image by Wynther_Knight, edited by Gsorsnoi

“Zal ik je zometeen een spookverhaal uit de Filippijnen vertellen?” vroeg Esmeralda uitdagend aan Thomas terwijl ze een nieuw pad buiten de stad insloegen. Esmeralda Garcia wierp terloops een blik over haar schoudertas naar achteren en beet zachtjes op haar onderlip. Samen met haar vriendje Thomas Martens besteeg ze een flauw hellend voetpad nabij één van de zijstromen van de Panay River. Ze hadden het bewoonde gebied van de stad nu bijna verlaten. Zij liep soms op hem vooruit, daar de uit Nederland afkomstige Thomas de streek rondom de woonplaats van zijn vriendin nog nauwelijks kende. Het stel, dat elkaar eerder dit jaar via het internet had ontmoet, zocht nog vrij laat de buitenlucht op. De zon, die overdag nauwelijks inspanningen had hoeven leveren om Thomas’ bleke huidje van enige kleur te voorzien, was reeds lang onder de horizon verdwenen. Ze liepen nog net niet in de complete duisternis. De enige verlichting die het hun nog mogelijk maakte om hier een hand voor ogen te zien, was afkomstig van de schaarse straatverlichting en de paar woningen waar het licht nog brandde. Nu viel de nacht op de Filippijnen überhaupt al vroeg in, aangezien de zon er gedurende het gehele jaar gemiddeld tussen vijf en zes uur al ondergaat, buiten de steden was het er soms griezelig donker. Thomas liet zich daarom leiden door zijn nieuwe liefde, op wie hij hier volledig was aangewezen, maar vroeg zich wel af hoeveel langer Esmeralda hun nachtelijke avontuur nog wilde maken.
“Oké, waarom niet?” stemde hij weifelend toe. “Maar zullen we zo niet eens teruggaan naar huis?” Thomas hoopte erop dat ze de terugweg zou willen gebruiken om haar verhaal te vertellen. Dan konden ze wellicht nog tegen enen thuis zijn. Bovendien werd ze morgen achttien, dus leek het hem wel prettig om daar een beetje fris bij voor de dag te komen. Maar Esmeralda bleek nog niet de aanleiding tot hun escapade te zijn vergeten. “En hoe zit het dan met onze plannen? Of wil je zeggen dat je nu geen zin meer hebt?” vroeg ze hem en keek hem opnieuw ondeugend aan. In het ouderlijk huis was het hen niet toegestaan om seks te hebben, zodat ze er eerder op de avond op uit waren gegaan om een plekje op te zoeken waar ze ongestoord konden vrijen. Wanneer je nog thuis bij je ouders woont, wordt dat vaak niet getolereerd. En alhoewel dat soms moeilijk tegengehouden of gecontroleerd kon worden, zou het van weinig respect getuigen indien je het toch deed. Tegen haar moeder had Esmeralda daarom gezegd dat ze even bij een vriendin langs zouden gaan – wat ze feitelijk ook hadden gedaan – en daarna weer zouden terugkeren. Na het bezoek aan die vriendin waren ze echter nog een stuk doorgelopen om de natuur op te zoeken. Naarmate ze verder doordrongen in de wildernis en steeds minder huizen zagen, nam langzaam ook de straatverlichting af. De nacht was als een zwarte sluier over de archipel komen te liggen. Voor Thomas kwam dit allemaal wat onwennig over, al stond het idee van de avontuurlijke vrijpartij hem niet tegen. In de Filippijnen waren ze blijkbaar gewoon aan het feit dat de avond zo snel inviel. Hij zou hebben gedacht dat je, als het al zo donker was, niet nog uren buiten de deur zou besteden vooraleer je weer naar huis keerde. Daarnaast leek het hem alleen al voor de eigen veiligheid niet verantwoord.
“Het is nu niet veel verder meer,” verzekerde Esmeralda hem, “we zijn er zo. We lopen nog een stukje langs deze rivier hier en dan hebben we daar verderop een plek waar we ons ongestoord kunnen uitleven,” ze wees naar een iets hoger gelegen wal aan de rivier. Thomas zag niet dat ze haar arm strekte om de richting te duiden. Zo donker was het. “Roxas houden we hiermee op loopafstand.” Ze sprak de naam van haar woonplaats uit als ‘Ro-has’. Thomas zei het nog dikwijls verkeerd door de ‘x’ als ‘ks’ uit te spreken.
Roxas City is een middelgrote stad in de Filippijnse provincie Capiz en tevens de belangrijkste haven van het noordelijke deel van het eiland Panay. Voorheen stond deze stad bekend als de ‘Capiz gemeenschap’ – ook wel ‘barangay Capiz’ genoemd – waar de provincie uiteindelijk zijn naam aan had te danken. Op 12 mei 1951 werd de gemeenschap, inmiddels uitgegroeid tot een stad, omgedoopt in Roxas City. Diverse rivieren meanderen er doorheen, snijden dwars door de kern en verdelen het daarmee haast evenredig in tweeën. Zijrivieren vanuit de bergen stromen in de bovenste delen van Panay River, razen door enkele kleinere nederzettingen die langs de oevers zijn opgetrokken en irrigeren het land waardoor deze een vruchtbare bodem vormt om voedsel op te verbouwen. Terwijl ze een heuvelachtig gebied introkken waar de begroeiing langzaam de overhand begon te krijgen, ving Esmeralda aan met het vertellen van haar verhaal.
“In de provincie Capiz doen relatief veel horrorverhalen de rondte over allerlei soorten mythische wezens, zoals geesten, kobolden, ghouls en zogenaamde aswangs. Waarvan van al die monsters de laatste nog wel het meest worden gevreesd. Het is een verzamelnaam voor boosaardige vampier-achtige schepsels die buiten deze streek vaak worden afgedaan als het onderwerp van mythen en Filippijnse folklore. Volgens velen dus verzinsels, angstverhalen gebaseerd op bijgeloof. Hier onder de lokale bevolking wordt er echter heilig in geloofd. De Spaanse kolonisten, destijds in de 16e eeuw, konden zelfs bevestigen dat ze oog in oog hebben gestaan met deze manifestaties van het kwaad…”
Onderzoekend trok Thomas een wenkbrauw op. Esmeralda, die door haar vriendje liefkozend Esmé werd genoemd, wist dat hij niet weg was van fictie – de nuchtere Groninger hield het liever gewoon bij feiten – daarom kon het voor haar nog wel eens als vermoeiend worden ervaren om hem iets te vertellen. Vandaag besloot ze zijn verzuchtende reacties liever te negeren. “Zij maakten kennis met onze gewoontes en eigenaardigheden en kwamen ze in deze provincie tot de ontdekking dat er niet te spotten viel met bovennatuurlijke krachten en andere onverklaarbare verschijningen die aanvankelijk werden afgedaan als fabeltjes. Alleen was niet iedere Spanjaard daar zonder meer van overtuigd. Dat bleek wel, toen er mannen tussen die Spaanse bezetters waren die met de Filippijnse vrouwen het bed deelden met zwangerschap als onvermijdelijk gevolg. Sommige van hen lieten de vrouw dan achter en verlieten het land weer met de eerstvolgende vloot. Anderen, die hier bleven om hun zoon of dochter geboren te zien worden, zijn uiteindelijk toch het land ontvlucht. Mochten ze de moed al hebben gehad om verhaal te doen van hun gruwelijke ervaringen, dan werden ze thuis voor gek verklaard. Dat wil zeggen, als ze de huiveringwekkende voorvallen zelf überhaupt al hadden overleefd.”
