloop van hun ruzie geïnformeerd omdat het er even de indruk werd gewekt dat de vrouw door de mannen mishandeld werd. Maar dit leek zo doordat de grote man achter haar de vrouw stevig vastgreep om haar in toom te kunnen houden. De vrouw zelf bleek furieus. Ze was erg boos op de man die voor haar stond, die nu de door Tinus gevonden Endre bleek te zijn. Om hun eigen vakantieplezier niet te bederven en omdat dit niet hun gevecht was, waren Jenny en Tinus met Joaquima doorgelopen naar hun verblijf op het botel. Zodra ze toen onder de Chain Bridge door waren gelopen waar deze aan de Pestoever aan land kwam, werd de situatie van de kibbelende personen door de muren van de brug uit het zicht onttrokken. Met hun gedachten alweer bij hun eigen avonturen op die dag, keken Tinus en zijn vrouw al niet meer om en waren zij de Hongaarse twist alweer vergeten. Wat zij aldus niet meekregen was hoe Endre kort daarop zwaar werd toegetakeld.
Zo filosofeerden Jenny en Tinus aan de telefoon nog even door over dit voorval, terwijl Rina en Karel met hen meeluisterden.
“Dus weet jij je nog hoe deze drie mensen eruit zagen?” vroeg Tinus door de telefoon.
“Nee schat, dat weet ik echt niet meer. Ik weet alleen dat het om twee mannen een vrouw ging. Of Endre één van hen was moet je mij niet vragen. Het kan ook een heel ander persoon zijn geweest. Waarom denk je dat hij het slachtoffer is?”
“Dat kan ik niet uitleggen. Het is een bepaald gevoel waardoor ik opeens deze connectie zie. Daarom hoopte ik er stiekem op dat jij er nog iets meer van wist. Want als iets mijn vermoedens kan bevestigen dan kunnen we deze zaak misschien nog oplossen en zullen ze mij in elk geval niet meer hoeven te verdenken.”
“Nee, het spijt me, schat. Ik geloof niet dat ik je hiermee kan helpen. Je bent echt afhankelijk van de kwaliteiten van de recherche in Boedapest vrees ik. Het enige wat ik van deze mensen nog weet is dat de man achter de vrouw bijna een kop groter was dan de ander en de vrouw zelf alleen groot leek door de hakken die ze droeg. Maar of dat je veel zal helpen…”
Al luisterend naar zijn vrouw, had Tinus de hoop alweer wat laten varen. Dat was althans totdat hij haar dit hoorde zeggen. Jenny had de woorden nog niet gesproken of hij reageerde dolenthousiast in bijna een octaaf hoger: “Hakken? Schat, je bent geweldig! Briljant. Maar dat is het! Dat is het ontbrekende stuk van de puzzel in dit onderzoek.”
Rina en Karel hoorden Tinus met zijn vrouw spreken en merkten direct de omslag op in zijn humeur. Naarstig probeerden ze het gesprek te volgen en werden ze nieuwsgierig naar het nieuwe inzicht wat Tinus blijkbaar had opgedaan. Een brede glimlach had zich rond zijn mond gevormd en in zijn ogen lag een twinkeling dat erop duidde dat hij ergens schik in had. Zowel Jenny als zijn collega’s hield hij niet verder in spanning en verklapte hen wat hij meende dat nu de oorzaak moest zijn van Endre’s zware verwondingen.

Nog zeker vijf dagen passeerden voordat de nieuwe verdachten in deze Hongaarse zaak konden worden aangehouden, verhoord en het onderzoek kon worden uitgewerkt. Endre’s achtergronden werden nog eens grondig nagetrokken en middels nieuwe getuigenverklaringen van twee medewerkers van het Spoon restaurant kon worden bevestigd dat Endre bij de Hongaarse twist betrokken was geweest. Een meevaller in het onderzoek was dat een bewoner uit de buurt destijds tussen de mensen had gelopen die van de ruzie getuigen waren geweest en zichzelf bij de politie had gemeld toen hij merkte dat de recherche aan de medewerkers van het Spoon restaurant vragen begon te stellen. Dit leidde tot een duidelijker signalement van de twee andere personen van het ruziënde stel zodat hierna met zekerheid kon worden gezegd dat het moest gaan om Endre’s ex-vriendin Lujza en haar nieuwe vriend Kristof.
Van een grotere opluchting kon bij Tinus en zijn familie en vrienden haast geen sprake zijn. De bevestiging van deze connectie was wat ze hard nodig hadden. Want daarmee kwam de aandacht op de gebeurtenissen naast het Spoon restaurant te liggen en werd Tinus al gauw als een stuk minder verdacht aangemerkt. De cafeïne vloeide echter nog rijkelijk van de spanning op de redactievloer van de Tycoon Newspaper zolang het onderzoek in Hongarije nog lopende was. Rechercheur Lou Bas hield de belanghebbende via Karel ondertussen bijna dagelijks van ieder nieuw detail op de hoogte.
Het ene inzicht na het ander kwam spoedig aan het licht; de hak van de stiletto’s die Lujza droeg op de dag van Endre’s overlijden matchten met de vorm van de wond op zijn borst. En na verscheidene ondervragingen kwam men ook te weten dat Endre gokverslaafd was. Wat wel bleek uit de diverse schulden die hij her en der had openstaan. Volgens Lujza zou hij het geld hebben verspeeld dat zij samen hadden weggezet om van te gaan trouwen. Die trouwerij werd alsmaar uitgesteld waardoor Lujza achterdocht begon te krijgen en op het laatst ontdekte waar hun geld aan was opgegaan. Lujza was furieus en verbrak terstond hun relatie. Toen Endre en Lujza elkaar al bijna een jaar niet meer hadden gezien had zij inmiddels Kristof ontmoet en was hij letterlijk aan lager wal geraakt. Uiteindelijk kwamen ze elkaar weer tegen op een veldje nabij de Chain Bridge. Endre was juist uit het casino geschopt dat tegenover het Spoon restaurant lag toen hij het grasveldje passeerde, zijn ex herkende en hem samen zag oplopen met haar nieuwe vriend. Een woordenwisseling volgde zodra Lujza ook hem had herkend en haar kans schoon zag om haar woede over hem uit te storten die ze al die tijd had opgekropt. Niet alleen was ze nog steeds erg boos over het geld van hun trouwerij dat hij had vergokt, maar ze had inmiddels ook de link gelegd met een vermeende inbraak die voor de breuk bij hun thuis had plaatsgevonden toen zij nog samenwoonden. Ook toen was er geld verdwenen dat ze kort daarop hard nodig hadden voor de kosten van een levensreddende operatie van Lujza’s zusje. Bewijzen kon ze het niet, maar voor Lujza was het wel duidelijk wie destijds het geld achterover had gedrukt. Kristof probeerde zijn vriendin nog tegen te houden door haar beide armen in een houdgreep te houden, maar Lujza, die in haar ex de moordenaar van haar zusje zag, schopte hoog genoeg om Endre van de fatale verwondingen te voorzien.
“Het klopte dus dat het letsel onder een hoek op zijn borst werd aangebracht,” merkte Karel op naar Tinus toen beide heren elkaar weer bijna een week later troffen op de redactievloer. Tinus had ditmaal zijn plek naast Wilburt Eerman gevonden. Karel had inmiddels van Lou Bas vernomen dat Lujza in voorarrest werd gehouden en eerdaags aan de rechtbank zou worden voorgeleid. Ze kreeg een advocaat toegewezen die zou moeten bepleiten of het hier om doodslag ging of om moord. Zelf een advocaat betalen kon ze niet, ze had immers nog schulden lopen die eveneens een resultaat waren van Endre’s bedenkelijke bestedingen.
“Kristof had zijn vriendin beter niet kunnen tegenhouden,” meende Tinus. “Zijn houdgreep belette haar om Endre als een soort communistische kraai aan te vallen.”
“En dan had hij er ongeschonden vanaf gekomen wou je zeggen?” sprak Karel vol cynisme.
Tinus lachte. “Nee, vast niet. Ook in dat geval zal ze weinig van hem hebben heel gelaten. Toch begin ik, nu ik dat verhaal ken over die gokverslaving, wel steeds minder sympathie voor die man te krijgen. Het zal je partner maar wezen.”
“Gelukkig waren ze niet getrouwd,” zei Karel.

“Tja, inderdaad,” sprak Tinus die zag dat Karel zijn gigantische regenjas weer van de kapstok greep, klaar om een nieuw avontuur binnen te stappen. Kort ervoor had hij een telefoontje gekregen van het forensisch instituut.
“Ik word op een nieuwe zaak verwacht, Tinus,” sprak hij terwijl hij de gleufhoed over zijn krullige haardos schoof. “Ik zie jullie gauw weer. Pas ondertussen goed op waar je zelf voet aan wal zet.”

“Zal ik doen Karel,” zei Tinus vanachter zijn nieuwe bureau. “En bedankt!”
“Huh, hoezo? Bedankt waarvoor? Ik doe gewoon mijn werk hoor.”
“Bedankt dat je weer eens de kastanjes voor me uit het vuur hebt gehaald.”

By rinaoddel | February 11, 2014 - 9:44 pm - Posted in Algemeen, Duimzuigerij, Nederlands, Redigeren en DT-filteren, Scherpe Blik

“Euhm Jos? Ehhh… Hallo? Is daar nog iemand?” vroeg ik plotseling in de ruimte in de hoop dat hij nog terug kwam om mij te verlossen. “Jos!?”
Ik had geen besef van tijd. Het zou een kwartier geleden geweest kunnen zijn, maar het had ook gemakkelijk meer dan twee uur kunnen wezen. Ik was ingedut, staarde nu naar het plafond en probeerde mij zo min mogelijk te bewegen. In plaats daarvan was ik bezig figuurtjes te ontdekken in de verfstructuur rondom de lichtbakken die ik boven mij zag om mij toch wat te vermaken. Maar eerlijk gezegd verveelde ik mij een beetje, in deze veel te rustgevende en inspiratieloze ruimte. Tussen mijn ogen in probeerde ik daarom een voorwerp scherp te stellen. Alleen zat het scherpe ding zo dicht op mijn voorhoofd dat ik het onmogelijk achtte dat ik het helder in beeld zou krijgen. Mijn armen voelde ik niet meer. Mijn benen des te meer. Daar zaten de meeste. Jos had gezegd dat hij dat veel mensen hoorde zeggen.
Waar bleef hij toch?
Op de radio op zijn bureau hoorde ik nu voor de tweede maal de reclames voorbij komen. Ze kondigden het nieuws aan. Gelukkig, want behalve de radio was er niets anders in deze ruimte dat mij kon vertellen hoe laat het was. Ja, mijn horloge dan, maar die lag verderop en daar kon ik niet bij zolang ik mij niet bewegen kon.
Zucht. Wanneer kwam hij nou? Ik was nu toch echt wel voldoende ontspannen. Door de meridianen stroomde de energie nu rijkelijk. En zou ik dat eigenlijk wel mogen, …bewegen? Misschien beïnvloedde ik het effect dan wel. Ik kon mij niets herinneren over de voorlichting op dat vlak. Bovendien zou ik mij een beetje naakt voelen als ik in deze toestand het gebouw zou rondlopen. Stel je eens voor! Want echt veel kleren droeg ik nou ook niet precies.
Negen uur. Het nieuws verklapte het. Dus nu wist ik het zeker. Ik lag hier ruim een uur. En dan te bedenken dat ik de behandeling juist zo duur had gevonden.
Daar kwam Jos eindelijk.
“Sorry, sorry! Ik was je bijna vergeten. Stel je toch eens voor!”
Ja, inderdaad, stel je dat eens voor. Alsof ik echt zo zou weglopen. Hij was mij dus echt vergeten. Wat normaal twintig minuten zou duren, liet hij mij nu ruim een uur voor liggen. Toch bracht hij het als één rekening in behandeling.
“Zal ik je de rekening weer meegeven? W.O., ‘wordt overgemaakt’…”
Eén behandeling acupunctuur, voor een prikkie.

By kornelisoflook | May 14, 2013 - 6:04 am - Posted in Eindelijk uitgeworteld, Galbakkerij, Nederlands, Redigeren en DT-filteren

Als couveusekindje ga ik door het leven als een persoon met heel wat afwijkingen. Alhoewel ik eigenlijk geen idee heb of die twee echt in verband met elkaar zouden kunnen staan, leg ik het altijd maar zo uit aan de mensen om mij heen, wanneer één van mijn afwijkingen weer eens ter sprake komt. Ik voer dan gemakkelijk mijn ‘slechte start’ op als oorzaak van zaken die bij mij net even anders zijn. Soms doe ik dat omdat het mij goed uitkomt, maar merendeels omdat het gewoon zo is of omdat ik – behoudens enkele overerfelijke bijzonderheden – geen andere verklaring vinden kan. Gemiddeld gezien mankeert mij dus meer dan menig ander. Het begint met de algemene ‘defecten’ waar iedereen wel last van zou kunnen hebben, zoals nachtblindheid, chronische verkoudheid, verminderd gehoor aan mijn rechterzijde, heftige allergie voor het vlees van olijven (godzijdank niet voor de olie), 6-teens voeten en één neusholte hebben waarvan het bot op de schedel nagenoeg dichtgegroeid is. Op een enkeling na zullen er velen met mij zijn die nu zullen roepen, ah, herkenbaar, dat heb ik inderdaad ook. Toch is er één afwijking die specifiek mij kenmerkt en waarvan ik in mij gehele iets meer dan dertig jaar nog niet één lotgenoot ben tegengekomen: ik kan helemaal geen zuur proeven.

Hè, hoe kun je nou geen zuur kunnen proeven? zul je nu misschien wel denken. Bestaat zoiets wel? Welnu, dat is precies het vraagstuk wat mij inmiddels al enige tijd bezig houdt en waar ik maar geen goed antwoord op vinden kan. Te meer, omdat ik dus nergens tegenkom dat er ook andere mensen hier last van zouden hebben. En dat terwijl dit voor mij toch echt een voldongen feit is. Zo rond googlend op het internet in mijn queeste hiervoor een verklaring of lotgenoten te vinden kom ik wel degelijk diverse hits tegen, maar geen daarvan lijkt ‘aangeboren’ als reden op te voeren voor het missen van deze smaaksensatie. Het lijkt er dus aardig op dat ik enig ben in mijn soort. Is geen zuur kunnen proeven dan echt zó zeldzaam dat die paar mensen – verondersteld dat er tenminste toch een paar net zoals ik rondlopen op deze aardkloot – nog niet eens de moeite hebben genomen op één van die honderdduizenden forums hun verhaal te doen? Hebben ze geen internet of interesseert het ze gewoon geen bal? Niet dat ikzelf toch noch toe, zo ver ben gegaan om mijn zegje daar te doen, maar ik post nu althans dit artikel. Ik krijg welhaast het gevoel dat mijn afwijking gewoon helemaal niet bestaat en dat ik het mij allemaal maar inbeeld.
“Hallo wereld?! Ben ik alleen?!”

