Na een haast onmerkbare aarzeling stak ik ook mijn hand uit en reikte naar de zijne, die met verband was omwikkeld. Victors hand voelde erg warm aan,mogelijk door het werken op de typemachine, maar het was ook denkbaar dat de vele windselen om zijn armen hier een verklaring voor gaven.
“Aangenaam kennis te maken”, bracht ik uit. Ik had al meteen in de gaten dat er een extra laag in onze handdruk besloten lag. Victor kwam erg intimiderend op mij over en kennelijk kon ik dat gevoel niet voor hem verbloemen. Hij keek me vergenoegd aan en glimlachte. Victor leek me iemand die graag zijn natuurlijk overwicht liet gelden en mijn gereserveerde benadering beviel hem kennelijk prima. Mijn voorzichtige opstelling was absoluut niet bewust, maar door mijn verminderde scherpte door gebrek aan slaap slaagde ik er niet in mij krachtiger te presenteren. De vraag die ik daarna aan hem richtte maakte het er al niet beter op:
“Bent u de eindredacteur?”
Meteen was het duidelijk dat dit een domme vraag bleek. Victors ogen begonnen te twinkelen en hij grijnsde zo breed dat het er vanaf droop dat hij hiervan genoot. Ik stond weliswaar met mijn rug naar mijn nieuwe collega’s, maar ik kon gewoon voelen dat zij werden overvallen door plaatsvervangende schaamte. Toen schoten mij de woorden van Kornelis te binnen, waardoor ik mijn vergissing inzag en waar Kornelis zelf op dat moment ook op terugpakte:
“Dit is die collega is die ‘later nog zou komen aanschuiven’, Achmed,” fluisterde hij mij toe.
Hij sprak zacht, maar voldoende luid zodat Victor hem duidelijk had verstaan. Zijn grijns verdween op slag en hij wierp Kornelis daarop een afkeurende blik toe. Wat er tussen de twee speelde was mij niet geheel duidelijk, maar het was voor mij direct zonneklaar dat ze elkaar niet helemaal goed lagen.
“Noem mij maar gewoon Victor,” sprak hij vervolgens vriendelijk, waarbij hij opnieuw een glimlach op zijn gezicht toverde, “en eindredacteur is echt te veel eer voor mij, vriend. Ik ben slechts jullie afdelingshoofd. Desalniettemin is het een taak die heel wat verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Er zal hier toch iemand de beslissingen moeten nemen wie er waar wordt ingezet, nietwaar? Geschikt personeel groeit immers niet aan de bomen.”
Het was overduidelijk dat Victor met zijn opmerking over beslissingen nemen een sneer uitdeelde richting onze Kornelis, zodat de spanning die ik eerder al dacht op te merken alleen maar werd versterkt. Ik zou hier te zijner tijd ongetwijfeld meer over te weten gaan komen. Op deze dag moest ik mij vooral focussen op wat er van mij werd verwacht.
“Jullie waren het kennismakingsgesprek net aan het afronden, neem ik aan?” vroeg Victor op hooghartige toon, zonder zijn woorden aan iemand in het bijzonder te richten.
Het was Tinus die daar het antwoord op wilde geven.
“Wel, we…”
Maar Victor gaf hem de kans niet om uit te spreken en vulde de rest zelf al in.
“Goed zo. Dan kunnen jullie weer aan je werk en gaat Achmed eerst met mij mee.”
Hij maakte er een handgebaar bij alsof hij een of andere baron was die zijn hofhouding wegwuifde en legde een hand op mijn rug om mij apart te nemen.
“Al goed,” bromde Kornelis chagrijnig en haalde vervolgens zijn schouders op. Hij keek nog wel even misprijzend naar Victor, maar vond het de moeite niet er verder op in te gaan en maakte daarom aanstalten om terug te keren naar zijn plek.
Tinus stond er, nu hij was afgekapt, wat gelaten bij, maar ook hij besloot er geen woorden aan vuil te maken en verwijderde zich ook langzaam weer van het vergaderhok.
“Rina nog wat?” vroeg Victor, zodat hij aan eenieder zijn autoriteit had laten gelden, maar zij liet enkel met haar gezichtsmimiek blijken dat ze geen zin had hierop in te gaan.
“Kom je mee, Achmed? Dan zal ik je wijzen waar jij de komende tijd erg van nut kan zijn. Iemand met jouw kwaliteiten kunnen we hard gebruiken in de Archieven van de Tycoon Newspaper. Zodra je hier binnenstapte had ik al meteen door dat we jouw talenten niet onbenut moeten laten. Wat verhaaltjes oppennen door vrolijk de stad rond te trekken kun je altijd nog doen.”
Ik wist zo gauw even niet of ik er erg blij mee moest zijn dat Victor voor mij andere werkzaamheden in gedachten had, maar wist wel dat ik eerst dringend ergens anders behoefte aan had.
“Wel, dat lijkt me goed, maar als je het niet erg vindt, zou ik eigenlijk eerst even een toilet willen bezoeken. Waar kan ik die hier vinden?”
“Ach, natuurlijk,” reageerde Victor meteen, “Rina? Wijs jij deze meneer hier even waar hij het toilet kan vinden?”
Geschokt keek ik op hoe mijn nieuwe leidinggevende zelfs het wijzen waar het kleine kamertje was aan zijn collega’s uitbesteedde. Kort daarop liet ik mij weer meevoeren door de lieftallige blondine.

