By Fritsz Otto Graaf | November 21, 2016 - 7:13 am - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Duimzuigerij, Nederlands, Rijmende kunsten

Inspiratie sijpelt er langs mijn slapen, tergend traag.
Mijn gift verjaagt mijn rust, wordt zelfs een plaag.
Een martelend refrein van schone woorden.
Dat als een mug mijn nachtrust komt vermoorden.
Voor mij om te kunnen slapen, moet ik naar het schijthuis gaan.
Krachtige tekst oppennen, geschreven tijdens de volle maan.
Ingegeven tijdens nachtmerries en vreemde dromen, is dat niet raar?
Een meesterwerk verzonnen, maar daarom nog niet onwaar.

By achmedlien | February 19, 2016 - 10:54 pm - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Duimzuigerij, Nederlands

“Beroofd van mijn recente ervaringen en enig besef waar ik een moment hiervoor was geweest, lag ik daar, naakt en afgedekt onder een wit laken op een kille metalen operatietafel, althans, dat is wanneer ik mag geloven dat mijn ogen mij niet bedrogen. Felle lichten uit lichtbronnen nog geen meter boven mij, priemden recht in mijn gezicht en maakten dat ik moeite had alles om mij heen op normale wijze te kunnen aanschouwen. De lucht was zwaar en vochtig en het ademen ging bijzonder moeizaam. Tussen het schijnsel door ontwaarde ik op enig moment drie gedaanten, schaduwbeelden van figuren waar ik maar moeilijk de gezichten van kon scherpstellen, maar hun ogen waren angstaanjagend, zoveel kon ik er wel van zien.

Toen nam een benauwend gevoel bezit van mij, zodra ik doorkreeg dat ik met handen en voeten aan de tafel lag vastgebonden…”

By achmedlien | January 18, 2015 - 3:38 pm - