Het zomerse weer zoals we dat onlangs hebben gehad is echt niet goed voor een mens. Je krijgt er een zonnesteek van, omdat we altijd wat te klagen moeten hebben is het nu ineens te warm en vrouwen raken al helemaal van slag; sommige van hen waren op deze dag zelfs gewoon vergeten hun kleren aan te doen naar het werk. Of althans zo leek het. De voorspellingen vooraf al waren tropisch. Van Peter Timofeeff tot en met Piet Paulusma, ze waren het er allen over eens: landelijke hitterecords stonden op het punt te sneuvelen doordat het in het oosten wel 37 graden zou gaan worden. Het zou om een prestatie gaan, hier in ons koude kikkerlandje nog nooit vertoond. Nou, in het Verre Oosten wellicht, maar niet hier. Zelfs in de Achterhoek waar de temperatuur op die dag het hoogst zou uitkomen, bleef het kwik toch net steken. Vroeg intredende bewolking kreeg er alle schuld van, zo bleek later. Maar als je het mij vraagt, zijn de Nederlandse thermometers gewoon niet gebouwd op zulke hoge waarden.
Hoe het ook zij, ik zou die loeiwarm bedoelde dag in ieder geval vooral willen typeren als ééntje die ìk niet snel zal vergeten. Rond het middaguur, toen die koperen plaat daarboven in het hemelruim op z’n felst moest zijn geweest, drong ook hier aan de kust de brandende hitte door en verwelkomde heel Haarlem dit met een allerzwoelst hart. Zomerse kleuren, blote torso’s, eindeloos lange damesbenen, ultra korte rokjes en dito strakke shorts, iedereen die je op straat tegen kwam had de zomer in z’n bol. En gaf ze eens ongelijk. Het was ook eigenlijk best lekker. Zelf trok ik er in mijn pauze daarom dus ook op uit om al dat wonderschoons maar eens van dichtbij te kunnen bekijken. Het strand is vanaf mijn werk te ver weg, maar op de winkelstraten van de hoofdstad van Noord-Holland was het evengoed druk bepakt met deze tropische typetjes. Gewapend met mijn beste looks, stapte ik uit het grachtenpand weg en ging ik op jacht. Goed geluimd had ik mijzelf zo goed mogelijk voorbereid op wat komen ging en aangezien het nou eenmaal niet wordt gewaardeerd dat ik met een korte broek op het werk verschijn, had ik mij eerder die dag zo luchtig mogelijk gekleed als ik voor mijn werk acceptabel achtte. Ik droeg een witte pantalon, op z’n plaats gehouden door een lichtbruine leren riem met daarboven een vrolijk doch net overhemd met korte mouwtjes. Fris en fruitig was ik de dag begonnen, gedoucht, geknipt en geschoren. Mijn voeten had ik in door velen als ‘pooierslippers’ versleten herenschoenen gestoken en bij me had ik een knappe zonnebril om het gehalte ‘cool’ nog wat extra mee op te vijzelen. Mij zou je niet kunnen betrappen op een slechte voorbereiding.
Vol goede moed stiefelde ik met ferme schreden op de gallerijen af en schoof ik bij het verlaten van de Nieuwe Gracht mijn zonnebril op de stand ‘onweerstaanbaar’. Ik keurde mezelf in het voorbijgaan vooraf nog eventjes in de glas-in-lood spiegeling van de eerste slagerij van de Kruisstraat en draaide mij vervolgens tevreden om naar al het moois dat op mij af kwam. Dikke rijen stonden er aan de vijf kassa’s die de Albert Heijn telde, toen ik er een blik naar binnen wierp en daarbij moest uitkijken dat het passeren van enkele meiden die daar vlak voor hun fietsen op slot zetten niet te intiem werd. Uitdagend drongen hun billen zich aan mij op toen zij voorover bogen om bij de sloten te kunnen, maar ik kon mij beheersen ze niet in de achterwerken te knijpen en trad verder in de richting van de Grote Markt. Na het doorsteken van de kruising met de Nassaustraat en de Nieuwe Kruisstraat duurt het dan meestal niet lang voordat ik de straat oversteek naar de andere zijde van de winkelstraat, omdat ik daar naar mijn gevoel wat rustiger loop, er meer te zien valt en ik zo rechter op de Barteljorisstraat af kan lopen. En dan juist voordat ik daar de voorzijde van de HEMA bereikte, overkwam mij iets wat voor mij nou niet bepaald dagelijkse kost is. Ik mag een grote mond hebben en graag opscheppen over hoe gemakkelijk ik het oogcontact met het andere geslacht weet te leggen, maar in feite ben ik gewoon een brave getrouwde huisvader die het met de zuinige ‘blikken waardig’ moet doen die vrouwen mij soms schenken. In mijn vrijgezellentijd gebeurde het veel vaker, maar sinds ik een ring draag en ik met gel het eerste piekende grijs moet maskeren, kost het mij simpelweg meer moeite om bij de dames nog op de radar te verschijnen. Nodig is het allemaal niet, maar voor je zelfvertrouwen kan het soms een aardige boost geven.
Het waren die met mascara aangezette krullende wimpers die de perfecte omlijsting vormden van de oogverblindende diepbruine kijkers waarmee de brunette mij strak aankeek. Onbeschroomd stapte ze in tegenovergestelde richting met vederlichte passen aan mij voorbij en ze zou mij niet eens zijn opgevallen als ze haar ogen niet als ontsluitende bloesems van waterlelies aan mij had gepresenteerd. Dit vluchtige ogenblik werd gevangen in een slow-motion die de regisseur van de tijd en ruimte voor de gelegenheid besloot in te zetten en gunde mij alle gelegenheid om deze wonderlijke verschijningen minutieus te kunnen bestuderen. Ik kon ook niet anders, want de integere opslag waarmee ze mij gevangen hield was meer dan waar menig proefhoudend man tegen bestand is. Donkerbruine lokken die reikten tot even onder haar schouders en daar vol kracht verend op dansten, een gemiddeld volle boezem die hoogst vrouwelijk in het jasje met bloemetjesmotief vooruit staken, een zandloperfiguurtje waar duidelijk in geïnvesteerd werd – al was het maar door zich er naar te kleden – en een innemende glimlach op een jong aangezicht dat nog mijlen ver lag van anti-verouderingsproducten, al met al verzorgde het dat mijn adem heel even in mijn keel stokte. In dat moment besloten zal het allemaal wel meer sprookjesachtig hebben aangedaan dan normaal het geval zal zijn gewest, maar zonder meer was deze jongedame er één die een man sneller zal zijn opgevallen dan ieder ander prachtige plaat. Afstandelijk zoals het een gehuwd vent als ik betaamd, toch hoogst geïnteresseerd, keek ik de jonge vrouw nadat ze voorbij gelopen was nog even na. De kans om haar ronde vormen nog aan een diepere studie te onderwerpen kreeg ik niet, want – voor mij geheel onverwacht – nog even beminnelijk als daarvoor staarde ook zij mij in het voorbijgaan nog aan. Met speels gemak trok ze al mijn aandacht weer terug van haar billen naar boven, waar die plezierige pretoogjes mij haast verliefd aankeken. En als dit al niet een reactie was die tegen mijn stoutste verwachtingen in ging, draaide ze nog even meisjesachtig en dartelend om haar as zodat ze blijk gaf dat ook zij van de aandacht genoot.
Op mijn netvlies bleef die laatste indruk nog lang hangen: een vrolijk lachende griet die, ik kan er niets anders van maken, overduidelijk met mij aan het flirten was. Om mezelf ervan te overtuigen dat dit echt was en het serieus om mij ging, keek ik zelfs nog even om mij heen om te zien of hier nog andere Brad Pitts rondliepen. Maar gelukkig, ze had echt naar mij gekeken.
Zo plotseling als dit openlijk geflikflooi zich voor mijn ogen voltrok zo ongemerkt vlug verdween de roze wolk ook weer, als was het een droombeeld dat eigenlijk te vluchtig en te bekoorlijk was om überhaupt te kunnen bestaan. Al met al had het op mij in elk geval een uiterst katalyserende werking voor mijn toch al uitgelaten humeur. En het zal ook vast geholpen hebben dat ikzelf voortdurend rondliep met een big-smile alsof ik de loterij gewonnen had. Zo trek je nou eenmaal sneller gezichten naar je toe. Na dit bijzondere oogcontact kon mijn dag gewoonweg niet meer stuk en had ik vleugels gekregen, joh, ik zou zo zonder één trap te hoeven te gebruiken de vieringtoren van de Sint Bavo-kerk kunnen bestijgen. Het geheel van alle hartverwarmende belevenissen die zich in die luttele paar seconden zo voor de HEMA afspeelden en de energie die het mij daarna gaf, vormden de perfecte ingrediënten voor de stompzinnige absurdheid die mij kort daarna nog treffen zou. De lieftallige jongedame, zoals ze zojuist in al haar frivoliteit aan mij voorbij trok, had er geen benul van wat ze me werkelijk had aangedaan. Mijn gehele wapenuitrusting op verdachte zaken, waar je je hier in Haarlem toch bewust van moet zijn, had ze vakkundig van mij losgetrokken. Haarlem, moet je weten, is namelijk een stad waar je, los van de duizend in een dozijn inwoners, werklui en dagjesmensen, voortdurend bedacht moet zijn op straatverkopers en dorpsgekken. Het zou hier niet voor het eerst zijn dat je je zakken moet checken of er geen gladde handen in zijn verdwenen om je van je beurs te beroven of het is die als onschuldige grijsaard verklede draaiorgeldraaier op de Grote Houtstraat wel die met z’n centenbakje je zuurverdiende daalders uit je platvink schudt (valt je op hoe stiekem het woord ‘geld’ in zijn functie is verstopt?). Ja, in deze stad valt altijd wel iets te beleven. En voor straatverkopers maakt het echt niet uit welke dag van de week het is. Ik kan iedere dag wel met een nieuw gratis dagblad naar huis, is overstappen op ogenschijnlijk nòg voordeligere energieaanbieders iedere dag een mogelijkheid en blijf je elke dag opnieuw geconfronteerd worden met hoe weinig eten de kinderen in Afrika hebben. Dat ene gesprek met die wulpse Oxxio-verkoopster (amper 18 jaar als je mij vraagt) van alweer een paar maanden geleden, heb ik zelfs nog helder voor geest. Het was die ene vraag die ik knipogend kreeg aangeboden die het ‘em deed:
“Ha, jongeman, woon jij nog op jezelf?”
Ze was zelf godsamme net uit de luiers!
Vaak zijn het hele gemene vleiende woorden, bedoeld om je eventjes op een voetstuk te zetten, om je vervolgens met een verkooppraatje te overreden om hun producten te kopen. Al gaan er ook wel de geruchten de rondte dat enkelen van die jongelui tussen die verkopertjes er vooral staan om het excuus aan te grijpen de gehele dag openlijk met jan en alleman te zitten sjansen. Wat in elk geval bijna altijd klopt, is dat het altijd het andere geslacht is dat op je afstapt en de leukste de gevaarlijkste zijn. Opgelet dus!
Toch kom je er naast de zwierige handelaartjes ook loeiende sirenes van ambulances tegen en vind je politiemensen die op de been worden gebracht omdat er ergens een pand op instorten staat of omdat er eentje in een restaurant z’n poten niet thuis kon houden. Maar er zijn ook andere ludieke acties die je tijdens je wandeling verwonderen. In deze periode is het namelijk prima toeven voor de jongelui die aan hun examen-stunts zijn begonnen. En ook voor hun geldt: sex sells. Op dezelfde dag waarop ik hiermee uiteindelijk drie flirtmomenten beschrijf, stond er op de Grote Markt namelijk een groepje half ontblote studenten (het bleef verder allemaal erg netjes) die voorbijgangers vroegen of ze hun armen, buik, benen en billen wilden vingerverven. Ach, waarom ook niet? Niet dat ik eraan meedeed, maar het toverde toch wat glimlachen op ieders gezicht. Geweldig zoiets. Je kon duidelijk zien welke studenten er bij het langs schuivend publiek het meeste in de smaak vielen. Te oordelen aan de hoeveelheid in verf op de huid achtergelaten handafdrukken waren er weinig, zoals ik, die deze unieke kans lieten liggen. Een dag later zou ik hier midden op de Grote Markt zelfs een heuse condoom-kerstboom aantreffen. Dus wanneer je denkt het gekste te hebben gezien, het kan altijd nog erger.
En zo bleek het ook voor mij te gelden die dag. We gaan daarvoor nog even terug naar de dorpsgekken. Zoals ik eerder al een paar keer aangaf moet je hier in Haarlem voortdurend op je hoede zijn voor mensen die je van alles willen aansmeren. Zo had ik, terwijl ik zojuist mijn eerste boterham had weggeslikt, mij via de Barteljorisstraat en over de Grote Markt naar de Grote Houtstraat begeven. En wie daar wel eens komt, weet dat je na het passeren van de hakkenbar en een viskraam of sushibar op een brede t-splitsing uitkomt. In de Spekstraat links van je zie je dan de Haerlemsche Vlaamse liggen, een patatzaak, behoeft bijna geen uitleg. En ook hier (vooral hier) was het weer oppassen geblazen. Nou kom ik hier bijna dagelijks. Dus net als bij geoefende fietsers, die op de voor hun veel bereden parcours iedere straatsteen weten uit te tekenen, ben ik ook hier redelijk bedreven geraakt in hoe ik er mijn rondje moet lopen. Normaal laveer ik daarom met het uiterste gemak, langs al die jonge oplichtertjes en had ik een jongeman en een jongedame (het zijn net Jehova Getuigen) opnieuw weer vroeg in het vizier. Alleen waren er vandaag krachten aan het werk waar ook een volleerd voorbijwandelaar als ikzelf niet tegen was opgewassen. Vanuit de verte, toen ik de viskraam nog moest passeren, dacht ik al dat ik iets afwijkends had gezien en had daarbij mij blik gefixeerd gehouden op een bijzondere opstelling die ik bij die patatkraam in de buurt gewaar was geworden. Een stel professioneel geklede mannen had zich aan de linkerkant van de straat achter interessant ogend apparatuur opgesteld terwijl direct naast hen, meer naar het midden van de winkelstraat een één of ander vreemd geparkeerd autootje stond, met op de achterzijde een belachelijk groot wit reclamebord. Als een vlag op een modderschuit, of nee, juist andersom, stond er op dit bord een wat saaie jonge dame afgebeeld. Ze was niet lelijk, maar ze was ook niet de eerste vrouw waar ik op straat mijn nek voor zou verrekken. Radertjes in mijn bovenkamer begonnen nu op volle toeren te draaien en waarschuwde mij al spoedig dat er hier iets niet pluis was. Desondanks liep ik onversaagd de opstelling rechtsom voorbij en keek ik instinctief en vol nieuwsgierigheid naar de mensen die àchter dat reclamebord stonden.
Nee, dacht ik nog, het zal toch niet echt hèm wezen?
Maar het was hèm wel. En stom dat ik was keek ik ook nog even naar de achterkant van dat reclamebord om mij ervan te overtuigen dat er inderdaad een ‘afzichtelijk geklede moeder’ op was afgebeeld en begonnen mijn slapen van de zenuwen al te kloppen toen ik realiseerde dat ik vervolgens door hèm werd aangekeken. Aaaargh! Nee, ik wil niet. Snel doorlopen. Doe alsof je niets hebt gezien en kijk vooral niet meer naar achteren. Alleen, je raad het al, het was al te laat. In mijn ooghoek zag ik hèm op mij afstappen en brak het zweet mij aan alle kanten uit.
“Hé jongeman, mag ik jou wat vragen?”
Ik wist dat hij het tegen mij had en, omdat ik er zeker van was dat de camera’s al draaiden, keerde ik mij uit beleefdheid toch maar naar hem om.
“Hotter than my daughter!” klonk het uiterst gay en stak Gordon zijn hand naar mij uit. Zucht. Hier kon ik niet meer aan ontsnappen.
De gevreesde programmamaker had in mij het volgende slachtoffer gevonden om mij uitgebreid om een mening te vragen wat ik vond van de twee dames waar hij de foto’s van had meegezeuld. Ik kom ook een keer op tv zeg. Heb ik dit? Vrolijk stond ik daar met mijn boterhammetjes in mijn handen en ik probeerde me zelfs nog even te excuseren dat ik eigenlijk met mijn lunch bezig was.
“Ah, dan stop je die toch achter je holle kies, knul? Hoe vaak maak je het nou mee dat je met mij op de buis mag?”
Nou, als het echt nodig is, hopelijk maar één keer…
Nieuwe smoesjes verzinnen had echt geen zin meer. Die vent trekt je gewoon letterlijk voor je camera (ik besef mij dat dit een héle ongelukkige woordkeuze is). Nog met mijn bammetjes in mijn handen begeleide hij mij naar het reclamebord en gaf mij daarmee het laatste zetje dat ik nog nodig had om mijn eetlust compleet kwijt te raken. Alhoewel de vraag die hij mij kort daarna stelde wel helemaal verzorgde dat ik flabbergasted was. Hij sloeg zijn arm om mij schouder en vroeg me uiterst ongegeneerd:
“Jij hebt toch nog geen vriendje? Of wel?” (inclusief dikke knipoog)