Niet veel later stond ik opnieuw wat te mijmeren over mijn zware nachten, ditmaal toen ik mijn handen stond te wassen aan de toilettafel. Ik was juist bezig mijn handen af te drogen toen er een klein kereltje de wc’s binnenliep.
“Dag, Ed Cetera,” groette ik de figuur die mij juist voorbij ging.
“Oh,-dag… euh…”
Het kleine mannetje, dat opeens in een proper wit pak was gestoken, keek mij bevreemd aan en leek zowaar voor een moment zijn tong even verloren.
“Ik-geloof-niet-dat-wij-elkaar-al-eens-hebben-ontmoet. Of-heb-ik-het-mis? Ik-bedoel-het-is-in-theorie-natuurlijk-mogelijk-dat-we-elkaar-in-het-voorbijgaan-elkaar-reeds-eerder-hebben-gepasseerd-, maar-eerlijkheid-gebiedt-me-te-zeggen-dat-ik-dat-niet-voor-de-geest-kan-halen. Of-denk-je-dat, ik-bedoel, ben-je-er-echt-zeker-van-dat…”
“Stop maar, stop maar, Ed,” onderbrak ik het tetterende mannetje meteen, omdat ik al door had dat dit weer zo’n lang gesprek zou gaan worden. Tegelijk begreep ik niets van zijn reactie, wij hadden elkaar toch zojuist bij de liften ontmoet? Of zijn mijn nachten echt zó slecht dat ik nu begon te hallucineren? Ik wist het even niet.
“Jij bent toch de Ed die Rina Oddel en mij zojuist met de lift naar boven heeft gebracht? Of ben ik nu compleet in de war?”
Het mannetje dat tijdens het praten een werkkast had opengetrokken en daar een mop en een waterbak uit had gepakt nam nauwelijks de tijd om adem te halen en begon, zonder mij aan te kijken, antwoord te geven.
“Nu, of-je-in-de-war-bent-daar-kan-ik-echt-niet-over-oordelen. Daar-moet-ik-een-persoon-echt-wel-vaker-dan-eens-voor-hebben-ontmoet. Compleet-in-de-war-zijn-is-sowieso-wat-onwaarschijnlijk, aangenomen-dat-je-dan-van-al-je-zinnen-zou-zijn-beroofd-en-je-zo-van-de-wereld-zou-zijn-dat-je-amper-in-staat-zou-zijn-om-een-normaal-gesprek-met-iemand-te-voeren. Daar-lijk-je-geenszins-last-van-te-ondervinden. Ik-begrijp-jou-immers-prima. De-Ed-waar-je-naar-refereert-ben-ik-in-elk-geval-niet. Hebben-we-samen-in-de-lift-gestaan? Daar-herinner-ik-mij-werkelijk-niets-van. Je-bent-mogelijk-in-de-war-met-Ed-Cetera, de-liftbediende. Dat-ben-ik-niet-hoor. Oordeel-nu-zelf; zie-ik-er-met-mijn-kleren-uit-alsof-ik-iemand-ben-die-mensen-met-liften-naar-boven-en-naar-beneden-haalt? Ik-zal-je-wel-vertellen, ik-ben-een…”
“Oh, nee help. Daar gaan we weer!” bracht ik uit. Ik had een ernstige fout gemaakt. Ik had deze Ed, of wie het ook had mogen wezen, een vraag gesteld. Of eigenlijk twee zelfs. En als ik iets uit mijn vorige gesprek met de liftbediende wel had moeten leren, dan was het dat ik hem in elk geval geen vragen moest stellen, anders kon ik erop rekenen overladen te worden met een hoeveelheid ongevraagde informatie waar je tureluurs van wordt. Of dit nu wel of geen Ed Cetera was, mannetjes bij de Tycoon Newspaper wiens lengte niet boven de 1,35 uitkomen, leken mij op voorhand geen handige gesprekspartners. Dus, hoewel het mij onder normale condities onbeleefd leek, negeerde ik dit mannetje verder en was ik al onderweg om de toiletten te verlaten.
De geur van lavendelbloesem uit het schoonmaakmiddel bleef bij het naar buiten lopen nog wat hangen.Ik was nog maar net buiten toen ik me realiseerde dat ik bij de entree van de toiletten tegen iets aan liep, of andersom, het is maar net hoe je het bekijkt. Een pijnlijke ervaring van rechts op mijn enkel was het gevolg; de rand van het onderste blad van een kantinekarretje waar koffie en thee mee geserveerd werd, stootte plots ferm tegen mijn rechtervoet. Ik sprong op van de pijn en nog voordat ik het wist zag ik een koffiepot van een blad opveren en recht op mij afkomen. In een reflex pakte ik deze beet . Pas later bedacht ik dat dit waarschijnlijk geen goed plan zou zijn geweest indien deze met verse koffie was gevuld, maar gelukkig was hij leeg. Tegelijk zag ik divers servieswerk voorlangs flitsen en kon ik niets anders doen dan toezien hoe deze in honderden scherven op de grond kapot vielen. Er bleef werkelijk niets van heel. Resten koffie en thee bevlekten het tapijt zodat ik concludeerde dat het om vuile vaat ging. De kar waar alles op had gestaan werd wel weer rap horizontaal getrokken, maar voor het gros van de lading was het reeds te laat.