“Ja, ja, hoezo dat dan?” Nu kwam het, dacht Thomas. Esmeralda zou vast een één of andere fantastische of bovennatuurlijke verklaring hebben voor mysterieuze gebeurtenissen. Ze zou hem ongetwijfeld wel iets gaan vertellen waarvoor je tenminste van sprookjes of legendes moest houden om het aannemelijk te vinden. Dit was niet Thomas’ sterkste punt. Hij gaf de voorkeur aan tastbare feiten. De geboren Groninger had zichzelf altijd te nuchter gevonden om zich te laten meeslepen door ongefundeerde praatjes. Toch, omdat het zijn vriendin was, bleef hij geduldig. De onderhoudende wijze waarop ze haar verhaal aanzette droeg ook wel bij aan zijn motivatie te blijven luisteren en tevens curiositeit, zodat hij verder beleefd aandacht hield en zich afvroeg wat er zo bijzonder was aan het verblijf van de Spanjaarden bij de vrouwen. “Waren deze vrouwen behekst of zo? Of gebeurde er iets anders vreselijks rondom die zwangerschappen?”
Esmeralda grijnsde geamuseerd om zijn vragen en voorzag hem graag van verdere details. “Nee, de vrouwen die in verwachting waren niet. Het waren de zogenaamde Manananggals, een ondersoort van de Aswangs. Dit zijn gevreesde wezens in de Filippijnse folklore. Duistere schepsels, doordrenkt van kwaad, die aan westerse vampieren doen denken en soms ook Tik-tiks worden genoemd vanwege het kenmerkende geluid dat ze maken met hun vleermuisachtige vleugels. Het zijn mensetende monsters die vaak als heksen worden aangeduid, omdat ze overwegend vrouwelijk zijn. Met name in de westelijke provincies van Capiz en Iloilo zijn ze erg berucht. Maar ook in de volksverhalen van buurlanden Indonesië en Maleisië zijn soortgelijke wezens veelbesproken.”
Thomas fronste zijn wenkbrauwen. Esmeralda’s verklaring kwam hem voor als een ratelend intro van een absurde sage, dat door volksgeloof lichtgelovigen op morbide wijze moest bekoren. Haar integere opstelling was hem echter niet ontgaan. Hij bleef vooralsnog bij zijn sceptische houding en begon onbewust iets schever te lopen, waardoor hij zich iets van zijn vriendin leek te verwijderen.
“Oké,” bracht hij voorzichtig uit. Bedenkelijk keek hij haar aan. Onbedoeld viel er een korte stilte. Thomas deed geen moeite zijn uitdrukking van ongeloof te verbergen. Met een vragende blik probeerde hij zelfs te doorgronden of Esmeralda het echt meende. Ze liet zich er echter niet door uit het veld slaan. Integendeel. Met de overredingskracht van een pubermeisje dat haar vader ervan moest overtuigen dat dat veel oudere nieuwe vriendje van haar wel degelijk te vertrouwen was – in hun geval had dit zomaar de situatie kunnen zijn; Thomas was net twintig geworden – probeerde ze tot hem door te dringen. Ongecontroleerd trok ze haar schouders op en bracht ze haar wenkbrauwen bij elkaar. Met haar handpalmen tegenover elkaar was ze net de pastoor van de verderop gelegen Santa Monica kerk in het dorpje Panay. Ze preekte verder:
” Voor de Filippino’s uit de regio Visayas is dit een gemeenschappelijke werkelijkheid waarmee elke dag geleefd moet worden. De Spaanse bezetters waren er op den duur van overtuigd dat de Manananggals bestonden. En ik kan je verzekeren, dat doen ze ook nu nog.”
Thomas geloofde zijn oren niet. Hij was erg op zijn meisje gesteld en koesterde al vroeg in hun relatie bewondering voor de schilderachtige manier waarop ze bepaalde zaken kon optekenen. Maar hij had niet verwacht dat wanneer het op feiten of fictie zou aankomen, Esmeralda de naïeve aanhanger van oeroude vertelsels bleek te zijn.
“Wil je daarmee zeggen dat je het zelf ook gelooft dan?”
Het was er uit voordat hij er erg in had. Al direct speet het hem dat hij zo plompverloren duidelijk maakte dat hij Esmeralda’s relaas in twijfel trok. Ze had dan ook niet het idee dat ze serieus genomen werd. Ze beantwoordde zijn reactie met een veelzeggende priemende blik. Op slag stond ze stil, als versteend in de predikende houding die ze het laatst had aangenomen. Verontwaardiging had de plaats ingenomen van haar eerdere gelaatsuitdrukking. Nota bene haar eigen vriendje had zijn mening al paraat voordat ze goed en wel de kans had gekregen om alles te vertellen. Toch was haar belijden gemeender dan deze gespeelde act. Eigenlijk had ze wel verwacht dat er meer voor nodig was om Thomas tot een ander inzicht te brengen. En ze genoot ervan. Schijnbaar gepikeerd beende ze verder en keerde ze zich van hem af. Thomas liet ze daarmee achter met het gevoel iets verkeerds te hebben gezegd. Onthutst doch schuldbewust staarde hij haar na en trok vervolgens een kort sprintje om haar in te halen.
“Hé, schat! Zo was het niet bedoeld.” Shit, dacht hij, hij had haar echt op haar teentjes getrapt.
