By gsorsnoi | September 29, 2015 - 9:17 pm - Posted in Duimzuigerij, Een portet van ..., Nederlands, WSNOI

De Tycoon Newspaper is aan een nieuwe reeks artikelen begonnen: portretten van haar verslaggevers. En voor de gelegenheid ditmaal ook eens een karakter die weliswaar geen verslaggever is, maar wel een belangrijke rol vervult in het domein van WSNOI. In deze serie belichten we de achtergronden van de fictieve personages die op WSNOI en vooral de Tycoon Newspaper al meer dan eens van zich hebben laten horen, maar waarvan het wel eens prettig is om er ook een gezicht bij te zien. Daar deze personen natuurlijk niet echt bestaan en dientengevolge er geen beeldmateriaal van hen te schieten valt, is gebruik gemaakt van foto’s van figuren waarop zij gebaseerd zijn (hiernaar refereert ‘modelpersoon’ hieronder). Al deze portretten zijn in feite groeiartikelen, want zodra een personage zich verder ontwikkelt op deze site, is het ook wenselijk dat dit artikel daarop bijgewerkt wordt. Zo is het voor mezelf ook te gebruiken als handvat om niet per ongeluk van het bedoelde personage af te wijken. We leiden deze artikelen even kort in met een beknopte personalia waarna we dieper inzoomen op hun oorsprong en hun betekenis voor WSNOI en de TN.

Personalia: Koen Voet.

Functie: Forensisch sporenonderzoeker gespecialiseerd op inbraken, bij het Gohes City Forensisch Instituut (GCFI).
Andere namen: Geen
Oorsprong naam: Zijn voor- en achternaam kunnen samengetrokken worden tot een voorwerp dat duidelijk iets met zijn functie te maken heeft: koe(n)voet.
Modelpersoon: Gers Pardoel.
Eerste oer-artikel: N.v.t.
Eerste online-artikel (waarin dit karakter voorkwam):VZD (4): Triest bericht‘.
Uitspraken: op de vraag van Jolien van Biesheuvel komt Koen in ‘VZD (4): Triest bericht‘ na sporenonderzoek tot de conclusie: “Inderdaad inspecteur, diegene die de E 2.400,- heeft buit gemaakt was in het bezit van de sleutel van het huis.” & in ‘VZD (6): Verrassing!‘: “Welnee inspecteur,” reageerde Koen op het dakterras en hield een roestige kandelaar omhoog, “het was vast Kolonel Mustard met een kandelaar!” – dit zei hij als reactie op Karels verzoek dat de heren geen spelletje maakten van hun werk.

Op gelijke voet met Karel

Koen Voet maakt onderdeel uit van de paar essentiële personages uit de detectivereeks VZD. Met zijn eerste optreden in ‘VZD (4): Triest bericht‘ gaf hij invulling aan de behoefte die zomaar een keer spontaan ontstond toen – zoals je hierboven kunt lezen – inspecteur Jolien van Biesheuvel wilde weten of er bij de familie Ten Dam was ingebroken. De detectiveserie was zich in die tijd nog grotendeels aan het ontwikkelen, hetgeen ook wel bleek uit de spelregels die in diezelfde vierde aflevering pas echt vorm begonnen te krijgen. Ditzelfde gold voor het minimale setje forensisch onderzoekers, waar het team waar Karel geregeld mee op pad trok, tenminste uit zou moeten bestaan. Het hebben van een inbraakspecialist was een onvermijdelijk gegeven waar we vroeg of laat tegenaan zouden lopen (zie ook ‘Een portret van… Lesley Spandabato‘). Koen Voet was hierop vanzelfsprekend het antwoord. Zijn naam, zoals gebruikelijk bewust wat flauw gekozen, bleek een geniale vondst; iedereen wist direct wie hij was en vooral wat hij kwam doen. En dan te bedenken dat de opdracht waarvoor hij helemaal naar de plattelandsgronden buiten Gohes City kwam afreizen, tot het resultaat leidde dat er helemaal niet eens wàs ingebroken. Ik herinner me nog dat ik Koen toen even snel verzon en hem een korte alinea gaf om niet te veel van de rode draad van het toen lopende onderzoek af te willen wijken. Inbraak, of iets wat daar op lijkt, was helemaal niet aan de orde. Dat was meteen ook de reden waarom ik Koen in datzelfde verhaal niet meer aan bod liet komen en hij pas weer in VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’ een nieuw optreden deed. Opmerkelijk genoeg bleek ik Koen eigenlijk al eerder nodig te hebben gehad, in één VZD-aflevering eerder: ‘VZD (3): De koprol‘. In dat onderzoek werd er namelijk over een kluis gerept en of daar eventueel sportfondsen uit ontvreemd zouden zijn. Mocht hij toen al dienst hebben gehad, dan had hij ook toen tot een weinig spannend te noemen ontdekking gekomen: de kluis was leeg en lag onder het stof.
De totstandkoming van het personage Koen Voet is daarom goed te vergelijken met zijn werkgever Karel Riemelneel; beide verschenen pas een verhaal of artikel later dan eigenlijk logisch was (Karel Riemelneel had oerartikel Bewaking Kwak & Go vat vlam na bomaanslag wat genre betreft beter kunnen schrijven dan Tinus Icket, red.).

Onwrikbaar element

Eenmaal thuis in de detectiveserie werd Koen ook meteen een terugkerend personage waar je van op aan kon. Vanaf de 4e aflevering tot en met zaak nummer 10 werd iedere keer wel even zijn hulp ingeroepen. Het begon natuurlijk met ‘VZD (4): Triest bericht‘ waarin hij constateerde dat er geen deur was geforceerd en ook bij de kozijnen van huize Ten Dam geen sporen van braak gevonden konden worden. Zo concludeerde hij dat degene die de E 2.400,- buit had gemaakt in bezit moest zijn geweest van de sleutel van het huis. In VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’ bevonden wij ons ineens terug in de tijd en hield hij zich bezig met zandzakken. Hij ontdekte dat in één ervan een juwelenkistje zat verstopt, een cruciale aanwijzing die ons uiteindelijk bewust op het verkeerde spoor zette. Tijdens de speurtocht naar aanwijzingen in ‘VZD (6): Verrassing!‘ was hij vooral in de tuin te vinden en later ook op het dakterras, waar hij naar Karel een geestige opmerking maakte over Kolonel Mustard (zie ‘Uitspraken’ hierboven). Hij was het die de ontdekking deed dat er een raam naar binnen toe was gebroken, terwijl het slachtoffer buiten in de tuin lag. Dit zette ons even voor raadsels, maar werd uiteindelijk toch een passende verklaring voor gevonden. Ook in ‘VZD (9) SPECIAL: The Last Angel‘ bleek Koen weer even niet naar zijn specialisme toe hoeven handelen; hij zou Karel vrijkopen uit het gevang, waarvoor hij helemaal naar de Filippijnen was komen vliegen, maar iemand anders bleek hem al voor te zijn geweest. Helemaal aan het einde van deze spannende zedenzaak was er ineens een lolbroek die de werkelijk absurde suggestie deed dat ons slachtoffer mogelijk wel eens kon zijn ‘dood geswaffeld’. Koen en Karel pikte die suggestie op een creatieve manier op om erachter te komen of de daders daadwerkelijk hun geslachtsdelen in de aanslag hadden gehad. Hetgeen gelukkig niet het geval bleek (althans niet voor de doodsoorzaak). In die aflevering verleende Koen het duo ook de toegang tot een garage door in een metalen bakje even naar een sleutel te voelen. Dit stelde mij als schrijver nog even in gelegenheid om alvast een aparte eigenschap aan Koen toe te dichten; namelijk dat hij zich soms als wijsneus opstelt (waar Karel zich aan irriteert), maar wat er over het algemeen wel voor zorgt dater schot in de zaak komt. Dat gegeven wordt namelijk tijdens dat zoeken naar een sleutel door Karel even aangehaald.
Met het aanbreken van de 10e editie van de VZD gebeurde er veel meer wat binnen het expertisegebied van Koen valt. Wat voor Koen begon met de vondst van een man die erg akelig door een dakkapel van een trap naar beneden was gevallen. Bij het schrijven van de ‘aantekeningen’ rondom deze zaak (er gebeurde zoveel in deze ene detective dat het wenselijk was er even een samenvatting van op papier te zetten) werd even kort uit de doeken gedaan wat Koen’s inbreng ongeveer nog meer in het verhaal was:
Koen Voet stuitte op twee lijken bij het brengen van een huisbezoek aan het familieadres van Roger Roerling. In de woonkamer vond hij het ontzielde lichaam van Roger’s vrouw Olivia. Zijn zoon Jericho was er zo slecht aan toe dat een reanimatiepoging niets meer uithaalde. Hierop heeft Karel Koen naar huis moeten sturen, zoals de CGFI-regels voorschrijven. Hij was emotioneel te zwaar aangeslagen om het verlof niet te accepteren. Niet eerder dan dinsdag werd hij vervolgens weer op kantoor verwacht. Maar zolang zouden de verwikkelingen niet duren, zodat dit ook meteen zijn voorlopige laatste optreden in de serie was. Over de specifieke rol die hij in die 10e aflevering had valt veel te zeggen, maar leuker is om het bewuste fragment er nog eens een keertje op na te lezen, dat onderaan dit artikel terug te vinden is. Een ander leuk onderdeel is hoe er in diezelfde zaak nog eens wordt teruggekomen op de bijzondere samenstelling van zijn naam. Dat is het andere fragment wat je hieronder leest.
Vanaf het moment dat de 10e VZD even een voorlopig einde aankondigde op de detectiveserie, leek het ook gedaan met het optreden van onze helden. Maar gelukkig vult Lesley Spandabato dat gat soms op door even een van Mickey Mouse afgekeken Lesley lost ‘t op te produceren. En in de tweede editie, die over gestolen koffiebonen ging, rent Koen op enig moment met Lesley nog even achter een ontsnapte paarse springboon aan, zodat deze miniversie van de detective serie toch oplevert dat we deze VZD-personages af en toe nog eens terugzien.