“Oh, excuseert-u-mij!” klonk het meteen verschrikt vanachter de verrijdbare dienbladen. De persoon die erachter stond trok direct zelf alle schuld naar zich toe, snelde direct op mij toe en bekeek de scherven van het gevallen servies.
“Wat-dom-van-me,” vervolgde hij, “ik-had-nooit-zo-dicht-langs-de-toiletdeuren-moeten-lopen. Hier-treft-u-geen-blaam. Heeft-u-niets-gebroken?”
“Nee hoor,” antwoordde ik in een impuls en verzweeg de pijn die ik aan mijn enkel had, “ik ben in orde. Maar heb ik u niet laten schrikken dan? Ik kwam ook zo sne-..”
Op dat moment stokte mijn adem. Ik bekeek de persoon die voor me stond eens goed en kwam met een schok tot de ontdekking dat ook deze medewerker weer als twee druppels water op de liftbediende leek. Hetzelfde postuur, om en nabij 1 meter 35, de gebruinde huid van iemand van Afrikaanse komaf en ook precies dezelfde muisachtige gezichtsuitdrukking.
“Nee…!” spraken mijn lippen klankloos en ik staarde als verlamd naar de figuur voor me. Dit was onmogelijk. Daarnet zag ik hem hier al in de toiletten en nu direct weer bij de eerstvolgende stappen die ik zette. Twee figuren die sprekend op elkaar leken kon ik nog behappen, maar een derde? Onderhand begon ik echt aan mijn waarnemingsvermogen te twijfelen. Dit waren de buitenaardse wezens! Ze waren mij gevolgd vanuit mijn nachtmerries en deden zich nu als mijn nieuwe collega Ed voor, zo overtuigde ik mijzelf.
Bevend van schrik wankelde ik naar achteren en liet in die beweging de lege koffiepot die ik nog vast hield los. Even was mijn aandacht daar op gefocust, toen ik zag hoe deze in grove scherven op de grond versplinterde, maar al snel nam de behoefte om te vluchten bezit van mij. Ik wendde mij af van de koffiebediende die reeds zijn antwoorden begon te ratelen en draaide vlug naar het verlengde van de gang achter mij.
“Oh-pardoes!” klonk het meteen zodra ik de andere kant op keek en ik op een mannetje botste waarvan ik het gezicht nu al drie keer eerder had gezien. Een klein figuurtje, die een hele stapel papier in zijn handen had, keek verschrikt op toen we tegen elkaar aanliepen. Het bovenste deel van zijn papieren stapel gleed van het geheel en dwarrelde weldra op de grond. Onder normale omstandigheden had ik mij in zo’n situatie absoluut verontschuldigd en mijn hulp wel aangeboden om de boel op te pakken, maar dit waren, zoals ik toen kon oordelen, niet die normale omstandigheden. In plaats daarvan keek ik het mannetje gejaagd aan alsof ik iemand uit de dood zag opstaan en zette het daarna op een lopen.
Het tafereel achter mij latend spurtte ik zo rap als mijn benen mij konden dragen naar het einde van de gang, daar waar deze in een scherpe hoek naar rechts afboog en alwaar ik hoopte dat ik er in elk geval geen Ed Cetera meer zou tegenkomen. Groot was echter mijn ontzetting toen ik, bijna aangekomen bij de hoek van de gang, een volgend individu mijn richting op zag komen. Hij verscheen vanachter de hoek, liep achteruit en hield met zijn handen een soort draagkar stabiel terwijl hij de bocht door de hoek maakte. Een tweede drager werd kort daarna zichtbaar toen de stellage voor mij in z’n geheel in beeld kwam en ik ontdekte dat er twee Ed Cetera’s hun handen vol hadden aan het verplaatsen van enkele duivenkooien met daarin een achttal hagelwitte duiven. Ik dook opzij en plakte tegen de muur op het moment dat de twee mannetjes met de duiven, waarschijnlijk postduiven, mij voorbij gingen.
“Droom ik di-” maar nog voor ik mijn mompelende vraag had uitgesproken, legde ik mijzelf met beide handen het zwijgen op toen ik realiseerde dat ik bezig was een vraag te stellen. Het laatste wat ik wilde was dat één van beide mijn vraag zou horen en ik opnieuw een vuursalvo aan antwoorden zou krijgen met uitgebreide uitleg. En zeker niet van twee Ed Cetera’s tegelijk! Dat wil zeggen, als beide figuren hier voor mij al naar die naam luisterden. Links van mij hoorde ik hoe Ed Nummer Drie nog steeds staccato zijn relaas voorbracht op mijn vraag of ik hem had laten schrikken. Het geklop van hartslag werd al zichtbaar boven mijn borstbeen, zo benauwd kreeg ik het van deze voorstelling. Ik sloeg gade hoe het tweetal dwergachtige figuren met de stellage met gevogelte aan mij voorbij liep en staarde de mannen enkel aan toen de achterste van de twee mij met een hoofdknikje groette.