Esmeralda sprak geen woord en liep de hoek om naar een dichter begroeid terrein. “Je kunt gerust verder vertellen hoor. Wat had je dan verwacht van een Westerling als ik? Ik ken de plaatselijke gebeurtenissen hier toch niet?” In de bocht die stikdonker werd door de vele laaghangende takken, zag hij geen hand voor ogen. Hij had de grootste moeite zich te oriënteren en kon nog maar net onderscheiden wat voetpad was en wat niet. Of wat ervoor door moest gaan. Achter hen verdween de stadsverlichting voorbij de glooiing van het landschap. Waar ze het hier mee moesten doen was het flauwe schijnsel van het maanlicht. Alleen was het zonneklaar dat de schaduw en algehele duisternis de overhand hadden. Esmeralda kon hij volgen op basis van het geluid dat haar voetstappen maakten en haar exuberante contouren die zelfs bij de afwezigheid van zoveel licht nog oogverblindend waren. Toen Thomas achter zijn vriendin aan onder de uitstulping van een overhangende rots door liep, voelde hij het op slag afkoelen. De temperatuurdaling verdween net zo plotseling als dat hij was opgedoken. Heel even huiverde hij van angst terwijl hij opkeek naar de reusachtige zwarte vlek die over hem heen trok. Hij staarde naar boven en vroeg zich af waar de sterren waren gebleven. Op het moment dat zijn ogen zich wat hadden aangepast aan een kort moment van complete duisternis, gold zijn verbijstering meer dan wanneer Esmeralda hem zou hebben voorbereid op hetgeen ze hier zouden vinden. Ongemerkt had ze hem van het door toeristen veel belopen zandweggetje langs de Panay River over een natuurlijk pad naar een verborgen grot geleid. Door zijn eerdere ontsteltenis had hij nauwelijks in de gaten gehad dat ze flauw waren afgedaald naar een ondiepe caverne, die beter verlicht bleek dan de route die ertoe leidde. De ruimte in dit berghol was aan de flinke kant, veel groter dan hij zich in eerste instantie zou hebben kunnen indenken. Voor een theater was het misschien net te nauw, maar een kleine bioscoop had je er prima in kunnen installeren. Ze moesten zonder dat Thomas dat door had gehad toch gauw een meter of twee naar beneden zijn afgedaald. Onderweg langs deze rivier hierheen had hij echter geen aanwijzingen gevonden die erop duidden dat ze konden stuiten op een dergelijk ondergronds vertrek. Aan het oostelijke uiteinde van de beschutte ruimte en de rechterflank waren de rotswanden hoog opgetrokken. De entree waar ze nu stonden was aanmerkelijk krapper. Dit kwam doordat de grote holte naar deze zijde taps toeliep. Ongeveer in het midden van dit hol, onder een verlaagd plafond, bestaande uit een aanzienlijke naar beneden gerichte stenen bult, ontwaarde hij een naar het westen gerichte boog rondom een lichter gekleurde plek.
Plotseling snapte hij waar het zachte geruis vandaan was gekomen dat hij tijdens het betreden van deze ruimte had opgemerkt en niet had kunnen plaatsen; recht voor hen lag een kleine waterplas, met daarin een glinstering die voortdurend ritmisch werd onderbroken door aanvoer van hoger gelegen water, zoals een stortbui het licht van koplampen doet verstrooien. Wat de oorsprong was van de lichtbron in de plas, kon hij zo niet zien, maar het verklaarde wel waarom hij kort na het binnenlopen van de grot meer zicht had dan toen ze er nog buiten stonden. Ook de luchtvochtigheid die hij geleidelijk voelde oplopen bij het binnengaan werd door dit watertje verklaard.
Wat hem verder opviel was dat het in dit natuurlijk onderkomen niet bijster koud was. Het was er zelfs behaaglijk te noemen. De reden hiervoor was dat de geografische ‘rug’ van de Filippijnen langs een uitgestrekte actieve vulkanische oceaanstraat was gelegen. Hierdoor was de grond er rijk aan warmtestromen, wat maakte dat er in de grot een constante temperatuur heerste van 21 graden. Toen Thomas wat aandachtiger om zich heen keek, zag hij dat hij Esmeralda kwijt was. Hij begreep dit niet, want zojuist had ze nog voor hem gelopen, vlak voordat ze hier binnen kwamen. Of was hij toch een ander pad ingeslagen dan zij? Omdat hij zich haast niet kon indenken dat dat het geval was stapte hij omzichtig naar voren om een beter beeld te kunnen krijgen. Misschien stond ze wel ergens in een hoek waar hij haar minder goed kon zien. Rondom de plas met de waterval was een en ander namelijk duidelijk zichtbaar, maar voor de rest van de ruimte moest hij zich echt inspannen om details te kunnen onderscheiden. “Esmé?” bracht hij gespannen uit. “Waar ben je schat?”
Enige reactie bleef uit.
Omdat hij geen idee had hoe goed de ondergrond te vertrouwen was en niet wilde riskeren onderuit te gaan, plaatste hij uiterst behoedzaam de ene voet voor de ander. Instinctief liep hij daarbij met zijn armen gespreid naast zijn lichaam. Mocht hij dan toch nog vallen, dan kon hij zich in zijn reflexen beter opvangen. Het bleek onnodig, de stenen onderlaag was prima beloopbaar. Hij probeerde Esmeralda opnieuw aan te roepen. Ditmaal iets luider dan voorheen. Maar in de grot bleef het akelig stil. Totdat hij dichter bij de lichtbron van het water was gekomen, hij zich langzaam om zijn as draaide en zich wezenloos schrok toen hij van achteren werd vastgepakt. Thomas slaakte een wilde kreet toen hij plotseling door twee handen op zijn schouders werd aangeraakt. Hij schoot naar voren en keerde zich direct naar zijn belager. Vergezeld van een smakelijk gelach werd hij door haar begroet.
“Je was bang hè?” was dadelijk de reactie van Esmeralda, die een grap met haar vriendje had uitgehaald. En ze bleef nog even proesten omdat ze hem zo tuk had gehad.
“Man, ik schrok me kapot met jou!” antwoordde hij met een wrange glimlach. Esmeralda liep op hem toe en gaf hem een knuffel. Dat voelde goed aan. Niet alleen voelde hij zich daardoor minder ontdaan, het was ook wel weer fijn om haar lijf warm tegen het zijne te hebben. Troostend wreef ze hem over zijn rug. Haar borsten drukten daarbij zachtjes tegen zijn bovenlijf. Dat bracht een prettige sensatie in hem teweeg. Net zoals wat ze met haar dijbeen deed, dat ze op een plagerige manier licht tegen zijn kruis had opgetrokken. Thomas voelde een tinteling door zijn onderbuik gaan, en een lichte beweging in zijn short. Het was een liefkozing die wat hem betreft niet lang genoeg kon duren. Alleen was er wat van het pluizige haar dat ze geblondeerd en gestyled had tijdens de omhelzing over zijn neus komen te hangen. Hij trachtte het uit zijn gezicht te blazen, maar dat hielp weinig. Met haar lange volle bos was dat niet eenvoudig. Uiteindelijk ontspande hij zijn greep en hield haar ietsjes van zich af. Twee diepbruine ogen keken daarop recht in de zijne. Ze werden omlijst met haar lange volle wimpers, geaccentueerd door een donkerzwarte mascara, waarmee ze hem nog extra kon betoveren. Verliefd staarden ze elkaar aan. De wereld leek heel even stil te staan. Ook haar volle lippen had Thomas al vanaf het eerste moment dat hij haar zag onweerstaanbaar gevonden. Zo rijk en vol had hij ze nog niet veel eerder gezien. Esmeralda zocht naar een kus. Hij beantwoordde deze maar al te graag. Verrukt sloten ze hun ogen, toen haar als met fluweel beklede lippen contact maakten met die van hem. Twee handen gleden omlaag over de holte van haar rug. Eén ervan vond haar lichtbruine skinny jeans en kneep in haar opgerichte billen. Zot van verlangen pakte Thomas haar nog dieper tussen haar benen en duwde zijn kruis stevig tegen haar aan.