Smaakdoofheid

Na een net iets grondigere zoektocht, kom ik dan uiteindelijk toch tot enkele resultaten die mijn remi-gevoel iets doen afnemen. Het is vooral het trefwoord ‘smaakdoofheid’ waar ik succes mee boek. Ik vond dat woord al een redelijk originele vinding van me, maar in dit geval waren er gelukkig ook al andere mensen op die creatieve samenstelling gekomen. Het leidt mij naar pagina’s waar mensen steun bij elkaar zoeken, omdat ze hun smaak kwijt zijn. Aha, denk ik dan. Ik heb ze gevonden. Maar na die posts wat beter te hebben gelezen blijkt ook hier weer dat het geen zuur kunnen proeven niet geheel het gespreksonderwerp is. Het gaat hier wel degelijk om smaakdove mensen, alleen is bij hun veelal het laten trekken van verstandskiezen of heftig roken de reden waarom ze nu geen smaak kunnen ervaren. Niet alleen zuur, maar ook de herkenning van zout, zoet en bitter blijken ze tijdelijk of in het geheel niet meer te kunnen. Uiteraard is dit heel vervelend voor hen, maar in het gros van deze gevallen keert bij hun de smaak gewoon vanzelf weer terug. Zij hebben tenminste nog kennis kunnen maken met deze smaak. Ik, in mijn geval, heb vanaf mijn geboorte nog nooit enig benul gehad wat zuur nou eigenlijk is. En alhoewel meningen hier nogal verdeeld over blijken te zijn, voor mij is dit een groot gemis. Er wordt wel eens gezegd dat zuur niet de aller fijnste smaaksensatie is, maar mag ik dat graag zelf even bepalen? Natuurlijk is iets missen dat je nooit hebt gekend een nogal zonderlinge deprivatie. Vergelijk het maar met aangeboren doofheid in tegenstelling tot gehoorverlies op latere leeftijd. Ondanks dat ik hier gelukkig (nog) niet over kan meespreken, kan ik mij levendig voorstellen dat de groep die pas later doof raken op z’n minst nu wel weten wat ze kwijt zijn. Iets wat je nooit hebt gekend, zou je ook niet kunnen missen, zeggen ze wel eens. Wel, dat mag dan misschien wel zo zijn, en ik mag beslist afkloppen dat het hier om mijn smaak gaat en niet één van mijn andere zintuigen, toch heb je het gevoel dat je met een leegte te maken hebt. Zouden mensen die vanaf hun geboorte kleurenblind zijn ook het verlangen hebben de leemte te willen opvullen?

Wat is smaak nou eigenlijk?

Smaak. Het is toch alles bij elkaar wel iets heel raars. Op je tong krioelt het werkelijk van de smaakpapillen. Het zijn zenuwuiteinden die stoffen kunnen opvangen die in ons voedsel zitten. Worden ze geprikkeld dan sturen ze signalen naar onze hersenen waar het vertaald wordt tot één van de smaken zoet, zout, bitter en als het goed is dus ook zuur. Umami hoort daar ook bij. Het is een wat minder bekende smaakwaarneming die in het begin van twintigste eeuw werd ontdekt en de ‘volheid’ of ‘hartigheid’ bepaalt.
Door het onderzoek naar mijn mankement ben ik er nu ook achter dat er collectief een foute opvatting is gaan ontstaan over hoe men denkt dat de smaak over je tong zou zijn verdeeld. Menigeen zal vol overtuiging zeggen dat je zoet proeft met het puntje van je tong, zout en zuur aan de zijkanten ervan kan worden ervaren en bitter achter op je tong ligt. Eens? Wel, dan is dat misschien wel het meest succesvolle broodje aap tot noch toe, want er klopt geen bal van en volgens mij stinken hele volksstammen daar in. Mezelf incluis. Het is een beeld wat we moeilijk kunnen loslaten en is ontstaan door een artikel dat in 1901 werd geschreven door Edwin G. Boring. Elk gebied van de tong zou gevoelig zijn voor een bepaalde primaire smaak. Een populaire gedachte, zo blijkt. Alleen heeft nader onderzoek inmiddels al enkele keren uitgewezen dat hier in het geheel geen sprake van is. De studie die Virginia Collings hier in 1974 naar heeft gedaan, is wellicht de bekendste tegenhanger van deze theorie. Zij stelt dat alle receptoren op de tong in staat zijn om alle smaken te herkennen en dat dus niet over verschillende gebiedjes is verdeeld.
Dit inzicht heeft ook mijn beeld over die zure afwijking van mij op z’n kop gezet. Het gaat er dus niet om dat ik smaakpapillen achter aan de zijkanten van mijn tong mis, nee, al mijn smaakpapillen tezamen doen het dus blijkbaar minder goed. Althans, als ik er vanuit mag gaan dat de wetenschap het nu wel bij het rechte eind heeft.

Het experiment

Evenals met kleurenblindheid kun je niet aan kinderen al in de wieg afmeten dat ze een klein gebrek hebben. Daar kom je vanzelf in de loop van je jeugd een keer achter. Alhoewel ik daar natuurlijk wel bij moet opmerken dat ze er op het consultatiebureau tegenwoordig ook erg alert op zijn. Toch hebben die artsen en verpleegkundigen, die daar werkzaam zijn, mij nooit een zuurtje in mijn mond gestoken en mij vervolgens gevraagd: “Proef je dit eigenlijk wel?”(Hier is mijn aanname dat zuurtjes ook echt zuur proeven!)
Pas in mijn puberteit, in het eerste brugjaar op de middelbare school, kwam ik erachter dat er iets bij mij afwijkend aan de hand was. Dit besef drong tot mij door tijdens een scheikunde-experiment. Klassieker had het haast niet gekund! En nee, ik ben niet in een vat vol gif gevallen waardoor mijn zintuigen zijn aangetast.
Doordat ik meningen om mij heen hoorde over hoe de smaak van voedsel werd geïnterpreteerd en geclassificeerd, had ik al lang door dat er iets niet in de haak was. Maar toen onze scheikundeleraar op die ene dag met dat proefje kwam aanzetten, was ik wel overtuigd. Het is haast jammer dat ik de naam van die knakker niet meer weet. Hij had een korte Duitse achternaam, dat herinner ik me nog wel (iets van Bohr staat mij bij). Enfin, hoe de man ook heette, hij was tijdens het begin van één van de lesuren op het idee gekomen om een kort experiment met ons te delen nog voordat hij proefwerkblaadjes bij ons kwam uitdelen. Op zijn bureau had hij een pot naast zich staan die zó groot was dat hij er met gemak een hoofd van één van zijn leerlingen op sterk water in had kunnen zetten. Het betrof een diepdonkerbruine glazen fles die bijna twee keer hoger dan breed was. Om één of andere reden heb ik het uiterlijk van die pot nooit kunnen vergeten. Het bruine glas waaruit het was geblazen was zo donkerbruin dat het haast tegen het zwarte aan zat. Achteraf vond ik de kleur wel goed gekozen, zeker gezien de inhoud. Onze scheikundeleraar had een typische manier van doen. Het was verder een aardige vent, lang, mager en sullig, maar doordat hij mij nogal emotieloos op mij overkwam liet hij in zijn aanzet naar het experiment al het theatrale achterwege en kondigde als een soort Lurch uit The Addams Family aan dat hij ons eens iets zou laten ruiken(!) Spannend! Ik mocht dan helemaal in de hoek achter in de klas hebben gezeten, toen Bohr de glazen dop losschroefde merkte ik direct aan de klasgenoten om mij heen dat er raars iets gaande was. Iedereen liet z’n pen vallen of draaide het bovenlijf haast kokhalzend achterom – oké, dat is misschien wat overdreven – en greep dadelijk naar hun neus. Het maakte reacties los zo van: “Gatver! Wàt is dàt?”
Vol verbazing, maar verder geheel nuchter keek ik om mij heen. Wat er ook was veranderd in de setting van dit lesuur, het viel mij direct op dat iedereen er last van had of door werd getroffen behalve ikzelf. Voor een moment dacht ik nog even of het er iets mee te maken kon hebben dat ik achter in de klas zat en daarom geen hinder ondervond van wat-het-ook-moge-weze dat mijn klasgenoten naar de neus liet grijpen. Echter, toen ik de klasgenoot naast mij aankeek, zag ik dat hij er ook last van had. Dus de locatie in het klaslokaal kon er niets mee te maken hebben. Het verlossende woord bereikte mij uiteindelijk toen Bohr statisch doch frivool verklaarde:
“Dit is nou mierenzuur.”
Verder beoogde hij er niets anders mee te bereiken dan ons alert aan het proefwerk te laten beginnen, dunkt mij. Maar vanaf dat moment ging er bij mij langzaam een belletje rinkelen. Op mij had dit experiment geen effect gehad. Weh?

Citroenen zijn zoet

Eenmaal overtuigd van mijn onvermogen om zuur te kunnen ruiken en dus proeven (die twee staan nou eenmaal in verband met elkaar) vielen er bij mij meerdere zaken op z’n plaats. Ineens snapte ik waarom iedereen om mij heen anders op voedsel en geuren reageerde dan ikzelf gewend was om te ervaren, alsof ik wereldvreemd was in de dagelijkse orgie van consumptie en immuun voor zure scheten. Nu begreep ik dat volkomen!
Dat was voor mij dan ook meteen een verklaring waarom ik het idee had voor gek te worden verklaard wanneer ik weer eens argeloos een citroen naar binnen werkte. Hoezo zuur, dacht ik dan, ben je niet goed geworden? Die dingen zijn hartstikke zoet joh! En mij maar aan blijven staren alsof ik een kneus was die op aandacht uit was. Eh, het spijt me zeer, maar het is toch echt zoet wat ik proef wanneer ik in zo’n geel geval bijt. Het is echt niet dat ik probeer een kunstenaar te zijn in mijn gezichtsplooien in bedwang te houden, ik proef die zure smaak gewoon niet. Toch denk ik dat ik wel weet waarom ik het als zoet ervaar en anderen bij die bewering denken dat ik een gaatje in mij kop heb; de smaak àchter het zuur is zoet. Het is hetzelfde als wanneer je de kleur geel (lees: zuur) uit de mengkleur oranje haalt. Wat je over houdt is rood (lees: zoet). Zo maak ik het dus wel vaker mee dat voor mij een geheel andere smaak de boventoon heeft in iets dat ik eet of drink dan jij dat zou proeven. Proefje doen?

Zuur pruimt

Ik kan mij werkelijk geen voorstelling maken van hoe het zou moeten zijn om zuur te kunnen proeven. Noem me maar een citroenvreter, ik vind zuur wel te pruimen. Soms hoor ik wel eens zeggen dat dit ‘gedrag’ van mij verwantschap heeft met Oost-Indisch doof zijn. Ik verklaar het als een minder bekende variant op volledige kleurenblindheid. Inmiddels ken ik een aantal mensen die daarmee geboren zijn en als je hen vraagt wat voor hun rood, groen of iedere andere gemiste kleur is, dan kunnen ze je dat niet uitleggen. Ze wijzen je kleuren aan met een omschrijving erbij waarbij je gaat denken, neem je me nou in de zeik? Zo moet je mijn afwijking ook eigenlijk zien. Alleen heb ik dat dan met de smaak zuur.

(De oorspronkelijke titel die ik overigens had bedacht voor dit artikel was ‘Zuur pruimt’)