Toffe gast

Koen is één van de jongere medewerkers bij het GCFI. Hij is, zoals vele collega’s hem zullen omschrijven, een nogal ‘vlotte jongen’. Ik zie hem graag als een handig figuur die, in tegenstelling tot het aantal klunzen dat het Rijk van WSNOI ondertussen telt, z’n hand niet omdraait voor een vuil of lastig klusje. Om die reden is het eigenlijk ook wel praktisch dat ik hem steeds in bepaalde scenes bij bepaalde zaken inzet, waarvan je wellicht zou denken dat je niet per se een inbraakspecialist hoeft te wezen om aan een dergelijke taak invulling te kunnen geven. Het vlotte aan hem zien we ook terug in de omgang die hij heeft met zijn collega’s. Aan het begin van de zaak ‘De rotte appel‘ bijvoorbeeld vraagt hij nogal ongenuanceerd aan Lesley “Woh, heb je die borsten gezien man?” waarmee hij verwijst naar het imposante voorkomen van hun nieuwe collega America Calista. Aan de ene kant geeft dit aan dat hij het kennelijk goed kan vinden met Lesley, maar het vertelt ook dat Koen niet iemand is die om de hete brij heen draait. Hij is dus erg recht voor z’n raap en daardoor ook een medewerker die snel meters maakt.
“Met jouw nichterige voorkomen maak je toch geen kans,” zei hij in datzelfde stukje tekst nadat hij over America’s borsten begon en refereerde daarmee naar het niet erg hetero uiterlijk van zijn collega Lesley Spandabato.
Kort daarop slaat Koen zijn collega Lesley op gebroederlijk doch hardhandig tussen zijn schouderbladen om hem geluk te wensen. Dit deed Koen, omdat hij inmiddels ook wel door had dat America nogal een pittige tante bleek en Lesley hem niet mans genoeg leek om haar onder zijn duim te houden.
Verderop in diezelfde aflevering komen we nog te weten dat Koen zijn koffie met een scheutje melk drinkt. Het is een niet heel noemenswaardig detail, maar het komt en passant voorbij, vlak voor een scene waarin er wat interessants gebeurt zodra collega Abdel zich laat afleiden door de schone verschijning van America Calista.
“Aarde aan Abdel! Hallo?!” was de boodschap die Koen zacht fluisterend via extraterretische signalen aan zijn collega probeerde over te brengen. “We hebben je hier nodig, niet in de armen van onze schone Calista.”
De heren zijn hier in gesprek met de geëmotioneerde Johannes IJzerdraat, die de eigenaar is van het dakdekkersbedrijf Lekt ‘t een beetje. In deze fase van de ondervraging lijkt schotrestenonderzoeker Abdel de verantwoordelijkheden echter geheel aan Koen over te willen laten. De billen van America Calista en de rest van haar voorkomen leiden hem namelijk zo af, dat hij liever Koen opscheept met de taak om het slechte nieuws aan de familie Roerling over te gaan brengen.
“Nee, Abdel dat flik je me niet” dacht Koen toen, maar slikte deze lage streek.
Uiteraard heb ik deze grap er toen met opzet zo ingeschreven, want ik wilde echt een keer iets verzinnen waardoor we konden lezen waarvoor inbraakspecialist Koen in de schoolbanken gezeten heeft. Daarnaast was het weer een leuke uitdaging voor mezelf om mij te verdiepen in een onderwerp (sporen van braak onderzoeken) waar ik tot dan toe zelf niet zoveel kaas van gegeten had. Voor dit soort scenes struin ik dan het internet af naar omschrijvingen van hoe echte experts in zijn vak hun werk uitoefenen. Dan beland ik op de site van het NFI (waar het GCFI van is afgeleid) en vermaak ik mij opperbest terwijl ik bezig ben met wat men noemt ‘maniakale research’.

Geen gezicht

Koen Voet heeft, net zoals zijn collega Abdel Desertecon Kretonshos, lang geen gezicht gehad. Ik kan dan ook niet zeggen dat ik al die tijd – al was het ongeveer – een plaatje in m’n hoofd had van hoe hij eruit zou moeten zien. Maar ja, helemaal geen uiterlijk aan m’n karakters meegeven is natuurlijk ook geen pan. Dus ook voor Koen heb ik even thuis op mijn luie stoel m’n ogen gesloten en mijn gedachtes de vrije loop laten gaan op wie ik dacht dat toch het beste bij het personage Koen Voet zou passen. In conversaties met BoB en Retroman kwam ik zodoende (via Huub Stapel, Tom Felton, Waldemar Torenstra, Johnny de Mol, Pieter Storms, Lange Frans, Brainpower, Yes-R en Ali B) op niemand minder dan Gers Pardoel.
Spring maar achterop bij mij… dan gaan we even een zaak oplossen!

Verhaallijn(en)

Nieuw bij de portretten is dit onderdeel ‘Verhaallijn(en)’. Ik gebruik het voor mezelf om wat aantekeningen kwijt te kunnen om een startpunt te hebben waar ik met het TN/WSNOI-karakter naar toe wil. Als je helemaal nog geen idee wilt hebben wat ik voor deze figuren in petto heb en dat liever gewoon gaandeweg in het boek leest, dan adviseer ik je deze tekst over te slaan. Het kan plotspoilers bevatten.

Met Koen Voet heb ik vooralsnog geen specifieke verhaallijnen voor ogen.

– fragment uit ‘VZD (10): De rotte appel – deel 1′:
Onze inbraakspecialist nam het zekere voor het onzekere en schakelde met zijn mobiele telefoon naar de vaste verbinding voor collega-hulpdiensten. Daar kreeg hij te spreken met centraliste Monique van Wijngaarden van de locale meldkamer. Zij liet, op basis van de melding die ze van Koen doorkreeg, een ambulance aanrijden. Onderwijl spurtte hijzelf naar zijn dienstwagen om daar zijn inbraakkit tevoorschijn te toveren. Met de juiste gereedschappen in de aanslag controleerde hij de voordeur en koos hij zijn geautomatiseerde KLOM Lockpick Gun om de klus mee te klaren. Zo dreef hij de Pickgun naalden één voor één het slot in tot hij de juist had en kreeg daarmee in een handomdraai de deur geforceerd. Deze was nabij de scharnieren nog wel voorzien van dievenklauwen, maar die stonden er overdag natuurlijk niet op. Eenmaal binnen trad hij vanuit het voorportaal eenvoudig de woonkamer binnen, maar had uit voorzorg zijn Beretta al in de aanslag. Omzichtig knielde hij bij het eerste slachtoffer dat hij eerder vanaf buiten maar half kon zien en zocht naar een pols. Godzijdank vond hij die, maar deze was kritiek zwak. Het ging om een jonge knul van een jaar of 16 of 17 die [AANWIJZING] gekneusd en vol blauwe plekken in de hoek van de kamer tegen een fauteuil lag gevouwen. Hij vloekte inwendig en wist dat de hulpdiensten hier op voorhand zouden falen als hij niet zelf in actie kwam. Om zeker te zijn dat hij de vrouw, die vermoedelijk zijn moeder was, een kans had gegeven, stond hij even op en controleerde hij ook haar. Kort daarop was hij alweer bij zijn jongste slachtoffer terug; de moeder was niet meer te redden. Bij zijn poging de pols terug te vinden, was hij gealarmeerd toen hij daar moeite mee had. Koen twijfelde geen ogenblik en met oog voor eventueel nieuw letsel positioneerde hij de jongen precies zo dat hij voldoende werkruimte had om reanimatiecontroles uit te voeren. Op aanspreken werd door de jongen niet meer gereageerd. Ademhalen deed hij evenmin. Hij seinde de centrale opnieuw in om een tweede ambulance te laten aanrijden en vermeldde daarbij dat hij de reanimatie was opgestart.
Al zijn inspanningen ten spijt overleed de jonge knul nog voor de eerste ambulance was gearriveerd. De broeders hadden de reanimatie bij aankomst nog wel overgenomen, maar staakten hun gespecialiseerde hulp al snel. Hij was al niet meer te redden voordat Koen Voet het huis was binnengedrongen. De inwendige kwetsuren hadden zijn lot reeds lang bezegeld. Vermoeid en ontdaan stond Koen even later onvast op zijn benen. Alhoewel hij vaker reanimaties heeft moeten toepassen – en helaas allen zonder het gewenste resultaat – was hij opnieuw flink geëmotioneerd. Ik heb hem daarop van de zaak gehaald en hem verzekerd dat zijn collega’s het hier zouden overnemen.
De slachtoffers werden eenvoudig geïdentificeerd als Olivia Roerling en haar zoon Jericho. Tezamen met Andrea in het duinbos en Roger op zijn klus onderaan een trap, was één ding duidelijk: iemand was erop uit geweest dit hele gezin om te leggen.