“Wat is dit voor plek?” vroeg hij tussen twee zoenen door, duidend op de afgelegen grot waar ze hem naartoe had gebracht.
“Maakt het wat uit?”
Thomas schudde tevreden en met een brede grijns zijn hoofd. Hij zoende haar opnieuw en liet zijn tong langs die van haar glijden. De speekselwisseling was van korte duur.
“Hier heb ik voor het eerst gemasturbeerd…” zei ze hees en beet vervolgens zachtjes op zijn onderlip. Nu werd de sensatie in zijn onderbuik wel erg intens. En het werd nog heviger toen hij voelde hoe haar hand de bobbel in zijn shorts vastgreep. Die masseerde ze gretig. Toen het kloppend vlees in de palm van haar hand een vol volume had bereikt, trok ze het elastiek dat zijn korte broek om zijn heupen hield naar voren en taste ze naar zijn lid. Dit was het moment waar Thomas de hele avond naar had gehunkerd. Haar vingers omsloten de losse huid om zijn stijf geworden geslachtsdeel en trok deze liefdevol op en neer.
“Maar nu eerst mijn verhaal!” besloot ze al snel en trok vlug haar hand weer uit zijn broek.
Als uit een droom ontwaakt, werd de trance verbroken waarin Thomas was verzonken. Een natte droom in zijn geval. “Oh, jij vuil kreng,” reageerde Thomas fel. Maar op een boze manier was het niet. “Je zit me gewoon te kwellen, mens. Je geniet hiervan, hè, is het niet?”
Esmeralda glunderde en knikte ter bevestiging. Ze smulde ervan. Ze had een paar passen richting de kleine waterval gedaan en boog door haar knieën naar achteren om naar haar enkels te reiken. Daar vond ze het ritsje van haar rode suède schoenen met korte hakjes. Ze trok beide schoentjes uit en zette ze links van haar op de grond, naast haar schoudertas die ze er eerder had neergezet.
“Kom,” zei ze terwijl ze op de grond hurkte om iets uit haar tas te pakken. Ze nodigde hem uit om naast hem op de grond te komen zitten. Daarbij maakte ze met haar vlakke hand een waaierende beweging om de plek te duiden waar ze hem wilde hebben.
“Zo op de koude vloer?” vroeg Thomas haar, omdat hem de vloer te koel had geleken.
“Oh, dat valt reuze mee. Je moet het eens proberen. Maar ik heb ook een dekentje meegebracht,” welke ze dadelijk uit haar tas tevoorschijn toverde. “Al is dat meer voor de harde oneffen ondergrond.” Samen spreidden ze het kleedje. Het was groen en volledig van fleece gemaakt. Ze installeerden zich erop en trokken beide hun broeken uit. Terwijl Thomas zijn driekwartsbroek naast haar skinny jeans op een rots achter hen plaatste keek hij recht in het licht van het water en werd nieuwsgierig.
“Dus waar komt dit licht vandaan? Er is hier helemaal geen lamp of andere lichtbron. Je kunt me moeilijk vertellen dat het maanlicht hier zo’n krachtig effect heeft.”
“Oh, maar hier is een lichtbron,” verzekerde ze hem. “Je kunt het niet zien vanaf hier, omdat de rotsformatie en de waterval het zicht erop blokkeren, maar direct naast de plek waar hierboven een kleine waterloop in de grond verdwijnt, hangt een grote lantaarn aan een haak bevestigd.”
“Huh? Dus dat zou betekenen dat hier mensen komen? Of heb je hem daar zelf bevestigd? Maar dan nog, wie heeft hem dan voor je aangestoken? We zijn de hele dag bij elkaar geweest.”
“Klopt ook. Hij is ook niet van mij. De lamp staat in de tuin van een kluizenaar. Hij heeft hem altijd aan staan. Zo lang als ik hier kom brandt dat ding al. Hij zal hem waarschijnlijk alleen overdag doven.”
“Ja, natuurlijk. Nou wel vriendelijk van die kluizenaar dat hij ons gratis licht verschaft. Het geeft hier in elk geval wel een romantisch sfeertje.”
“Zeker,” besloot ze en schoof in de liggende houding die ze op het kleedje hadden aangenomen wat dichter tegen haar vriendje aan. Haar blote benen sloten zich daarbij tegen zijn licht behaarde benen. Thomas bracht zijn hand onder haar shirt, die ze haar ‘tube’ pleegde te noemen. Het had nog het meeste weg van een bandeau, door de simpele cilindervorm die het had. Liefkozend streelde hij haar buik en cirkelde met zijn hand rondom haar navel. Ze beantwoordde zijn tederheid met een haal door zijn blonde krulletjes, waarvoor ze haar arm over haar hoofd naar achteren boog omdat ze lepeltje-lepeltje waren gaan liggen.
“Weer die slip van jou, hè?” merkte Thomas op, toen hij ontdekte hoe een deel van de stof van haar slip zich in haar bilnaad had opgetrokken. Esmeralda grinnikte. Ze had daar inderdaad vaker last van. Er was bijna geen onderbroek, behalve de paar boxers die ze had, waarvan één helft zich niet in haar bilnaad verborg. Dat was Thomas al vaker opgevallen toen zij in haar ondergoed rondliep of van kleren wisselde. “Nou, vooruit met de geit. Kom maar op met dat akelige sprookje van je,” zei Thomas met een schalks lachje en petste nog even tegen die blote bil. “Ik weet niet hoeveel langer ik het nog vol zal houden met jou. Al kunnen we de daad ook zo beginnen, terwijl jij je verhaal vertelt,” hij trok haar slip bij haar achterwerk wat naar beneden en hoopte dat ze in deze houding nu seks met hem wilde hebben, maar dat hield ze nog even tegen.
“Tut tut, geduld. Anders kan ik mij niet concentreren. Ben je zeker dat je een horrorverhaal als dit wel aan kan?”
“Ik ben ouder dan jij.”
“Dat zegt niets,” Esmeralda draaide haar lijf naar hem toe en lachte neerbuigend. “Dan kun je nog wel bang worden.”
“Kom op nou maar. Ik weet hoe opgewonden jij kan raken als je met je griezelverhalen komt, dus ik heb daar als het goed is alleen maar profijt van.”
“Dat is inderdaad zo,” bevestigde Esmeralda hees en bracht een licht nepkreuntje naar hem uit. Thomas deed net alsof hij erom moest lachen.