“Dit zie ik niet echt,” hield ik mezelf voor en wilde dat ook erg graag geloven. Ik weigerde te accepteren dat de Tycoon Newspaper zoveel Edjes had rondlopen en weet mijn beleving aan mijn chronische slaapgebrek. Ik sloot daarom mijn ogen en hield mijn lijf stijf tegen wandpanelen achter mij in de hoop dat deze nachtmerrie vanzelf voorbij zou zijn wanneer ik ze weer zou openen. Maar helaas, zodra ik mijn ogen weer voorzichtig open deed, waren Ed Cetera Vijf en Zes wel al verder doorgelopen, maar verscheen er een zevende achteraan die ook bij die laatste twee leek te horen. Ed Nummer Zeven liep er iets minder gemakkelijk bij dan de twee Edjes van zojuist, wat zich liet verklaren doordat hij de zwaarste lading met zich mee droeg. Zijn korte armpjes had hij om de buik van een beest voor zich geklemd en hij waggelde daarmee driftig achter zijn twee collega’s aan. Het beest was ongekooid en bovendien erg log, zodat de vertoning erg zielig aandeed voor deze Ed. In zijn armen droeg Ed Nummer Zeven een grote vette onwillige dodo.
Hij én de dodo keken mij vervolgens verdwaasd aan en toen werd het me allemaal te veel.
“Aaarghh!!!” schreeuwde ik het uit en trok met beide handen bijna de krullen uit mijn kruin. Dit was te veel van het goede. Ik sloeg volledig op tilt en wist niet meer waar ik het zoeken moest. ’s Nachts werd ik keer op keer ontvoerd door buitenaardse wezens, de krant op mijn werkplek werd door mechanische postduiven rondgebracht, één van mijn collega’s overleefde een aardbeving en stinkt erger dan een bunzing die te zwaar getafeld heeft en nu zag ik ook nog een half kabouterdorp aan kloonachtige medewerkers rondhobbelen. Dit waren té veel onwaarschijnlijkheden kort achter elkaar om mij nog te overtuigen dat ik ze zelf allemaal nog op een rijtje had. Paniek nam verder bezit van mij. Ik sloeg op de vlucht en rende door de gangen. Zonder me nu nog iets aan te trekken van wie ik verder nog tegen het lijf zou lopen was het enige waar ik nu nog aan kon denken dat ik hier moest zien weg te komen. Dan maar geen baan bij een prestigieuze redactie waar de hele mediawereld afgunstig de ontwikkelingen van volgt. Wat hier gebeurde was voor mij niet acceptabel meer. Mijn werkgever viel niets te verwijten. Dit lag geheel aan mij. Ik moest eerst mezelf uit de knoop halen en investeren in een goede nachtrust. Hoe kon ik zo stom zijn om onuitgeslapen aan een nieuwe baan te beginnen? Nu zag ik allemaal rare voorstellingen die er helemaal niet zijn, terwijl ze zo echt overkomen. Ik zou met een kladblokje de stad door moeten trekken en nieuwsfeiten verzamelen, maar dan moet ik wel fris zijn. Jeetje, waar was ik aan begonnen? Mijn slechte nachten hadden nu zo’n zware wissel op mij getrokken dat ik niet langer meer in staat was om mijn omgeving met normale ogen te aanschouwen. Waar ik in het redactiegebouw ook liep, ik zag ze nu echt overal, deze aardse manifestaties van de wezens uit mijn nachtmerries, deze praatzieke poltergeisten, deze gnoom geworden kwelgeesten, een compleet circus aan Ed Cetera’s dook nu op elke plek op waar ik ook maar ging.
“Help!” schreeuwde ik, snakkend naar frisse lucht, “hoe kom ik bij de uitgang?…”
Abrupt viel alles stil.
En toen bedacht ik mij, ten overstaan van een aantal van die Edjes…
… dit was wellicht het stomste wat ik had kunnen doen.
“U-bevindt-zich-op-het-ogenblik-op-de-zevende-etage, in-de-hoofdgang-tussen-de-redactieruimtes,” begon één van hen. Hij stopte met het recht hangen van de schilderijtjes en werd kort daarna door een andere Ed opgevolgd:
“Vanaf-hier-bekeken-zijn-de-lift-en-de-trap-uw-meest-voor-de-hand-liggende-wegen-naar-de-entree-van-dit-gebouw…” deze Ed was gekleed in een wit met roze jurkje met een hoop franjes en was dezelfde schilderijtjes aan het afstoffen die de Ed naast hem juist aan het recht hangen was.
“Beide-opties-brengen-u-ongeveer-even-snel-naar-beneden, afhankelijk-van-of-u-lopend-of-rennend-de-trap-gebruikt,” sprak de volgende Ed, die ik het in de lak zetten van een dressoir zag pauzeren.
“Past-u-er-wel-op-dat-u-de-kostbare-Ming-vaas-uit-de-regeerperiode-van-Jiajing-onderweg-niet-om-stoot? Deze-werd-vanmorgen-nog-door-Ed-Cetera-afgenomen-en-opgepoetst,” klonk het links van mij. Opnieuw was het een Ed Cetera die zijn werk voor een antwoord op mijn vraag onderbrak; twee emmers met sop, een doek en een trekker voor het glazenwassen werden even neergezet.