Sprakeloos was ik.
Mensen! Nu vraag ik jullie…: is er iemand die mij serieus voor iemand van de herenliefde aanziet? Ik werd even licht in mijn hoofd en staarde wezenloos naar de camera die op mijn giecheltje gericht stond. Terstond besefte ik me dat mijn geshockeerde blik mijn eerste tv-optreden daar niet florissanter op maakte en keerde daarom mijn hoofd weer af.
“Ik ben al zes jaar gelukkig getrouwd met mijn vrouwtje, Gordon,” antwoordde ik zachter dan bedoeld.
Dat ik kort hiervoor nog sjans had bij de HEMA had ik nog even de opleving dat ik dacht dat ik nog goed in de markt lag. Maar na mijn ontmoeting met Gordon was ik ineens nergens meer zeker van. Nu weer ik best van mezelf dat ik soms een ietwat vrouwelijke uitstraling kan hebben. Ik heb een smal postuur, volgens sommigen een zachtaardige, onbevooroordeelde uitstraling, maar om mij daarom nou maar meteen voor een homo aan te zien? Niets mis met homo’s hoor, in het geheel niet, maar één ding weet ik wel: ik ben het niet!
Afijn, die uitstraling heb ik dus wel. Ik heb van mezelf lange wimpers, dus ik zal ongetwijfeld wel voor de vrouwelijke homo zijn doorgegaan. Maar om daar nou, NOTA BENE MET GORDON, op tv mee geconfronteerd te worden…? Mensen, ondertussen begin ik nu aardig aan mijn eigen geaardheid te twijfelen.
In het vragenvuur waarop Gordon mij over de dames aan onderwierp probeerde ik nog enigszins rap van tong te blijven (ook al geen charmante woordkeuze) en trachtte hem af te troeven met:
“Eerst Willem-Alexander en nu jij. Haarlem gaat er wel op vooruit”
Maar het was nauwelijks voldoende om die vernederende eerdere vraag van hem mee teniet te doen. En (hoe dom), vraag ik hem ook nog:
“Komt dit ook op TV?”

Later die dag, na een beetje van de schrik bekomen te zijn, ging ik met de trein huiswaarts. In die snikhete trein kreeg ik opnieuw nog weer sjans met twee grietjes. Erg leuk, maar gezien wat er eerder vandaag allemaal was voorgevallen, deed het mij eigenlijk niet zoveel meer. Al waar ik nu van overtuigd was, was dat ik voortaan door het leven ga als ‘de flirt van Gordon’ en klaarblijkelijk de uitstraling heb van een nicht…
…maar ik ben zeker niet hotter than my daughter.

Horrorverhalen worden hier natuurlijk wel vaker geschreven, maar zo één als deze is er nog niet eerder verschenen.