image by T4W0ut, edited by Gsorsnoi

“Dus schat,” sprak ze ineens hees. “Wat vond je van mijn Filippijnse spookverhaaltje?”
Thomas was even verbaasd dat ze nu nog met die vraag kwam. Kon zij zich nu niet even op het voorspel en de daad concentreren? Het werd net zo leuk. Esmeralda had haar handen nog kruislings over haar buik en had bij haar heupen de onderzijde van haar kleding vast. Maar ze had gepauzeerd om antwoord te krijgen op haar vraag.
“Je bent echt een hele goede verteller van smerige horrorverhalen, schat. Alleen weet je toch dat je een nuchtere Hollander als ik niets wijs kunt maken? Ik geloof niet in dit soort dingen. Dat zit gewoon niet in mij.”
“Ik had ook niet verwacht dat je me zou geloven Thomas,” Esmeralda grijnsde zonder dat Thomas dat zag omdat ze haar blik naar voren had gericht en ging verder met haar striptease. “Stiekem hoopte ik er zelfs op.”
Hij begreep dit niet.
“Hoezo, wat bedoel je?”
En toen, zodra Esmeralda haar roze bandeau tot onder haar borsten had opgetrokken, ontwaarde hij iets vreemds rondom haar middel. Eerst kon hij het niet goed zien, omdat ze precies tegen de enige lichtbron stond die deze grot kende, maar even later drong het met een schok tot hem door waar deze lijn uit bestond. Het was nu precies twaalf uur. Esmeralda werd achttien. Het begon als een soort striem, alsof er kleding rond had gezeten die veel te strak was aangetrokken, maar ging al snel over in scheurende huid. Hoger op haar rug ontdekte hij nog iets anders dat er niet thuishoorde. Esmeralda had nu haar ellebogen boven haar hoofd gebracht om de bandeau helemaal te kunnen uittrekken, wat ervoor zorgde dat het bovenste deel van haar rug werd ontbloot. Eerder was hij vooral geïnteresseerd geweest in haar boezem die daarmee zichtbaar zou worden, maar nu waren het vooral de twee donkere bobbels tussen haar schouderbladen die zijn aandacht trokken. Het was net alsof er twee dieren, ieder ter grootte van een gemiddelde rat, onderhuids bezig waren om een weg naar buiten te vinden. De aanblik was afschrikwekkend.
“Jezus Christus!” sprak de geboren atheïst.
“En dat uit jouw mond?” reageerde ze. Versteld keek hij naar haar op. Haar stem was ineens anders.
Bloed sijpelde ondertussen uit de lijn die om haar middel was ontstaan en Thomas aanschouwde vol ontzetting hoe Esmeralda’s bovenlichaam langzaam van de onderkant loskwam. De bobbels tussen haar schouderbladen braken open en wat eruit tevoorschijn kwam waren twee enorme gitzwarte vleugels die krachtig naar beide zijden openklapten.
“Jij bent een Manananggal!” Thomas schreeuwde het uit en deinsde verschrikt naar achteren.
“Manananggal, Aswang of Tik-tik. Het is mij om het even. María luister ik tegenwoordig ook naar…”
“Nee!” Dat besef sloeg bij Thomas in als een bom. Hij leek het haast niet meer te kunnen bevatten. Ondanks dat hij het niet koud had begon de kloeke Groninger te rillen en nam zijn hartslag toe. Dit kon niet echt wezen. En toch was hij getuige van de bizarre transformatie van zijn vriendin die omgetoverd werd van de aantrekkelijke Esmeralda Garcia naar een wanstaltige Manananggal. Langzaam werd ze uit elkaar getrokken door krachten die hij niet kon bevatten. Haar onderrug begon naargeestig te kraken. Nu zag hij hoe haar ruggenwervels onder een ijzingwekkend kabaal van elkaar scheurden en de botten bloot kwamen te liggen. Bloed stroomde er langs de steeds breder wordende ruimte die er tussen haar boven- en onderlijf waren ontstaan alsof je een omgekeerde emmer met vloeistof van een oppervlak tilde. Haar eigenzinnige meisjesonderbroek veranderde in no-time van babyblauw naar dieprood. Thomas dook weg en braakte het uit van weerzin. Dit was meer dan waar zijn maag tegen bestand was. Het bovenste deel van Esmeralda’s lijf kwam plots in het luchtledige te hangen. Met haar vleugels zorgde ze ervoor dat ze los boven haar onderlijf kon vliegen. Thomas was zo bevreesd. Hij wist dat hij moest wegvluchten en wilde dat ook, maar er was iets dat hem nog tegenhield, waarschijnlijk vooral het overheersende gevoel dit niet te willen geloven. Zijn hersens gingen als een razende tekeer. Esmeralda had dit alles zorgvuldig van te voren uitgedacht. Wat ze had doen voorkomen als een seksuele escapade bleek een vooropgezet plan. De afgelegen grot was een perfecte schuilplaats om ongestoord een jonge man in te kunnen ombrengen. Ze had hem er naartoe geleid om hem als zwarte weduwe in haar web te lokken. Vervolgens had zij hem aan de praat gehouden met haar zieke horrorverhaal om de tijd door te komen. Hadden ze eerder besloten tot de daad over te gaan dan had ze daarna namelijk geen argument meer gehad om Thomas langer in de grot vast te houden. En ze moest op die twaalf uur uitkomen, want dan had ze blijkbaar de geschikte leeftijd bereikt om tot haar transformatie over te gaan. Of was ze daarvoor ook al eens een Manananggal geweest? Iemand moest Pedro hebben omgebracht en Raquel haar kind hebben ontnomen. Maar als zij María was, dan kon ze dat nooit zelf zijn geweest.
“Verrast het je?!” vroeg ze ineens.
Thomas schrok zich kapot. Esmeralda – of wat daar van over was – had zich met een ruk naar hem omgedraaid. Daarbij bleven haar heup en benen als bevroren op z’n plek staan. Een sliert van haar organen plakte nog aan de onderkant en krulde zich om een denkbeeldige as. Ronduit afzichtelijk was ze. En toch nog altijd duivels verleidelijk. Haar rondingen waren hetzelfde gebleven. Slank rond haar buik en vol bij haar meisjesachtige doch volle borsten. Ook haar iets bredere schouders en perfecte hals waren nog even sensueel. Thomas had haar al vaker naakt gezien, dus herkende hij haar kenmerkende contouren meteen. Maar blauwe aderen waren nu zichtbaar geworden door de huid rond en op haar borsten en bij haar schouders leek het wel alsof ze er ieder moment doorheen konden breken. Verder zou hij hebben gezworen dat ze bloed transpireerde. Bij haar oksels en op de aureolen rond haar tepels was dit het beste te zien. Ze hing net schuin genoeg voor de lichtbron om het in beeld te krijgen. Haar nagels waren lang en puntig, precies zoals ze de andere Manananggal had beschreven en haar gestylde haren stonden ietwat overeind, net alsof ze onder invloed waren van statische elektriciteit. Maar wat het geheel toch wel compleet afstotelijk maakte waren haar vuurrode ogen en haar mond waar zwarte smurrie uit sijpelde.
“Nee Esmé, dit kan jij niet zijn. Wat is er met je gebeurd?”
Zijn Manananggal geworden vriendin glimlachte zo vuil ze kon.
“Ik ben achttien schat. Mijn lichaam is nu rijp. Rijp voor de nachtelijke transformaties.” Haar stem klonk zo…anders. Donkerder. Haast demonisch. Het was alsof er twee talen waren vermengd in de manier waarop ze sprak. Alsof de duivel zelf bezit van haar had genomen en zij namens hem aan het spreken was. De volgende woorden waren echter in een taal die hij niet verstond, Tagalog, Esmeralda’s moedertaal: “Kailangan ko ng alay!”
En nu heb ik een offer nodig!
Voor Thomas behoefde dit geen uitleg. Hij wist wat ze ging doen, griste in paniek naar zijn broek en overhemd en stond op om te vluchten. Esmeralda bracht een krachtige diabolische kreet uit, sloeg een paar keer op gedempte toon met haar vleugels en wachtte zelfgenoegzaam op haar beurt. Het licht ging uit. Zomaar, zonder duidelijke aanleiding. Al viel het wel op dat het kort gebeurde na Esmeralda’s oerkreet. Thomas’ vlucht naar buiten werd door de duisternis bemoeilijkt. Hij zag geen hand voor ogen. Achter hem hoorde hij het zwakke geklapwiek van de Manananggal.
Tik, tik…
Tik, tik, tik.
Zonder te beseffen hoe stom het was om dit te doen keek hij achterom. Alles was stikdonker, maar Esmeralda’s gezicht kon hij gemakkelijk onderscheiden; haar ‘vlammende’ ogen vlamden niet echt zoals vuur dat deed, maar straalden een helrood licht uit waardoor ze tot haar buste zichtbaar bleef. Dat wil zeggen, als ze haar ogen maar opengesperd hield. Toen botste Thomas onzacht tegen een rotswand, welke hij ook niet zou hebben gezien als hij voor zich was blijven kijken. Maar omdat hij na de knal tegen zijn schouder uit evenwicht werd gebracht en daardoor na zijn val over een schuin deel van de vloer rolde, raakte hij zijn oriëntatie volstrekt kwijt. Bijna drie meter verder bleef hij stil liggen. Hij was nog steeds naakt en dat zou hij waarschijnlijk ook wel blijven nu hij zijn kleren had verloren. De uitgang van de grot vinden zou nu een grote opgave worden. Links of rechts, voor of achter, het had geen betekenis meer voor hem. Maar als hij er tenminste weer achter zou kunnen komen waar Esmeralda uithing, dan kon hij zich wellicht toch nog herstellen. Dan kon hij haar gebruiken als laatste oriëntatiepunt. Hij verbeet de pijn die door de klap in zijn arm was ontstaan, richtte zich op, keek om zich heen en speurde de duisternis af om haar te vinden. Esmeralda echter, had van dit moment geprofiteerd om hem in ultieme verwarring te brengen door naar een ander hoek in de grot te vliegen. Dat ze Thomas hierdoor compleet desoriënteerde realiseerde ze zich niet bewust, maar het kwam haar wel voordelig uit. Op een verkeerd been gezet probeerde hij wanhopig een uitgang te vinden, maar steeds trof hij een solide wand aan. Zonder dat hij het in de gaten had, bewoog hij zich zelfs steeds verder van de enige vluchtweg vandaan die deze grot bezat. Esmeralda hield hem meesmuilend in het oog. Daarna sloot ze haar ogen en vloog ze dichter naar hem toe. Anders dan Thomas, kon zij namelijk wel contouren onderscheiden, zodat ze enig benul had waar hij was en hoe zij zichzelf door de grot kon bewegen.
Tik, tik…
Tik, tik, tik.
Het geluid dat haar vleugels maakten werd zachter. Thomas sloeg er geen acht op. Nog niet tenminste. Hij was vooral bezig met het vinden van een uitweg. Bijna jankend en in blinde paniek tastte hij naarstig met schokkende handen langs de rotswanden. Handen zochten, maar vonden niets dan steen. Esmeralda krijste en vloog op hem toe. Hij draaide zich om en tuurde in de duisternis naar de plek waar hij dacht haar gehoord te hebben. Alleen had de Manananggal precies op tijd haar ogen gesloten.
Tik, tik…
Tik, tik, tik.
Hij werd gek van het gefladder. Waar was ze nu? Haar kreet had zo dichtbij geklonken dat hij zou zweren dat ze zowat recht achter hem vloog. Dit klopte alleen niet met het geluid dat haar vleugels voortbrachten. Dat was juist ver weg. Uiterst geconcentreerd luisterde hij goed of hij in deze holle ruimte kon horen waar ze was. En toen herinnerde hij het zich weer.
Tik, tik…
Tik, tik, tik.
Manananggals zette hun slachtoffers op het verkeerde been met het geklapwiek van hun vleugels. Ze was ver weg. Oh nee, ze was juist dichtbij! Hij werd er krankzinnig van. De paniek sloeg toe. Hij draaide om zijn as en spande zich optimaal in om ook maar enig detail in deze godvergeten zwarte plek te ontdekken.
“Lalamunin kita! Ikaw ang magpapawi ng aking gutom!”
Ik vreet je op! Jij zal mijn eerste honger stillen!
Vanuit het niets was ze recht voor Thomas’ neus verschenen. Op een afstand van nog geen veertig centimeter had hij onverwachts oog in oog met haar gestaan. Van schrik deinsde hij naar achter en verzwikte daarbij zowat zijn enkel. Balans houden deed hij in elk geval niet en hij viel opnieuw op de harde ondergrond. Zijn lijf begon al snel een verzamelplaats voor blauwe plekken te worden. Daar zou het alleen niet bij blijven.
“Zout schat! Pak het zout!” sprak zo ineens een vertrouwde stem. “Het zit in mijn tas.”
“Esmé?” Thomas snapte het niet. Waar kwam dat nou zomaar vandaan? Zijn ogen rolden in zijn kassen, op zoek naar of hij Esmeralda ergens kon zien. Zijn Esmeralda. Niet de gedrochtelijke vorm die het monster had dat hier rondvloog. “Help me Esmé! Wat bedoel je? Waar vind ik dat zout?”
“Mijn tas,” klonk het weer uit het donker. De rode ogen zag hij nergens.
Tik, tik…
Tik, tik, tik.
“Wag kang magkakamali, gago…”
Waag het niet! Jij stinkend onderkruipsel…
Tik, tik…
Tik, tik, tik.
Harder ditmaal.
Thomas veranderde van tactiek en verplaatste zich in half kruipende beweging over het ondergrondse terrein. De Manananggal was terug naar de waterval gevlogen, waar nu geen licht meer uit scheen. Ze opende haar ogen en hield haar prooi goed in de gaten. Ze speelde overduidelijk een spelletje met hem. Zelf moest ze ook zoeken waar ze haar schoudertas had achtergelaten. Nu ze wist dat er zout in deze ruimte was, liep haar voortbestaan in gevaar. Thomas was er dichtbij, al had hij daar geen benul van. De tas, waar Esmeralda eerder die dag uit voorzorg een zakje zout in had verstopt, was in Thomas’ vluchtpoging achter een rotsformatie in een ondiepe kuil gevallen en lag zodoende uit het zicht.
“Esmeralda. Ik weet dat jij daar bent. Wat wil je van me? Waarom heb je mij hierheen gelokt? Wat heb ik jou misdaan?” Thomas keek recht naar de Manananggal die zichtbaar was als een buste in het rode schijnsel. “Waarom ik, schat?” De buste antwoordde niet. Althans, niet direct. Met een fronsende blik hield ze hem even in het oog en likte met haar tong langs haar lippen. Het was een tong die wel 4,5 meter lang kon worden. Slurpend likte ze aan het zwarte speeksel rond haar mond.
“Ikaw ang pinakahihintay ko – ideyal na biktima, Thomas. Bata, makatas, matipuno, umaalipusok ang damdamin na ako’y makasiping. Isa kang inutil na lubusang nagtiwala sa akin. At ngayon, isang ignorante sa aming mitolohiya’t paniniwala, isang Tao na hinde madaling maniwala sa mga sabi sabi! Kahit na ang katotohanan ay na sa harapan mo na, ikaw ay nagaalinlangan pa rin. Hinde pa ba husto ang katotohanang iyong nasaksaksihan?”
“Omdat jij het ideale slachtoffer bent, Thomas. Jong, sappig, goed gebouwd, smachtend naar seks met mij. Stom genoeg om blind op mij te vertrouwen, tot voor kort onwetend over onze mythologieën en bovendien iemand die niet zo gauw iets van een ander aanneemt. Al liggen de bewijzen recht voor je neus, dan nog aarzel je om erin te geloven. Moet je nog meer weten?”
Thomas had zonder er ook maar een woord van te begrijpen naar haar demonische rede geluisterd en tastte driftig de verduisterde omgeving af naar een tas of een uitgang. Er klopte hier overduidelijk iets niet. Als Esmeralda zojuist had gesproken en hem op het zout had gewezen waarmee hij een poging kon doen het onderlijf van de Manananggal te bestrooien, hoe kon het dan dat hij haar in de Manananggal had zien veranderen? Wanneer hij de Manananggal zou uitschakelen door het zout op haar wond te strooien, zou hij dan ook zijn Esmeralda terugkrijgen?
Tik, tik…
Tik, tik, tik.
Zij verplaatste zich weer. Het geluid werd zacht, dus ze kwam in zijn richting begreep hij nu.
Hebbes! Met meer geluk dan wijsheid vond hij in elk geval het kleedje waar ze eerder op hadden gezeten. De tas kon nu niet ver meer zijn. De Manananggal had zijn vondst ook door en wachtte niet langer af. Het dollen had nu lang genoeg geduurd. Haar tong, zo log als een meertouw maar zo slank als een tuinslang, schoot door de lucht met een snelheid die zelfs de krachtigste torpedo niet kon bereiken. Met een oogverblindende kracht wikkelde het lange ding zich doelmatig om de enkel van de naakte jongeman en trok hem van zijn plaats. Hij voelde een felle pijn alsof hij werd geraakt door een zweep en merkte hoe hij loskwam van de grond. Zes meter verder sloeg Thomas ongenadig hard tegen een muur van steen. Zijn botten kraakten aan alle kanten. Steen kwam los uit een wand en stortte samen met Thomas neer op de harde vloer. Op een paar passen verwijderd van het ruisende watervalletje en links achter de Manananggal lag hij te kermen. Tegelijkertijd zocht zij in wilde razernij naar haar tas en het zakje met zout. En ook zij had moeite, zonder de juiste verlichting, de tas te vinden. Nog duizelig en verdoofd van de pijn krabbelde Thomas op van de vloer en zag door het rode waas, dat een paar meter voor hem van links naar rechts bewoog, dat de Manananggal naar het zout aan het zoeken was. Haar ogen zag hij niet, maar uit de gloed kon hij genoeg opmaken. Daarom bedacht hij zich geen moment, raapte een flink losgeraakt stuk steen op en rende op haar toe. Daarbij moest hij op het laatst een beetje gissen waar zij precies was, omdat haar bovenlijf, naarmate hij dichterbij kwam, tussen hemzelf en de plek die haar ogen verlichtten een zwart vlek vormde. De ferme slag waarmee hij haar met de steen raakte was daarom niet zo precies gericht als hij onder betere omstandigheden had bedoeld, maar hard genoeg om haar even van haar plan af te brengen. De steen kwam midden op haar linkerschouderblad neer en werd zelfs wat afgeremd door de rand van de vleugel die hij schampte. De Manananggal schoot naar voren en stootte op haar beurt haar hoofd tegen de rotsen. Ze slaakte een kreet van pijn, maar herstelde zich zo snel dat Thomas nauwelijks de kans kreeg om zelf zijn evenwicht te hervinden. Dit was te wijten aan het feit dat Manananggals zich, evenals andere vampiersoorten, razendsnel kunnen verplaatsen, op een manier die voor normale mensen niet te bevatten valt. Nog geen tien centimeter, dat moest ongeveer de afstand zijn geweest waarin het vlammend lijkende gezicht voor Thomas opdook. Direct haalde ze met een geweldige kracht naar hem uit. Thomas werd gekatapulteerd en schoot opnieuw van de ene naar de andere kant van de grot. Hij was nog amper tegen een muur geslagen of hij had de Manananggal al weer boven zich hangen die hem de volgende stoot verkocht. Met een vlakke zucht plofte hij op zijn rug op de vloer neer. Zijn lijf werd gemangeld en gemarteld. Met het grootste gemak raapte zij hem bij knie en oksel op en smeet ze hem opnieuw door de ruimte. Thomas had geen idee welke delen van de grot hij wel of niet al had bezocht, maar kreeg inmiddels het gevoel dat ze de hele ruimte nu wel zo’n beetje met hem had aangeveegd. Uiteindelijk bleef hij ergens liggen en bleef het voor langere tijd donker. Dit kwam echter doordat hij zo door haar was toegetakeld dat hij even buiten bewustzijn was geweest. Het moment dat hij zijn ogen weer opende lag hij kreupel geslagen in een moeilijke houding op een plateau. Slechts enkele seconden verstreken of daar was ze weer. Esmeralda, in haar monsterlijke gedaante, zweefde opnieuw boven hem en had haar ogen weer geopend.
“Pahihirapan kita ng husto. Ikaw! Ikaw na hinde naniniwala sa kahit kanino.”
Judassen zal ik je, ongelovige hond die je er bent!
Ze greep één van zijn armen onzacht beet en hield hem tegen de grond gedrukt. De demonische woorden hadden geen betekenis voor hem. Hij verstond ze toch niet. En al had hij het kunnen verstaan, dan nog was hij nu te zwak geweest om nog een woord te kunnen uitbrengen. Thomas’ botten waren ondertussen op meerdere plekken meervoudig gebroken, hij zat onder de blauwe plekken en uit zijn mond stroomde een straaltje bloed. Verdoofd van de pijn kreunde hij maar wat en onderging een geweldige hoofdpijn. Toen ineens bemerkte hij iets vreemds bij zijn hand. Het leek wel plastic. Hij betaste hetgeen hij voelde nog eens en besefte dat het inderdaad plastic was. Dit kon het wel eens wezen, dacht hij. Hij kneep in wat een zakje bleek te zijn, bracht het naar zijn mond en beet er net genoeg in totdat het openscheurde en hij kon proeven wat erin zat. Bingo! Dit was zout. Het zout waar Esmeralda hem over had geïnformeerd. Hij treuzelde geen moment en smeet het zakje met inhoud in het enige wat hij hier kon zien: het gezicht van de Manananggal. Wetende wat voor opgave en eigenlijk toeval het was geweest dat hij het zout überhaupt kon vinden in het donker, moest het opsporen van het achtergelaten onderlichaam welhaast net zo’n onmogelijke opgave zijn. Een geschreeuw volgde waar Thomas zowat doof van werd. Zout brandde in op de huid van de eens zo mooie Esmeralda. Het deed hem pijn dat hij haar zo moest verminken, maar het was dat of zelf opgevreten worden. Met de grootste moeite probeerde Thomas Martens op zijn benen te komen. Hij wist dat dit zijn enige kans was. Het zilte mineraal werkte vooral in op Esmeralda wangen, kin en hals. Zijn actie had effect gehad. Nog liever zou hij hebben gezien dat hij het over het achtergebleven deel van haar lichaam kon gooien, maar hij was met het succes van deze actie ook buitengewoon tevreden. Als een speenvarken tierde ze de hele tent bij elkaar en hield haar handen uit reflex voortdurend langs haar gezicht. Thomas sjokte bij haar vandaan. Maar hij had zoveel pijn dat hij slechts gestaag vorderde. Esmeralda bleef maar gillen terwijl hij maar weer eens een poging deed om de grot uit te komen. Hij beredeneerde ditmaal dat het zout lag tussen het kleedje en de uitgang: als hij onderweg geen kleedje tegenkwam, bewoog hij zich dus in de juiste richting. Dat bleek een slim idee, want bij een tocht die de uiterste inspanning van hem vergde kwam hij een hele tijd geen rotswand tegen. Blijkbaar was dit dus inderdaad de weg naar buiten. Achter hem bleef het gegil maar doorgaan, zodat hij steeds meer en meer overtuigd raakte dat hij een mogelijkheid had om te ontsnappen. Hij kwam zelfs zo ver dat hij even meende de warme buitenlucht langs zijn huid te voelen stromen. Totdat het in grot stil viel en hij de tong weer als een zweep om zijn enkel voelde draaien. Met een ruk verdween hij weer uit de grotopening en werd naar binnen gesleurd. Subiet verloor hij het bewustzijn toen hij in die beweging tegen de zijwand knalde. Als een stuiterbal kaatste hij door de gang het hol weer in en viel ten prooi aan de Manananggal.