{KOEVOET} – fragment uit ‘VZD (10): De rotte appel – deel 1′:
Het was mij opgevallen dat Loek voor een tweede maal op een rij ons vlot van belanghebbende informatie omtrent dit onderzoek wist te verschaffen. Naast hem zat ik niet, zodat ik het schouderklopje verbaal moest uitdelen.
“Fijn dat je de feiten zo paraat hebt Loek. Daar steunt ons enorm. Wellicht dat je ons ook bij kunt schijnen voor wat betreft de moordwapens waarmee Gert Jan om het leven is gebracht? We zijn nu al zo’n tijd over zijn verwondingen aan het speculeren dat een oplossing toch binnen handbereik moet komen te liggen?”
Loek voelde de druk op zijn schouders toenemen en weifelde met een reactie, simpelweg omdat hij ditmaal zijn antwoord niet paraat had, terwijl hij moest bekennen dat hij verschillende theorieën had getoetst. Verzuchtend haalde hij zijn schouders op en schudde langzaam van nee. Hij wist het niet. Ook voor hem was de klauwhamer werkelijk de beste kandidaat. Plotseling ontstond er geroezemoes aan tafel waarbij de verschillende collega’s met elkaar in discussie gingen en theorieën met elkaar uitdeelden. Deze vraag had blijkbaar wat losgemaakt in mijn team waarop ik merkte hoe zeer dit vraagstuk ons allen bezighield. Maar aan wat wild gekakel had ik natuurlijk helemaal geen bal, zodat ik de groep moest manen niet door elkaar te praten.
“Hé, hé, hé, ik wil het even centraal houden allemaal! Graag de focus erbij. Jullie gekwebbel klinkt als onrustige stemmetjes in mijn hoofd.”
En zodra ik dat had uitgesproken, doofde abrupt het gonzende gesprek. Retroman was iets trager met reageren, maar maakte zichzelf onsterfelijk briljant met de timing van zijn op de eerste gehoor onbenullige vraag richting Sjors Kersten:
“…Dus jij hebt Koen Voet niet meer gezien voordat jij het Sambeekse Korenveld van hem overnam?…” Bedremmeld keek hij naar mijn strenge blik op welke geleidelijk overging in naar een zachtere gezichtsuitdrukking waarin ik in gedachten verzonken was. Iedereen had zijn of haar blik op Retroman of mij gericht en kreeg door dat er iets bizars aan tafel was gebeurd. Enkelen die het ook door hadden, proefden op hetzelfde moment met mij dat ene woord dat zich langzaam begon te manifesteren.
“…Koe-voet… Koevoet! Mannen dat is het!” riep ik verheugd. “Dat is de grote broer van de klauwhamer. Het profiel, de langere steel, het klopt allemaal. Gert Jan is vermoord met een koevoet. Haha!” Verrukt ontmoette mijn bruine kijkers één voor één eenieder die aan tafel zat. De meesten waren even blij verrast als ik. Ik stond op en liep die twee passen verder langs de tafel om Retroman hartelijk in zijn schouders te knijpen. Wat was ik blij. Retroman op zijn beurt keek nog altijd wat beduusd om zich heen alsof hij had opgetreden als de onbedoelde superheld in een strip. Duidelijk was dat iedereen de vreugde deelde. Alleen Agatha zat er nog wat bedenkelijk bij. Met haar vuist voor haar lippen gebald zat ze achteruit in haar sofa. De andere hand had ze om een elleboog gevouwen.
“Wat is het Agaat, ben jij niet blij dat we nu eindelijk weten hoe Gert Jan op de kop is getikt?”
“Oh jawel, dat ben ik zeker,” en ter bevestiging trakteerde ze ons op een gedoceerde glimlach. “Maar ik weet ook dat we met een koevoet nog altijd niet kunnen verklaren hoe Gert Jan aan de steken op zijn torso is gekomen. Zo’n handspaak is niet van [AANWIJZING] zaagtanden voorzien, wat zou kunnen verklaren dat de wonden op de voorkant van zijn lijf gekarteld zijn.”
En zo liet Gert Jan ons opnieuw met een raadsel achter.

VZD-afleveringen waar Koen Voet in voorkomt:

VZD (4): Triest bericht
VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’
VZD (6): Verrassing! – bij het zoeken naar een linkerschoen. In de tuin niet gevonden.
VZD (7): Red mij!
VZD (8): Eendjes voeren – alleen een korte ontmoeting met Karel om van gedachten te wisselen.
VZD (9) SPECIAL: The last Angel
VZD (10): De rotte appel – deel 1

Voorlopig gaan we even door met de VZD-portretten. Daarom is het portret van de volgende keer: L…