“Het-wachten-op-de-lift-kan-in-een-gebouw-als-dit-hoofdkantoor-van-de-Tycoon-Newspaper-gemakkelijk-oplopen-tot-6-minuten. Gemiddeld-6-minuten-en-43-seconden-om-precies-te-zijn. Hiermee-wordt-een-weekgemiddelde-bedoeld. De-maandagochtend-en-vrijdagmiddag-vallen-in-wachttijd-vaak-hoger-uit.” Deze woorden kwamen van een Ed die een deur aan het repareren was. “U-kunt-natuurlijk-ook-altijd-overwegen-om-buitenom-langs-de-gevel-af-te-dalen. Dat-is-natuurlijk-niet-zonder-risico, maar-voor-waaghalzen-absoluut-een-avontuurlijke-manier-om-bij-ingang-te-geraken. Bungeejumpen-is-niet-aan-te-raden, doch-met-de-geschikte-klimuitrusting-moet-het-zeker-gaan. In-het-winkelcentrum-Het-Mierennest-kunt-u-voor-deze-spullen-goed-terecht.”
“Ik-zou-u-toch-een-parachute-aanbevelen,” viel een volgende bij, “klimmen-is-ook-zo-weer-wat. Met-een-valscherm-afdalen-is-bovendien-sneller.”
“Alleen-moet-je-daarvoor-in-de-Volière-zijn,” voegde een ander toe, “daar-liggen-er-een-paar. Dan-ben-je-wel-al-bijna-bij-voordeur, dus-of-dat-echt-iets-toevoegt-vraag-ik-mij-wel-af.”
“Het-maakt-niet-uit-of-u-hier-linksom-door-de-gang-loopt-of-rechts-blijft-aanhouden,” sprak er weer één, die ook vast naar de naam Ed luisterde, “De-gangen-lopen-hier-toch-allen-in-een-vierkant.”
“En-komen-aldus-op-elkaar-uit,” vulde opnieuw eentje aan, die nog niet aan de beurt was geweest.
“U-zou-ook-Ed-Cetera-kunnen-vragen,” werd er nog geprobeerd. “Die-weet-er-ook-het-een-en-ander-van.”
Het was om krankzinnig van te worden. Overal waar ik keek kwam ik deze praatgrage elkaar complementerende personages tegen.
“De-kortste-weg-is-nog-steeds-de-lift. Ed-Cetera-brengt-u-graag-naar-de-begane-grond,” klonk het weer.
Allen keuvelden ze uitvoerig met hun antwoorden, steeds in eenzelfde trance-achtige staat, alsof ze elk moment door een ruimteschip konden worden opgestraald. Er waren Edjes bij die nieuwe typemachines kwamen afleveren, Edjes die lampen vervingen, Edjes voor ongediertebestrijding, Edjes die wat lekkers voor bij de koffie kwamen brengen, Edjes die telegrammen bezorgden, Edjes die plinten schilderden, Edjes die de waterleiding inspecteerden, Edjes die het schrijfgerei aanvulden, Edjes die de Edjes in het gareel hielden, Edjes die de melk en suiker aanvulden, Edjes voor het afstellen van nieuwe bureau’s, Edjes die het plafond verfden, Edjes die schrijfopdrachten moesten uitvoeren, Edjes die de plantjes water gaven, Edjes voor de hondenuitlaatservice, Edjes die prullenbakken leegden, Edjes die reclameposters vervingen, Edjes die voor versnaperingen zorgden, Edjes die de vuile vaat kwamen ophalen, et-…cé-…te-…ra!
Alle Edjes bij elkaar dreven mij onderhand tot waanzin, zodat ik door de gangen holde en wanhopig naar de redactieruimte zocht waar ik mijn directe collega’s had ontmoet. Misschien dat zij mij nog uit deze nachtmerrie wisten te redden en mij van deze manische manusjes-van-alles konden verlossen. Een kakofonie van toelichtingen en uitweidingen galmde er inmiddels door de gangen en maakte van de zevende etage een compleet kippenhok. Ten langen leste vond ik eindelijk een deur waar op het raampje de tekst ‘redactie’ te lezen viel. Ik liep er snel naartoe en greep naar de deurkruk. Buitelend viel ik de ruimte die erachter lag binnen, draaide me om en sloot meteen de deur. Hijgend stond ik tegen de binnenzijde van die deur op adem te komen en merkte pas toen ik naar de vloer keek hoe het zweet van mijn voorhoofd gutste en op het tapijt droop. Met gestrekte handen tegen de deur bleef ik zo een paar seconden staan, totdat ik achter mij iemand hoorde spreken.
“Kan-ik-u-soms-ergens-mee-helpen-mijnheer? Met-uw-welnemen, u-lijkt-mij-nogal-van-streek…”
Die slepende manier van spreken, die stem…!
Ik keek om en kroop vervolgens direct zo dicht tegen de deur als ik maar kon. De redactieruimte waar ik was binnengestapt was er kennelijk één van vele, maar in elk geval niet de vloer waar ik Kornelis, Rina, Tinus en Victor had ontmoet. Deze ruimte stond vol met bureaus en typemachines. Hier werd druk geschreven. Achter alle bureaus zaten kleine mannetjes en ik wist inmiddels maar al te goed naar welke naam zij allen luisterden.
“Gaat-het-wel-goed-met-u?” vroeg één van de Ed Cetera’s.
Op dat moment werd alles zwart voor mijn ogen en gonsde er enkel nog een specifieke zin door mijn hoofd, voordat ik het bewustzijn helemaal verloor:
Dimensies bestaan bij de gratie dat we ze verzinnen.