“Het spijt me zo schat,” klonk Esmeralda’s wenende stem. “Ik heb je dit nooit willen aandoen.” De paar woorden gingen over in gesnik en daarna in gulzig geschrans. Het rode licht kwam terug. Twee zogezegd vlammende ogen keken op haar maaltijd neer en stonden krankzinnig in diens holle en door zout aangevreten kassen. Thomas kreeg vaag door hoe twee oude-wijven-handen een slijmerige slang van vlees vasthielden en op uitzinnige wijze naar binnen werkten. Het waren zijn eigen darmen. De Manananggal schrokte gulzig. Bloed vloeide rijkelijk langs haar hals en tussen haar borsten. Het licht ging weer uit.
“Ik hield van je, echt waar!”
“Puta!”
Bitch!
Het rode schijnsels flitste weer aan en direct weer uit.
“Het is dit lichaam waarin ik geboren ben, dat mij aanzet om dingen te doen die ik helemaal niet wil.”
“Huwag kang makinig sa kanya. Ay! Makikita mo sa sarili mo! Wala kang kawala – patay ka na!”
Luister niet naar haar! Of doe ook lekker wat je zelf wilt. Je bent toch al dood.
Weer dat licht. Thomas hing nog ergens tussen de twee werelden van wel en niet bewustzijn en kreeg soms maar de helft mee van wat er recht voor zijn neus gebeurde. Zwakjes ontwaakte hij uit zijn afwezige staat. Met moeite trachtte hij te herinneren wat er zojuist in het afgelopen half uur moest zijn gebeurd, al leek het voor hem al veel langer geleden. Hij zag hoe de Manananggal zaken uit de plaats waar zijn buik zou moeten zitten naar haar mond bracht en deze luidruchtig aan het verslinden was. Dat leek hem eigenlijk wel normaal. Hij zakte weg en voelde hoe fijn die rust even was. Toen kwam hij weer bij en keek eens om zich heen. Niets. Er was niets te zien. Alleen dat naakte wezen met het verminkte gezicht dat boven hem hing en met een stuk van zijn ingewanden langs haar tepels wreef. Brokjes van het één of ander bleven op haar huid plakken. Zijn fles wijn, die was hij vergeten. De jonge vrouw waarvoor hij naar de Filippijnen kwam was dol op rode wijn. Hij baalde dat hij die in het vliegtuig had achtergelaten. Shit, hoe heette ze ook alweer? Hij discussieerde met de stewardess in de slurf. Of hij nog terug mocht om zijn fles te pakken. Maar dat weigerde ze. De vrouw greep hem bij zijn arm en nam nog een hap uit zijn buik. Het beeld van de aankomst op NAIA Airport vervaagde. Vingers werden afgelikt. Zo erotisch als het maar kon. De tong was alleen niet normaal. Het was er niet een die hij gewend was te zien. Thomas zakte weer weg. Eenmaal weer terug in de grot zag hij hoe bloedspetters het haar van zijn vriendin besmeurden. Hij had vol afschuw maar ook respect staan toekijken hoe zij en haar vader een jong varken slachtten op de achterplaats. Het was het hoofdmenu dat de volgende dag op haar verjaardag zou worden opgediend. Lechon noemden ze dat hier. Plots voelde hij dat er iets naast hem lag. De beelden die zich met de werkelijkheid hadden vermengd bleven even weg. Hij kon zich even focussen op het hier en nu. Met een schok kwam Thomas tot het besef dat hij werd opgevreten. Hij sperde zijn ogen wijd open. Dit was helemaal niet normaal. Angstig keek hij naar het door zout aangevreten gezicht van de Manananggal. Maar hij had nog meer vrees voor wat ze met zijn ingewanden uitvrat. Hij wist nog steeds niet wat er naast hem lag, maar kon zich er niet op concentreren. De paniek sloeg weer toe en zorgde ervoor dat Thomas onregelmatiger ging ademen. Hij huiverde, had het koud en bibberde als een malloot.
“Had je me maar kunnen doden lieverd,” begon Esmeralda weer. Het licht doofde weer. “Ik had zo gehoopt dat je daarin zou slagen. De achtergronden van de Manananggal heb ik je verteld, alleen maar omdat ik wilde dat je een kans had. Een kans om háár te verslaan. Zodat je voorbereid zou zijn als ze toe zou slaan.”
“W-wat ligt er naast mij Esmé?” het was voor het eerst dat hij zelf weer iets probeerde uit te brengen. Esmeralda antwoordde niet. Evenmin keerde ze terug naar haar monsterlijke vorm. Blijkbaar was er een tweestrijd gaande tussen de goede Esmeralda en de monsterlijke Manananggal. Feitelijk wist ze ook niet wat er naast hem lag, simpelweg omdat ze het niet kon zien. Omdat zij niet reageerde probeerde Thomas er zelf achter te komen. Hij tastte naar het ding naast hem lag en trok na even te voelen zijn hand er gauw weer bij vandaan. Hij begon te janken en raakte overstuur.
“Oh, gatver! Het zijn mijn tenen. Mijn voet ligt naast me.” En omdat hij wist dat dit anatomisch onmogelijk was maakte een misselijk gevoel zich van hem meester. Hij kokhalsde en bracht vervolgens een stroom kots naar buiten.
“Hoy! Kumakain Ako!”
Hé, ik zit hier te eten hoor!
En het werd weer donker.
Thomas kwam plotseling tot het besef dat hij met zijn hand wel zijn voet had kunnen voelen, maar dit andersom niet het geval was. Sterker nog, tot halverwege zijn borst voelde hij al niets meer. Rechts had hij nog wel gevoel in zijn hand en arm, daar gaapte zelfs een grote open wond ter hoogte van zijn pols. Misschien had ze daar wel een hap uit genomen of had hij deze gewoon lelijk beschadigd.
“Het was mijn moeder,” sprak Esmeralda, wiens geest in het lichaam vast zat van het monster.
“W-wat schat?”
“Pedro en Raquel. Herinner je hun nog? Zij zaten in het spookverhaal dat ik je kort geleden vertelde. Het is allemaal echt gebeurd. Ik was er bij. María noemden we mij, ik had het bed strak getrokken voordat ik het huis verliet. Zo was het met mijn moeder afgesproken. Ze leerde mij de kneepjes van het vak. Terwijl zij bezig was Raquels baby op te eisen, sloop ik weg. En de kluizenaar is mijn vader. Er is dus eigenlijk geen kluizenaar. Hij kwam alleen het licht uit doen toen mijn transformatie begon.”
“Hoe? W-wat?”
“Laat maar schat. Ik hou van je.”
“I-ik ook van jou,” antwoordde Thomas en even later, vlak voordat hij stierf: “…geloof ik.”