By rinaoddel | June 17, 2013 - 7:16 pm - Posted in Gevleugelde Uitspraken, Nederlands, Verbaal Genot

Het was een vriend van mij opgevallen dat de woorden ‘borstel’ en ‘titel’ erg op elkaar lijken.

Waarom?

Denk daar maar eens over na…

By gsorsnoi | June 15, 2013 - 1:56 pm - Posted in Duimzuigerij, Een portet van ..., Nederlands, WSNOI

image by i-don, edited by Gsorsnoi

De Tycoon Newspaper is aan een nieuwe reeks artikelen begonnen: portretten van haar verslaggevers. En voor de gelegenheid ditmaal ook eens een karakter die weliswaar geen verslaggever is, maar wel een belangrijke rol vervult in het domein van WSNOI. In deze serie belichten we de achtergronden van de fictieve personages die op WSNOI en vooral de Tycoon Newspaper al meer dan eens van zich hebben laten horen, maar waarvan het wel eens prettig is om er ook een gezicht bij te zien. Daar deze personen natuurlijk niet echt bestaan en dientengevolge er geen beeldmateriaal van hen te schieten valt, is gebruik gemaakt van foto’s van figuren waarop zij gebaseerd zijn (hiernaar refereert ‘modelpersoon’ hieronder). Al deze portretten zijn in feite groeiartikelen, want zodra een personage zich verder ontwikkelt op deze site, is het ook wenselijk dat dit artikel daarop bijgewerkt wordt. Zo is het voor mezelf ook te gebruiken als handvat om niet per ongeluk van het bedoelde personage af te wijken. We leiden deze artikelen even kort in met een beknopte personalia waarna we dieper inzoomen op hun oorsprong en hun betekenis voor WSNOI en de TN.

Personalia: Lesley Spandabato.

Functie: Bloedspatanalist bij het Gohes City Forensisch Instituut (GCFI).
Andere namen: Les.
Oorsprong naam: Zijn voor- en achternaam zijn samen een anagram van iets dat met zijn functie te maken heeft: bloedspatanalyse.
Modelpersoon: Jesse Tyler Ferguson.
Eerste oer-artikel: N.v.t.
Eerste online-artikel (waarin dit karakter voorkwam): VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’
Uitspraken: “Dit is precies de reden waarom ze het tegenwoordig verplicht hebben gemaakt dat puntige tuinhekjes met bogen over de punten moeten worden uitgevoerd.” – uit ‘VZD (6): Verrassing!
& “Aargh! Op momenten zoals deze, haat ik mijn vak. Waar te beginnen?” – bij het aanschouwen van de inhoud van de bus van dakdekkersbedrijf Lekt ‘t een beetje uit VZD (10): De rotte appel –

Lesley was ZB 100,- waard

De eerste keer dat ik Lesley Spandabato op papier zette, had ik werkelijk nog geen idee waar ik met dit karakter naartoe wilde. Ik was net aan de VZD SPECIAL ‘The show must go on’ begonnen dat ik ineens een gedachteflits kreeg. Het leek me wel eens leuk om zoveel mogelijk figuren in dat verhaal – die stuk voor stuk verdachten bleken te zijn – een anagram te laten zijn van de personages zoals ze voorkwamen in de jaren ‘40 zwartwit film ‘Lady of Burlesque’, waar toen deze VZD op gebaseerd was. Zo werd Dixie door mij omgetoverd tot Stacey, nam Leo Heischaam de plaats in van Biff Brannigan, et cetera. Het schrijven van alweer de 5e editie van de Vuurspugende zonsverduisting detective destijds (toen nog met een ‘g’ geschreven) was voor mij ook meteen weer een moment dat ik opnieuw een nieuwe collega van Karel Riemelneel wilde gaan introduceren. ‘Mijn mensen’, waarbij Karel refereert aan zijn medewerkers, klinkt op een goed moment toch wat te algemeen en afgezaagd, zodat ik al in de 4e aflevering ‘Triest bericht’ had besloten Koen Voet naar voren te schuiven. En omdat er in die aflevering een onderdeel inbraak aan de orde kwam, bedacht ik mij dat een gemiddeld forensisch team daar dan vaak ook aparte mensen voor in dienst heeft. Dus wilde ik ook dat Karel daar gespecialiseerde manschappen voor op zijn loonlijst heeft staan. Niet alleen kon ik, door de poppetjes een naam te geven, het verhaal lekkerder leesbaar maken, ik vond het voor mezelf ook prettiger schrijven doordat ik voortaan voor ieder probleem zo een personage van de plank kon trekken om dat specifieke onderdeel van de zaak mee op te lossen. Het duurde vervolgens niet lang of ik had die twee gedachten gecombineerd en kwam er daarom op uit dat ik bij het introduceren van een bloedspatanalist wilde dat deze persoon eveneens een anagram zou worden van zijn functie. Daarin slaagde ik overigens niet helemaal, want zoals bekend schrijf je Lesley met een ‘y’ en niet met een ‘i’ op het einde. Maar dat gaf niet, want met de verwijzing naar wat zo’n bloedspatanalist bezig houdt (bloedspatanalyse), was ik ook tevreden.

En zo geschiedde het dat Lesley Spandabato voor het eerst in de VZD werd opgepend toen ik aan de VZD SPECIAL ‘The show must go on’begon. Zijn naam klonk meteen goed en Karel had er eindelijk weer een maatje bij, alleen wat ik verder met zijn personage wilde gaan doen, wist ik nog even niet. Wat ergens zelfs wel jammer was, is dat ik vervolgens zo door het interessante script van die aflevering werd opgenomen, dat ik de kans liet liggen om iets te verzinnen zodat hij zijn specialisme gelijk kon toepassen. Waar hij in zijn eerste VZD mee bezig was, had in elk geval weinig met bloedspatten analyseren van doen. Karel gebruikte Lesley vooral als regelneef en liet hem een zestal man over een theater verdelen zodra de burlesqueshow ‘radio dies in war’ weer kon worden opgevoerd. Kort voor het arriveren van het rechercheteam was er namelijk een moord gepleegd op de hoofdrolspeelster zodat Lewi Wall, de eigenaar van theater ‘Ladies of Paranaque’, in allerijl een nieuwe dame moest regelen om haar plek in te nemen.
Halverwege het verhaal is Lesley wel meteen het oplettende recherchelid dat één van de medewerkers zo van de lijst met verdachten weet schrappen. Hij had namelijk opgemerkt dat hij de grimeur Rodin Goedde, die een stripclub met de dames wilde opzetten, nog in de zaal had zien zitten toen de volgende moord zich al voltrok; Hale Probehood, de dame die de rol van Stacey had ingenomen, werd direct na haar eerste optreden als Lolita op brute wijze om het leven gebracht. Dus zo had Lesley in elk geval al meteen bij zijn debuut een bijdrage kunnen leveren om weer een stap dichter bij de ontknoping te komen.
In de slotscène komt Lesley ook nog even voor, maar hij heeft daar geen rol van betekenis. Karel noemt vanuit het ik-perspectief in zijn vertelling alleen dat hij hem aan de overzijde van het podium ziet staan, terwijl toneelknecht Stan Haged als duveltje uit het doosje de gevreesde moordenaar blijkt te zijn en Rita Fautsovic te midden van het toneel met een elektrische kabel bedreigt.
Kort na de 80e comment bij dit onderzoek, waarin ik Retroman uiteindelijk feliciteerde met het oplossen van de VZD, gaf ik via een spel binnen het spel nog een troostprijsje weg door de spelers de anagram op te laten lossen waar Lesley’s naam blijkbaar uit bestaat. Met Lesley kon je zomaar ZB 100,- verdienen, ongeacht of je de detective nou had opgelost of niet. Dit prijzengeld is overigens nooit opgeëist. En daar moet ik nog steeds wel om lachen. Want niemand heeft blijkbaar de moeite willen nemen te noemen dat Lesley Spandabato de anagram zou moeten zijn van ‘bloedspatanalyse’. Uiteraard is het nu niet meer mogelijk die 100 sperziebonen te winnen, omdat bij het verklappen van de oplossing het hele spelelement inmiddels wel is komen te vervallen, maar voor de historie achter dit karakter is het wel een geinig feitje.

Egghead

Nadat ik had gerealiseerd dat ik eigenlijk nog te weinig met Lesley als nieuwbakken Tycoon Newspaper-personage had gedaan, besloot ik om hem in Verrassing!, de opvolgende VZD, in elk geval alvast een uiterlijke beschrijving mee te geven. Zo leerden we Lesley kennen als een rossig mannetje met een dito baardje en studentikoos brilletje. Toen had ik Lesley nog helemaal niet in mijn hoofd zitten als Jesse Tyler Ferguson, waar ik uiteindelijk op uit zou komen, maar dacht ik dat hij meer een oudere knar moest voorstellen, met een iets intelligenter voorkomen zoals Gary Sinise of Horatio Caine, beide uit de welbekende Amerikaanse misdaadserie CSI. Dat ik met Lesley toch uiteindelijk meer op de acteur uit Modern Family ben uitgekomen heeft meer te maken met het feit dat ik hem als een nerveuzige type wilde neerzetten, met wat homofiele trekjes. Niet per se onhandig of sullig, want met figuren zoals Tinus Icket, Reuze Navelpad, Joost Stunner en Karel Riemelneel kun je inmiddels al een kwartet ‘onbeholpen klungels’ beginnen, maar wel iemand die bij de minste ongemakkelijke situatie al meteen begint te hakkelen en een hoofd krijgt zo rood als een tomaat. Qua smoelwerken heb je dan al snel iemand als Jesse Tyler Ferguson te pakken. Verder is Lesley wel degelijk bijzonder intelligent en gaat hij wat mij betreft door als misschien wel de geleerdste van het hele stel bij het GCFI. Daarmee is het nog niet zo’n nerd als Loek, die ik veel later pas aan jullie heb voorgesteld in VZD (10): De rotte appel – , maar het is beslist een hele slimme vent die dankzij zijn uitzonderlijke kennis over bloedsporen heel snel de verbanden in een onderzoek kan leggen.