“Achmed? Achmed? Hé, word eens wakker jongen,” drong een bekende stem bij mij aan toen ik langzaam weer bij kennis kwam, “Hallo? Aarde aan Achmed.”
Versuft tuurde ik door de spleetjes van mijn oogleden, terwijl ik in een reflex gehaast mijn longen vol zuurstof zoog. Een loom gevoel drukte zwaar op mij zodra ik geleidelijk mijn lijf voelde ontwaken en ik een tinteling in mijn benen gewaar werd. Ik proestte en schrok abrupt wakker toen ik zowat in mijn eigen speeksel stikte. Victor Anished was de eerste die ik meteen recht in de ogen keek. Hij zat geknield voor me en had zich blijkbaar zolang over mij ontfermd.
“Hé vriendje. Gelukkig man, je bent er weer,” sprak hij uiterst zorgzaam, “Je was even helemaal van de wereld. Ze hebben je naar hier gebracht voor een beetje frisse lucht. Wat is er net gebeurd met je?”
“H-huh? Wat?” bracht ik uit toen ik rechtop was gaan zitten en mezelf probeerde te oriënteren, “Dimensies… dimensies zijn er omdat wij ze verzinnen.”
Ik had de stelling – zij het op een iets andere manier – uitgesproken voor ik er zelf erg in had en had geen idee wat mij bewoog om dat als eerste te benoemen. Maar toen herinnerde ik dat dit ongeveer de tekst was die ik in mijn hoofd had horen galmen toen ik eerder in de redactieruimte flauw was gevallen.
“Euh, sorry?” reageerde Victor op deze wazige opmerking van mij. Zijn ogen stonden vragend. Ik kon hem niet kwalijk nemen dat dat wat ik had gezegd hem in verwarring bracht. Ikzelf snapte ook niet waarom ik precies die zinsnede had uitgesproken. Ik had de woorden opgedreund alsof het het eerste was dat mij relevant leek nadat ik even van de wereld was geweest.
“S-sorry. Nee, niks. Vergeet het. Waar ben ik? Wat is er gebeurd?”
Victors blik was nog steeds een en al vraagteken.
“Nou, dat zou ik ook graag willen weten.”
Toen keek ik eens wat beter om mij heen en merkte ik dat ik weer in de gang was. Van dat besef schrok ik even, zodat ik opstond en mij ervan vergewiste dat er geen Edjes meer waren. Tot mijn grote verbazing bleek dat ook daadwerkelijk zo. Behalve Victor en ik was er op dat moment verder helemaal niemand in de gang. Nu was het mijn beurt om raadselachtig te kijken.
“W-waar zijn ze allemaal gebleven? Zijn ze echt weg?”
Victor snapte er niets van.
“Achmed, gaat het wel goed met je?” reageerde hij in plaats van de vraag te beantwoorden, “je kijkt net alsof je door iemand achterna gezeten wordt.”
Verdwaasd keek ik nog eens goed om mij heen, maar ik moest toch concluderen dat ik het de eerste keer al goed had gezien; Victor en ik waren alleen. Ik had even nodig om te bevatten waar ik was en dacht zelfs even dat wat ik kort hiervoor had beleefd een nachtmerrie moest zijn geweest. Echter, toen ik links van mij op het tapijt bij de toiletten koffievlekken ontdekte, besefte ik dat dit niet in mijn slaap gebeurd kon zijn. De vlekken benauwden me en maakten dat ik weer onrustig werd.
“Victor, ik moet je iets bekennen. Bij nader inzien geloof ik dat ik eigenlijk helemaal niet de geschikte man voor jullie ben om bij dit bedrijf te komen werken. De afgelopen paar uur waren erg inspannend voor mij en ik vrees dat ik jullie alleen maar tot last zal zijn. Ik slaap slecht en heb nu ook al last van waanvoorstellingen. Is het nog mogelijk mijn contract nietig te laten verklaren? Ik kan misschien toch beter iets anders gaan zoeken.”
Mijn leidinggevende schrok erg van dit voorstel, dat voor hem ongeveer uit de lucht kwam vallen.
“Wat bazel je nu? Natuurlijk ben jij geschikt,” protesteerde hij. “We hebben je hartstikke hard nodig. Hoe kom je nou bij het idee dat je ons tot last zou zijn?”
Victor keek me indringend aan, al viel het me wel meteen op dat hij me nu opmerkelijk minder streng leek als eerder op de dag, toen hij onze andere collega’s op hun plek wees. Van de chef met de tirannieke trekjes, zoals ik hem mij eerder op de dag meteen had voorgesteld, viel ineens weinig meer te bespeuren. De open houding waarin hij nu tegenover mij stond maakte dat hij opeens een heel stuk warmer op mij overkwam.
“I-ik zie dingen die er niet zijn,” probeerde ik. Ik wilde hem graag verklaren waarom ik tot mijn plotselinge inzicht was gekomen, maar het viel niet makkelijk om dit onder woorden te brengen. “Eerder, voordat jij jezelf aan mij had voorgesteld, heb ik de collega’s al verteld dat ik elke dag door buitenaardse wezens word ontvoerd.”