image by TMD, edited by Gsorsnoi

“De Manananggal?”
Uitdagend bracht ze haar vinger naar haar lip en keek er delfisch bij. Ze ging verder en trakteerde hem op nog meer raadsels.
“Teleurgesteld om het feit dat ze hem nu niet meer achter de tralies konden krijgen, moest de familie Salvador de zaak loslaten en Raquel er juist tegen beschermen dat ze háár van de moord op Pedro zou verdenken. Hij had haar bij de politie namelijk afgeschilderd als een lastpak. Zijn collega’s, die samen met Pedro voor zijn en de omliggende appartementen werkten, konden haar dus eenvoudig als verdachte gaan aanwijzen. Gelukkig gebeurde dat niet, maar daarmee was ze nog niet van haar problemen af.” Haar toon werd serieuzer. “Ze was immers zwanger van zijn kind en ondanks een beginnende buik zwaar vermagerd doordat ze bijna twee weken van de straat had geleefd. Dat, met daarbij de stress vanwege de verkeken kans op een succesvolle studie en geldnood, waardoor ze weer op haar moeder was aangewezen, vormde de start van een moeilijke zwangerschap. Ze kon het kindje ook niet laten weghalen, want dat is hier bij de wet verboden. Bij elf weken werd ze plotseling opgenomen in het ziekenhuis in verband met ernstige uitdroging door het vele spugen. Ze had last van een erge vorm van zwangerschapsmisselijkheid. Daarbij kwam dat ze ineens extreem veel afviel in een periode waarin je gewicht juist hoort toe te nemen. In de Filippijnen kennen ze niet, zoals jullie in Nederland, het ziekenfondssysteem, zodat ze de kosten van het ziekenhuis er ook nog eens bovenop kreeg. Kortom, ze maakte echt een hele zware tijd door, wat er uiteindelijk ook voor zorgde dat de baby niet goed groeide. Bij 32 weken werd ze opnieuw opgenomen vanwege een groeiachterstand. Hij of zij liep vier weken achter en het zag er niet goed uit. Je kon op je vingers natellen dat dit wel mis móest gaan.”
Thomas onderdrukte een gaap en vulde op deze uitweiding meer als stelling dan als vraag aan: “Dus kreeg ze dan een miskraam?”
“Dat zou je natuurlijk kunnen denken. De meesten zouden dat doen. Toch, bij Raquel liep dat iets anders…”
“Wat? Hoezo dat liep anders?” Thomas begreep dit niet. “Een kind wordt geboren en anders sterft het door abortus of een miskraam. Een andere versie is er gewoon niet,” bracht hij heel stellig uit.
“En toch liep het anders schat,” ging Esmeralda eigenwijs verder.
Thomas ging onwillekeurig wat naar achteren zitten en gaf haar een blik van het zal wel. Het interesseerde hem ook eigenlijk niet.
“Nou, nu komt het hoor,” zei hij. Waarop Esmeralda glimlachte en zichtbaar genoot omdat ze iets wist waar hij nog geen weet van had. Opgewonden trok ze haar rechterbeen wat omhoog.
“Zo ergens aan het begin van de maand was Raquels moeder bij familie op bezoek en werd zij zelf gezelschap gehouden door een vriendin zodat ze de avond niet alleen hoefde door te brengen. Als vanzelf ging het in hun gesprekken vooral over het aanstaande moederschap en of dat er ook überhaupt wel van zou komen. Daar had Raquel inmiddels wat twijfels over. Zoals je wel zal begrijpen.”
Thomas knikte enkel.
“Zij en haar vriendin hadden het ook over hoe haar omgeving op deze zware zwangerschap reageerde, maar het werd die vriendin duidelijk dat Raquel voorlopig geen contact wilde met de buitenwereld. Ongewenst zwanger worden en zo op jezelf moeder worden, waarbij je erg afhankelijk bent van anderen, wordt in de Filippijnen namelijk niet echt gewaardeerd. Sterker nog, je wordt vaak zelfs met de nek aangekeken. Buiten dat je er natuurlijk niet om vraagt om zo zwanger te worden, ben jij wel verantwoordelijk voor je onvoorzichtigheid en acties. Wat in het geval van Raquel eigenlijk ook niet geheel onterecht is. Met iemand het nest in duiken, terwijl je met je studie bezig bent, is natuurlijk niet bepaald erg slim. Je brengt op zo’n manier toch een last met je mee voor je familie en eventuele andere mensen om je heen. En dat terwijl de meeste gezinnen het al niet breed hebben.”
“Haar familie toch wel? Hoe konden ze anders haar ticket betalen?”
“Zij behoorden inderdaad niet bepaald tot de armste mensen. Maar verplaats je even in de situatie.” Esmeralda liet niet veel ruimte voor discussie open en wilde vervolgen met: “Afijn, Raquel en haar bezoekster spraken zo nog wat totdat…”
“Sorry,” Thomas onderbrak haar toch nog even terwijl hij met een handgebaar de aandacht opeiste. “Deze vriendin, had zij ook een naam?” Het stoorde hem enigszins dat Esmeralda de ‘bezoekster’ niet bij naam aansprak.
“Laten we haar voor het gemak María dela Cruz noemen,” besloot Esmeralda na enige overweging en keek hem indringend aan, alsof zijn vraag haar ook stoorde. Feitelijk deed het dat ook. “Waar Juan dela Cruz de Filippijnse versie is van waar Amerikanen John Doe gebruiken voor een man zonder naam, hebben we daar voor de vrouwelijke variant María voor.”
“Oké, je weet haar naam dus niet.”
Esmeralda negeerde zijn opmerking en ging vrolijk en enthousiast verder.
“De bezoekster, euh ik bedoel María, gaf op een gegeven moment aan naar huis te willen gaan, maar omdat het al zo laat was en ze nog zo’n lange reis met de jeepney moest afleggen, zei Raquel dat ze beter de nacht bij haar kon blijven slapen. Dat leek haar veiliger dan haar gezelschap in het donker te moeten wegsturen. Het aanbod werd aangenomen en zo bleef María die nacht op de kamer slapen waar Raquel zelf ook sliep. Maar de nacht beloofde alles behalve een rustige te worden. Na middernacht kregen de dames er namelijk nog een extra gast bij…”
“De Manananggal?” vroeg Thomas.
“Sst! Verpest het nou niet.” Esmeralda’s reactie klonk echter minder geagiteerd dan het zich liet aanschijnen. Ze tikte hem zelfs plagerig tegen zijn schouder. “María sliep goed in op haar geïmproviseerde slaapplaats, maar Raquel kon de slaap met geen mogelijkheid vatten. Ze was onrustig gebleven door hetgeen die avond was besproken en had bovendien last van haar buik die in de weg zat en pijn deed. Misselijkheid en een naar gevoel overmanden haar waardoor ze aanstalten maakte om het bed uit te stappen om naar het toilet te gaan. Ze sloeg de lakens van zich af, maar bleef aan de grond genageld staan toen ze langs het raam liep. Het was een rustige maanverlichte nacht en voor de mensen die het gewend zijn in deze stad te leven, was het inderdaad een prachtig schouwspel. De maan leek in een solo-optreden helder aan de hemelboog te staan, zonder dat de verblindende lichten afkomstig uit de stad ook maar iets aan haar krachten afdeden. Op slag werd Raquel door de maan betoverd en alhoewel ze de ondefinieerbare pijn in haar onderbuik niet kon negeren, kon ze haar ogen niet van de maan afhouden, zo mooi en fascinerend was het. Het had ook iets bijzonder griezeligs. En wat dat griezelige was, ontdekte ze toen ze vanuit haar bevroren toestand ontdooide zodra ze plotseling naast dit hemellichaam een donkere vlek zag verschijnen die langzaam steeds groter werd en op haar af leek te komen. Op het moment dat ze door had wat er aan de hand was, wilde ze de raamluiken dichtsmijten en wegvluchten. Ze was echter zo door angst verlamd dat ze enkel haar ene hand beschermend naar haar onderbuik wist te brengen en de ander naar haar mond van helse schrik. Voor de rest kon ze geen spier bewegen en ze gaf zich onbewust al over aan het onheil dat haar treffen zou. Wat ze zag was een vrouw, misschien twintig jaar ouder dan zijzelf, van wie het onderlichaam ontbrak, die op hun woning af vloog met behulp van reusachtige vleermuisvleugels. Waar de onderste helft van haar lichaam was gebleven was een raadsel. De vrouw was naakt en afgrijslijk om aan te zien. Haar ogen waren bloeddoorlopen en leken te vlammen, zo rood waren ze. Haar kromme handen waren eerder klauwen en hadden veel te lange, puntige nagels. Verder had ze een asgrauwe blauwige huid die rimpelig was rondom haar verschrompelde borsten en dunne biceps. Desondanks kwam de heksachtige verschijning op haar over als iemand die in normale menselijke gedaante haar moeder had kunnen zijn. Raquel staarde vol huiver in haar smerige mond waar een zwarte smurrie uitdroop en realiseerde zich ineens met wat voor noodvaart het monsterachtige wezen op haar af kwam zeilen. Plotseling ontwaakte ze uit haar verdoofde toestand en schreeuwde in tranen en vol angst: ‘Het is een Manananggal! Help mij! Laat haar niet mijn baby pakken!’ Raquel wist immers uit vroegere voorlichting van haar moeder dondersgoed wat dit voor monster was, waarvan bekend is dat zij naar je toe komen om de ongeboren vrucht bij je weg te stelen, omdat ze verzot zijn op het opslurpen van het bloed uit het hart van foetussen. Daarom sloot ze zo snel als ze kon alsnog de luiken van de ramen en riep de naam van haar vriendin om haar te wekken. Daarbij boog ze moeizaam door haar heupen in een poging een stap in haar richting te zetten.Maar op dat moment ervoer zij zo’n helse pijnscheut dat haar adem even stokte en ze vervolgens kermde van de pijn. ‘María!’ schreeuwde ze na een heftige sensatie opnieuw, maar María werd niet wakker. Die sliep onverstoorbaar verder. Ze probeerde haar in al haar angst nog eens aan te roepen, maar merkte dat ze daar nauwelijks de kracht voor had en haar stem wegstierf. Ondertussen begon er bloed te vloeien langs haar benen en volgde de ene na de andere wee.”
“Raquels kindje werd dus gewoon te vroeg geboren, als je dat nu zegt,” viel Thomas in die gespannen zat te luisteren, maar Esmeralda sloeg geen acht op die opmerking.
“Van de Manananggal hoorde ze heel even niets, maar deze wezens staan erom bekend dat het geklapwiek van hun vleugels langzaam steeds zachter wordt naarmate ze dichter naderen om hun slachtoffers juist in verwarring te brengen. Opeens was de Manananggal zo vlakbij dat zij met het krachtigste deel van haar lijf door het dak schoot. Haar absurd lange en oersterke tong doorkliefde het dak met het grootste gemak. Raquel dook instinctief in elkaar om zichzelf te beschermen tegen het rondvliegend materiaal dat dit met zich meebracht. Kort nadat ze haar ogen even had gesloten om te voorkomen dat er splinters in zouden komen, staarde ze nog voor een kort ogenblik naar de dieprode streng die als een slang om haar heen danste. Veel tijd om de tong van de Manananggal te bestuderen kreeg ze niet, met een razende snelheid zocht het langwerpige geval een weg naar haar kruis, stak dwars door de stof van haar ondergoed en penetreerde met razende snelheid haar geslachtsorgaan. De impact waarmee het ding haar baarmoeder binnendrong was zo krachtig dat Raquel erdoor werd opgetild en tegen het plafond werd gedrukt. En terwijl de tong zich in haar onderbuik in een spiraalbeweging om haar kindje kronkelde, hing Raquel oog in oog met het duivelse monster. Grijnzend keek de Manananggal de doodsbange jonge vrouw aan. Felrode vlammende ogen hielden de blik op haar geconcentreerd terwijl het ellenlange orgaan z’n werk deed. Bruusk werd de 34 weken oude baby door de baarmoedermond naar buiten getrokken. Raquel had het gevoel compleet uit elkaar gerukt te worden. Haar geboortekanaal werd aan gort getrokken en haar vagina scheurde op drie plekken in. Raquel zou de rest van haar leven kreupel moeten doorbrengen, als ze niet al aan haar verwondingen bezweek. Onder normale omstandigheden had een kindje van deze leeftijd het buiten de baarmoeder al redelijk op eigen kracht kunnen redden. De nieren zouden klaar moeten zijn en de longen bijna of helemaal gerijpt. De levensvatbaarheid van Raquels baby bleef echter ernstig achter en het kindje had dus ook het leven verloren, kort voordat de Manananggal dit jonge mensje op kwam eisen. Hoe Raquel weer terug op de vloer terecht was gekomen had ze geen idee van. Wat ze wel wist was dat ze breeduit in een plas van haar eigen bloed, urine en vruchtwater op de vloer was komen te liggen en dat ze alles troebel zag door haar tranenvloed. Het levenloze lichaampje van haar baby lag voor haar op de grond, maar werd snel daarna uit haar gezichtsveld weggetrokken. Daarom keek ze vlug omhoog naar het gat dat in het dak was ontstaan en waarin ze haar kindje zag verdwijnen. Ze staarde naar de bloederige onderzijde van de romp van de Manananggal en de op deze afstand haast geluidloze slaande beweging van haar vleermuisvleugels. Uit haar armbewegingen, die deels uit het zicht vielen, maakte ze op dat het monster bezig was om haar kindje te verorberen. Raquel wendde zich daarop vol afschuw af, schreeuwde het uit van smart en verdronk zowat in een zee van tranen. Ten slotte, nadat ze zeker een minuut of tien had liggen wenen, trok ze zichzelf op aan het bed van María. Lopen of strompelen kon ze niet meer. Daar verwachtte ze eigenlijk dat haar bezoekster moest zijn ontwaakt en wellicht uit angst niets heeft durven doen of zeggen. Of misschien had María echt zo vast geslapen dat alle gebeurtenissen in het slaapvertrek haar waren ontgaan. Dit leek haar echter bijzonder onwaarschijnlijk. Des te groter was daarom Raquels schok toen ze ontdekte dat María’s bed leeg was. Ze was verdwenen. En wat nog raadselachtiger was – waar Raquel met haar verstand niet bij kon – was de staat waarin ze haar bed had achtergelaten…”
“Onbeslapen,” gokte Thomas.
“Inderdaad. Onbeslapen,” bevestigde Esmeralda. “Het was alsof María die avond zelfs niet eens bij haar was langs geweest.”

“Wat een weerzinwekkend verhaal zeg,” concludeerde Thomas vol afkeer. “En dit windt jou op?” Ademloos en vol huiver had hij naar de hele uiteenzetting zitten luisteren. Met een climax die duidelijk heel anders had uitgepakt dan hij vooraf had kunnen bevroeden. Het had zijn maag doen omdraaien. Esmeralda had hem vooral verrast met de gruwel die moeder en kind werd aangedaan, iets wat Thomas van te voren niet had zien aankomen. Toch glunderde ze triomfantelijk toen Thomas haar vroeg wat ze er zelf van vond en kneep haar benen nog eens bij elkaar.
“Hm, hm!” was haar reactie, waarmee ze klaarblijkelijk beaamde dat ze ervan genoten had. Even viel er een stilte. Uiteindelijk schoof Thomas wat naar de andere zijde van het dekentje dat Esmeralda had meegebracht. Zijzelf ging vanuit haar zijlingse positie rechtop zitten en rechtte haar rug. Dit ging gepaard ging met een soort knakkend geluid. Haar benen vouwde ze vervolgens over elkaar zodat ze in een kleermakershouding kwam te zitten, geheel ontspannen.
“Wat ziek zeg,” Thomas zat inmiddels ook overeind en kon er niet over uit. “En wat verschrikkelijk misselijkmakend! Geniet je werkelijk van dit soort onpasselijk makende verhalen? Het ergste is nog dat je er heilig in lijkt te geloven dat dit ook echt zo is gebeurd.”
Met een klein tongetje tussen haar tanden onderstreepte haar mimiek Haar mimiek, geïllustreerd door een klein tongetje tussen haar tanden, onderstreepte dat het waar was wat haar vriendje suggereerde, zonder verder iets te zeggen. Ze vond het inderdaad plezierig en genoot haast nog meer van het feit dat Thomas zich eraan leek te storen.
“Je weet toch wel dat gedetailleerde horrorverhalen mijn specialiteit zijn? Hoe sappiger hoe liever ik ze heb,” verklaarde ze zonder zich ook maar een ogenblik te generen voor enig stukje inhoud dat haar vertelling rijk was geweest. De reactie die ze daarop van Thomas kreeg was een niet-begrijpende. Hij schudde zijn hoofd en probeerde te bevatten wat Esmeralda met dit macabere voorspel had geprobeerd te bereiken. Wat hij vooral niet snapte was de schaamteloze en gevoelloze manier waarop ze beschreven had hoe de baby van Raquel bij haar moeder werd weggehaald. Alsof het verwerpelijke karakter hiervan haar totaal ontging. Het ergste was nog dat ze deze tot de Filippijnse mythologie behorende volksvertelling blijkbaar zó normaal vond dat ze het had voorgedragen alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Voor Filippijnse begrippen is dat misschien ook wel zo, bedacht hij zich nog. Hijzelf geloofde er in elk geval geen woord van.
“Zeg, maar als die Manananggals zo graag het bloed van foetussen opslurpen…”
“Vooral het bloed uit het hart van de baby’s,” verbeterde Esmeralda hem betweterig.
“Oké, ook goed. Dan begrijp ik nog niet wie of wat Pedro in jouw verhaal zoiets gruwelijks zou hebben aangedaan. De Manananggal was er beslist toe in staat lijkt mij.”
“Het was ook de Manananggal,” antwoordde Esmeralda. “Je hebt me nergens horen zeggen dat Manananggals niets anders doen dan foetussenbloed drinken. Het geval wil alleen dat dat toevallig hun favoriete snack is. Maar het eten van gezonde volwassen mannen vinden ze ook bijzonder smakelijk hoor. Vooral hun bloed en ingewanden zijn erg in trek.”
Dit vond Thomas niet logisch klinken. Vampierachtige wezens die gek zijn op babybloed en daarnaast ook nog volwassen exemplaren naar binnen werken? De meeste fabels over monsters die hij tot noch toe had gehoord waren veel consistenter.
“Denk je dat zij van babybloed alleen kunnen leven?” vroeg Esmeralda, alsof ze zijn gedachtes kon horen. “Jij hebt naast kleine tussendoortjes toch ook zo op z’n tijd een stevige maaltijd nodig?” Nu, dat klonk inderdaad wel als een plausibele verklaring, dacht Thomas, maar hij reageerde er verder niet op.
“Toch denk ik eerder dat er een psychopaat aan het werk is geweest. Die zou er ook voor gezorgd kunnen hebben dat dit soort verzinsels de wereld in geholpen werden, in plaats van dat één of ander monster z’n slag zou hebben geslagen. Ja, bij mij komt dat er niet in hoor. Daar ben ik te nuchter voor.”
Al die tijd staarde Esmeralda haar vriendje geamuseerd aan en draaide zij speels naast zich op het kleed wat rondjes met haar vingers. Ze hoorde wat hij zei, maar leek zich niet meer te storen aan het feit dat ze blijkbaar niet serieus genomen werd. Thomas had de rust nog niet gevonden, hij ordende zijn gedachten en krabde wat aan zijn ongeschoren kin. Hij wilde dit alles wat zij hem had verteld het liefste loslaten en zich met veel plezierigere zaken bezighouden, maar nu ze hem toch van zoveel informatie over dit volksgeloof had voorzien, meende hij dat het beter was dat ze hem alles vertelde.
“Dus kan zo’n Manananggal ook dood? Euh… ik bedoel dat is het natuurlijk al voor de helft. Maar kun je ze ook op één of andere manier uitschakelen? Het lijkt mij dat mensen dat al eens geprobeerd moeten hebben, of niet?”
“Oh zeker, dat hebben ze ook. En daar zijn ze ook een aantal keren in geslaagd. Zie je, het zwakke punt van de Manananggals is de scheiding van hun lichaamshelften of ‘tanggal’, het Filippijnse woord voor ‘verwijderen’ waarvan hun naam is afgeleid. Zodra ze tot hun transformatie overgaan zullen ze zich losmaken van hun onderlichaam. Dat blijft dan achter, ergens in de bossen of zo. En als er dan een slimmerik is die dat onderlijf weet te vinden en zout op het deel strooit waar het bovenlijf aan vast heeft gezeten, dan kan de Manananggal zich niet meer aan het onderlijf hechten en sterft zij zodra de zon opkomt.”
“Net zoals bij vampieren bedoel je?”
“Exact zoals bij vampieren.”
“Dus waar hangen Manananggals overdag dan uit als ze niet tegen licht kunnen?”
“Dan keren ze terug naar hun menselijke vorm. Ze nemen alleen hun vampierachtige gedaante aan wanneer zij zichzelf losscheuren van hun onderlijf. Alleen in hun monsterlijke vorm zijn ze dus kwetsbaar en schuwen ze het daglicht. Overdag zijn het normale mensen zoals jij en ik.”
“Weten ze van zichzelf dan wel dat ze monsters zijn? Ik bedoel, herinneren ze zich iets van wat er in de voorgaande nacht is gebeurd?”
“Alles. En dat maakt de vrees onder de lokale bevolking alleen maar groter.”
Thomas liet zich op zijn rug rollen, maar bleef Esmeralda met een bedenkelijke blik aankijken. Alhoewel hij echt geen idee had wat hij van dit alles moest vinden, besloot hij deze nonsens van zich af te zetten. Hij hield zichzelf voor dat ze waarschijnlijk zo blind in deze materie geloofde omdat ze nog jong en naïef was. Al was hij slechts drie jaar ouder, hij voelde zich een stuk volwassener. Later zou ze ook wel gaan inzien dat dergelijke dingen gewoon helemaal niet kunnen. Over enkele minuten zou de klok twaalf uur slaan en kwam ze alweer een levensjaar dichtbij het volwassen leven. Laat haar nog maar even in die waan, dacht hij nog.
“Wil je nog….?” begon Esmeralda. Ze kwam los van haar kleermakerszit en ging met haar billen op haar hielen zitten. Ze maakte haar zin niet af, maar had ook eigenlijk niet meer woorden nodig om duidelijk te maken waar ze op uit was. Haar vraag doorbrak alle andere gedachtes die Thomas het moment ervoor nog bezighielden. Vervolgens spreidde ze haar benen en wreef in haar uitgerekte houding zo geil als ze dat maar kon met haar handen over haar slip en langs haar borsten. De roze stof van haar bandeau stond strak en kon haar borsten amper ingevangen houden op het moment dat ze die beweging maakte. Gretig stemde Thomas in en hij schoof op het kleedje naar haar toe. Toen hij eenmaal in haar handbereik was greep ze direct zijn hand beet en plaatste deze op haar kruis. Nat was ze. Het voelde er klam aan. En terwijl ze hem haarzelf tussen haar kruis liet betasten, knoopte zij zijn overhemd los zodat hij op het laatst alleen zijn onderbroek nog aan had. Een intense zoenpartij volgde. Ook zij liet haar hand naar beneden glijden en zocht er naar zijn geslachtsdeel. Ze vond deze, maar vond ook dat de stof van zijn boxer in de weg zat. Daarom trok ze de stof bij het elastiek naar beneden en ontblootte daarmee zijn lid. Vol verlangen greep ze het beet en begon het weer op en neer te trekken. Haar hand werd er meteen nat van. Thomas pakte ook zijn kans en trok de natte stof van haar slip opzij. Met twee vingers friemelde hij tussen haar schaamlippen en werkte omhoog naar haar clitoris. De exaltatie bij Esmeralda was enorm zodra zijn vingers met haar genotsplekje in aanraking kwamen. In spastische bewegingen boog ze in elkaar telkens wanneer hij haar klit weer beroerde. Als antwoord op die hemelse verwenning besloot ze hem ook het zijne te geven en verspreidde met haar duim wat van zijn gelekte voorvocht over zijn glanspeer. Ook Thomas werd hier wild van en moest haar zelfs tegenhouden om een te vroege zaadlozing voor te zijn. Thomas wilde de borsten van zijn vriendin ook tenminste met één hand aanraken en probeerde daarom wat stuntelig een weg te vinden onder haar bandeau. Esmeralda hield dat echter tegen en duwde die hand weer weg. Ze stopte met kussen, boog een stukje naar achteren en stond op. Verwachtingsvol keek hij haar na. Hij trok zijn onderbroek verder uit en werd nieuwsgierig naar wat Esmeralda ging doen. Ze liep in twee passen naar de verlichte waterval en bleef daar met haar rug naar hem toe staan. Thomas kon zijn geluk niet op. Hij had door wat ze wilde doen. Ze zou een show voor hem opvoeren. Esmeralda keek uiterst uitdagend over haar schouder naar hem om en wiegde verleidelijk met haar heupen. Door steeds van standbeen te veranderen en af en toe eens met haar billen te draaien maakte ze haar vriendje helemaal gek. Ze boog ietsjes voorover en schudde met haar bilpartij. Daarna bracht ze haar handen juist naar haar achterwerk en streek er sensueel met haar tien vingers langs. Behalve van haar hitsige zitvlak werd hij ook compleet wild bij het aanschouwen van haar heerlijke benen en haar ranke heupen. Maar hij kreeg het helemaal te heet toen Esmeralda de stof van haar bandeau vastpakte en een dansende start maakte om die omhoog te brengen.