Het eerste onderzoek waarin je ziet dat hij daarin uitblinkt is in VZD (8): Eendjes voeren . Na Paaps suggestie dat slachtoffer Florens zou zijn gestikt in de hoeveelheid bloed, zien we hoe hij precies die route aflegt zoals de verongelukte Florens dat ook zou hebben gedaan. De alinea laat zich haast lezen als het volgen van een bloederig broodkruimelspoor, totdat ook hij tot de conclusie moet komen dat het niet anders met het slachtoffer had kunnen aflopen dan dat hij werd omgezet tot een nieuwe kleur vijverwater. Ik zie dan echt voor me, hoe hij daar als een Sherlock Holmes het pad afloopt en ieder detail in het park aan een grondig onderzoek onderwerpt. Wat ik er ook leuk aan vind, is dat hij daarin bloedsporen de revue laat passeren van uiteenlopende aard: discreet geloosd met speeksel vermengd bloed, de link naar hoe Lesley zich daarbij voorstelt dat Florens steeds een mond vol bloed moet hebben gehad, kleine spatjes bloed, kleine beetjes kwijl met rode stipjes erin, tot uiteindelijk het moment dat hij het moordwapen, voorgesteld door een gaasje tegen het bloeden, uit het water vist en daarmee de finale aanzet geeft voor Retroman om de zaak op te lossen.
Het stukje waarin dit is uitgeschreven, ben ik best trots op. Voor de gelegenheid heb ik het daarom hieronder bij dit portret geplakt. Het is de bloedspatanalist ten voeten uit.
Wat in dezelfde alinea ook genoemd wordt is dat Lesley reeds vijftien dienstjaren op de teller heeft staan en dat hij geen klein kereltje is, maar een lange man vergelijkbaar met Walter de Krom. Laatstgenoemde is toevallig een personage dat is gebaseerd op een werkelijk bestaand persoon, namelijk een vriend van Retroman en mijzelf, wat mij dan weer een indruk geeft hoe lang hij zou moeten wezen. Twee meter haalt Walter niet, maar Retroman is met mijn 1,70 langer dan mij en de echte Walter steekt daar nog ietsjes boven uit. Dus daarmee kun je gerust concluderen dat Lesley een gemiddeld lange darm is. Toch is er altijd een baas boven baas; Kornelis Oflook blijft hoe dan ook de langste figuur hier in Gohes City en is hij zelfs al eens vergeleken met Rubeus Hagrid uit Harry Potter. Op het gebied van intellect kan hij zich wel met hem meten. Beide zijn het niet de domste uit het rijk van WSNOI.

Bijzondere mentorrol

In een aflevering eerder komen zijn specialiteiten ook al even aan bod. Daarin wordt hij door Karel gevraagd om een bloedmonster te nemen van de gebroken zijruit van de gecrashte auto in het verhaal. De barst in de vorm van een rozet is vergeven van rode sporen, zodat Lesley hier opnieuw zijn kans schoon ziet om zijn tanden in het bloed te zetten. Hij is dan inderdaad de aangewezen persoon om bij zulke situaties in te schakelen. Het is ook om die reden dat ik bij het samenstellen van Karels team al heel snel voor een bloedspatanalist heb gekozen; bij negen van de tien zaken komen namelijk bloedsporen voor.
Toch duurde het nog even voordat ik Lesley op een echt grote klus kon zetten. In de tiende VZD doet hij inmiddels geregeld zijn optreden en belandt hij na een paar alinea’s al tot kniehoogte in de bloedplassen en moordwapens. We hebben het natuurlijk over het verhaal De rotte appel, dat uiteindelijk als, als het ervan komt, als hoofdstuk zal worden gebruikt in het eerste VZD boek. Helemaal aan het begin van deze aflevering wordt ook de nieuwe en beeldschone forensisch arts America Calista geïntroduceerd. Ze is van exotische (Trinidadiaanse) afkomst en valt meteen bij de mannelijke collega’s in de smaak. Uit de eerste conversatie die in dat verhaal tussen Koen en Lesley plaats vindt maken we op dat Lesley nog vrijgezel is. Geheel in lijn met hoe ik mij Les vooraf had voorgesteld reageert hij bij de eerste kennismaking al krampachtig op haar. Niet voor niets had ik voorzien dat hij America zou gaan begeleiden bij haar eerste zaak. Al meteen in de dienstauto onderweg naar het PD merk je dat er een vreemd sfeertje tussen die twee ontstaat en moeten we aanvankelijk concluderen dat Lesley niet man genoeg is om haar mentor te gaan spelen. Maar hij moet wel. Zo heeft Karel (lees: ikzelf) dat zo gewild. Tot hele gekunstelde situaties leidt dat gelukkig niet tussen die twee, maar het levert wel een aantal momenten op waarbij Lesley zich uiterst ongemakkelijk voelt. Want alhoewel America de air heeft van een kauwgom kauwende kat die je niet zonder handschoentjes moet aanpakken, buigt zij zich frequent in toevallige ‘werkhoudingen’ waardoor bij Lesley spontaan het zweet uitbreekt. Tot noch toe heeft dat alleen nog opgeleverd dat hij op een eerste rangs positie boven haar imposante voorgevel heeft gehangen, maar ik zal hem nog in genoeg situaties manoeuvreren waardoor ook zijn oren bij zijn haarkleur zullen passen.
Deze aparte kennismaking met haar begint aanvankelijk redelijk ordinair, maar ik heb me voorgenomen om er een verhaallijn tegenaan te schrijven waardoor je zal zien dat de verhouding tussen die twee steeds hechter wordt en het misschien zelfs wel oplevert dat Cupido zich met dit onwaarschijnlijke duo zal bemoeien. Of dat zo is en hoe dat verder in de boeken zal worden verwerkt, hou ik natuurlijk nog even voor mezelf. Maar het gaat in elk geval een grappige extra verhaallijn opleveren.

Verhaallijn(en)

Nieuw bij de portretten is dit onderdeel ‘Verhaallijn(en)’. Ik gebruik het voor mezelf om wat aantekeningen kwijt te kunnen om een startpunt te hebben waar ik met het TN/WSNOI-karakter naar toe wil. Als je helemaal nog geen idee wilt hebben wat ik voor deze figuren in petto heb en dat liever gewoon gaandeweg in het boek leest, dan adviseer ik je deze tekst over te slaan. Het kan plotspoilers bevatten.

Met Lesley Spandabato heb ik vooralsnog twee verhaallijnen voor ogen:
1. Lesley is de rechterhand en dus de steun en toeverlaat van Karel Riemelneel. Als hem iets overkomt, dan neemt Lesley GCFI voor hem waar. Deze situatie zal zich in de boeken tenminste twee keer voordoen. Zodra Karel Riemelneel wordt neergeschoten door Balthazar Roerling dan zal iemand tijdelijk het roer van het GCFI moeten overnemen. Lesley is de geschikte man hiervoor. Hoe lang hij deze verantwoordelijkheid moet dragen hou ik nog even geheim. Later in tenminste drie boeken verder valt er nog iets vervelends voor, waardoor Karel niet in staat is het team te leiden. Opnieuw zal Lesley het dan overnemen.
2. Zoals hierboven al is genoemd krijgt Lesley een oogje op de beeldschone America Calista. De nieuwbakken forensisch arts valt weliswaar bij zo goed als iedere bij het GCFI werkzame man in de smaak, Lesley heeft het voorrecht haar mentor te mogen zijn. Echter, omdat hun persoonlijkheden mijlenver uiteen liggen, valt het Lesley zwaar om een plekje in haar hart te winnen (hij is dus wel degelijk hetero). Ze is zo dichtbij en tegelijk zo onbereikbaar, althans zo ervaart hij het. Menigmaal zal het voorkomen dat hij in verlegenheid wordt gebracht door haar verbluffende aanwezigheid, maar komt het er ooit van dat er een echte relatie tot stand komt?
Deze verhaallijn is beslist niet de belangrijkste en zal in de boeken alleen maar af en toe worden aangestipt. Toch vind ik het wel vermakelijk. Zeker omdat ik weet hoe het zal aflopen. En wie dat wilt weten, zal alle boeken van de VZD moeten lezen.

- fragment uit VZD (8): Eendjes voeren :
“[…] Sporen. Ze hadden Lesley altijd al geboeid. Vijftien dienstjaren telde zijn carrière als bloedspatanalist nu en hij maakte nog dagelijks kennis met nieuwe relaties tussen verloren menselijk of dierlijk bloed met de wijze waarop dit kostbare vocht verloren werd. Op de route van de tandartspraktijk naar de vijver had hij diverse plassen bloed gevonden die door Florens discreet waren geloosd. Die bij de brug was zo veel mogelijk van de bloedsporen achtergelaten achter een vuilnisbak bij een bankje. Geen fijn gezicht, maar beter dan voor het bankje op de plaats waar iedereen liep. Even voorbij de onderdoorgang van de brug had nog een bankje gestaan. Daarop had Retroman de vrouw gesproken die haar voorbij was gelopen. Een paar bosjes die in het verlengde van die zitplaats stonden lag nog een plasje bloed. Allemaal uitgespuugd om er niet als een vissenkom vol bloed bij te hoeven lopen. Maar daarna hield de wijze waarop Florens zich van het vocht en de viezigheid in zijn mond had ontdaan op. Het veranderde, even voor de vijver, in kleinere spatten bloed. Alsof hij geslist had en zijn mond niet goed gesloten kon houden. Kleine beetjes kwijl met rode stipjes erin bevuilde daarmee het smalle pad langs de vijver. Lesley hield halt op die plaats. Achter hem was hij juist door een hoop groen gewandeld dat een tunnel vormde en als deurtje naar de vijverkant leidde. Rechts waren er alleen maar bomen en struiken en links waren de eendjes die vrolijk kwaakten en zich niets aantrokken van de linten ‘NIET BETREDEN – POLITIE’. Voor hem werd de vijver in de hoek gemarkeerd door een beuk die wat overhing, rechts daarvan, voorbij de bomen, een grasveld. Huub had daar gestaan met een man waarvan zijn vriendje niet mocht weten dat hij er mee optrok. Althans, dat is als je de verhalen mocht geloven. Lesley nam het al over het pad lopende allemaal in zich op en probeerde zich voor te stellen hoe het vrijdag moest zijn gegaan.
“Kwaak, kwaak!” klonk het naast hem. De eendjes meende dat Lesley er stond om ze te gaan voeren. Hij keek om en voelde plotseling iets tegen zijn hoofd tikken.
“Oei! Nu had ik mijn hoofd toch bijna tegen die overhangende tak gestoten!”
De tak viel weg in de schaduw zodat het een potentieel gevaar was voor lange mensen. Lange mensen zoals hijzelf, maar ook voor de fietsende Walter. Dus nu begreep hij waarom deze fietsliefhebber een rare beweging moest hebben gemaakt en Florens in het water kon duwen. Met de grote hoeveelheid bloed in zijn mond had hij zich misschien verslikt en was er in gestikt tijdens zijn poging om zichzelf boven water te houden.
“Maar hè, wat is dit?” sprak Lesley en boog door zijn knieën om iets uit het water te vissen. Hij stak één hand in een kunststof handschoen en raapte [AANWIJZING] een piepklein wit pakketje uit het water dat in het midden wat bloed vasthield. […]”