Ik wachtte even voordat ik verder ging met mijn uitleg en peilde bij Victor of hij hier niet al direct op afhaakte. Hij keek me wel even aan alsof hij op een gedachte kauwde, maar ik had niet de indruk dat hij mijn verklaring als bespottelijk afdeed. Hij luisterde geduldig naar me, zodat ik vervolgde met mijn verklaring:
“Beste Victor, al geruime tijd word ik geplaagd met gruwelijke nachtmerries waarin ik word meegevoerd door ijzingwekkende kwelgeesten, vreemde wezens die niet van deze planeet lijken te zijn en ongeveer het postuur hebben van een kind van zes. Ze onderwerpen mij aan de meest verschrikkelijke onderzoeken en prenten mij beelden en gedachten in waardoor ik overdag grote moeite heb mij goed te concentreren. Hierdoor zie ik er zo belabberd en slecht uitgeslapen uit en gaat het nu zelfs zo ver dat ik collega’s dubbel zie of collega’s verzin die er waarschijnlijk helemaal niet zijn. En ik…”
“Doel je nu op Ed Cetera?” onderbrak Victor mij.
Ik had al meer willen vertellen, maar de snelheid waarmee Victor de connectie legde met Ed Cetera, maakte dat ik even mijn verhaal kwijt was en ik hem bevreemd aangaapte. Ik was verbluft.
“Huh? Hoe weet je dat zo gauw? I-ik bedoel, heb jij die vreemde wezens hier dan ook gezien?”
Alleen toen realiseerde ik dat ik precies voor dezelfde deur stond waar ik kort daarvoor was binnengestapt en er in de redactieruimte was flauwgevallen. Het leek er op dat de figuren die ik voor kwelgeesten hield mij enkel naar buiten hadden gedragen om Victor rustig naar me te laten kijken.
“Nee, ik heb hier geen vreemde wezens gezien. Maar wanneer je bedoelt dat Ed Cetera een buitenaards wezen is, een figuur van een andere planeet, dan kan ik je gerust stellen. Dat is hij niet.”
“Maar wat is er dan met me aan de hand? Zo-even voordat jij mij hier vond, liepen er hier allemaal mannetjes rond met een Afrikaans uiterlijk, die sprekend op Ed Cetera leken. En ook hier binnen, achter deze deur hier achter ons, zag ik er tientallen, misschien wel veertig. Ze leken allemaal op elkaar en ik zou niet verbaasd zijn wanneer ieder van hen naar de naam Ed Cetera luistert. Ik zweer het je Victor, de wezens die ’s nachts experimenten op mij uitvoeren, zijn mij naar hier gevolgd of spelen in elk geval dusdanig met mijn waarnemingsvermogen dat ik overdag haast lijk te hallucineren.”
“Je klinkt nu net als Ed Cetera,” grinnikte Victor kalm, “maar ik zal je uit de droom helpen,” sprak hij na een diepe zucht, “Overal is een goede verklaring voor. Dat verzeker ik je.”
Ik gaapte mijn nieuwe leidinggevende aan. Hoe zou hij in vredesnaam voor mijn recente belevenissen een logische verklaring kunnen geven?
“Ed Cetera is inderdaad een geval apart, maar dat had je inmiddels wel in de gaten. Hij is niet van hier. Tijdens de bouw en oprichting van de Tycoon Newspaper is hij naar ons land overgekomen vanwege zijn uitzonderlijke eigenschappen waar je zelf al mee in aanraking bent gekomen, de mogelijkheid om zichzelf te dupliceren en op te treden in waanvoorstellingen. Hij komt uit Kenia, of specifieker: uit het Land van Snooit…”
“Ho, wacht even,” viel ik Victor in de rede, “hij heeft het vermogen zichzelf te dupliceren? Victor, kom op nou. Mij houd je niet voor het lapje. In die onzin geloof tot zelf zeker niet? Bij alle aardse wetten is het onbestaanbaar dat iemand zichzelf zou kunnen klonen. Er werden dan wel proeven uitgevoerd om dieren te klonen, zoals met het schaap Dolly. Maar een mens, die nota bene in staat zou zijn een kopie van zichzelf te maken?”
“Hoor jezelf nu eens praten,” blafte Victor, met gefronste wenkbrauwen en een lagere octaaf in zijn stem, “je staat hier zelf net te verkondigen dat er figuren uit jouw droomwereld naar hier zijn gekomen. Tegelijk verklaar je mij voor gek wanneer ik je uitleg geef over de achtergronden van Ed Cetera. Wiens verhaal verliest hier nou aan geloofwaardigheid?”
Daar had Victor een punt. Beide situaties grensden aan het onzinnige, terwijl we er kennelijk beide van overtuigd waren dat ze de waarheid verkondigden. Ik hield verder mijn mond en probeerde voor mezelf te relativeren wat nou echt nog realistisch was sinds mijn nachtelijke uitstapjes zich voor het eerst hadden aangediend. Ik was allang niet meer mijzelf sinds er ’s nachts operaties op mij werden uitgevoerd. Iedere nacht lag ik wel een keertje naakt en vastgebonden onder een laken op een operatietafel, met felle lampen boven mijn hoofd, terwijl er schimmen over mij heen bogen en zij instrumenten op mijn lijf inbrachten. Vloeistoffen vloeiden op en neer door dunne slangetjes en klauwachtige gereedschappen plukten aan mijn schedel, alsof ze laagje voor laagje de huid van mijn hoofd los pulkten. Helse nachtmerries beleefde ik met deze onaardse griezels die tegelijk… zo vertrouwd op mij overkwamen.