“Goed, ik zal je niet langer pesten. Een heel lang verhaal is het nu ook weer niet, maar ik smul ervan en je weet hoe ik ben als ik eenmaal met één van m’n griezelverhalen begin. Het gaat over de waanzinnige ervaring van ene Raquel Salvador, een negentienjarige Filipina uit deze streek, net klaar met haar opleiding aan de Milibili National Highschool in Roxas City en voornemens etnografie te studeren aan de University of the Philippines Diliman in Metro Manilla. Ik ga je vertellen hoe zij in aanraking is gekomen met een Manananggal. Ik zal het niet nalaten om het van de meest gruwelijke details te voorzien.”
Thomas vond alles prima en luisterde aanvankelijk met een half oor, terwijl hij zijn vriendin vol verlangen zachtjes in haar billen kneep. “Raquel was een bijzonder ambitieuze griet, wat haar studiekeuzes aangaat, maar nogal slordig met de planning van leven daaromheen. Ze had geluk met haar aanmelding op Diliman, want de selectieprocedure om bij zo’n universiteit een opleiding te mogen beginnen is niet misselijk. Toen dat lukte, moest ze naar onze hoofdstad Manila in de provincie Luzon verhuizen, wat best veel geld kostte. Daarom zocht ze naar een zo voordelig mogelijke woonruimte en kwam zodoende bij het zoeken naar een kamer of hostel in contact met Pedro Aquino, een medewerker van een hotel in Makati, het commerciële centrum van Manila. Ze ontmoette hem een keer bij het vinden van een geschikte kamer. En nog een keer en nog een keer en nog een keer.”
“Kortom, ze werden verliefd,” gokte Thomas.
“En zwanger.”
“Zo, toe maar.”
“Jazeker, en ingrijpend ook.” Thomas’ strelingen hielden aan, maar Esmeralda liet zich er niet door afleiden. “Voor haar studie was dat rampzalig. Zomaar onbeschermd met hem het nest in te duiken, Raquel was zelf ook geschrokken dat ze dit had toegestaan. Verliefd of niet, ze had er zelfs beter aan gedaan om zich helemaal niet met die Pedro in te laten.”
“Waarom niet?” vroeg Thomas en hield even op met haar te plagen. “Was hij een player of zo?”
“Nee, dat niet. Voordat ze erachter waren klikte het eigenlijk prima tussen die twee en leek er even sprake te zijn van een oprechte relatie. Maar zodra Pedro wist dat ze zwanger was, nam hij geen verantwoording voor zijn daden en liet hij haar vallen als een baksteen.”
“Nou lekker dan. En haar studie?”
“Daar was ze wel mee begonnen, maar ze kwam er nu niet meer aan toe. En het ging van kwaad tot erger toen Pedro haar botweg het appartement uitwerkte door te claimen dat ze haar huur niet had betaald, zodat ze op straat kwam te staan. Ze kreeg niet eens de kans om haar spullen te pakken. Kleding, geld, haar mobiele telefoon en andere persoonlijke bezittingen, het bleef allemaal achter in het appartement. Zelfs haar paspoort bleef in handen van haar ex. En vooral dat was erg gevaarlijk, want op die manier had Pedro haar volledig in zijn macht. Zo kon ze niet aankloppen bij de politie en aantonen wie ze was, ze kon geen aangifte doen en zonder geldig reisdocument kon ze al helemaal niet terug naar huis. Kortom: ze had geen poot om op te staan.”
“Wat een klootzak zeg!” Thomas stopte even met zijn liefkozingen, “Zat ze nu definitief vast op Luzon?”
“Niet helemaal. Want Raquel was geen domme meid. Bovendien was haar situatie zo beroerd dat je vanzelf wel op creatieve oplossingen uitkomt. Compleet ontredderd klopte ze daarom aan bij de universiteit, waar ze haar natuurlijk kenden. Op die manier vond ze iemand die naar haar kant van het verhaal wilde luisteren. Zij geloofden haar en stonden haar toe om haar moeder te bellen, zodat ze haar familie op de hoogte kon brengen van de hachelijke situatie waarin ze verkeerde en zij haar naar Panay konden laten overvliegen.”
“En haar paspoort dan?”
“Corruptie. De Filippijnse autoriteiten laten zich gemakkelijk omkopen. Met een flinke som smeergeld hielpen ze haar aan een nieuw reisdocument en een vliegticket. Nog dezelfde week kwam ze aan op Roxas City Airport en konden ze Pedro laten opsporen om hem te vervolgen. Al snel bleek dat dit echter geen enkele zin meer had; Pedro was een paar dagen voor Raquel teruggekeerd was dood in het appartement aangetroffen. De kamer waar hij normaal op verbleef was één grote ravage. Alsof er een expressionistische schilder aan de gang was geweest, zo waren de wanden en het plafond besmeurd met lange donkerrode halen van zijn bloed. Slijmerige proppen van zijn ingewanden kleefden er langs. Ook over de airconditioning en op de met vliegengaas afgedekte ramen droop een dikke smurrie. De plastic ventilator was aan stukken geslagen. Onderdelen ervan lagen hier en daar op de grond tussen wat er over was van zijn darmen en lever. De rest van Pedro’s karkas lag in uiteengerukte stukken over het bed verspreid, zijn hals lag open en was ontwricht. Op de plaats waar eerder zijn buik had gezeten gaapte nu een groot open gat dat zo diep was dat de ruggenwervels bloot waren komen te liggen. Het krioelde er werkelijk van het ongedierte. Honderden kakkerlakken hadden in het lijk van de jongeman een smakelijke delicatesse gevonden en waren overal te vinden, zowel bij zijn lijk als in de rest van de kamer. Op de schaarse plekken die nog huid viel te noemen hadden ze de typerende brandwonden achtergelaten die het resultaat waren van hun schranspartij. De eerste vliegen waren juist bezig met het leggen van eitjes in de huidopeningen van zijn aangevreten schedel. Pedro was op ongenadig gruwelijke wijze van het leven beroofd. Zijn kamer in het appartement leek welhaast het plaats delict van een uitzinnig exorcisme.”
“Mijn hemel,” reageerde Thomas, die eerder naar atheïsme neigde dan in enige god te geloven, waardoor zijn reactie weinig karakteristiek overkwam. “Wie of wat heeft hem te pakken gekregen?”
Esmeralda glimlachte en staarde in zijn blauwe ogen maar gaf niet dadelijk antwoord.
“Dat zal zo wel duidelijk worden. Al denk ik dat je het wel kan raden.”

Wordt vervolgd.