VZD-afleveringen waar Lesley Spandabato in voorkomt:

VZD (5) SPECIAL: ‘The show must go on’
VZD (6): Verrassing!
VZD (7): Red mij!
VZD (8): Eendjes voeren
VZD (10): De rotte appel –
VZD (10): De rotte appel – deel 2

Voorlopig gaan we even door met de VZD-portretten. Daarom is het portret van de volgende keer: Balthazar Roerling

Verstuurd vanaf mijn i-Navelpad

Toevoeging #1:

Tijdens het verhoor van Humfried Roerling komt heel duidelijk naar voren dat Lesley een neus heeft voor mannen die over hun seksuele geaardheid nog niet naar buiten hebben durven komen dat ze op mannen vallen. Hoewel Humfried is getrouwd, is hij wel homofiel. Lesley zelf is dat niet, ondanks dat vele hem wel zo zien door zijn uiterlijk en vrouwelijke kanten. Dit heb ik, behalve van modelpersoon Jesse Tyler Ferguson, ook van mijzelf afgekeken. Ik ben absoluut hetero, maar heb bijvoorbeeld lange wimpers, kleine handen en een zacht karakter. Het zijn deze kenmerken waarom men mij soms met een vrouw vergelijkt. In ‘De rotte appel’ vertel ik nog dat Lesley in het verleden met homofiele gedetineerden heeft gewerkt. Hoe dat precies zit ben ik verder niet op in gegaan.

Verder houdt Lesley ervan om aan het einde van de week een potje te biljarten met zijn collega’s in de bedrijfskantine van het GCFI.

By tinusicket | June 9, 2013 - 7:24 pm - Posted in English

As we visited some of our English friends today to pick up some babytoys that their kids had outgrown, we explained to them that the reason why we where so neatly dressed was because we went to church earlier. Their eldest (Chloé, 7 yo) then asked:
“Mommy, what is a ‘church’?” (they’re atheïsts)
Whereon she replied:
“That’s where the dead people live, darling.”

By kornelisoflook | June 7, 2013 - 5:00 am - Posted in Knappe koppen, Nederlands, Verbaal Genot

image by Dendrum, edited by Gsorsnoi

“[...]Eindelijk was het middernacht. Vanuit de voorkant van het huis klonk gemompel. Toen sloot de deur zich met een zachte klik. De rieten stoel op de veranda kraakte. Aan de achterkant was het stil. Onder de vloer was het aardedonker. Otto sleepte zijn zak naar een plek waar de vloerdelen wat barsten vertoonden en schepte het zaagsel uit de zak tot er een kniehoog bergje lag, van ongeveer een armlengte doorsnee. In het midden maakte hij een kuiltje en goot het hete kaarsvet erin. Toen wachtte hij[...]”

Dit is een Tycoon Newspaper-spel waarin het de bedoeling is dat je binnen 2 weken na het verschijnen van bovenstaande afbeelding en beschrijving een titel (knappe kop) verzint dat er goed bij past. Meerdere inzendingen zijn toegestaan. De uitgebreide spelregels zijn hier terug te vinden.

De pot staat op: 126 sterren.

Jury: Casper.

Voor deze opgave kun je dus insturen tot en met maandag 20 Juni. Enige tijd daarna zal de samenstelling van de jury en de uitslag bekend worden gemaakt.

image by hdwallsize.com, edited by Gsorsnoi

Met zijn wang half tegen de stugge splinters van het bordkarton zoog Retroman voorzichtig een teug lucht naar binnen. Deze was vermengd met de geur van zijn eigen bloed en iets scherps en indringends wat hij niet meteen thuis kon brengen. Het maakte hem acuut onpasselijk en gaf hem het gevoel dat iemand hem met zijn hoofd in het blok van een schandpaal had vastgezet, recht boven een open beerput. Ondanks de penetrante zure lucht kwam hij langzaam weer iets tot leven. Tegen de tijd dat Retroman zijn gedachten weer wat op orde kon brengen was de ergste beneveling alweer grotendeels opgetrokken. Hij begon iets scherper te zien nu de waas langzaam uit zijn blikveld verdween, maar voelde een zwelling rond zijn rechteroog gloeien en kreeg het idee dat de huid daar was geschaafd en vol zat met splinters. Bij elke moeizame ademtocht leek het alsof er de angels van een stel wespen boven zijn oog waren achtergebleven en welke zucht na zucht dieper in zijn huid werden gedreven. Om hem heen stonden bedden in een setting van bijpassend slaapkamermeubilair: een boxspring met een vulling van Zweedse ganzenveder, een zweefdeurkast in de kleur noten en een bijpassend nachtkastje. Met alle liefde nam hij plaats op het aanlokkelijke bed dat hij voor zich zag staan, maar hij was nu eenmaal met zijn kop door de achterwand van een andere kledingkast gegaan en zat muurvast.
Hij herinnerde zich niet dat en hoe hij hier terecht was gekomen. Hij had een zwart gat van een uur of twee.
“Gaat het een beetje?” De lange man die in de zwarte mantel was gehuld wierp hem een snelle blik toe en richtte zijn aandacht toen weer op de roltrappen van het warenhuis Het Mierennest. De akelige overheersende geur leek bij hem vandaan te komen. Uiterst behoedzaam tastte de man, die het uiterlijk had van de Dood in hoogst eigen persoon, de afdeling af, in afwachting van een inval van een tiental of wellicht zelfs een honderdtal navelpadden. Retroman zou wensen dat hij kon zeggen dat het wel in orde kwam, maar hij voelde zich eerder alsof Magere Hein zijn taak volbracht had en hem hier nu de instructie zou geven hoe hij lijdzaam de traptreden naar de hel moest afdalen.
Het vergde hem zijn opperste concentratie om de man met de zeis te kunnen volgen die voor hem stond en blijkbaar al eerder tegen hem had gesproken, maar waar hij niets van had meegekregen.
“Ik verwacht dat ze hier zo wel zullen zijn,” sprak hij.
En dat was wat door zijn hoofd echode toen het bloed eruit wegtrok en hij weer even bijna wegzakte – dat ze hier zo wel zullen zijn.
Languit gelegen, met zijn ogen half dicht, zich verzettend tegen het opnieuw verliezen van zijn bewustzijn, turend naar de afgrijselijke lange darm die hij voor zich had staan, zich over hem heen boog en zijn armen onder hem schoof om hem los te wrikken en te wurmen uit zijn hachelijke positie. Een verstikkende onneembare walm omringende hem en deed hem haast de dievenmoord stikken. Dat ze zo hier wel zullen zijn. Het klonk akelig, maar met in deze weerloze toestand te worden overgeleverd aan een onpasselijk makende odeur als deze, was ieder ander naargeestig vooruitzicht een hemelse. Omdat hij geen andere keus had dan zich over te geven aan de genade van dit stinkdier, inhaleerde hij in volstrekte weerwil zijn onuitsprekelijk walgelijke geur die een mengeling was van tien maanden niet hebben gedoucht, in kleding opgehoopte darmgassen, iets wat vaag wat weg had van de schimmelkaas onder de schimmelkazen en een warme klamme bittere lucht van overmatig zweten. De kleffe damp wervelde langs zijn gelaat en ontnam hem zowat zijn laatste adem. Met alles wat hij zich dacht te hebben kunnen voorstellen van hoe de hel eruit moest hebben gezien of hoe het ruiken zou, was dit nog altijd duizendmaal erger. Retroman was ditmaal beslist bezig te sterven. Daar was hij immers van overtuigd. Dus dìt was hoe de hel rook, duidelijk de stank van dood en verderf, overspel en bedrog, angst en oneindig lijden. Het hellevuur kome.
En toch was het ook een geur die hij al eens eerder had geroken, een bekende stank die hij ze zich vaag herinnerde uit een verleden die minder ver achter hem lag dan hij zich aanvankelijk voor hield. Op een vreemde manier rook deze man, die met zijn zeis zo zijn levensdraad kon doorsnijden, wel erg vertrouwd. Dat ze hier zo wel zullen zijn, had de man in het zwart gezegd. Alsof Magere Hein, die hard toe was aan een cursus okselfris, helemaal niet was gekomen om hem te escorteren naar het hiernamaals, de hel of de hemel. En dat hij zijn zeis eigenlijk wel thuis aan de kapstok had kunnen laten. Hoe hij het had uitgesproken, dat ze hier zo wel zullen zijn, had haast geklonken alsof hij er zelf ontzag voor had.
De stinkende lucht was nog niet verdwenen toen Retroman, na diep te zijn ingeslapen, later weer wakker werd. Hij had een droge mond en de wespenangels waren nog steeds bezig de huid rond zijn wenkbrauw te penetreren. Hij ging langzaam rechtop zitten. Een pijnscheut dwong hem zijn ogen nog even te sluiten. Hij drukte zich met zijn voeten af tegen het bed, duwde zich op en zocht steun tegen het achterschot van het bed waar hij klaarblijkelijk op terecht was gekomen. Hij ademde heel voorzichtig in en uit en probeerde zich wankel overeind te houden. In zijn kop was een duivels wezen bezig onder het grootst mogelijk geweld uit te breken. Althans zo voelde het. Een aliën had een stel eieren in zijn schedel geplant welke nu op het punt stonden elk moment open te barsten. Alles om hem heen draaide en wiegde heen en weer, alsof hij plat op het dek van een driemaster lag dat deinde op de hoge golven. De misselijkheid die eerder bezit van hem had genomen had zijn lichaam nog niet verlaten. Zeeziekte, op een bed dat niet eens een waterbed was. Toch kon hij zich nu iets vrijer bewegen en had Retroman het gevoel dat er iemand was die zich over zijn conditie ontfermde. Kennelijk had de man met de zwarte mantel het beste met hem voor en had hij hem uit het schot van de kledingkast bevrijd, al voelde zijn nek nog niet echt aan alsof hij daar werkelijk uit los was gekomen. Nog half verdoofd probeerde hij zich daarom iets te verschuiven op het bed, om zo ook uit te proberen waar zijn lijf nu toe in staat was, maar zijn lichaam voelde als lood en alles ging erg moeizaam. De pijnlijke landing die hij had beleefd na de bizarre vlucht door de lucht had van hem nou niet bepaald een beter man gemaakt. Pijn was de overheersende sensatie, verdoofd zijn de ander. Sommige delen van zijn lichaam kon hij nog niet bewegen. In zijn ooghoek zag hij iemand staan. Het moest de man met de zeis zijn geweest. Die stond ergens naast het bed. Alleen omdat zijn hoofd nog bezig was van de doedelzak weer een normale logische wereld te maken, kon hij de positie van de persoon naast hem niet precies vaststellen. Het ene moment stond de man recht naast hem en het moment erna leek hij zich juist aan het bedeinde te bevinden. En dat terwijl hij ervan overtuigd was dat Magere Hein zich niet had verplaatst. Retroman besloot om er niet te lang bij stil te willen blijven staan. Hij snapte het alleen niet. Wat bewoog deze weinig modieuze afgezant van de Dood om Retroman hier uit het schavot te bevrijden en om hem naar de boxspring te dragen waar uit kon rusten? Was het niet juist zijn taak om zijn leven op te eisen en hem te begeleiden naar een oord van kwelling of hemelse rust? Lijden deed Retroman natuurlijk wel al, maar hij had niet de indruk dat Magere Hein zich erg aan het haasten was om hem van dit aardrijk weg te voeren. Dat ze hier zo wel zullen zijn. Ja, wie dan? En waarom stonk deze man zo verschrikkelijk? Was dit soms de geur van de onderwereld? Eau d’enfer?
Verdwaasd keek de verloren ninja naar opzij. Hij wilde toch wel eens zien of hij kon ontdekken of zijn chauffeur ook een gezicht zou hebben onder dat donkere kleed. Of zou zijn hoofd alleen maar een donker gat zijn? Een schaduw waar de pruttelende bron van die weerzinwekkende stank in verstopt was? Een minuut verstreek die in werkelijkheid slechts vijftien seconden bleek te zijn. Vaag leek het erop dat Magere Hein in die tussentijd tegen hem was begonnen te spreken. Of misschien was hij daar zelfs al een hele tijd mee bezig en had Retroman dat eerder niet door gehad. Het was echt moeilijk te zien of hij dat echt deed; spreken. Niet alleen draaide en zweefde het nog in de wereld van Retroman, het gezicht van de man in het zwart viel natuurlijk volledig weg onder de kap die hij over zijn hoofd droeg. Als hij dat al had. Retroman staarde hem daarom een tijdje niet begrijpend aan, totdat het hem echt begon door te dringen dat hij er inderdaad woorden aan hem werden gericht. En juist toen Magere Hein op het punt stond de kap van zijn hoofd te trekken, om de ziel uit Retromans lijf los te zuigen of zich misschien wel te onthullen als niemand minder dan Graaf Schaurig,… zakte Retroman voor de laatste maal weg. Het magere figuur had ondertussen nog wel iets gezegd over nu snel moeten wegwezen, maar Retroman registreerde dat allang niet meer. Blauwe wezens stormden nu in grote getale de beddenafdeling binnen.