‘Dimensies bestaan bij de gratie dat wij ze verzinnen.’ Dat zijn de eerste woorden die ik mij nog kan herinneren van de start van mijn eerste werkdag bij mijn nieuwe werkgever. Waarom precies die ene zin mij uit die tijd is bijgebleven weet ik niet, maar zij zou mij nog lang blijven achtervolgen. Als een echo waar je de herkomst niet meer van kent, weerklonk die zinsnede geregeld dreunend in mijn achterhoofd, zonder dat ik wist waar het daadwerkelijk voor stond. Ik had dus geen benul waar het vandaan kwam en hoe het zich in mijn brein had weten te nestelen. De curieuze zin bleef maar in mijn gedachten rondsproken totdat ik er uiteindelijk aan begon te wennen en het normaal begon te vinden. Uiteraard had ik wel enig vermoeden wat er met die boodschap geïmpliceerd werd – daar kon mijn rijke fantasie vanzelf wel invullingen aan geven – maar het zou nog lang duren voordat de daadwerkelijke onderliggende boodschap echt tot mij doordrong. En zo bleek het een storend en terugkerend element in mijn dagelijkse werkzaamheden: geconfronteerd te worden met herinneringen welke niet van jezelf lijken te zijn.
De dag begon met een hemel die was vergeven van de rijke variëteit aan kleuren van het morgenrood. Verstrooid door de waterdamp van de hoge luchtvochtigheid legde het zonlicht zijn lange route af. De verwachtingen vanuit de bijbehorende bekende zegswijze ‘morgenrood, water in de sloot’ bleken hierin later op de dag ook bewaarheid te worden; rond het middaguur regende het werkelijk pijpenstelen. Alleen zover was het toen nog niet. Onder dit palet van rode tot paarse kleurtonen leken de mensen die dag bevangen van een soort schijngelukzaligheid, een gemoedstoestand die ik als vanzelf onbewust ook overnam. Al wandelend over het plein voor het redactiegebouw, waar ik kort daarop voor mijn eerste werkzaamheden zou binnenstappen, werd ik mij een onheilspellende vibratie in de atmosfeer gewaar. Nog voor ik de entree bereikte, keek ik om mij heen en kon ik tijdens de observatie van mijn omgeving het idee niet onderdrukken dat ik door een geënsceneerd poppenhuis liep. Iedereen die ik op straat zag lopen, leek precies te weten wat ze die dag te wachten stond. Ze glimlachten erbij alsof ze niet beter wisten. Hun dagelijkse beslommeringen leken deze mensen echter te zijn opgelegd. Nu lijkt de wereld om je heen natuurlijk al snel anders wanneer je helemaal in jezelf gekeerd bent en nerveus over wat de dag je verder brengen zou, zodat ik mezelf wijsmaakte dat ik mij deze hele ‘Barbie’-setting aan het inbeelden was.
Voor wat het toonbeeld moest worden van het grootste en best georganiseerde nieuwsblad van de wereld, had mijn nieuwe werkgever werkelijk groots uitgepakt. Zoveel kon ik al concluderen toen ik alleen de buitenkant van dit hoofdkantoor nog maar had gezien. In de lange aanloop naar het entreegebouw met de vorm van een rechtopstaande cilinder moest ik al erg wennen aan het idee dat dit mijn dagelijkse gymnastiek zou gaan worden. Het enorme plein geeft de bezoekers en de werknemers ruimschoots de gelegenheid om zich aan de overweldigende indrukken te vergapen. Het 188 meter hoge redactiegebouw dat in de stalinistische ’suikertaartstijl’ is opgetrokken, zou voortaan de spil vormen in het stedelijke silhouet. Door al zijn grandeur kan het zich prima meten met de beeldbepalende gebouwen eromheen, waaronder het Victoriaans Hotel, recht tegenover mijn nieuwe werkplek. De monumentale muren doen denken aan de residentiële verblijfplaatsen in Renaissance stijl van hoogwaardigheidsbekleders woonachtig in luxe wijken van deze metropool. Aan iedere gevel van het torenvormige bouwwerk waar onder andere de redactievloeren en bibliotheek gevestigd zijn, pronken vier wijzerplaten die ieder een diameter hebben van 6,3 meter. In schril contrast met de klasse dat dit architecturale hoogstandje uitstraalt kwam ik later te weten, tijdens een rondleiding door het imposante bouwwerk, dat er 3500 bouwvakkers aan deze constructie hebben gewerkt, waarbij er zestien van hen tijdens de werkzaamheden gesneuveld zijn.
De entree bleek te bestaan uit een uitgestrekte hal met glazen wanden die als een uitgestrekte tong voor het redactiekantoor is gelegen en op het atrium uitkomt, met in het midden van het atrium de receptie. Binnengetreden liep ik recht op het ovale eiland af waar de receptioniste van me afgekeerd in haar werkzaamheden verdiept zat. Ze was aan het bellen. Via haar ooghoek had ze mij zien aankomen en gaf middels een kort gebaar aan dat ze zo bij me kwam. Om mijzelf niet op te dringen stapte ik daarom iets bij de balie weg en keek gespeeld nonchalant wat rond in het atrium. Er waren drie etages in dit deel aangebracht in een cirkel rondom het open midden waar de receptie centraal onder staat. Het gat van de bovenste van de drie etages meet ongeveer de helft van de diameter van de twee eronder, ongeveer overeenkomend met de grootte van de balie, helemaal beneden. Waarschijnlijk was het de opzet van de architect geweest de balie een soort afdruk te laten zijn van het gat uit de hoogste etage om de schijn van een kegelvorm te versterken. Tijdens het wachten verwonderde ik mij vooral over wat er in die bovenste verdieping zou zijn ondergebracht. Het enige wat ik ervan kon zien was het houten hekwerk aldaar dat moest voorkomen dat je door het gat naar beneden zou vallen en een wenteltrap van gietijzer die via de zijkanten van de andere verdiepingen in een vloer naast dit gat naar deze zolder verdween. De rest viel buiten het zicht.
Tijdens het omhoog kijken begon er aan de zijkanten van mijn voorhoofd een lichte zeurende pijn op te komen van de gebroken nachten die ik onlangs had beleefd. Ik wendde mijn hoofd af naar de persoon op wie ik zat te wachten en juist op dat moment beëindigde de jongedame aan de receptie haar gesprek en sprak ze mij aan.
“Jij moet Achmed zijn,” klonk een lieflijke meisjesachtige stem waar een sterke magneetwerking vanuit ging. Een gezonde bos krullen had zich naar mij omgedraaid en twee blauwe kijkers ontmoetten de mijne. Direct werd ik bevangen door de hartelijke glimlach waarmee ze me verwelkomde en ik voelde mijn hart een slag overslaan. Het heerlijke gevoel werd beantwoord door een overeenkomstige twinkeling die in haar ogen lag waardoor ik haast het oorspronkelijke doel vergat waarom ik hier gekomen was. Ik zal de verpletterende indruk die deze receptioniste vanaf dag één al bij mij achterliet nooit vergeten. Al kon ik toen onmogelijk hebben bevroed hoe de effecten van mijn moeilijke nachten de potentie van onze geestdrift zouden kunnen verpesten.
Ze was geen gemodelleerd stereotype, maar eerder een voluptueuze jonge griet met blonde pijpenkrullen. En dan eentje die je als één van de verleidelijke zussen van Medusa vangt met doordringende marineblauwe ogen en je vervolgens in steen verandert. Gelukkig was het alleen de indringende blik die ze gemeen had met die monsterlijke gorgonen uit de Griekse mythologie. Ze leek deze kille vorm van zoete bekoring in ieder geval niet op haar agenda te hebben staan. Achter de gepolijste imponerende expressie ging een zachtaardig en nogal zweverig karakter schuil. Weelderig, met klasse en tegelijk een verfijnd typje dat over van alles op de hoogte wil zijn. Kortom: ze leek me een vrouw die graag de broek aan heeft en haar leven tot in de puntjes georganiseerd wilde hebben.
“Hoi snoepje,” zei ze vervolgens nadat ik met een kort knikje haar vermoeden bevestigde. En ze deed dat met een lach alsof ze zich uitgebreid uitrekte na een heerlijke verkwikkende slaap, een luxe waar ik zelf al een eeuwigheid niet aan toe was gekomen.
“Ik ben Rina Oddel. Aangenaam.” De innemendheid straalde er vanaf.