By achmedlien | February 20, 2013 - 1:39 am - Posted in Duimzuigerij, Navelpad Mysterie, Nederlands, Reuze Navelpad

Een paar straten verderop moet het ongeveer hebben geklonken alsof er hier een hijskraan van een geweldige grootte bezig was in elkaar te storten. Zo dreunde een brommend geluid, dat leek op scheurend metaal, langs de in verval geraakte gebouwen. De klank was echter constant en hield steeds enkele seconden aan om daarna even abrupt te eindigen als het was begonnen. Het geluid paste bij de krachtstraal die door de reusachtige Navelpad werd uitgebraakt. Het scheen een hel wit licht uit. De energiebundel sneed door de bouwwerken als ware het een mes dat door boter gleed. Het liet letterlijk alles verdwijnen waar het mee in aanraking kwam. Zombies verpulverden als fruitvliegjes onder een gasbrander en bleef niets meer van over dan een schamel hoopje stof dat dwarrelend op de natte aarde neerzeeg. Het regenwater, dat zich in de straten in plassen samenpakte en steeds meer in volume aanzwol, verdampte op sommige plekken zodra de lichtgevende straal er doorheen kliefde. Hoog boven de bouwwerken rees de gigantische Navelpad. Hij draaide langzaam met zijn kop waardoor hij zigzaggende een pad van vernieling aanbracht. Zompend marcheerde hij door het modderachtig terrein en drukte links en rechts de gebouwen als kartonnen dozen opzij, de vernietigende bundel voortdurend voor zich uit gericht. Af en toe pauzeerde hij even om diep adem te halen, waarna hij nieuwe krachten verzamelde en verder ging met de vernielslag.
Hij was een meester in het kanaliseren van energie. Waar de andere navelpadden het moesten doen met opgeslurpte roem, kon de Reuze Navelpad ook het gevoel van onrecht converteren. En zolang dat besef en die emotie in hem de dienst bleef uitmaken, kon deze prehistorisch uitziende verschijning nog wel even zo doorgaan. Door het onrecht werd zijn brein uitgehold en had het van hem een mythisch monster gemaakt. Gedreven door wraak als gevolg van alle onschuldige levens – waar graaf Schaurig schuldig aan was – botvierde hij zijn woede op de zombies. Met tientallen tegelijk vergruisde hij hun lichamen en bracht een rampage teweeg die zijn weerga kennen zou. Het ene na het andere bouwwerk moest het ontgelden. Steeds minder ging het hier om de Aziatische kunstwerken en structuren. Pagodes, tempels en andere sierlijke onderkomens en religieuze ruimtes maakten plaats voor Europese architectuur. De Reuze Navelpad en Retroman waren eindelijk bezig de Chinese doolhof te verlaten.
Het gebied dat zij betraden bestond steeds meer uit nog hogere bebouwing. Dat wil zeggen, als de pad er niet was geweest om alles met de grond gelijk te maken. Flatgebouwen sneed hij als grassprieten van hun fundamenten en hij liep daardoor spoedig door wolken van gruis die de instortingen tot gevolg hadden. Onder één van de flats werd hij zelf zowat bedolven toen zijn energiebundel het half doorkliefde en het bouwwerk pas echt naar beneden kwam toen hij er voorbij liep. Retroman was wat dat betreft blij dat de pad hem precies op de andere schouder had geplaatst, anders had hij het puin vast en zeker op zijn kop gehad. In plaats daarvan bezeerde de Reuze Navelpad zich zelf aan de andere zijde en werd door de klap uit balans gebracht. Nadat hij zich had hersteld was zijn driftbui alleen nog maar erger geworden. Het was alsof je al chagrijnig bent en vervolgens ook nog eens je hoofd onzacht tegen een keukenkastje stoot. Zijn reactie ging andermaal met een paar flinke oerkreten gepaard, waarna hij extra baldadig werd en zijn nabije omgeving tot op de laatste baksteen afbrak.
Retroman dacht ondertussen dat hij in één van de wildste attracties ter wereld was beland. Het komvormige deel van de schouder mocht in rusttoestand hebben gezeten als een luie stoel, hij wiegde er nu zo wild in heen en weer dat hij er goed misselijk van werd. Tot spugen kwam het niet, hij zou met zijn lege maag hooguit wat slijm hebben kunnen opgeven, maar hij begon zich in de slappe toestand waarin hij al verkeerde wel steeds beroerder te voelen. Al had hij niet te klagen over de frisse lucht die op deze hoogte af en toe kwam aanwaaien en hem van verse zuurstof voorzag. Verder waren de condities erbarmelijk. Alhoewel de stortbui in kracht was afgenomen, miezerde het nog flink door, waardoor zijn gestel en zijn onderkomen de kans niet kregen om op te drogen. Een koutje had hij zo gevat. De ruwe bewegingen op deze hoogte oefende ook de nodige G-krachten op hem uit. En zodra de Reuze Navelpad weer een gebouw omver had getrokken, kon de lucht tussen de verse teugen zuurstof toch zo stoffig en ijl worden, dat hij het soms moest uitproesten om de troep uit zijn longen te krijgen. Desalniettemin nam de manhaftigheid van de ninjastrijder weer toe en jeukten zijn handen om ook een steentje bij te dragen. De vernielingen die de pad aan Gohes City aanbracht keurde hij af, maar hij was inmiddels zo verslaafd geraakt aan potje matten met de zombies, dat hij het ergens wel jammer vond dat hij zo geïsoleerd zat. Daarom besloot hij de pad maar wat te gaan aanmoedigen.
“Hatsikidee! Geef ze van katoen Pad! Hier rechts zijn er nog een paar. En daar langs dat oude postkantoor ook nog wat.” Retroman wees schuin voor hen waar nog wat ondode figuren zich ophielden. Dadelijk verplaatste de luidruchtige straal energie zich naar die richting en gingen er weer heel wat gedrochten in rook op. “Karbonade, wat een geweld!” Bij iedere krachtstoot die werd uitgebracht had Retroman de neiging om dekking te zoeken. Hij zat veilig, maar alleen al om het bulderende lawaai zou je in je broek schijten van angst. Bovendien zorgde de luchtverplaatsing die het tot gevolg had ervoor dat je je voortdurend ergens aan vast moest klampen om niet zelf ook omver geblazen te worden.
Ondanks het zinloze verzet toonde de zombies zich strijdbaar. Ineens zag Retroman hoe een stel zombies verderop bezig was om de inboedel van een verlaten kantoorgebouw naar straatzijde te schuiven. Ze bevonden zich op een hogere etage dan de hoogte waarop hij zelf op de schouder van de pad zat, zodat hij het zag gebeuren dat hij de hele inventaris op zijn knar zou krijgen. Druk maken over hoe deze hersenloze gevallen überhaupt in staat waren zichzelf tot zo’n actie te mobiliseren maakte hij zich niet. In plaats daarvan trachtte hij de aandacht van de Reuze Navelpad te krijgen, zodat hij hem kon brengen tot het afwenden van het dreigende gevaar. Die was echter zo opgenomen in zijn uitzinnige vernielzucht dat hij Retroman eventjes niet hoorde schreeuwen.