Zwijgend stonden Victor en ik in de gang zo een tijdje tegenover elkaar, totdat we op enig moment vanuit onze ooghoeken een inmiddels bekend geworden figuurtje zagen naderen. Het was Ed Cetera. Wie had het ook anders kunnen zijn? En ik verwonderde mij er niet langer over wat hij nu weer bij zich had. De Afrikaanse lilliputter, die met een bijpassend waggelend loopje kwam aanzetten, was ditmaal gekleed in een keurig paars met zilvergrijs kostuumpje. Zijn zwarte haar was in een vette puntknot achterop zijn hoofd in model gebracht. Steunend liep hij ons voorbij, terwijl hij op een steekwagen twee watercontainers voor zich uit duwde.
“Goedemorgen heren,” groette hij ons.
Beide staken wij onze handen op en geduldig, zonder verder nog één woord te spreken, liep het gedrongen ventje tussen ons door. Hij liep tot het einde van de gang en verdween vervolgens om de hoek uit ons zicht.
“Zie je?” sprak Victor korzelig zodra Ed Cetera was verdwenen, “zo moeilijk is het dus niet.”
“Dus je hebt hem ook gezien?” vroeg ik hem meteen, alsof ik toch nog wilde testen of het geen luchtspiegeling betrof die alleen voor mij zichtbaar was.
Victor trok geïrriteerd een wenkbrauw op.
“Ik denk dat eerder de vraag is, wát je hebt gezien, Achmed? Heb je één Ed zien lopen met een tweetal watercontainers voor zich? Of zag je ook een Ed Cetera die een verrijdbaar aquarium voor zich uit duwde met in de waterbak een enorme zeeduivel?”
“Alleen die met de watercontainers, hoezo?”
“Wel, je zag alleen hem, omdat je de enige Ed Cetera die hier echt rondliep geen vraag hebt gesteld natuurlijk.” Victor vouwde zijn handen open en stak ze voor zich uit om zijn woorden extra emotie mee te geven. “De allereerste keer dat ik deze waterdragende Ed ontmoette stelde ik hem namelijk ook een vraag en verscheen er kort daarna nog een Ed, vanuit een waanvoorstelling. En het was die extra Ed die de zeeduivel met zich mee bracht. De waterdrager was aan het ratelen geslagen en de Ed met de zeeduivel…”
“…heb je er gewoon bij verzonnen? Net zoals ik er vandaag misschien ook wel tien of twintig bij verzonnen heb.”
“Klopt helemaal,” antwoordde Victor, bij wie het chagrijn weer enigszins verdwenen was.
“Dus Ed Cetera begint niet alleen te ratelen als een machinegeweer wanneer je hem een vraag stelt, maar het levert ook op dat je een extra versie van hem erbij verzint…” sprak ik vervolgens tot mijzelf.
“Niet altijd,” vulde Victor aan, die zijn handen weer onder zijn mantel stopte, “maar meestal wel. En zeker als je moe bent en er dus vatbaar voor wordt. Je gaf zelf al aan dat jij de laatste tijd niet echt wat je kunt noemen, uitgeslapen bent. Dit zou je dus moeten kunnen plaatsen.”
Ik knikte.
Na die woorden liep Victor weg van de plek waar we ons hadden opgehouden, zodat ik hem volgde.
“Ed Cetera is, zoals ze dat noemen, een Waangnoom,” lichtte hij verder toe toen we eenmaal samen opliepen, “een ras van gnomen uit die godvergeten stam waar we hem vanuit hebben geëxporteerd, destijds, toen hier alles nog in oprichting was.”
“Toch verklaart dat niet waarom Ed hier zoveel arbeidsplekken lijkt in te nemen. Ik bedoel, ik snap inmiddels dat een aantal ervan er door jezelf bij gefantaseerd worden, maar ik zie hem nog steeds opmerkelijk veel echte klusjes oppakken. Is dat dan toch iedere keer dezelfde Ed Cetera?”
“Eén en dezelfde. Maar toch ook weer niet. Hoe leg ik dat uit? Zoals je zelf al concludeerde, kan Ed zichzelf dupliceren. Ik weet ook niet hoe het kan, maar hij speelt het klaar.”
“Maar, even los van de onmogelijkheid die ik daar in zie, wat maakt dan dat mensen zoals jij en ik dan überhaupt nog nodig zijn? De Tycoon Newspaper zou al haar FTE’s dan eenvoudig kunnen invullen door Ed zichzelf maar zo vaak te laten dupliceren als de redactie dat belieft. Of is dat wellicht te simpel door mij gedacht?”
Victor zuchtte en haalde zijn schouders op. Een paar seconden staarde hij zwijgend voor zich uit.
Na een poosje draaiden we een andere gang in en sprak hij tot mij:
“Kom. Het wordt tijd dat ik jou ga laten zien welke taak in voor je in gedachte had.”
“Prima,” antwoordde ik hem en had inmiddels voor mezelf besloten dat ik dit toch een tweede kans moest geven. “Waar gaan we heen?”
“Deze kant op,” sprak hij opgewekt, “we pakken de lift.”
En toen hij dat zei hield ik mijn pas in en zette ik grote ogen op.
“D-de lift?” herhaalde ik beverig.
En voor de tweede keer op mijn eerste werkdag werd ik licht in mijn hoofd.