Wordt vervolgd.

image by Wynther_Knight, edited by Gsorsnoi

“Zal ik je zometeen een spookverhaal uit de Filippijnen vertellen?” vroeg Esmeralda uitdagend aan Thomas terwijl ze een nieuw pad buiten de stad insloegen. Esmeralda Garcia wierp terloops een blik over haar schoudertas naar achteren en beet zachtjes op haar onderlip. Samen met haar vriendje Thomas Martens besteeg ze een flauw hellend voetpad nabij één van de zijstromen van de Panay River. Ze hadden het bewoonde gebied van de stad nu bijna verlaten. Zij liep soms op hem vooruit, daar de uit Nederland afkomstige Thomas de streek rondom de woonplaats van zijn vriendin nog nauwelijks kende. Het stel, dat elkaar eerder dit jaar via het internet had ontmoet, zocht nog vrij laat de buitenlucht op. De zon, die overdag nauwelijks inspanningen had hoeven leveren om Thomas’ bleke huidje van enige kleur te voorzien, was reeds lang onder de horizon verdwenen. Ze liepen nog net niet in de complete duisternis. De enige verlichting die het hun nog mogelijk maakte om hier een hand voor ogen te zien, was afkomstig van de schaarse straatverlichting en de paar woningen waar het licht nog brandde. Nu viel de nacht op de Filippijnen überhaupt al vroeg in, aangezien de zon er gedurende het gehele jaar gemiddeld tussen vijf en zes uur al ondergaat, buiten de steden was het er soms griezelig donker. Thomas liet zich daarom leiden door zijn nieuwe liefde, op wie hij hier volledig was aangewezen, maar vroeg zich wel af hoeveel langer Esmeralda hun nachtelijke avontuur nog wilde maken.
“Oké, waarom niet?” stemde hij weifelend toe. “Maar zullen we zo niet eens teruggaan naar huis?” Thomas hoopte erop dat ze de terugweg zou willen gebruiken om haar verhaal te vertellen. Dan konden ze wellicht nog tegen enen thuis zijn. Bovendien werd ze morgen achttien, dus leek het hem wel prettig om daar een beetje fris bij voor de dag te komen. Maar Esmeralda bleek nog niet de aanleiding tot hun escapade te zijn vergeten. “En hoe zit het dan met onze plannen? Of wil je zeggen dat je nu geen zin meer hebt?” vroeg ze hem en keek hem opnieuw ondeugend aan. In het ouderlijk huis was het hen niet toegestaan om seks te hebben, zodat ze er eerder op de avond op uit waren gegaan om een plekje op te zoeken waar ze ongestoord konden vrijen. Wanneer je nog thuis bij je ouders woont, wordt dat vaak niet getolereerd. En alhoewel dat soms moeilijk tegengehouden of gecontroleerd kon worden, zou het van weinig respect getuigen indien je het toch deed. Tegen haar moeder had Esmeralda daarom gezegd dat ze even bij een vriendin langs zouden gaan – wat ze feitelijk ook hadden gedaan – en daarna weer zouden terugkeren. Na het bezoek aan die vriendin waren ze echter nog een stuk doorgelopen om de natuur op te zoeken. Naarmate ze verder doordrongen in de wildernis en steeds minder huizen zagen, nam langzaam ook de straatverlichting af. De nacht was als een zwarte sluier over de archipel komen te liggen. Voor Thomas kwam dit allemaal wat onwennig over, al stond het idee van de avontuurlijke vrijpartij hem niet tegen. In de Filippijnen waren ze blijkbaar gewoon aan het feit dat de avond zo snel inviel. Hij zou hebben gedacht dat je, als het al zo donker was, niet nog uren buiten de deur zou besteden vooraleer je weer naar huis keerde. Daarnaast leek het hem alleen al voor de eigen veiligheid niet verantwoord.
“Het is nu niet veel verder meer,” verzekerde Esmeralda hem, “we zijn er zo. We lopen nog een stukje langs deze rivier hier en dan hebben we daar verderop een plek waar we ons ongestoord kunnen uitleven,” ze wees naar een iets hoger gelegen wal aan de rivier. Thomas zag niet dat ze haar arm strekte om de richting te duiden. Zo donker was het. “Roxas houden we hiermee op loopafstand.” Ze sprak de naam van haar woonplaats uit als ‘Ro-has’. Thomas zei het nog dikwijls verkeerd door de ‘x’ als ‘ks’ uit te spreken.
Roxas City is een middelgrote stad in de Filippijnse provincie Capiz en tevens de belangrijkste haven van het noordelijke deel van het eiland Panay. Voorheen stond deze stad bekend als de ‘Capiz gemeenschap’ – ook wel ‘barangay Capiz’ genoemd – waar de provincie uiteindelijk zijn naam aan had te danken. Op 12 mei 1951 werd de gemeenschap, inmiddels uitgegroeid tot een stad, omgedoopt in Roxas City. Diverse rivieren meanderen er doorheen, snijden dwars door de kern en verdelen het daarmee haast evenredig in tweeën. Zijrivieren vanuit de bergen stromen in de bovenste delen van Panay River, razen door enkele kleinere nederzettingen die langs de oevers zijn opgetrokken en irrigeren het land waardoor deze een vruchtbare bodem vormt om voedsel op te verbouwen. Terwijl ze een heuvelachtig gebied introkken waar de begroeiing langzaam de overhand begon te krijgen, ving Esmeralda aan met het vertellen van haar verhaal.
“In de provincie Capiz doen relatief veel horrorverhalen de rondte over allerlei soorten mythische wezens, zoals geesten, kobolden, ghouls en zogenaamde aswangs. Waarvan van al die monsters de laatste nog wel het meest worden gevreesd. Het is een verzamelnaam voor boosaardige vampier-achtige schepsels die buiten deze streek vaak worden afgedaan als het onderwerp van mythen en Filippijnse folklore. Volgens velen dus verzinsels, angstverhalen gebaseerd op bijgeloof. Hier onder de lokale bevolking wordt er echter heilig in geloofd. De Spaanse kolonisten, destijds in de 16e eeuw, konden zelfs bevestigen dat ze oog in oog hebben gestaan met deze manifestaties van het kwaad…”
Onderzoekend trok Thomas een wenkbrauw op. Esmeralda, die door haar vriendje liefkozend Esmé werd genoemd, wist dat hij niet weg was van fictie – de nuchtere Groninger hield het liever gewoon bij feiten – daarom kon het voor haar nog wel eens als vermoeiend worden ervaren om hem iets te vertellen. Vandaag besloot ze zijn verzuchtende reacties liever te negeren. “Zij maakten kennis met onze gewoontes en eigenaardigheden en kwamen ze in deze provincie tot de ontdekking dat er niet te spotten viel met bovennatuurlijke krachten en andere onverklaarbare verschijningen die aanvankelijk werden afgedaan als fabeltjes. Alleen was niet iedere Spanjaard daar zonder meer van overtuigd. Dat bleek wel, toen er mannen tussen die Spaanse bezetters waren die met de Filippijnse vrouwen het bed deelden met zwangerschap als onvermijdelijk gevolg. Sommige van hen lieten de vrouw dan achter en verlieten het land weer met de eerstvolgende vloot. Anderen, die hier bleven om hun zoon of dochter geboren te zien worden, zijn uiteindelijk toch het land ontvlucht. Mochten ze de moed al hebben gehad om verhaal te doen van hun gruwelijke ervaringen, dan werden ze thuis voor gek verklaard. Dat wil zeggen, als ze de huiveringwekkende voorvallen zelf überhaupt al hadden overleefd.”
“Ja, ja, hoezo dat dan?” Nu kwam het, dacht Thomas. Esmeralda zou vast een één of andere fantastische of bovennatuurlijke verklaring hebben voor mysterieuze gebeurtenissen. Ze zou hem ongetwijfeld wel iets gaan vertellen waarvoor je tenminste van sprookjes of legendes moest houden om het aannemelijk te vinden. Dit was niet Thomas’ sterkste punt. Hij gaf de voorkeur aan tastbare feiten. De geboren Groninger had zichzelf altijd te nuchter gevonden om zich te laten meeslepen door ongefundeerde praatjes. Toch, omdat het zijn vriendin was, bleef hij geduldig. De onderhoudende wijze waarop ze haar verhaal aanzette droeg ook wel bij aan zijn motivatie te blijven luisteren en tevens curiositeit, zodat hij verder beleefd aandacht hield en zich afvroeg wat er zo bijzonder was aan het verblijf van de Spanjaarden bij de vrouwen. “Waren deze vrouwen behekst of zo? Of gebeurde er iets anders vreselijks rondom die zwangerschappen?”
Esmeralda grijnsde geamuseerd om zijn vragen en voorzag hem graag van verdere details. “Nee, de vrouwen die in verwachting waren niet. Het waren de zogenaamde Manananggals, een ondersoort van de Aswangs. Dit zijn gevreesde wezens in de Filippijnse folklore. Duistere schepsels, doordrenkt van kwaad, die aan westerse vampieren doen denken en soms ook Tik-tiks worden genoemd vanwege het kenmerkende geluid dat ze maken met hun vleermuisachtige vleugels. Het zijn mensetende monsters die vaak als heksen worden aangeduid, omdat ze overwegend vrouwelijk zijn. Met name in de westelijke provincies van Capiz en Iloilo zijn ze erg berucht. Maar ook in de volksverhalen van buurlanden Indonesië en Maleisië zijn soortgelijke wezens veelbesproken.”
Thomas fronste zijn wenkbrauwen. Esmeralda’s verklaring kwam hem voor als een ratelend intro van een absurde sage, dat door volksgeloof lichtgelovigen op morbide wijze moest bekoren. Haar integere opstelling was hem echter niet ontgaan. Hij bleef vooralsnog bij zijn sceptische houding en begon onbewust iets schever te lopen, waardoor hij zich iets van zijn vriendin leek te verwijderen.
“Oké,” bracht hij voorzichtig uit. Bedenkelijk keek hij haar aan. Onbedoeld viel er een korte stilte. Thomas deed geen moeite zijn uitdrukking van ongeloof te verbergen. Met een vragende blik probeerde hij zelfs te doorgronden of Esmeralda het echt meende. Ze liet zich er echter niet door uit het veld slaan. Integendeel. Met de overredingskracht van een pubermeisje dat haar vader ervan moest overtuigen dat dat veel oudere nieuwe vriendje van haar wel degelijk te vertrouwen was – in hun geval had dit zomaar de situatie kunnen zijn; Thomas was net twintig geworden – probeerde ze tot hem door te dringen. Ongecontroleerd trok ze haar schouders op en bracht ze haar wenkbrauwen bij elkaar. Met haar handpalmen tegenover elkaar was ze net de pastoor van de verderop gelegen Santa Monica kerk in het dorpje Panay. Ze preekte verder:
” Voor de Filippino’s uit de regio Visayas is dit een gemeenschappelijke werkelijkheid waarmee elke dag geleefd moet worden. De Spaanse bezetters waren er op den duur van overtuigd dat de Manananggals bestonden. En ik kan je verzekeren, dat doen ze ook nu nog.”
Thomas geloofde zijn oren niet. Hij was erg op zijn meisje gesteld en koesterde al vroeg in hun relatie bewondering voor de schilderachtige manier waarop ze bepaalde zaken kon optekenen. Maar hij had niet verwacht dat wanneer het op feiten of fictie zou aankomen, Esmeralda de naïeve aanhanger van oeroude vertelsels bleek te zijn.
“Wil je daarmee zeggen dat je het zelf ook gelooft dan?”
Het was er uit voordat hij er erg in had. Al direct speet het hem dat hij zo plompverloren duidelijk maakte dat hij Esmeralda’s relaas in twijfel trok. Ze had dan ook niet het idee dat ze serieus genomen werd. Ze beantwoordde zijn reactie met een veelzeggende priemende blik. Op slag stond ze stil, als versteend in de predikende houding die ze het laatst had aangenomen. Verontwaardiging had de plaats ingenomen van haar eerdere gelaatsuitdrukking. Nota bene haar eigen vriendje had zijn mening al paraat voordat ze goed en wel de kans had gekregen om alles te vertellen. Toch was haar belijden gemeender dan deze gespeelde act. Eigenlijk had ze wel verwacht dat er meer voor nodig was om Thomas tot een ander inzicht te brengen. En ze genoot ervan. Schijnbaar gepikeerd beende ze verder en keerde ze zich van hem af. Thomas liet ze daarmee achter met het gevoel iets verkeerds te hebben gezegd. Onthutst doch schuldbewust staarde hij haar na en trok vervolgens een kort sprintje om haar in te halen.
“Hé, schat! Zo was het niet bedoeld.” Shit, dacht hij, hij had haar echt op haar teentjes getrapt.
Esmeralda sprak geen woord en liep de hoek om naar een dichter begroeid terrein. “Je kunt gerust verder vertellen hoor. Wat had je dan verwacht van een Westerling als ik? Ik ken de plaatselijke gebeurtenissen hier toch niet?” In de bocht die stikdonker werd door de vele laaghangende takken, zag hij geen hand voor ogen. Hij had de grootste moeite zich te oriënteren en kon nog maar net onderscheiden wat voetpad was en wat niet. Of wat ervoor door moest gaan. Achter hen verdween de stadsverlichting voorbij de glooiing van het landschap. Waar ze het hier mee moesten doen was het flauwe schijnsel van het maanlicht. Alleen was het zonneklaar dat de schaduw en algehele duisternis de overhand hadden. Esmeralda kon hij volgen op basis van het geluid dat haar voetstappen maakten en haar exuberante contouren die zelfs bij de afwezigheid van zoveel licht nog oogverblindend waren. Toen Thomas achter zijn vriendin aan onder de uitstulping van een overhangende rots door liep, voelde hij het op slag afkoelen. De temperatuurdaling verdween net zo plotseling als dat hij was opgedoken. Heel even huiverde hij van angst terwijl hij opkeek naar de reusachtige zwarte vlek die over hem heen trok. Hij staarde naar boven en vroeg zich af waar de sterren waren gebleven. Op het moment dat zijn ogen zich wat hadden aangepast aan een kort moment van complete duisternis, gold zijn verbijstering meer dan wanneer Esmeralda hem zou hebben voorbereid op hetgeen ze hier zouden vinden. Ongemerkt had ze hem van het door toeristen veel belopen zandweggetje langs de Panay River over een natuurlijk pad naar een verborgen grot geleid. Door zijn eerdere ontsteltenis had hij nauwelijks in de gaten gehad dat ze flauw waren afgedaald naar een ondiepe caverne, die beter verlicht bleek dan de route die ertoe leidde. De ruimte in dit berghol was aan de flinke kant, veel groter dan hij zich in eerste instantie zou hebben kunnen indenken. Voor een theater was het misschien net te nauw, maar een kleine bioscoop had je er prima in kunnen installeren. Ze moesten zonder dat Thomas dat door had gehad toch gauw een meter of twee naar beneden zijn afgedaald. Onderweg langs deze rivier hierheen had hij echter geen aanwijzingen gevonden die erop duidden dat ze konden stuiten op een dergelijk ondergronds vertrek. Aan het oostelijke uiteinde van de beschutte ruimte en de rechterflank waren de rotswanden hoog opgetrokken. De entree waar ze nu stonden was aanmerkelijk krapper. Dit kwam doordat de grote holte naar deze zijde taps toeliep. Ongeveer in het midden van dit hol, onder een verlaagd plafond, bestaande uit een aanzienlijke naar beneden gerichte stenen bult, ontwaarde hij een naar het westen gerichte boog rondom een lichter gekleurde plek.
Plotseling snapte hij waar het zachte geruis vandaan was gekomen dat hij tijdens het betreden van deze ruimte had opgemerkt en niet had kunnen plaatsen; recht voor hen lag een kleine waterplas, met daarin een glinstering die voortdurend ritmisch werd onderbroken door aanvoer van hoger gelegen water, zoals een stortbui het licht van koplampen doet verstrooien. Wat de oorsprong was van de lichtbron in de plas, kon hij zo niet zien, maar het verklaarde wel waarom hij kort na het binnenlopen van de grot meer zicht had dan toen ze er nog buiten stonden. Ook de luchtvochtigheid die hij geleidelijk voelde oplopen bij het binnengaan werd door dit watertje verklaard.