Ik gaf haar mijn hand en zij zond me een raadselachtige blik toe waarin een mij onpeilbare chemie verscholen lag. Maar ze mocht me meteen, dat was overduidelijk. Toch heb ik nooit begrepen wat zij precies in mij zag. Ik heb mezelf altijd een beetje een professorachtige slungel gevonden. Wel vaak de clown van de klas, door m’n grappen en vooral m’n krullen – al zijn die eerder zwartbruin dan oranje of rood – maar nooit de eerste die bij de mooiste meisjes in de smaak zou vallen. Ik was meer een iel en tenger mannetje. Zeker geen jonge god, die de held speelt in spannende verhalen, met een afgetraind lichaam, opaal groene ogen en sexy littekens. Wat ik wel graag deed was het duiken naar avontuur. En dat ik daar zojuist met het binnenwandelen van het redactiegebouw een nieuwe sprong mee had gemaakt, daar zou ik snel genoeg achterkomen.
“Je nieuwe collega’s zitten al op je te wachten. Je mag met me meelopen.”
Stralend veerde receptioniste Rina op van haar bureaustoel en draaide op de toonbank vlot een bordje om, zodat eventuele nieuwe gasten er <i>Zo terug. Neem gerust plaats.</i> zouden lezen. Gewillig volgde ik deze gastvrouw door ‘de Glazen Tong’. De hal, die als een soort serre tussen hoofdgebouw en receptie was aangebracht, vormde een twaalf meter lange overdekte doorgang van glas zodat je ook hier je ogen de kost kon geven. Het was onmogelijk om het niet te zien; op veilige hoogte boven onze hoofden was een vernuftig transportsysteem gemonteerd dat middels rails en radarwerken voortdurend bezig was om kranten van het hoofdgebouw naar de entree over te brengen. Onder een continu zacht ritselend geruis flitsten er honderden kranten per minuut voorbij, stuk voor stuk vers van de pers exemplaren gereed voor de laatste bezorgronde aan de abonnees – de laatste batch die er deze ochtend nog uit moest. De geur van verse inkt kon je hier moeilijk ontgaan en bracht je alvast in de stemming voor wat dit redactiegebouw nog meer herbergde.
De almaar doorgaande stroom van krantenpapier die over mij heen bewoog fascineerde mij enorm. Voorpaginanieuws flitste in razend tempo aan me voorbij, maar het ging zo snel dat het onmogelijk was om er vanuit deze positie iets uit op te maken. De enige reden waarom dit systeem mij alleen nu pas opviel, was omdat het doorgiftemechaniek precies tussen de Glazen Tong en het receptiegebouw in naar boven was weggewerkt middels een geluiddempende sleuf zodat, zo gokte ik, de receptioniste er niet horendol van werd.
“Waan-zin-nig,” sprak ik lettergreep voor lettergreep met open mond van verbazing. “Wat is dit zeg?” vroeg ik aan Rina. Terwijl ik met haar opliep, draaide ik rond mijn as om te kunnen bevatten hoe het verloop was van deze hele krantenstroom. “Zoveel kranten. Waar komt dit allemaal op uit?”
“Boven de receptie, in de Volière,” antwoordde Rina, met een buiging in haar stem om mijn nieuwsgierigheid verder te prikkelen.
“Hoe? Wat? Een volière? Je gaat wil toch niet beweren dat al deze kranten ouderwets met postduiven huis aan huis bezorgd worden hè, of wel?”
Rina moest giechelen van deze absurd bedoelde opmerking, terwijl ze parmantig voor me bleef doorlopen.
“Wel, in zekere zin is dat wat er nou juist wel gebeurt,” antwoordde ze, “Alleen niet in de vorm zoals jij dat waarschijnlijk verwacht.”
“Huh? Ik geloof dat ik dat niet helemaal volg.”
“Kom maar eens,” sprak ze en pakte mij zonder aarzeling bij mijn hand. Ze trok mij dichter naar de wand, waar we onze gezichten bijna tegen het glas brachten. “Kijk daar maar eens,” zei ze. En terwijl ze zelf ook omhoog keek wees ze naar de lucht net boven het dak van het entreegebouw. Maar het enige wat ik zag was precies hetzelfde morgenrood waar eerder mijn oog ook al op was gevallen.
“Wat moet ik zien? Ik zie alleen maar wolken.”
“Geduld. Blijf kijken,” drong ze aan.
Geduldig staarde ik vanuit de Glazen Tong naar het koepelvormige dak van het entreegebouw. Aanvankelijk zag ik nog steeds niets. Toch, over de postduiven had ze niets gelogen. Want op enig moment viel er inderdaad iets te zien en kon ik geleidelijk een object ontwaren dat vanuit het dak leek op te stijgen. Minstens honderd keer groter dan een normale postduif, dat wel, maar het was er toch zeker één.
“Nietwaar…? Hoe verzin je het?” Mijn mond viel open van verbazing.
“Voordat je gaat denken dat we hier met echte uit de kluiten gewassen postduiven werken,” klonk het van enige afstand; Rina was alweer doorgelopen, “waar je naar kijkt zijn geen echte vogels, maar gyrocopters. Je ziet het verschil zo, aangezien echte postduiven veel sneller met hun vleugels slaan.”
“Gyro-wattes?”
Kennelijk had Rina mij alleen bij het glas achtergelaten en was ze zelf al bijna bij het hoofdgebouw. Ietwat sullig sjokte ik gauw achter haar aan.
“Wat zijn dat voor dingen zei je?”
“Gyrocopters. Eén van je collega’s die je dadelijk zult ontmoeten heeft ze uitgevonden. Dat zijn vliegmobielen met motorloze rotoren. Ze zijn zo geconstrueerd dat je ze in de lucht op zekere afstanden niet van echte postduiven kunt onderscheiden. We noemen ze dan ook echt de Postduiven. Degene die ze bedacht heeft is de kleinzoon van een duivenmelker. Waarschijnlijk heeft hij zijn vinding dus van de hobby van zijn opa afgekeken. Mocht je de technische details willen weten dan kun je deze het beste aan hem zelf vragen. Wij zetten ze vooral in voor postbezorging, waar ze oorspronkelijk toe zijn ontworpen, maar ook voor sportverslaggeving worden ze wel toegepast.”
“Dat is trouwens de foyer,” sprak Rina toen we in het hoofdgebouw waren aangekomen en ze wees naar een ruimte links van waar we liepen. Daar willen we na kantoortijd nog wel eens een drankje drinken aan de bar.” De foyer maakte deel uit van een geheel open ruimte die het grootste deel van de begane grond bestreek, met centraal in het midden ervan de liften. Daar liepen wij op af.
“Wij gaan hier heen,” wees Rina.
De foyer alsook de liften pasten wederom perfect bij de setting van wat ik tot nog toe van het redactiegebouw had gezien. De deuren en afwerkingen van de liften deden mij erg karakteristiek en ouderwets aan. De houten omlijstingen waren goudbrons van kleur en aan weerszijden van iedere deur waren de panelen met groen glas in lood ingelegd, waardoorheen je al wachtend de liften kon zien aankomen.
Zodra onze lift arriveerde, werden we verwelkomd door de liftbediende.
“Goedemorgen Ed,”
“Goedemorgen mevrouw Oddel. Naar welke etage mag ik u vandaag brengen?”
“De zevende alsjeblieft,” antwoordde Rina. “Achmed, mag ik je voorstellen aan onze collega die van letterlijk van alles binnen onze organisatie op de hoogte is, meneer Ed Cetera?”
De liftbediende, die met z’n 1,32 meter lengte erg klein van postuur was, reikte mij zijn hand en deed dat met een gesloten, naar het onderdanige neigende lach.
“Aangenaam,” zeiden we beide in koor, terwijl ik zijn gebaar beantwoordde en daarbij wat naar beneden moest buigen. Ed klom daarna op een krukje dat hij in de lift had staan en beroerde het knopje voor de zevende etage. Hij leek me een gezellig mannetje zodat ik besloot een gesprek met hem aan te knopen. De opmerking van Rina over hoe Ed over van alles op de <i>hoogte</i> was, leek mij nogal ongelukkig, zodat ik dit onderwerp wat van zijn bescheiden voorkomen wilde afwenden.
“Rina heeft mij nieuwsgierig gemaakt. Hoe kan het dat u al zoveel weet van dit bedrijf? De Tycoon Newspaper bestaat toch nog niet zo lang? Was u er vanaf het begin al bij?”
Ik deed erg mijn best om de vraag niet te persoonlijk te laten klinken. Ik wilde de heer Cetera namelijk niet in verlegenheid brengen. Bovendien was ik oprecht geïnteresseerd in zijn relatie met deze nieuwe organisatie. Gelukkig had hij de vraag ook precies zo geïnterpreteerd en praatte hij mij er maar wat graag over bij. Toch kreeg ik al gauw spijt van mijn vraag aan hem, want wat volgde was werkelijk een onverwacht onnavolgbare woordenvloed aan informatie. Voorzichtig schraapte hij zijn keel en haalde hij eenmaal diep adem. Hij begon te vertellen, in wel zo’n koortsachtig hoog tempo dat het leek alsof hij verslag moest doen van de spannende finale van een bokswedstrijd.