“Retroman! Hé, halve ninja! Man, word eens wakker joh! Toon jezelf een echte vent,” klonk het plotseling vanuit de verte, “Jo hallo?! Slaapkop! Ik heb je dadelijk nodig hier. Of we zullen zo met z’n tweeën te pletter storten!” Een hand die naar achteren was gestoken vanuit de positie waaruit deze was gekomen, schudde aan zijn schouder en gebood hem snel bij de les te zijn. De boodschap had nogal dringend geklonken. Met flinke tegenzin en een gestel dat heel wat te verduren had gekregen, krabbelde Retroman langzaam wat op uit zijn roes, maar dat ging niet geheel van harte. Toen hij abrupt werd overspoeld met het idee dat hij ineens in een achtbaan terecht was gekomen, waarbij hij vanaf het hoogste punt naar beneden sjeesde, was hij met een schok weer bij zijn positieven. Hij merkte ineens hoe geweldige G-krachten een flinke druk op hem uitoefenden en voelde aan zijn maag al dat hij zich ergens voor moest schrap zetten. De overgang van het heerlijke buiten bewuste naar de bitter harde realiteit waarin hij zich nu bevond en op moest anticiperen, zorgde ervoor dat hij ineens al zijn antennes op scherp moest stellen. In een felle schrikreactie klampte hij zich daarom vast aan het eerste object dat hij in zijn nieuwe omgeving vinden kon. In zijn geval waren dit twee stalen frames aan weerszijde van hem. Een shot adrenaline hielp hem in deze overlevingsmodus. Hij kwam erachter dan hij gelukkig veilig zat vastgesnoerd en in een soort bakconstructie op een zitplaats was gezet. Door de snelheid waarmee hij naar beneden zeilde werd hij stevig naar achteren gedrukt. Het was inderdaad net alsof hij was ontwaakt in één van de meest heftige attracties van een of ander pretpark. In het bakje voor hem zat de man met de zwarte mantel. Samen met Magere Hein in een rollercoaster. Joechei! En in een noodvaart stevende ze af op het plein dat hij recht onder zich zag.
“Trappen nu Retroman! Alleen red ik dit niet,” begon die vent voor hem weer.
Volstrekt wezenloos staarde Retroman de persoon aan die nu, zonder kap over zijn hoofd, in het achterom kijken veel beter te herkennen was.
“K-Kornelis?!” bracht Retroman gehaast en blij verrast uit, “Leef jij nog?!”
Hij was nog maar pas bijgekomen en wist nu al niet meer wat hij zag. Hij geloofde zijn ogen niet. En het duurde even voordat het tot hem doordrong dat die stinkende zeisdrager van zojuist niemand minder bleek te zijn dan zijn vriend en collega Kornelis Oflook. Geen wonder dat Het Mierennest had geroken als een helse graftombe.
“Ja, nog wel ja,” reageerde Kornelis indringend en geïrriteerd, “maar als jij niet als de sodemieter op die pedalen gaat zitten trappen dan komt daar spoedig verandering in en verdwijnen we samen naar de onderwereld!”
Meer aansporing had Retroman niet nodig. Het visioen wat Kornelis hiermee onbewust bij hem opriep bezorgde hem zoveel doodsangst dat hij geen moment aarzelde en als een bezetene zijn voeten begon te bewegen welke blijkbaar op een set trappers waren vastgepind. Hij draaide daarmee als een gek een mechaniek rond waarvan hij nog geen idee had wat het precies deed. Maar te oordelen aan de toenemende rotatie van de vliegwielen boven zijn hoofd werd hem wel duidelijk dat wat hij deed in elk geval zin had. Het achterliggende doel had hij nog niet helemaal doorzien, omdat hij zoveel nieuwe indrukken te verwerken had, maar hij was er inmiddels wel achter dat hij met Kornelis Oflook in een helikopterachtig apparaat zat dat zuiver en alleen door spierkracht in de lucht werd gehouden. Zo hard hij kon bleef hij de ketting rondtrappen, die hij in beweging had zien komen toen hij de pedalen beroerde, maar merkte ook hoe weinig invloed dit leek te hebben op de razende snelheid waarmee ze op de straatstenen afraasden. Kornelis, voor hem, was bezig met de sturende bediening van dit vliegmobiel dat met een beetje fantasie nog het meest deed denken aan een sloep met vleugels en propellers op het dak. Hij zorgde er met een tweetal hendels voor dat de vleugels in op en neer gaande beweging werden gebracht. Het ding waar ze in zaten herkende hij als de dubieuze creatie van Theo Nologie en Tinus Icket. Het zwart gespoten frame met hier en daar enkele rode accenten leek veel op een helikopter. In feite was het broertje daarvan; de gyrocopter, waarbij de rotor – in tegenstelling tot de helikopter – uitsluitend in beweging wordt gebracht met langsstromende lucht. De voortstuwende beweging komt uiteraard wel mechanisch tot stand. De vliegmobielen maakten deel uit van de Postduiven, een esquadrille van gyrocopters die door Tinus Icket werden ingezet om de krant rond te brengen voor de Tycoon Newspaper. Alleen kon hij niet herinneren dat er ook zwarte exemplaren tussen zaten. Tinus Icket zal ongetwijfeld wel wat verbeteringen aan hebben willen brengen aan de bestaande modellen, zodat hij met deze zwarte duif op de proppen kwam, overtuigde Retroman zichzelf. Ter bevordering van het klimmend vermogen en om ook steile duikvluchten mogelijk te maken, waardoor het dagblad eenvoudiger konden worden bezorgd, waren deze gyrocopters niet voorzien van één, maar van twee vliegwielen. De gehele constructie kon alleen in de lucht worden gehouden als je maar hard genoeg op de fietspedalen trapte. Iets wat Retroman in dit geval dus vol overgave deed, want het laatste wat hij wilde, was hier neer te storten.
De vooruitzichten waren alles behalve gezond; voor hen op de grond wemelde het werkelijk van de navelpadden. Het hele plein voor het Mierennest was ermee vergeven. Het was hem daarom ook volstrekt onduidelijk waarom Kornelis een daling had ingezet met de gyrocopter met het vooruitzicht dat ze daarmee alweer tussen de padden terecht zouden komen. Of kwam dit doordat hij Retroman niet eerder wakker had gekregen en Kornelis de bak zonder hem niet in de lucht kon houden? Het antwoord op in elk geval één van deze vragen werd hem al snel duidelijk. Beneden op het plein, tussen alle smoezelige marktkramen en een leger aan navelpadden, kon hij één individu onderscheiden die er anders uitzag dan de rest: de Reuze Navelpad. Alhoewel, zo reuze was hij nu niet meer. Want waar zijn amfibische vriendje eerder nog een respectabele lengte had van een volgroeide sequoia woudreus, was de hiervoor zo gigantische pad nu gekrompen tot zijn originele en bescheiden omvang en daarmee weer beduidend kleiner dan zijn soortgenoten. De Reuze Navelpad zag er nu ook niet bepaald meer uit alsof hij inmiddels klaargestoomd was voor een groot ‘martial arts tournament’. Zo slap als een vaatdoek strompelde hij tussen de kraampjes door en had gelukkig de mazzel dat geen van de navelpadden echt in hem waren geïnteresseerd. Anders hadden ze beslist paddengehakt van hem gemaakt. In plaats daarvan hadden de navelpadden meer oog voor de maaltijd die, op dit moment, letterlijk uit lucht zou komen vallen: Kornelis en Retroman.
“We pikken die vriend van jou op en dan maken we dat we hier zo snel mogelijk wegkomen,” informeerde Kornelis zijn co-piloot. Retroman snapte nu eindelijk wat Kornelis al die tijd van plan was. Ze zouden de Reuze Navelpad tussen de kraampjes vandaan plukken om vervolgens als een speer weer op te trekken en zodoende aan dit geplande vreetfestijn te ontsnappen. Het was een nobele actie, van Kornelis richting de pad, maar wel een bijzonder riskante.