“Hé Pad! Ze proberen ons hier te begraven onder een stapel papierwerk!” Weinig op zijn gemak zag Retroman hoe een stel archiefkasten tussen de sponningen werden opgesteld waar eerder een groot glazen venster had gezeten. “King Kong! Volgens mij krijg ik hier dadelijk een stel belastingaanslagen op mijn harses daar word je misselijk van! Blijf een beetje opletten wil je? Eh… Pad!?”
Het gat tussen hen en het kantoor aan hun rechterzijde werd steeds kleiner. Retroman kroop zo dicht mogelijk naar de nek van de pad en dook ineen. De zombies die in de startblokken stonden om de archiefkasten het laatste zetje te geven wachtten hun kans meesmuilend af. De Reuze Navelpad stapte steeds dichterbij en was nog vooral bezig met het vertrappen van zombies die rond zijn voeten wegvluchtten. Uiteindelijk was het moment daar dat de paar zombies in het kantoor de kasten door het venster naar buiten duwden. Drie stalen omhulsels vol met dossiers buitelden tussen de gebouwen naar beneden. Dit zal je niet leuk vinden, dacht Retroman, maar een andere keuze heb ik niet. Hij trok het samuraizwaard weer uit de schede en prikte ermee in de schouder van de Reuze Navelpad. Hij deed dit precies zacht genoeg dat het voor de pad moest hebben gevoeld als een muggenbeet. De intentie om hem de pijnigen had hij niet, maar hij moest koste wat kost zijn aandacht hebben. De pad reageerde geïrriteerd en zag nog net op tijd wat er gaande was. Hij braakte een nieuwe straal energie uit en richtte die op het kantoorgebouw. Retroman dook opnieuw weg en maakte van de mogelijkheid gebruik om onder de kin van deze gigantische pad dekking te zoeken, nu zijn gezicht de andere kant op was gedraaid.
Dit bleek niet nodig. De allesvernietigende energiebundel loste het gehele dreigende tafereel in een oogwenk op. Na een oorverdovend kabaal was een gapende gat in een rij kantoorgebouwen het enige dat er overbleef. Puin van bovenliggende etages stortte neer en zorgde voor de nodige stofwolken. De archiefkasten waren weliswaar niet geheel verpulverd, maar het merendeel wel, zodat al wat er naar beneden kwam vooral de inhoud was die het bevatten. Als een papierregen dwarrelden enkele losse vellen tussen het stof in het losledige naar beneden, terwijl de grotere en zwaardere massa’s papier op het natte asfalt neer donderden.
“Wauwzers!” bracht Retroman uit en na enig aarzelen kwam hij opgelucht weer onder de kop van de pad vandaan. De kin draaide zich weer naar links van hem weg. Verheugd dat hij niet was begraven onder het stalen meubilair maakte hij een vreugdedansje. Trots griste hij één van de documenten uit de lucht en was nieuwsgierig of ze nu inderdaad met het belastingkantoor hadden afgerekend. Hij had namelijk nog een aanslag thuis liggen die hij nog niet had betaald. Omdat hij het document aanvankelijk ondersteboven hield moest hij het wel eerst omdraaien. Toen hij zag dat de papieren patiëntengegevens bevatten, vond hij dat ergens wel jammer. Blijkbaar hadden ze een kantoor van de Gezondheidsdienst te pakken of iets dergelijks en helemaal niet het bureel van ’s lands meest gehate pennenlikkers. Desondanks was hij fier met deze kleine overwinning en draaide zich al dansend om. Hij wilde hier nog even van genieten. Hij liet het gapende gat tussen de andere bouwwerken nog even op zich inwerken en trok een lange neus naar de zombies.
Pok!
En daar lag Retroman ineens languit over de schouder van de gigantische Navelpad. Hij wreef even over een pijnlijke plek op zijn achterhoofd en keek vervolgens op wat hem daar had geraakt. Vergezeld van enkele sterretjes die naar de buitenzijde van zijn gezichtsveld dreven, staarde Retroman humeurig naar een vlaggenstok die zich inmiddels steeds verder van hem verwijderde. Nors richtte hij zich weer op en trok een kinderlijk grimas.
Al die tijd bleef de Reuze Navelpad zich door een hoofdstraat in deze wijk verplaatsen. De Bellatrixstraat vormde een belangrijke verkeersader in het wegennet dat zich rondom het centrum sloot. Er waren onder andere verzekeringskantoren en overheidsbedrijven gevestigd. Eveneens huisveste het enkele tientallen ambassades waaronder de Surinaamse waar Retroman juist een tik van kreeg uitgedeeld. Na het passeren en ontwijken van de Italiaanse en ook de Indonesische vlag hield het amfibische vervoersmiddel ineens halt. De lucht was inmiddels opgeklaard en de regenbui volledig weggetrokken. Onder hen op straat werd de onderbreking dadelijk door de zombies opgemerkt. Ze wisten even niet of ze moesten vluchten of juist moesten aanvallen. In plaats van voor één van beide te kiezen, keken ze omhoog. De Reuze Navelpad staarde bewegingsloos voor zich uit. Zijn blik was op de verte gefixeerd en hij liet zijn armen slap langs zijn lijf bungelen. Retroman, die eerst niet door had dat er wat aan de hand was, zocht naar zijn zwaard – dat gelukkig niet naar beneden was gedonderd – en zette zich weer schrap voor een volgende strijd. Maar al gauw kreeg hij door dat er iets raars gaande was.
De Reuze Navelpad had aan de horizon iets afwijkends in het vizier gekregen. Wezenloos, zo leek het althans, staarde hij naar een vreemde beweging dat zich een flink aantal wijken verderop afspeelde. Lichtflitsen markeerden de locatie waar je eveneens een donker gedruis kon ontwaren. De pad werd bang en boos tegelijk. Hij begon onregelmatiger en oppervlakkig te ademhalen. Wat het precies was kon hij niet goed zien, maar hij was er zeker van dat er dichter bij het centrum nog een groot monster aanwezig was. Of het ook een pad was, zoals hijzelf, daar was hij alleen niet zeker van. Maar een verontrustende ontwikkeling was het zeker. De pad begon te hijgen. Zijn schouders bewogen mee met elke teug adem die hij naar binnen zoog en weer uitblies. Zijn borstkas kwam duidelijk op en neer en zweet begon zich met liters te gelijk op zijn huid te verzamelen. Deze gigantische Navelpad raakte overstuur, want wat het gedrocht daar verderop in de stad ook mocht wezen… het was in elk geval de aanleiding geweest waarom meneer De Graaf in de eerste plaats de Reuze Navelpad tot leven had gewekt!