“Met-de-bouw-van-dit-redactiegebouw-werd-op-1-januari-van-enig-jaar-aangevangen. Vanaf-het-moment-dat-de-bouw-van-dit-gebouwencomplex-begon-was-ik-al-bij-de-diverse-bedrijvigheden-betrokken. Honderden,-misschien-wel-duizenden-arbeiders-waren-er-op-de- been,-waaronder-ikzelf,-allen-overgescheept-vanuit-Kenia,-uit-de-Nesnemenielkednavmatsed-clan,-kortweg-de-Nesnemenienen. Dat-is-een-afsplitsing-van-de-Kikuyu-stam,-één-van-de-oudste-stammen-van-het-land-die-ontstond-tijdens-de-grote-Bantu-migratie. Evenals-de-meeste-van-deze-stammen-richtten-wij-ons-op-jagen-en-de-landbouw,-maar-blonken-wij-hoofdzakelijk-uit-in-huttenbouw-en-vonden-wij-van-alles-uit-wat-nog-niemand-eerder-had-bedacht. Zo-waren-wij-de-eerste-onder-de-Kikuyu-die-met-elkaar-communiceerden-door-met-blaaspijpen-boodschappen-naar-elkaar-over-te-schieten-en-verplaatsten-wij-ons-middels-een-voorloper-van-de-deltavlieger. Onze-stam-is-opgericht-door-de-charismatische-leider-genaamd-Gisoryuku,-de-koning-van-ons-volk. Hij-is-de-verpersoonlijking-van-onze-god-Gsor-Snoitasilivic-Llafo-Dog. De-god-van-alle-beschavingen,-ook-wel-bekend-als-Gsorsnoi,-en-zijn-boven-ruimte-en-tijd-verheven-idealen-zijn-in-zijn-persoon-verenigd. Als-geestelijk-leider-heeft-hij-ons-naar-de-voet-van-de-Blinkende-Berg-gevoerd-waar-ons-volk-woonachtig-is-en-het-centrale-punt-vormt-van-het-Land-van-Snooit. De-godsdienst-van-de-Nesnemenienen-staat-aldus-bekend-als-het-snoïsme-en-vereert-de-eerder-genoemde-god-die-voorbeeldgevend-is-aan-alles-wat-met-zinnig-of-als-zingevend-gedefinieerd-dient-te-worden. Onze-inheemse-religie-vormt-een-grote-rol-voor-onze-gebruiken. Bepaalde-rites-en-vormen-van-tovenarij-zijn-hierin-bijvoorbeeld-meditatie,-geesten-oproepen,-regendansen,-blokfluit-spelen-en-koffiedik-kijken…”
In hemelsnaam, wat was dit? dacht ik op enig moment, terwijl Ed Cetera maar doorratelde. En Rina zag hoe mijn ogen langzaam groter en groter werden. Ik had het zelf niet door, maar inmiddels was mijn mond ook opengevallen van verbazing. Vooralsnog stond ik er als bevroren bij, gevangen in een situatie die ik niet voorzien had. Het leek haast wel of deze man in één ademteug deze hele aaneenrijging van woorden achtereen wist op te noemen. Het begon mij te duizelen. Van de sereniteit waar ik mijn dag mee had aangevangen was in elk geval weinig meer over. De brij van informatie, wat op mij overkwam als een lezing uit een of andere encyclopedie werd ononderbroken en op plechtstatige wijze door de liftbediende voorgedragen zonder dat ik er een speld tussen kon krijgen.
“Om-ons-tijdens-de-omvangrijke-werkzaamheden-van-het-Tycoon-Newspaper-redactiegebouw-in-conditie-te-houden-lieten-wij-ons-eigen-voedsel-importeren. Anders-dan-de-boterhammen-met-pindakaas-zoals-men-hier-blijkbaar-gewend-is-om-voor-de-lunchmaaltijd-naar-binnen-te-werken,-zijn-het-de-Keniaanse-boktorlarven-en-de-in-chocolade-gedoopte-en-nog-in-leven-zijnde-zandsprinkhanen-die-onze-magen-veel-beter-kunnen-verteren. Weliswaar-tot-grote-afkeer-van-de-mensen-alhier-die-deze-delicatessen-niet-gewoon-zijn-en-de-penetrante-geur-die-de-sappen-van-deze-dieren-uitscheiden-kennelijk-niet-kunnen-verdragen. Naast-deze-inheemse-hapjes-nuttigen-wij-ook-graag-een-vers-geperst-glaasje-bloedbessensap. Over- de-herkomst-daarvan-kan-ik-u-melden-dat-…”
Inmiddels trachtte ik aarzelend met mijn gezichtsmimiek en handgebaren duidelijk te maken dat dit geen informatie was waar ik om gevraagd had. Mijn gelaat werd warm en zweet parelde al langs mijn slapen. Op enig moment keek ik de receptioniste radeloos aan en probeerde mij ervan te vergewissen of ik misschien iets stoms gezegd had of dat dit er gewoonweg bij hoorde. De reactie waarop ik hoopte bleef echter uit, hetgeen mijn lichaamstemperatuur alleen nog maar meer deed toenemen. Daarvoor in de plaats glunderde Rina enkel en in de blik die ze met mij uitwisselde meende ik zelfs een stuk leedvermaak te ontdekken. Wat een feeks, dacht ik toen nog, terwijl ze me verder erg aardig leek.
“Wat heeft dit in vredesnaam met mijn vraag te maken?” fluisterde ik ongemakkelijk naar haar. Mijn ogen puilde ondertussen bijna uit van plaatsvervangende schaamte.
Maar Rina zei helemaal niets. Haar koele grijns werd zo mogelijk enkel breder en blijkbaar genoot ze van de situatie waarin ik was beland.
“…Naast-de-Nesnemenienen-kent-onze-stam-nog-veel-meer-verschillende-clans-waaronder:-de-Achera,-de-Agachiku,-de-Airimu,-de-Ambui,-de-Angare,-de-Anjiru,-de-Angui,-de-Aithaga,-de-Aitherandu,-die-allen-op-hun-beurt-weer-zijn-ondergebracht-in-zogenaamde-‘dochters’.-Om-er-een-paar-te-noemen…”
“Nee! Hou op!” zei ik woordeloos en hief mijn handen demonstratief op om Ed Cetera met deze eindeloze voordracht te laten stoppen. Maar het bleek niet te helpen; onvermoeibaar ging hij door. Opnieuw keek ik naar Rina, ditmaal bijna smekend. Wanneer houdt dit een keer op? vroegen mijn ogen aan haar. En terwijl de liftbediende inmiddels bijna staccato een compleet lexicon stond op te dreunen van de verschillende stamverwikkelingen, zag ik in mijn ooghoek hoe de liftdeur ondertussen op gelijke hoogte begon te komen met de vloer van de zevende etage. Eindelijk, dacht ik. En nog altijd bezig met zijn tranceachtige voordracht bracht de liftbediende de lift tot stilstand en opende hij de deur voor ons. De sterke stoffige lucht van het tapijt uit de gang waar we op uitkwamen kwam ons tegemoet, maar had op mij vooral een bevrijdende werking. Rina en ik stapten vervolgens de lift uit – ik iets gretiger dan zij – en zodra wij buiten gehoorafstand van de alsmaar voort tetterende liftbediende waren, zei Rina tot besluit “Et cetera!”. En terwijl ze dat deed zij maakte ze met haar handen heel overdreven twee kwootjes in de lucht.
“Mijn hemel zeg. Wat ging er in hem om?” vroeg ik aan mijn vrouwelijke metgezel, terwijl ik iets zwalkte en mijn hoofd nog tolde van alle nutteloze feiten waar ik zojuist mee gebombardeerd was. Alles wat hij mij had verteld, had mij volstrekt irrelevant geleken ten aanzien van de simpele vraag die ik hem had gesteld. Mijn hoofdpijn was terug en de energie die ik tijdens mijn kennismaking met Rina had opgedaan moest weer even op peil komen. Rina zelf kon zich niet meer inhouden en vouwde haast dubbel van het lachen terwijl ze steun zocht aan de wandpanelen van de gang.
“Hahaha,” lachte ze luidkeels, “oh, hou op, ik krijg er buikpijn van. Iedere keer opnieuw blijft het toch komisch met die man.”
Niet begrijpend keek ik Rina aan. Maar schijnbaar had ze een situatie zoals dit al vaker met de liftbediende aan de hand gehad.
“Wen hier maar vast aan. Edje weidt nogal graag uit met zijn antwoorden. En zodra hij eenmaal begint met vertellen is hij haast niet meer te stoppen. Dus ik denk dat je je eerste les er voor vandaag al wel op hebt zitten.”
“Euh, ja, dat denk ik dan ook,” antwoordde ik haar moeilijk, “Ik bedenk me voortaan wel een tweede keer voordat ik hem een vraag ga stellen.”
Mijn ogen zochten nog vragend naar een echte verklaring, maar het leek er niet op dat ze mij al op dat moment daarover wilde bijpraten. Ed Cetera was beslist een man die ik hier niet snel zou vergeten.
Langzaam kwam Rina weer een beetje tot haarzelf en keek ze mij vervolgens aan met die typische mysterieuze blik van haar. Wat er toen tussen ons gebeurde was veelbetekenend. De rust in mijn hoofd was weer even teruggekeerd en de warmte van Rina’s aanwezigheid leek een helende werking op mij te hebben. Voor het eerst sinds lange tijd leefde ik weer even echt in het ‘hier en nu’. Tegelijkertijd verkeerde ik in de zevende hemel, want voor het eerst drong het tot mij door dat ik mij eigenlijk wel erg tot deze merkwaardige jongedame voelde aangetrokken.