De Reuze Navelpad keek nog wat stoned uit zijn ogen toen hij de wilde belevingen om zich heen probeerde in zich op te nemen. Hij was nog maar pas opgekrabbeld en had enige tijd languit roerloos op de straatstenen gelegen. Na volledig buiten westen te zijn geweest, had hij zich half kreupel aan één van de stellingen van de kraampjes opgetrokken, zich er nog niet eens over verbazend waarom de kraampjes er nou eigenlijk zo ingedeukt bij stonden. Hij had er dus geen benul van dat hij daar zelf verantwoordelijk voor was geweest, toen hij er pontificaal met zijn logge lijf – dat hij kort hiervoor nog had gehad – overheen had gelegen, voordat het hem allemaal te veel werd en hij langzaam begon te krimpen. Nu was hij weer het scharminkel dat hij altijd al was geweest, een schriel kuiken dat door het grotere pluimvee onder de voet gelopen zou worden, niet langer de uit de kluiten gewassen versie die als een Godzilla een complete stad met de grond gelijk kon maken. Zijn gemene blauwe broers, die nu weer aanmerkelijk groter waren dan hem, had hij inmiddels alweer in de smiezen. Al even wezenloos als de zombies die zij zo eenvoudig voortbrachten liepen ze hier krakelend en hongerig tussen de kraampjes langs hem heen. Contact kreeg hij niet met ze. Naar hem omkijken deden ze ook niet. Hun interesse lag heel ergens anders. Gezamenlijk hadden zij hun aandacht op iets gericht. Wat wist hij alleen nog niet. Kort aanschouwde de pad de ravage die de navelpadden hier al veel eerder teweeg hadden gebracht. In al hun eerste gulzigheid hadden zij hier hun eerste slachtoffers te maken. Van de marktkooplui en de bezoekers aan de markt waren enkel de kaalgevreten skeletten overgebleven doordat er slechte slurpingen plaats hadden gevonden of omdat de eerste zombies die waren ontstaan zich aan hen tegoed hadden gedaan.
Plotseling zag ook hij het zwarte gevaarte uit de hemel naar beneden storten. Verschrikt, omdat hij geen idee van had dat het een toestel betrof dat was bemand met Retroman en Kornelis, dacht hij aanvankelijk dat het een meteoriet of een ander brok puin was dat bezig was met grof geweld op de aarde neer te smakken. Hij rende daarom in tegengestelde richting weg uit de stroom navelpadden en vond daarin in het voorbijgaan het zakhorloge en het samuraizwaard. Alhoewel hij erg zwak was kon het toch van pas komen, dus raapte hij het maar snel van de vloer. Vervolgens had hij de bedoeling om onder de planken van een ingezakte kraam weg te duiken, maar hij was simpelweg te ver afgetakeld en bewoog daarom te sloom in die richting. Voordat hij die kans kreeg werd hij al door iets van de grond gepakt en in de lucht getild.