Wat hem verder opviel was dat het in dit natuurlijk onderkomen niet bijster koud was. Het was er zelfs behaaglijk te noemen. De reden hiervoor was dat de geografische ‘rug’ van de Filippijnen langs een uitgestrekte actieve vulkanische oceaanstraat was gelegen. Hierdoor was de grond er rijk aan warmtestromen, wat maakte dat er in de grot een constante temperatuur heerste van 21 graden. Toen Thomas wat aandachtiger om zich heen keek, zag hij dat hij Esmeralda kwijt was. Hij begreep dit niet, want zojuist had ze nog voor hem gelopen, vlak voordat ze hier binnen kwamen. Of was hij toch een ander pad ingeslagen dan zij? Omdat hij zich haast niet kon indenken dat dat het geval was stapte hij omzichtig naar voren om een beter beeld te kunnen krijgen. Misschien stond ze wel ergens in een hoek waar hij haar minder goed kon zien. Rondom de plas met de waterval was een en ander namelijk duidelijk zichtbaar, maar voor de rest van de ruimte moest hij zich echt inspannen om details te kunnen onderscheiden. “Esmé?” bracht hij gespannen uit. “Waar ben je schat?”
Enige reactie bleef uit.
Omdat hij geen idee had hoe goed de ondergrond te vertrouwen was en niet wilde riskeren onderuit te gaan, plaatste hij uiterst behoedzaam de ene voet voor de ander. Instinctief liep hij daarbij met zijn armen gespreid naast zijn lichaam. Mocht hij dan toch nog vallen, dan kon hij zich in zijn reflexen beter opvangen. Het bleek onnodig, de stenen onderlaag was prima beloopbaar. Hij probeerde Esmeralda opnieuw aan te roepen. Ditmaal iets luider dan voorheen. Maar in de grot bleef het akelig stil. Totdat hij dichter bij de lichtbron van het water was gekomen, hij zich langzaam om zijn as draaide en zich wezenloos schrok toen hij van achteren werd vastgepakt. Thomas slaakte een wilde kreet toen hij plotseling door twee handen op zijn schouders werd aangeraakt. Hij schoot naar voren en keerde zich direct naar zijn belager. Vergezeld van een smakelijk gelach werd hij door haar begroet.
“Je was bang hè?” was dadelijk de reactie van Esmeralda, die een grap met haar vriendje had uitgehaald. En ze bleef nog even proesten omdat ze hem zo tuk had gehad.
“Man, ik schrok me kapot met jou!” antwoordde hij met een wrange glimlach. Esmeralda liep op hem toe en gaf hem een knuffel. Dat voelde goed aan. Niet alleen voelde hij zich daardoor minder ontdaan, het was ook wel weer fijn om haar lijf warm tegen het zijne te hebben. Troostend wreef ze hem over zijn rug. Haar borsten drukten daarbij zachtjes tegen zijn bovenlijf. Dat bracht een prettige sensatie in hem teweeg. Net zoals wat ze met haar dijbeen deed, dat ze op een plagerige manier licht tegen zijn kruis had opgetrokken. Thomas voelde een tinteling door zijn onderbuik gaan, en een lichte beweging in zijn short. Het was een liefkozing die wat hem betreft niet lang genoeg kon duren. Alleen was er wat van het pluizige haar dat ze geblondeerd en gestyled had tijdens de omhelzing over zijn neus komen te hangen. Hij trachtte het uit zijn gezicht te blazen, maar dat hielp weinig. Met haar lange volle bos was dat niet eenvoudig. Uiteindelijk ontspande hij zijn greep en hield haar ietsjes van zich af. Twee diepbruine ogen keken daarop recht in de zijne. Ze werden omlijst met haar lange volle wimpers, geaccentueerd door een donkerzwarte mascara, waarmee ze hem nog extra kon betoveren. Verliefd staarden ze elkaar aan. De wereld leek heel even stil te staan. Ook haar volle lippen had Thomas al vanaf het eerste moment dat hij haar zag onweerstaanbaar gevonden. Zo rijk en vol had hij ze nog niet veel eerder gezien. Esmeralda zocht naar een kus. Hij beantwoordde deze maar al te graag. Verrukt sloten ze hun ogen, toen haar als met fluweel beklede lippen contact maakten met die van hem. Twee handen gleden omlaag over de holte van haar rug. Eén ervan vond haar lichtbruine skinny jeans en kneep in haar opgerichte billen. Zot van verlangen pakte Thomas haar nog dieper tussen haar benen en duwde zijn kruis stevig tegen haar aan.
“Wat is dit voor plek?” vroeg hij tussen twee zoenen door, duidend op de afgelegen grot waar ze hem naartoe had gebracht.
“Maakt het wat uit?”
Thomas schudde tevreden en met een brede grijns zijn hoofd. Hij zoende haar opnieuw en liet zijn tong langs die van haar glijden. De speekselwisseling was van korte duur.
“Hier heb ik voor het eerst gemasturbeerd…” zei ze hees en beet vervolgens zachtjes op zijn onderlip. Nu werd de sensatie in zijn onderbuik wel erg intens. En het werd nog heviger toen hij voelde hoe haar hand de bobbel in zijn shorts vastgreep. Die masseerde ze gretig. Toen het kloppend vlees in de palm van haar hand een vol volume had bereikt, trok ze het elastiek dat zijn korte broek om zijn heupen hield naar voren en taste ze naar zijn lid. Dit was het moment waar Thomas de hele avond naar had gehunkerd. Haar vingers omsloten de losse huid om zijn stijf geworden geslachtsdeel en trok deze liefdevol op en neer.
“Maar nu eerst mijn verhaal!” besloot ze al snel en trok vlug haar hand weer uit zijn broek.
Als uit een droom ontwaakt, werd de trance verbroken waarin Thomas was verzonken. Een natte droom in zijn geval. “Oh, jij vuil kreng,” reageerde Thomas fel. Maar op een boze manier was het niet. “Je zit me gewoon te kwellen, mens. Je geniet hiervan, hè, is het niet?”
Esmeralda glunderde en knikte ter bevestiging. Ze smulde ervan. Ze had een paar passen richting de kleine waterval gedaan en boog door haar knieën naar achteren om naar haar enkels te reiken. Daar vond ze het ritsje van haar rode suède schoenen met korte hakjes. Ze trok beide schoentjes uit en zette ze links van haar op de grond, naast haar schoudertas die ze er eerder had neergezet.
“Kom,” zei ze terwijl ze op de grond hurkte om iets uit haar tas te pakken. Ze nodigde hem uit om naast hem op de grond te komen zitten. Daarbij maakte ze met haar vlakke hand een waaierende beweging om de plek te duiden waar ze hem wilde hebben.
“Zo op de koude vloer?” vroeg Thomas haar, omdat hem de vloer te koel had geleken.
“Oh, dat valt reuze mee. Je moet het eens proberen. Maar ik heb ook een dekentje meegebracht,” welke ze dadelijk uit haar tas tevoorschijn toverde. “Al is dat meer voor de harde oneffen ondergrond.” Samen spreidden ze het kleedje. Het was groen en volledig van fleece gemaakt. Ze installeerden zich erop en trokken beide hun broeken uit. Terwijl Thomas zijn driekwartsbroek naast haar skinny jeans op een rots achter hen plaatste keek hij recht in het licht van het water en werd nieuwsgierig.
“Dus waar komt dit licht vandaan? Er is hier helemaal geen lamp of andere lichtbron. Je kunt me moeilijk vertellen dat het maanlicht hier zo’n krachtig effect heeft.”
“Oh, maar hier is een lichtbron,” verzekerde ze hem. “Je kunt het niet zien vanaf hier, omdat de rotsformatie en de waterval het zicht erop blokkeren, maar direct naast de plek waar hierboven een kleine waterloop in de grond verdwijnt, hangt een grote lantaarn aan een haak bevestigd.”
“Huh? Dus dat zou betekenen dat hier mensen komen? Of heb je hem daar zelf bevestigd? Maar dan nog, wie heeft hem dan voor je aangestoken? We zijn de hele dag bij elkaar geweest.”
“Klopt ook. Hij is ook niet van mij. De lamp staat in de tuin van een kluizenaar. Hij heeft hem altijd aan staan. Zo lang als ik hier kom brandt dat ding al. Hij zal hem waarschijnlijk alleen overdag doven.”
“Ja, natuurlijk. Nou wel vriendelijk van die kluizenaar dat hij ons gratis licht verschaft. Het geeft hier in elk geval wel een romantisch sfeertje.”
“Zeker,” besloot ze en schoof in de liggende houding die ze op het kleedje hadden aangenomen wat dichter tegen haar vriendje aan. Haar blote benen sloten zich daarbij tegen zijn licht behaarde benen. Thomas bracht zijn hand onder haar shirt, die ze haar ‘tube’ pleegde te noemen. Het had nog het meeste weg van een bandeau, door de simpele cilindervorm die het had. Liefkozend streelde hij haar buik en cirkelde met zijn hand rondom haar navel. Ze beantwoordde zijn tederheid met een haal door zijn blonde krulletjes, waarvoor ze haar arm over haar hoofd naar achteren boog omdat ze lepeltje-lepeltje waren gaan liggen.
“Weer die slip van jou, hè?” merkte Thomas op, toen hij ontdekte hoe een deel van de stof van haar slip zich in haar bilnaad had opgetrokken. Esmeralda grinnikte. Ze had daar inderdaad vaker last van. Er was bijna geen onderbroek, behalve de paar boxers die ze had, waarvan één helft zich niet in haar bilnaad verborg. Dat was Thomas al vaker opgevallen toen zij in haar ondergoed rondliep of van kleren wisselde. “Nou, vooruit met de geit. Kom maar op met dat akelige sprookje van je,” zei Thomas met een schalks lachje en petste nog even tegen die blote bil. “Ik weet niet hoeveel langer ik het nog vol zal houden met jou. Al kunnen we de daad ook zo beginnen, terwijl jij je verhaal vertelt,” hij trok haar slip bij haar achterwerk wat naar beneden en hoopte dat ze in deze houding nu seks met hem wilde hebben, maar dat hield ze nog even tegen.
“Tut tut, geduld. Anders kan ik mij niet concentreren. Ben je zeker dat je een horrorverhaal als dit wel aan kan?”
“Ik ben ouder dan jij.”
“Dat zegt niets,” Esmeralda draaide haar lijf naar hem toe en lachte neerbuigend. “Dan kun je nog wel bang worden.”
“Kom op nou maar. Ik weet hoe opgewonden jij kan raken als je met je griezelverhalen komt, dus ik heb daar als het goed is alleen maar profijt van.”
“Dat is inderdaad zo,” bevestigde Esmeralda hees en bracht een licht nepkreuntje naar hem uit. Thomas deed net alsof hij erom moest lachen.
“Goed, ik zal je niet langer pesten. Een heel lang verhaal is het nu ook weer niet, maar ik smul ervan en je weet hoe ik ben als ik eenmaal met één van m’n griezelverhalen begin. Het gaat over de waanzinnige ervaring van ene Raquel Salvador, een negentienjarige Filipina uit deze streek, net klaar met haar opleiding aan de Milibili National Highschool in Roxas City en voornemens etnografie te studeren aan de University of the Philippines Diliman in Metro Manilla. Ik ga je vertellen hoe zij in aanraking is gekomen met een Manananggal. Ik zal het niet nalaten om het van de meest gruwelijke details te voorzien.”
Thomas vond alles prima en luisterde aanvankelijk met een half oor, terwijl hij zijn vriendin vol verlangen zachtjes in haar billen kneep. “Raquel was een bijzonder ambitieuze griet, wat haar studiekeuzes aangaat, maar nogal slordig met de planning van leven daaromheen. Ze had geluk met haar aanmelding op Diliman, want de selectieprocedure om bij zo’n universiteit een opleiding te mogen beginnen is niet misselijk. Toen dat lukte, moest ze naar onze hoofdstad Manila in de provincie Luzon verhuizen, wat best veel geld kostte. Daarom zocht ze naar een zo voordelig mogelijke woonruimte en kwam zodoende bij het zoeken naar een kamer of hostel in contact met Pedro Aquino, een medewerker van een hotel in Makati, het commerciële centrum van Manila. Ze ontmoette hem een keer bij het vinden van een geschikte kamer. En nog een keer en nog een keer en nog een keer.”
“Kortom, ze werden verliefd,” gokte Thomas.
“En zwanger.”
“Zo, toe maar.”
“Jazeker, en ingrijpend ook.” Thomas’ strelingen hielden aan, maar Esmeralda liet zich er niet door afleiden. “Voor haar studie was dat rampzalig. Zomaar onbeschermd met hem het nest in te duiken, Raquel was zelf ook geschrokken dat ze dit had toegestaan. Verliefd of niet, ze had er zelfs beter aan gedaan om zich helemaal niet met die Pedro in te laten.”
“Waarom niet?” vroeg Thomas en hield even op met haar te plagen. “Was hij een player of zo?”
“Nee, dat niet. Voordat ze erachter waren klikte het eigenlijk prima tussen die twee en leek er even sprake te zijn van een oprechte relatie. Maar zodra Pedro wist dat ze zwanger was, nam hij geen verantwoording voor zijn daden en liet hij haar vallen als een baksteen.”
“Nou lekker dan. En haar studie?”
“Daar was ze wel mee begonnen, maar ze kwam er nu niet meer aan toe. En het ging van kwaad tot erger toen Pedro haar botweg het appartement uitwerkte door te claimen dat ze haar huur niet had betaald, zodat ze op straat kwam te staan. Ze kreeg niet eens de kans om haar spullen te pakken. Kleding, geld, haar mobiele telefoon en andere persoonlijke bezittingen, het bleef allemaal achter in het appartement. Zelfs haar paspoort bleef in handen van haar ex. En vooral dat was erg gevaarlijk, want op die manier had Pedro haar volledig in zijn macht. Zo kon ze niet aankloppen bij de politie en aantonen wie ze was, ze kon geen aangifte doen en zonder geldig reisdocument kon ze al helemaal niet terug naar huis. Kortom: ze had geen poot om op te staan.”
“Wat een klootzak zeg!” Thomas stopte even met zijn liefkozingen, “Zat ze nu definitief vast op Luzon?”
“Niet helemaal. Want Raquel was geen domme meid. Bovendien was haar situatie zo beroerd dat je vanzelf wel op creatieve oplossingen uitkomt. Compleet ontredderd klopte ze daarom aan bij de universiteit, waar ze haar natuurlijk kenden. Op die manier vond ze iemand die naar haar kant van het verhaal wilde luisteren. Zij geloofden haar en stonden haar toe om haar moeder te bellen, zodat ze haar familie op de hoogte kon brengen van de hachelijke situatie waarin ze verkeerde en zij haar naar Panay konden laten overvliegen.”
“En haar paspoort dan?”
“Corruptie. De Filippijnse autoriteiten laten zich gemakkelijk omkopen. Met een flinke som smeergeld hielpen ze haar aan een nieuw reisdocument en een vliegticket. Nog dezelfde week kwam ze aan op Roxas City Airport en konden ze Pedro laten opsporen om hem te vervolgen. Al snel bleek dat dit echter geen enkele zin meer had; Pedro was een paar dagen voor Raquel teruggekeerd was dood in het appartement aangetroffen. De kamer waar hij normaal op verbleef was één grote ravage. Alsof er een expressionistische schilder aan de gang was geweest, zo waren de wanden en het plafond besmeurd met lange donkerrode halen van zijn bloed. Slijmerige proppen van zijn ingewanden kleefden er langs. Ook over de airconditioning en op de met vliegengaas afgedekte ramen droop een dikke smurrie. De plastic ventilator was aan stukken geslagen. Onderdelen ervan lagen hier en daar op de grond tussen wat er over was van zijn darmen en lever. De rest van Pedro’s karkas lag in uiteengerukte stukken over het bed verspreid, zijn hals lag open en was ontwricht. Op de plaats waar eerder zijn buik had gezeten gaapte nu een groot open gat dat zo diep was dat de ruggenwervels bloot waren komen te liggen. Het krioelde er werkelijk van het ongedierte. Honderden kakkerlakken hadden in het lijk van de jongeman een smakelijke delicatesse gevonden en waren overal te vinden, zowel bij zijn lijk als in de rest van de kamer. Op de schaarse plekken die nog huid viel te noemen hadden ze de typerende brandwonden achtergelaten die het resultaat waren van hun schranspartij. De eerste vliegen waren juist bezig met het leggen van eitjes in de huidopeningen van zijn aangevreten schedel. Pedro was op ongenadig gruwelijke wijze van het leven beroofd. Zijn kamer in het appartement leek welhaast het plaats delict van een uitzinnig exorcisme.”
“Mijn hemel,” reageerde Thomas, die eerder naar atheïsme neigde dan in enige god te geloven, waardoor zijn reactie weinig karakteristiek overkwam. “Wie of wat heeft hem te pakken gekregen?”
Esmeralda glimlachte en staarde in zijn blauwe ogen maar gaf niet dadelijk antwoord.
“Dat zal zo wel duidelijk worden. Al denk ik dat je het wel kan raden.”