Tinus Icket deed een laatste poging zijn woorden op papier te krijgen over het reisverslag dat hij aan het schrijven was van het recente bezoek dat hij aan de wereldstad Praag had gebracht. Hij had er veel geleerd over deze stad, die eeuwenlang bekend stond als het centrum van de Europese beschaving, waar Tsjechische architecten zich stilistisch konden uitleven met plantvormige ornamenten uit de Jugendstil in een speeltuin die verder werd overheerst door barokke rondingen, romaanse bogen en gotische spitsen. Maar eerlijkheid gebood hem te zeggen dat er niet echt een originele twist zat aan zijn huidige beschrijvingen van deze veelzijdige stad. Zoals hij het nu op papier had gezet bevatte het nauwelijks nieuwe inzichten die mensen niet ook in de eerste de beste reisgids konden teruglezen. Tegelijk kon hij zich niet indenken dat zijn belevenissen in de jazzclubs of zijn stadswandeling tussen de communisten in de Joodse wijk de lezers iets zou interesseren. Hoe hij ook had gehoopt dat hij zich met deze reis in een ongewoon avontuur had gestort, realiseerde hij dat eenieder die Praag een beetje kende nu nog weinig nieuws in zijn verslag zou terugvinden. Kortom, hij liep in het schrijven een beetje in de originaliteit van zijn artikel vast, terwijl hij moeilijk kon geloven dat hij er niet een verfrissende draai aan wist te geven.
Hij besloot daarom het verslag even opzij te leggen en zich te richten op de komst van de nieuwe collega die voor vandaag stond aangekondigd. Frisse talenten werden aangetrokken om de smalle redactiebasis te komen versterken. De aanwas van verse jonge verslaggevers was hard nodig, omdat de spoeling van verslaggevers van de Tycoon Newspaper op het moment nog erg dun was. Het toonaangevende blad kon het zich niet permitteren om zo kort na de start te weinig man op het nieuws te kunnen zetten, zodat er flink geworven werd. Tinus zelf was ook wel erg behoeftig te kunnen samenwerken met meer, hopelijk inspirerende, mensen zodat hij zich ook in zijn eigen werk meer gemotiveerd zou voelen.
Verwachtingsvol borg Tinus daarom de aantekeningen van zijn eigen nieuwsbijdrage op en wierp hij, ijdel als hij is, nog even een vluchtige blik in de spiegel. Hij fatsoeneerde zijn colbertje en deed zijn uilenbrilletje weer op om zijn bijziendheid te compenseren. Op dat moment zwaaiden de dubbele deuren naar de afdeling geluidloos open. Precies op het tijdstip waarop mijn introductie stond gepland, escorteerde Rina Oddel mij de redactievloer op. Meteen werd ik hartelijk verwelkomd door de goedlachse Tinus. Een brede rij witte tanden en gladgeschoren gelaat vervolmaakten zijn onberispelijke uitstraling. Ook zijn keurige okergele pak en lage lakleren schoenen droegen bij aan zijn werkelijk smetteloze uiterlijk. De pols van zijn linkerhand hield hij een fractie gebogen om zich nog even van de tijd te vergewissen, waarna een cirkelvormige lichtweerkaatsing van zijn Rado horloge over het plafond flitste en hij mij letterlijk met open armen kwam begroeten.
“Achmed, beste kerel. Welkom bij de Tycoon Newspaper. Wat fijn dat we je mogen ontvangen. Heeft onze lieftallige Rina Oddel je al een korte rondleiding kunnen geven?”
“Euh, jawel meneer,” antwoordde ik weifelachtig, “de entree was erg aangenaam.”
“Ho, ho, beste man, hier valt niks te ‘meneren’. We spreken elkaar hier gewoon bij de voornamen aan. Trouwens, wat onbeleefd van mij, ik heb mij nog niet eens voorgesteld. Mijn naam is Tinus Icket, zoals je ziet zelf nog een jonge twintiger.”
Tinus schraapte daarop z’n keel waarmee hij iets weggaf dat hij vast wel iets ouder was dan dat.
“En de kleinzoon van een duivenmelker,” verklaarde Rina Oddel terloops, terwijl ze de rug van haar hand langs haar mond vouwde. Zowel Tinus als ikzelf knipperde hierop even met onze ogen. Voor mij viel hier een kwartje, zodat ik glunderde. Maar bij Tinus zorgde deze opmerking juist voor wat vraagtekens. Het effect van zijn grote vragende blik werd hierbij extra versterkt door Tinus’ enorme brilglazen. Vervolgens keek hij even langs mij weg, zonder evenredig met zijn hoofd te draaien, om bij Rina een verklaring te zoeken en fronste zijn wenkbrauwen. Maar al wat hij daarop terugkreeg was een blik die alleen vrouwen je kunnen geven wanneer ze meer weten dan ze je willen vertellen. Tegelijk schudde ze nauwelijks waarneembaar het hoofd ten teken dat het iets onbeduidends was, zodat Tinus het verder negeerde.
“Goed,” sprak hij heel overdreven, “dat wil ik je vragen mij maar te volgen. Dan ga ik je meteen aan je andere collega’s voorstellen en uiteraard zullen we ook iets over onszelf vertellen. Rina, onze receptioniste, heb je al ontmoet,” en terwijl Tinus het voorstelrondje begon verplaatsten wij ons wat verder naar het midden van de redactievloer. De ruimte omsloeg ongeveer zo’n 14 bij 22 meter en was met huiselijke kantoormeubelen ingericht tegen een loodsachtige achtergrond. Op een paar plekken in deze grote open ruimte waren kubusvormige vertrekken aangebracht waar ruimte werd geboden om je voor een overleg met een paar collega’s in te kunnen terugtrekken. Door de grote vensters ontstond er een open structuur, zodat men van buitenaf altijd kon zien of de ruimtes bezet waren, maar deze waren verder nagenoeg geluiddicht. Terwijl Rina de koffie en thee verzorgde werd ik door collega Tinus naar één van deze vertrekken geleid.
“Ah, onze andere collega zit al klaar zie ik,” vertelde Tinus. “En gelukkig heeft hij eraan gedacht om de raampjes in het hok even open te zetten. Overigens, hier moet ik je even over voorbereiden. De collega aan wie ik je zo dadelijk zal voorstellen is absoluut een erg vriendelijke man, maar ik moet je wel even waarschuwen op een bepaalde nogal prominente eigenschap bij hem.”
Dit klonk bijzonder. Waarom moest Tinus mij dit vertellen? Uit impuls was het ditmaal ikzelf die mijn wenkbrauwen fronste en Tinus recht aankeek. In de paar passen richting het vergaderhokje begon hij ineens op fluistertoon tegen mij te praten.
“Er is een bepaalde reden voor dat ik hem de ruimte laat ventileren en we met welriekende kamerplanten en allerlei andere trucs van alles proberen om de atmosfeer hier zoveel mogelijk te veraangenamen. Met wisselend succes overigens. Zoals je ziet is de redactieruimte rijkelijk opgefleurd met hyacinten, rozen, gardenia’s, jasmijn en zelfs overdadig voorzien van stekjes munt. Dat is niet eens gedaan om de huiselijke sfeer hier nog wat meer te vergroten of omdat Rina hier haar vrouwelijke invloeden wil laten gelden, het is vooral omdat onze vriendelijke collega nogal een beetje een naar geurtje bij zich draagt…”
“Oeh jee,” reageerde ik luchtig, “hoe bedoel je? Zó erg kan het toch niet zijn?”
En toen keek Tinus mij recht aan.
“Nou, wacht maar af Achmed. Dan zul je dadelijk wel begrijpen waarom we deze voorzorgsmaatregelen treffen. Het is dat we werknemers niet op lichaamsgeur de deur kunnen wijzen, maar was hij niet zo griezelig goed in z’n werk en verder een fijne collega geweest dan hadden we hem vast niet zo gretig aangenomen.”
“Je maakt me nu wel erg nieuwsgierig, Tinus.”
Gaandeweg begon ik steeds meer te ontspannen sinds mijn binnenkomst in het redactiegebouw en merkte ik al heel gauw dat Tinus mij wel een toffe peer leek. Nogal een neuroot, dat wel, maar aan hem en Rina zou ik vast snel kunnen wennen. Of dat ook voor de volgende collega het geval zou zijn, daar zou ik snel achter gaan komen.