In een tijdsbestek van nog geen minuut werd er meer cement, steen en glaswerk aan gruzelementen geschopt en geslagen dan een gemiddelde fabrieksexplosie teweeg kon brengen. De Reuze Navelpad ging nu finaal door het lint. Met een ijzeren vuist ramde hij alles binnen handbereik nog eens flink in elkaar en trok vervolgens een sprint richting de binnenstad. Zo woedend en krachtig als de Hulk, beende hij door de naar het centrum leidende straten en maakte soms sprongen die alleen van een pad afkomstig konden zijn. Retroman had nu geen andere keuze dan zich maar vast te klampen aan het enige waar hij houvast aan kon vinden. Hij perste zijn vingers in een huidplooi en kon alleen maar hopen dat hij het samuraizwaard niet verloor of dat hijzelf op de grond donderde. Een sliert kots die het gevolg was van de geweldige krachten die zijn beurse lijf moest ondergaan kon hij alleen niet binnenhouden. Dit was een rollercoaster van ongekend formaat. Zolang de pad vooruit bleef rennen hield hij grip, maar op enig moment ging het compleet mis. Abrupt stopte de pad met rennen en slingerde hij zijn ninjavriend automatisch van zijn schouder. Retroman zeilde door de lucht, verloor zijn zwaard en vloog met een snelheid van tegen de honderd kilometer per uur door het venster van een groot warenhuis. Versplinteren hoefde het raam niet meer, want met de meeste ruiten in de stad hadden de zombies en navelpadden toch al afgerekend. Hij stuiterde op een meeverende ondergrond en draaide om zijn as naar het volgende gelijkaardige voorwerp dat hem vergevingsgezind bleek. Op de meubelafdeling waarin hij terecht was gekomen zorgden meerdere bedden ervoor dat zijn val werd gebroken, totdat hij uiteindelijk een onzachte aanvaring kreeg met een kamerlamp die hem de laatste koerswijziging richting een kledingkast bezorgde.

Kakelend als kippen brachten de kauwtjes een driftig gekwetter voort terwijl ze een veilig heenkomen zochten op de daken rondom het marktplein. Vuil zoals plastic tasjes, gebruikte servetten, puntzakken waar ooit friet in had gezeten en lege blikjes frisdrank ritselden en rammelden langs de verlaten kraampjes. Tevreden het kenmerkende tsjak-tsjak geluid voortbrengend, kroop één van de kraaiachtige vogels tegen haar mannetje aan, die reeds eerder op hun nestje zijn plek had gevonden. Met haar bek legde het vrouwtje een vingerkootje opzij dat haar in de weg lag en draaide vervolgens haar kop nog eens op naar haar inmiddels zelfstandig geworden kroost boven op een schoorsteen die hun bek nog vol hadden met etensresten die ze kort ervoor bij elkaar gefoerageerd hadden.
Temidden van enkele honderden skeletten die de markt bevolkten lag het gigantische lijf van de Reuze Navelpad over de verschillende kraampjes gevouwen. Op de grens van de eerste ringvormige grachtengordels met de binnenstad bevond zich dit uitgebreide doch knusse winkelcentrum. Een trambaan begrensde het plein aan de ene kant, de gracht vormde de andere grens. Een gebouw dat in een punt toeliep was de lokale supermarkt, meer naar het andere einde was de patatzaak en waren hier de kledingzaken eens de drukst bezochte modewinkels in de straat die in het verlengde lag van dit plein. Donderdag was er altijd markt. Er was op die dag dus voedsel in overvloed. Marktkooplui, dagjesmensen, koopjesjagers, moeders met kinderen, passanten, ze vielen op die noodlottige dag allemaal ten prooi aan de navelpadden en de eerste zombies.
Nu was het alleen de wind, die er langs de stellingen in een krullende beweging het enige geluid voortbracht. Huilend. En steunend zo nu en dan. De pad was de enige, behoudens een vluchtige passagier, de vogels en de natuurlijke elementen, die het marktplein nog een bezoek waardig achtte. Roerloos was hij. Vijf paden met onverkoopbaar geworden waar hield hij bezet. Hij zuchtte niet en verroerde zich niet. En zo bleef het even totdat zijn lichaam langzaam ineens in volume begon af te nemen, als een sneeuwpop die smolt voor de zon. De pad kromp en slonk uiteindelijk terug naar zijn oude postuur. Naakt was hij al. Dus hij had geen kleding waarin hij nu verzuipen kon omdat de rek eruit zou zijn. Het enige wat hij al die tijd bij zich had gedragen en onmogelijk met zijn maatje XXXXXL kon meegroeien, was het kettinkje om het zakhorloge. In een plas speeksel lag dat nu naast hem op de klinkers. Uit zijn mond gespuugd. Opgeboerd, evenals al de anagrammen die hij eerder had uitgebracht om op die wijze namen te kunnen onthouden van personen die hij maar heel even had gekend.
Zwemvliezen.
Tientallen spillepoten liepen plotseling voorbij het bewegingsloze lijf van de eens zo reusachtige Navelpad. Het waren zijn soortgenoten. Navelpadden van de gemeenste soort. Allen waren ze op weg naar Het Mierennest, het warenhuis dat huisnummer 1 tot en met 8 van het marktplein besloeg. En ze kwamen hier nou niet bepaald omdat ze een nieuw bed nodig hadden.

Toen Retroman weer voor het eerste zijn ogen opende, proefde hij eerst de bittere smaak van zijn eigen bloed direct gevolgd door een scherpe pijn van splinters in zijn aangezicht en een gebroken lijf. Hij trachtte zich in een andere positie te manoeuvreren, maar staakte dadelijk zijn pogingen toen hij merkte dat de pijn daar alleen maar erger van werd. Hij knipperde nog eens met zijn ogen, waar godzijdank geen splinters of andere ongenode zaken in terecht waren gekomen en probeerde zich een beeld te vormen van zijn landingsplaats. Vanuit de positie waarin hij lag zag hij alleen een houten vlak. Wanneer hij echter opzij keek zag hij aan één zijde en muur in gebroken wit en aan de andere zijde iets wat leek op een bed. Het duurde even voordat Retroman door had dat hij de achterwand van een kledingkast had doorkliefd en nu dus met zijn middel vastzat tussen een paar gebroken delen van het inmiddels deels versplinterde bordkarton waar dat uit was opgebouwd.
Boven hem werd hij ineens een gedaante gewaar. Hij probeerde de pijn te negeren en keek omhoog om ook hiervan een beter beeld te krijgen. Retroman was echter dusdanig toegetakeld dat het licht bij hem weer doofde zodra hij meende dat hij in de gedaante een persoon herkende die gehuld was in een zwarte mantel, een kap over zijn hoofd droeg en in zijn rechterhand een zeis vasthield.

Wordt vervolgd

By rinaoddel | February 1, 2013 - 5:08 pm - Posted in Gevleugelde Uitspraken, Nederlands, Verbaal Genot

Uitgesproken door: Vincent

Datum: vrijdag 1 februari 2013

Last van indalers?