Wordt vervolgd.

By gsorsnoi | December 10, 2009 - 7:43 am - Posted in Gevleugelde Uitspraken, Nederlands, Redigeren en DT-filteren, Verbaal Genot

image by Gloggie, edited by Gsorsnoi

Een wijs man heeft ooit eens tegen mij gezegd: “Het is beter weinig te weten van veel dan veel te weten van weinig”.

Het zijn woorden die me altijd bij zijn gebleven. Ik heb het tot een levensmotto voor mezelf gemaakt.
Het klopt natuurlijk voor een groot deel zeker wat hij zegt;  je kunt beter van van alles een klein beetje verstand hebben dan heel veel informatie te vergaren over maar één onderwerp. Op de arbeidsmarkt kan het zelfs voor je eigen positie erg gevaarlijk zijn als je jezelf te veel hebt gespecialiseerd op één vlak. Raak je een keer je baan kwijt, dan kan het vervolgens nog een flinke klus worden om weer een nieuwe job te vinden – en zeker als jouw functie aan het uitsterven raakt zoals we in de posterij wel hebben gezien. Denk bijvoorbeeld maar aan de computers, die steeds vaker het werk van de mensen overnemen, of een baan die door andere moderne ontwikkelingen uit de mode raakt. Op zo’n moment had je toch vast graag van wat meer markten thuis willen zijn. Of er zit niets anders op dan je te  laten omscholen of noodgedwongen thuis te blijven zitten.

Deze wijze man is mij altijd overgekomen als iemand die zelf zo ergens anders terecht zou kunnen. De diversiteit in zijn kennis was namelijk aanzienlijk. Op verjaardagen kon je bij hem immer uit een bodemloze put van wijsheden putten. Eén van de zaken waar hij echt veel van wist, waren de onderwerpen in het leven die altijd nog eens van praktisch nut konden zijn. Je kunt het zo gek niet bedenken. Van belastingformulieren invullen wist hij een hoop en met auto’s en fietsen was hij ook reuze handig. Zat je met een probleem in huis, dan had hij misschien niet direct het antwoord, maar hij wist je wel te vertellen hoe je aan de informatie moest komen om het uiteindelijk opgelost te krijgen. Het zijn vast dit soort mensen geweest die uiteindelijk hebben besloten om zoiets als Wikipedia op te richten. Hij zat vol met allemaal van dat soort wijsheden die je het leven kunnen veraangenamen als je er maar net genoeg van weet. Wist hij het niet, dan wist hij het zich wel snel aan te leren.

Los van al die bruikbare kennis, zat deze man ook altijd vol taalgrappen en praatte hij in voorkomende gevallen de oren van je kop. Ja wat wil je? Als je veel weet en er komen prompt situaties voor waarin je deze kennis vol trots naar voren kan brengen, dan zul je dat niet nalaten lijkt mij. Desalniettemin kon hij ook heel goed hele periodes stil zijn en haast gebiologeerd luisteren wanneer juist andere mensen druk aan het converseren waren geraakt, om vervolgens te besluiten toch een opmerking te maken die uiteindelijk het verhaal optimaal kon verrijken of in plaats daarvan een hele andere doch interessante wending kon geven. Al die tijd had hij dus als zwijgzaam toehoorder bij het gesprek gezeten en was hij druk aan het pruttelen om een treffende opmerking voor te bereiden. De man was hier een genie in.

Op verjaardagen was het dan ook reuze gezellig als hij erbij was. Dit soort mensen heb ik altijd bewonderd. Ik trek graag met deze mensen op, omdat ik mezelf erg herken in hoe ik zelf ben geworden. Maar of ik er wijzer van ben geworden? Ahum, dat laat ik graag aan anderen over om te beoordelen. Ik weet in elk geval dat ik inmiddels eerder weinig weet van veel dan veel van weinig. Uiteindelijk heb ik er dus toch wijs aan gedaan om mij hen te omringen. Al moet gezegd worden dat een beetje specialistische kennis op z’n tijd toch ook beslist geen kwaad kan hoor!

Het is mede dankzij deze mensen, zoals de wijze man en een aantal andere mensen die ik inmiddels heb leren kennen, dat een uiterst divers en leerzame blog als de Tycoon Newspaper het levenslicht heeft gezien.

Gijs man, je bent een wijs man.

[UPDATE: 06-06-2013 artikel herzien en herschreven]

By karelriemelneel | October 8, 2009 - 12:02 pm - Posted in Duimzuigerij, Nederlands, Redigeren en DT-filteren, Retourtje naar hier en terug

Katten eten van tafel en van je bordje als het kon.
Katten krabben aan je bank en verharen tegen je schone pantalon.

Katten miauwen je wakker en gapen in je gezicht
Ja juist als ze hebben gegeten is de walm aan jou gericht.

Katten lopen voor je voeten, maar hinder mag het niet heten.
Ze poepen in je tuin, maar verder zijn het scheten.

Onze oudste poes er ook zo één. Op die eetgewoontes na voldoet ze prima aan dit profiel. Ze is een lief oud beestje, maar begint duidelijk wat kuren te krijgen. Ze melkt de oren van je kop en waggelt onhandig op alle plaatsen waar jij zelf ook net wilt lopen. Niet dat ze daar nou zoveel aan kan doen. Ze is een beetje simpel en toch een lieve oen. Huiskatten zijn nou eenmaal niet gebouwd om je te helpen met de afwas of het invullen van je belastingformulieren. Dan is een hond handiger en hulpvaardiger en brengt je in elk geval een krant. Zolang hij er maar niet op heeft lopen kwijlen of aan stukken heeft gerukt nadat deze op de deurmat is geland.

Je hebt katten en je hebt poezen zoals die oudste van ons. Ze is een angsthaas eerste klas en verstandig allerminst. Als er buiten een storm opsteekt zoals ze die weleens hebben in Amerika of in de Filippijnen, dan staat juist zij  te melken voor de deur dat ze naar buiten wilt. Heb je net je was klaargelegd om de volgende morgen te gaan strijken, dan kan het bovenste wasgoed weer opnieuw in de was. Tja, dat is dan toch echt je eigen schuld geweest. Had je het maar moeten afdekken. Dan had het nu niet zo onder de haren gezeten. En wanneer je dacht dat je haar mee uit de woonkamer hebt genomen om af te sluiten en te gaan slapen, dan vind je haar juist de volgende ochtend hongerig aan woonkamerzijde van je woonkamerdeur. Zucht, en zo hebben we er nog twee!

Een poes geleden, toen we pas in ons nieuwe huis zijn komen wonen,  maakte zij het opnieuw te gek. Wij hadden nog amper onze dozen uitgepakt en dan ken je het wel, de katten verkenden hun nieuwe buurt. Ze hadden de tuin en daarmee de verkregen vrijheid ontdekt. En geef ze eens ongelijk! Wij als mensen wandelden natuurlijk even vrolijk en verkennend door deze onbekende wijk. Maar zie die katten dan maar weer er eens binnen te krijgen.

Op één ochtend trof ik het gelukkig en had ik ze binnen zonder al te veel oponthoud. Alleen kan ik je wel vertellen dat dit wel tot de uitzonderingen behoort. Want op een dag dat ze net goed en wel een beetje gesnuffeld had aan de tuin en eens had bekeken wat dat nou is zo’n ’schutting’, besloot ze op avontuur te gaan. Zondagmiddag was ze weg, de hort op, de wijde wereld in. In eerste instantie merk je daar niet zoveel van, omdat je nou eenmaal met je eigen bezigheden zoet bent en de aandacht voor een kat in zo’n nieuw optrekje al gauw vergeet. Op een goed moment viel de avond en het werd het plotseling rap donker. Het was nog volop zomer, dus wanneer dat paarszwarte gordijn over de wereld wordt getrokken is het al echt heel laat. En onze poes? Die was wieberen!

Geen grote ramp. Dit gebeurde al eens eerder en na een dag was ze gewoon weer thuis gekomen. Dan zou ze ’s ochtends rond een uur of half vier onder het raam van onze dochter staan miauwen en met enig gemopper werd ze dan binnen gelaten. Dus besloten we dit eens af te wachten.

Eén dag later.
We wachtten nog steeds.

Twee dagen later.
We begonnen ons ongerust te maken en liepen overdag eens door de buurt om haar te zoeken. Veel gezoek, geen poes.

Drie dagen later.
De zorgen begonnen te groeien. Eet ze wel goed? Is ze nog in de buurt? Is ze naar ons oude huis terug gelopen? Weet ze dit huis nog wel te vinden? Zit ze bij iemand binnen? Is ze onder een auto terecht gekomen?

De donderdag na de verdwijning.
Op dit moment zijn we de Nederlandse Databank Gezelschapdieren gaan bellen, hebben de dierenarts ingelicht en hebben posters in de buurt opgehangen. Je hoopt toch dat er dan mensen zijn die je poes toevallig ergens hebben gezien en er melding van maken waar ze is. Of misschien hebben ze haar wel binnen gelaten en wachten zij tot de eigenaar zich meldt. Maar nee hoor, niemand die er reageerde op de posters die wij voor haar hadden opgeplakt.

Vrijdagochtend 03:30.
Miauwend stond ze aan de deur.

Nu vraag ik je: zou ze soms de posters hebben gelezen???

[Update 30/08: artikel verbeterd, herschreven.]

By tinusicket | September 19, 2008 - 12:24 pm - Posted in Redigeren en DT-filteren, Retourtje naar hier en terug

Daar zit je dan … wachtend op dit veel te lange station. Onder een ietwat grauwe lucht en het spatje motregen staar je voor je uit over de rails. De bladeren knisperen in de wind. Een eenzame fietser komt aanrijden met het doel diens stalen ros in de fietsenstalling te plaatsen recht tegenover de plek waar jij zit. De vogels fluiten een zacht zoet lied al ware het de liederen gericht aan hun pasgeboren kindertjes zoals zij dat in de lente doen. De herfst ligt echter nader. Het weer is daar ook meer naar. Het is niet guur, maar het miezert ietwat en jouw handen zijn nog koud van het fietsen. Op handschoenen had jij je in deze tijd van het jaar nog niet voorbereid. Met dit weer heb je ook niet zo’n last van die vervelende wesp die elke dag op dit lange station uitgerekend in jouw oor en jouw deodorant zijn favoriete bloemsoort moet herkennen. Alsof er niemand anders op dit station rondloopt die hij zou kunnen pesten.

Je staart wat voor je uit. Gedachteloos dwaalt je geest af in de hoop de gedachten met iets logisch te kunnen rijmen. Met je hoofd meer in de lege ruimte voor je ben je nog bezig te ontwaken uit de roes van …(*) In het grofste geweld dendert ineens dat grote gevaarte je neus voorbij. Een enorme massieve slang doorbreekt de rust in de ruimte en stevent brutaal van rechts naar links door jouw blikveld. Je voelt dat de luchtverplaatsing jou dieper in je stoel drukt terwijl de trein voorbij marcheert. Het lawaai ontneemt je alle mogelijkheid elk ander geluid te ontwaren. Wagon voor wagon bewegen de voertuigen vol met kalk voorbij. Als je oren niet dichtklappen van de herrie, dan raken ze wel verstopt van de kalkpoeder. Naast de antraciete kleur van de metalen bakken zie je niet veel meer dan een witte horizon vullende streep. Het is voor het menselijk oog gewoon niet mogelijk één scherp beeld te krijgen van een afzonderlijke wagon. Je kunt daarom niets anders doen dan al jouw zintuigen volledig over te geven aan het schouwspel voor je neus.

Dertig, eenendertig, tweeëndertig … de treintoestellen snellen van rechts naar links. Tot plotseling de zandstraling van impressies ophoudt. De ruimte voor je is weer als voorheen. Achter je hoor je de laatste noten van het conducteurfluitje dat je doet beseffen dat je op het verkeerde perron hebt zitten wachten en nu jouw trein van links naar rechts aan jou ontsnapt.