Met z’n 2 meter 36 moet ik zeggen dat ik direct al erg onder de indruk was, zodra Tinus en ik het muf geworden hok binnen kwamen stappen. Ik moest richting het plafond kijken om deze collega recht in de ogen te kijken en stak mijn hand naar hem op om hem te kunnen groeten.
“Goedemorgen Achmed. Welkom, mijn naam is Kornelis Oflook,” sprak hij, met een erg warme basstem.
Ik zag mijn hand zowat in zijn twee klamme kolenschoppen verdwijnen, zo groot waren zijn handen; Kornelis schudde mijn hand met de één en legde zijn andere knobbelige hand er nog eens liefdevol bovenop. Hij keek mij met een brede glimlach aan en toonde daarbij een incomplete rij tanden vol tandplak en een adem die onvermijdelijk het beeld opriep van een opengetrokken beerput.
“Aangenaam, Kornelis,” zei ik moeilijk en voelde de zuurstof al uit mijn hoofd wegtrekken.
“Is de eindredacteur er ditmaal wel bij, Kor?” vroeg Tinus, met een stem die oversloeg bij het gebrek aan frisse lucht. En terwijl hij dat vroeg reikte hij mij, zonder dat Kornelis dit zag, een doos met vochtige tissues aan.
Dit ging nog wat worden.
“Ik verwacht van niet,” antwoordde Kornelis Tinus, “Ik heb hem bij de vorige gesprekken ook niet gezien.”
“Wel,” zei Tinus, “Als hij al komt, dan zou het überhaupt de eerste keer zijn dat we hem zien. Lekkere eindredacteur is dat, wanneer je je nieuw aangenomen personeel zelf niet eens komt begroeten. Maar afijn, laten we ons daar nu niet druk over maken. Wellicht komt dat nog. Wij gaan eerst even kennismaken en onze nieuwe collega Achmed en hem iets vertellen over het reilen en zeilen bij de Tycoon Newspaper.”
“Zo is dat,” sprak Kornelis, “Zeg Achmed, heb jij wel goed geslapen? Je ziet er uit alsof je niet veel aan nachtrust toekomt. Je bent toch niet gespannen over je eerste werkdag hè, of wel?”
Inmiddels waren we gaan zitten op de stoffen banken die in het overleghok stonden en ik denk dat aan alles bij mij te zien viel dat ik niet fit was. Ik had wallen onder mijn ogen, een vaal gezicht en ook met mijn kromme houding en manier van zitten kon ik mijn conditie maar moeilijk verbloemen. Het was bovendien benauwd in het vertrek waardoor ik al snel mijn energie voelde wegtrekken.
“Oh nee hoor, dat heeft daar niets mee te maken. Heus, ik voel me echt beter dan ik eruit zie. Ik ben alleen aan lezen verslaafd, zodat ik soms tot erg laat opblijf. Niets om je zorgen over te maken. Ik zal opletten dat ik wat meer rust pak wanneer de volgende dag een werkdag is.”
Mijn antwoord aan Kornelis was niet helemaal gelogen; lezen was een bezigheid waar ik graag mijn tijd mee verdreef.
“Ah, je bent een echte boekenwurm dus,” concludeerde Tinus, “Wel, die kunnen we hier altijd goed gebruiken. Toch Kor?”
Kornelis knikte en nam vervolgens verder het woord.
“Zoals je al hebt kunnen zien is de redactievloer van de Tycoon Newspaper nog niet echt breed bemand, dus is het hier nu nog een beetje leeg. Maar we hopen dat daar snel verandering in komt en we met meer man dadelijk het nieuws kunnen halen en de krant ermee vol krijgen. Rina en ongetwijfeld Ed Cetera heb je al voorbij zien komen. Rina is onze receptioniste en Ed, daar zul je later wel achter komen, is meer een soort manusje-van-alles. Verder heb je mij, als verslaggever van de meest gruwelijke nieuwsfeiten en Tinus hier tegenover je is onze buitenlandspecialist. Een andere collega sluit zo nog aan.”
Kornelis was hiermee aan een uitleg begonnen van wat mij hier dagelijks te wachten stond. Hij bleek iemand die veel met z’n handen sprak (ik meende een pissebed langs een ervan te hebben zien kruipen) en was bovendien erg scheutig in ’spreken met consumptie’; bijna ieder woord dat over zijn lippen vloeide ondersteunde hij met handgebaren en de speekselspetters vlogen mij  geregeld om de oren. De vochtige toiletpapiertjes waar Tinus mij eerder van had bediend bleken geen overbodige luxe, Kornelis was echt een figuur apart.
En zo was het tot nog toe steeds geweest. Geen enkel moment vanaf dat ik de Tycoon Newspaper was binnengelopen kon nog normaal worden genoemd. Ik viel van de ene verbazing in de ander. Toch waren enkele ervan welkome afleidingen, als we de speekseldouche en de penetrante geur van Kornelis even buiten beschouwing laten. Ik sliep de laatste tijd erg slecht en ben daardoor al heel lang niet echt mijzelf geweest. Zo vaak als ik ’s nachts badend in het zweet uit mijn slaap ontwaakte, kan niet gezond worden genoemd voor een mens. Het verbaasde me daarom ook niet dat Kornelis aan mij kon zien dat ik niet erg uitgerust aan mijn dag was begonnen. Echter, de werkelijke reden waarom dat zo was kwam uiteindelijk pas aan het licht toen Rina Oddel even later met de koffie kwam aanschuiven en Kornelis al een eind gevorderd was met zijn toelichting op de te verwachten werkzaamheden. Als uitstapje was hij juist bezig met een bezielde uitleg over zijn meest recente eigen pennenvrucht die we morgen in de rubriek ‘de Galbakkerij’ mochten aanschouwen. Dat artikel zou ‘de Snotboor’ gaan heten en terwijl hij zich helemaal leek te verkneukelen op de ontvangst van zijn bijdrage, voelde ik een volgende knoop van ultieme walging al in mijn maag optreden.
In het verlengde van datzelfde onderwerp viel er uitgerekend op dat moment een brokje opgedroogd slijm uit zijn reukorgaan, recht in het bruine vocht dat Rina zojuist voor hem had ingeschonken. Een sliert van iets nattere samenstelling droop er vlot achteraan. Iedereen zag het, behalve hijzelf. Toen Rina zag hoe Kornelis zijn koffiebeker kort daarop aan zijn mond zette, trok zij eerder groen dan wit weg en ze had werkelijk de grootste moeite om haar braaksel binnen te houden. Omdat ze nog moest gaan zitten nu ze net de koffie had ingeschonken, zocht ze steun op mijn schouder en werd ook ik even angstig aangezien ik vreesde haar volle maaginhoud over mij heen te krijgen. Maar gelukkig wist ze zichzelf onder controle te houden en hielden we beide onze kleren netjes.
Kort daarna wist Tinus de gespreksonderwerpen weer wat meer naar echte werkbesprekingen om te buigen, zodat de aanwezigheid van Kornelis in ons midden vanzelf weer ietsjes draaglijker werd. Ik was blij toe, want ik was ondertussen al wat licht in mijn hoofd geworden en het had niet veel gescheeld of ze hadden mij op m’n eerste werkdag al meteen met vlugzout kunnen komen behandelen. Kornelis ging er niet frisser van ruiken, maar zijn toelichting op zijn artikel had toch wat onsmakelijke beelden en bijpassende misselijkheid opgeroepen.
Rina had dit ook door. En toen ik toch al een beetje het gevoel had dat het gesprek nu meer over de inhoud van mijn werk zou gaan, zei ze daar iets over:
“Zeg moppie, je ziet een beetje pips. Voel jij je wel goed?”
Rina zat naast me en keek erg bezorgd. Schuin naast me zat Tinus, dichter bij de veroorzaker van de slechte luchtkwaliteit en hij had het blijkbaar veel beter uitgehouden. Maar hij was Kornelis’ geur vast al gewend en kon er daarom misschien beter tegen. Desondanks wilde ik de verslaggever van gruwelijke nieuwsfeiten niet in verlegenheid brengen, waardoor het me beter leek dat ik toch maar verklaarde wat mijn nachten werkelijk zo kort maakte. Kornelis had inderdaad een naar geurtje, maar de reden waarom ik destijds bijna van mijn stokje ging had er vooral mee te maken dat ik toen echt even niks kon hebben. Ik twijfelde erg of ik mijn collega’s hier meteen op dag één mee moest belasten, maar besloot het toch maar wel te doen.
“Wel,” begon ik voorzichtig, “ik zei juist al tegen Tinus en Kornelis dat ik nogal verzot op lezen ben, wat ook zeker klopt, maar dat is niet bepaald de voornaamste reden waarom ik er voor jullie waarschijnlijk wat slecht uitgeslapen uitzie.”
Ik besefte dat ik erg raadselachtig klonk, hetgeen ook viel af te lezen aan de gezichten van mijn collega’s die inmiddels zelf waren stilgevallen en mij verwachtingsvol aanstaarden. Ik zal nooit vergeten hoe opgelaten ik mij toen voelde. Op mijn borst voelde ik een zekere druk ontstaan en mijn poriën sloten zich, net zoals ze dat doen wanneer je het koud krijgt. Tegelijk voelden mijn slapen warm aan en leek het alsof de wereld om me heen naar een soort droomvoorstelling omschakelde. Heel gewichtig was het allemaal niet, maar ik kreeg toch de indruk dat ze mijn verklaring zo absurd zouden vinden dat dit in mijn werk door kon klinken. Om niet helemaal als een soort freak over te komen en volslagen dicht te klappen, raapte ik al mijn moed bijeen en begon ik aan mijn uitleg:
“Ik moet jullie ervoor waarschuwen dat wat ik jullie nu ga vertellen ongetwijfeld nogal onwaarschijnlijk zal klinken, maar ik kan het jullie toch maar beter zeggen…”
Voor de volgende zin nam ik eerst een teug lucht:
“Ik word iedere dag ontvoerd door buitenaardse wezens…”