Met een razende snelheid schoot de gyrocopter ineens tussen de kraampjes, geraamtes en padden door. Het zwarte gevaarte flitste in een ruk aan de hongerige navelpadden voorbij. Kornelis kon ternauwernood de neus van het ding optrekken om er niet mee als een brok puin tussen de andere troep te eindigen. Hij zorgde er zodoende voor dat ze in een horizontale vlucht langs de grond scheerden maar wist hem nog niet op een veilige hoogte te krijgen. Met een afstand van nog geen 20 centimeter wist hij de bak erboven te houden.
“We hebben hem!” schreeuwde Retroman naar hem, die de Reuze Navelpad aan zijn nekvel had beetgegrepen, “Nu optrekken!”
“I-ik d-doe w-wat ik kan…” murmelde Kornelis. Zijn woorden vervlogen haast onhoorbaar in de wind. Hij trok met al de kracht die hij in zich had aan de stuurkolom om het apparaat weer naar boven te laten wijzen. Maar voorlopig slaagde hij er enkel in om de gyrocopter nipt boven de straatstenen te houden. De opwaartse kracht was simpelweg nog niet toereikend.
“Harder trappen Retroman! Harder trappen!”
Links en rechts naast hen zagen ze hoe de navelpadden in zo’n snelheid aan hun voorbij trokken dat ze wazige blauwe strepen naast het toestel vormden. Gelukkig was de weg voor de gyrocopter grotendeels vrij en vormde de ruimte tussen de twee rijen met vervallen kraampjes een soort geïmproviseerde start- en landingsbaan. Alleen, zoals dat gaat bij elke start- en landingsbaan, was ook deze strip niet oneindig. Aan het einde van de marktstraat prijkte het torenhoge Beursgebouw, met rechts daarvan het Madame Tussauds.
De Reuze Navelpad bungelde nog wat naast de gyrocopter, omdat Retroman hem nog niet volledig binnen had kunnen hijsen. Die was met twee dingen tegelijk bezig. Zijn gemangelde lijf moest namelijk ook de ketting nog blijven rondtrappen. Hij had daarom geen idee wat hem overkwam, behalve dat hij door iets werd meegesleurd en zag hoe hij onder hoge snelheid rakelings over de ondergrond vloog. Verder zag hij hoe de grijpgrage klauwen van de navelpadden naar hem uithaalden, maar hem stuk voor stuk misten. Deze bizarre ervaring duurde gelukkig niet zo lang. Uiteindelijk zag Retroman kans hem echt naar binnen te tillen, al ging dat wel in een ruwe beweging daar hij al zijn concentratie op het blijven fietsen nodig had. De Reuze Navelpad kwam ergens naast hem bij zijn rechterarm terecht. Blij verbaasd en niet helemaal compleet verrast, realiseerde de Reuze Navelpad dat hij Retroman weer terugzag, al zat hij natuurlijk wel met een boel vragen in zijn hoofd hoe hij dit avontuur nou weer heeft kunnen overleven en wat dit ding was waar hij het blijkbaar druk mee had. Daar was echter nu geen tijd voor, om zich daar over te buigen. Aan de andere zijde als waar hij de razende gyrocopter was binnengesleept had een navelpad de mogelijkheid gezien om aan boord te klauteren. De Reuze Navelpad had hem direct door en haalde met duidelijk verzwakt maar nog even doeltreffend naar hem uit met het samuraizwaard, de eerste keer dat hij het zwaard zelf hanteerde.
“Goed werk, Pad!” complimenteerde Retroman hem, “daar bij Kornelis komt er nog één binnen! Snel!”
De Reuze Navelpad stelde geen vragen, draaide zich om en hakte in één beweging de blauwe kop van diens romp. Ondertussen bleven Retroman en Kornelis de vliegmachine bedienen en maakten zich inmiddels grote zorgen of ze nog wel tijdig genoeg voldoende hefkracht konden krijgen. Ondertussen kwam het Beursgebouw in de verte vervaarlijk dicht op hen af. Toen schokte de gyrocopter even en veerde de Reuze Navelpad plotseling een stuk omhoog. Retroman en Kornelis zaten veilig vastgegespt. Ze waren te laag geweest, waardoor de bodemplaat tegen de grond had getikt. De vonken schoten langs de gyrocopter omhoog. Op het nippertje had de pad zich aan een stang weten vast te grijpen die verantwoordelijk was voor de ophanging van de vliegwielen, anders had hij beslist overboord gevlogen. Dit geintje moesten ze alleen niet vaker gaan krijgen of er kwam een moment dat zo serieus contact zouden maken dat het toestel over de kop kon slaan, en dan waren ze echt verder van huis. De dreiging hield daar echter nog niet mee op. Kornelis zag gebeuren waar hij eerder al bang voor was: de baan tussen de kraampjes was te kort. De Reuze Navelpad kon navelpadden omver maaien zolang zijn krachten dit toelieten, als ze deze bak niet meer in de lucht konden krijgen, dan hield het avontuur hier toch echt op. Nog een paar tientallen meters en dan zouden ze tussen de restanten van een verlaten notenkraam hun ongelukzalige dood vinden. Het Beursgebouw was werkelijk te hoog om hier nu nog een steile klim tegen te kunnen maken. Alleen een wonder kon hen nu nog redden, was Kornelis’ overtuiging. Retroman en de Reuze Navelpad zagen het probleem ook aankomen en konden niets anders doen dan lijdzaam toezien hoe ze tussen de cashewnoten en amandelen als gekraakte walnoten zouden eindigen.
“Eureka!” riep Kornelis toen ineens enthousiast uit en had blijkbaar een uitweg gezien uit deze goot van verderf. Aan het einde van de stellingen had hij een breed pad naar rechts ontdekt. En daarin zag hij de kans om de gyrocopter langs de kraampjes omhoog te leiden doordat er net voldoende ruimte tussen zat opdat ze er naar opzij konden afbuigen. Zolang hij het vliegmobiel daarna maar in de lucht kon krijgen, dan was er nog hoop. In de bocht die ze hiervoor moest nemen stond er links van hun nog wel een vuurpad opgesteld die blijkbaar had besloten zijn opgekropte roem over het vluchtende drietal uit te braken. Kornelis kreeg ondertussen nog juist de overblijfselen van een half skelet tegen zich aan doordat de neus van het apparaat dit van de vloer schepte en vooral Retroman en de Reuze Navelpad moesten wegduiken voor de op hen gerichte vlam van de vuurpad. Als een wesp door een sleutelgat manoeuvreerde Kornelis de gyrocopter op het laatste moment tussen alle opstellingen door en kregen ze net op tijd voldoende lift om na het schampen van het weinig onderscheidende naambord “de Kaashoek” van de naast de notenkraam gelegen stelling, veilig een doorgang te kunnen vinden naar hoger terrein. De kaas- en notenkraampjes gingen zelf in vlammen op, nadat deze gebukt gingen onder het vuur waar de vuurpad voor verantwoordelijk was, maar de drie figuren in het ranke vliegtoestel ontsprongen deze dans. Gretig reikten de hoogste vlammen nog naar de gyrocopter. Deze beroerden de uiterste achterzijde van de staartvleugel, maar konden er onvoldoende vat op krijgen om het ding in de fik te zetten. Gespannen doch vol adrenaline stegen Retroman, Kornelis en de pad er ongeschonden boven uit en rezen op langs de flank van het Beursgebouw. Ze scheerden hier zo rakelings aan voorbij dat Retroman bijna één van de figuren uit de beeldenrij kon aanraken waarmee de gevel was versierd indien hij zijn hand er naar had uitgestoken. Eindelijk waren ze aan de padden ontsnapt. Dat wil zeggen, de navelpadden op het marktplein hier in het centrum. De vraag was alleen waarom er ineens zo’n grote concentratie padden in deze straten aanwezig was, terwijl er behalve Kornelis en Retroman hier toch duidelijk geen mensen meer aanwezig waren die nog tot zombies waren omgevormd. Hoe dat precies zat zou dit drietal spoedig wel achter komen. Voorlopig waren ze allang blij dat ze zich hadden verplaatst naar een terrein waar zowel de zombies als de navelpadden hun niet volgen konden. Padden mogen dan amfibieën zijn, vliegen kunnen ze gelukkig niet.
“Poe hé! Zijn we daar even mooi aan ontsnapt,” sprak Retroman uiteindelijk als eerste, na een zucht van verlichting, toen ze de gyrocopter eenmaal op een vaste vlieghoogte hadden, “Het is in Gohes City al enige tijd de dood of de gladiolen, maar dit scheelde echt niks!”
Het duurde even voordat Kornelis daarop antwoordde. Trots op de actie van daarnet doch afgemat staarde hij een ogenblik voor zich uit. De Reuze Navelpad gaf helemaal geen kik. Die lag voor compleet voor pampus, zijn lijfje over de romp van het vliegende apparaat gedrapeerd.
“Wat je zegt, Retroman. Werden we toch mooi bijna als kaasfondue aan die gedrochten gevoerd. Het was nog maar een geluk trouwens dat ik je wakker kreeg, want zoals ik je in het Mierennest aantrof had ik even het idee dat ik je al ter aarde kon bestellen.”
“Ja, hoe zat dat eigenlijk,” reageerde Retroman daarop, nog aldoor peddelend op de trappers, “de man die ik voor Magere Hein aan zag, dat was jij hè? Hoe heb je ons eigenlijk gevonden?”
“Ik heb geen idee waarom je mij voor die dooie aanzag. Ik ben nog springlevend hoor. Maar je zal je wel wat gekke dingen hebben ingebeeld, want je zag er nou niet echt best uit toen je nog met je kop door dat bordkarton stak. Je zal vast hebben geijld. Herinner je je daar trouwens nog iets van?”
“Wel ja, dat zeg ik. Mijn hele wereld draaide om me heen. En toen ik jou daar zo voor me zag staan met die kap over je hoofd en een zeis in je handen, was ik echt overtuigd dat je was gekomen om mij naar het dodenrijk te escorteren.”
Kornelis bulderde het terstond uit van het lachen. Zijn buik schudde ervan en de beweging waar het mee gepaard ging deed de gyrocopter schokken. De Reuze Navelpad werd er zelfs even wakker van.
“Oh dank je wel, Retroman,” sprak Kornelis na enige tijd toen hij weer wat op adem begon te komen, “het is lang geleden dat ik zo heb moeten lachen. Ik, Magere Hein? Hahaha! Ik weet best van mezelf dat ik niet de meest ooglijke verschijning ben, maar om me nou te gaan vergelijken met de personificatie van de dood, dat gaat misschien toch wel een beetje ver hoor! Godsamme.”
Hij lachte nog wat na en Retroman lachte ietwat zuur met hem mee. Als Kornelis naar hem had omgekeken had hij het schaamrood op zijn kaken zien staan. Vervolgens reikte hij naast zich, terwijl hij het toestel soepeltjes met één hand bestuurde, en greep iets van de bodem van de kist. Retroman had, omdat hij zich wat geneerde, zijn blik onderwijl op het voorbijtrekkende landschap verplaatst. De Reuze Navelpad, daarvoor in de plaats, keek nog wat versuft voor zich uit, geheel toevallig in de richting van de weinig welriekende man die juist iets in hand had genomen.
“Bedoel je dit soms?!” vroeg Kornelis daarop en liet demonstratief aan zijn co-piloot en passagier een flink landbouwwerktuig zien. Het was inderdaad een zeis. Retroman herkende het, maar bleef nu hij wist wie het hanteerde, er ditmaal rustig bij. De Reuze Navelpad daarentegen zag, bij de aanblik van Kornelis en de zeis, zijn geest al dwalen. Hij werd licht in zijn hoofd en kreeg opnieuw een flauwte. Retroman glimlachte toen hij naar opzij keek en de Reuze Navelpad weer zag wegzakken. Die heeft z’n portie voorlopig wel gehad, dacht hij.
“Toen we beide ons eigen weg gingen kwam ik langs een museum waar ik dit geval uit een vitrine stal. Het leek mij wel een geschikt werktuig om die padden en zombies mee om te leggen. Vreemd genoeg heb ik het niet heel veel hoeven in te zetten. Om één of andere reden bleven die gedrochten uit zichzelf bij mij uit de buurt.”
Retroman kon zich levendig indenken wat daartoe de reden moest zijn geweest. Hij keek nog eens naar de Reuze Navelpad en streek broederlijk met een hand over zijn kop. Hij dacht aan al de avonturen die zij ondertussen met elkaar hadden beleefd. Een merkwaardig duo waren ze. Maar niet lang meer. Kornelis bleek nog in leven en dat bracht Retroman hernieuwde motivatie om door te blijven strijden. Mogelijk waren er toch meer mensen die de verschrikkingen van Graaf Schaurig hadden overleefd. Al kon hij zich inderdaad ook zomaar indenken dat de navelpadden er weinig voor hadden gevoeld om in zo’n stinkende van navelpluizen vergeven navel te kruipen. Met zo’n odeur was het geen wonder dat je een apocalypse als deze kon overleven.
“Ik ben blij je weer te zien, Retroman,” sprak de Kornelis toen.
Gemeender dan hij dat normaal zou zijn antwoordde Retroman daarop:
“Ik jou ook, Kornelis.”
Vol zorgen over de toekomst liet Retroman toen zijn blik nog eens over de ruïne glijden dat er van Gohes City was overgebleven en probeerde zich in te denken of het ooit nog iets zou worden met deze toch al zo dystopische stad. Het vergezicht dat hij op deze hoogte had verkregen van de metropool die normaal al werd gedomineerd door onderdrukking, criminaliteit en verval was nog troostelozer dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Een paar weken hiervoor had hij nog vrolijk achter zijn pc zitten sleutelen aan een retrospelletje waarin de monsters toevallig ook door padden werden voorgesteld. En alhoewel hij bevond dat zijn huidige dagelijkse bezigheden heldhaftiger waren dan stomweg iedere dag te zitten verstoffen achter zijn computer, kon hij moeilijk concluderen dat wat hij vandaag de dag deed tot enige constructiviteit leidde. De fundamenten van zijn woonplaats werden onder zijn voeten weggeslagen en zombies en navelpadden waren zijn nieuwe buren geworden. Zou het ooit nog wat worden met deze verdorven stad, vroeg hij zich af.
“Wat wil die Graaf Schaurig toch van ons, Kornelis? Wat hebben wij hem misdaan waardoor hij zo vol gramschap zit?”
Dat was een vraag waar Kornelis maar al te goed het antwoord op wist:
“Het gaat niet om ons, Retroman. Het gaat om mij. De geschiedenis tussen Ignatz en mij voert ver terug.”
“Ignatz? Is dat werkelijk hoe hij heet?”
“Jazeker,” en zijn stem klonk nu heel wat droeviger, “ik zal je zometeen vertellen hoe dat zit zodra we bij mijn schuilplaats zijn, het laboratorium waar al deze ellende is begonnen…”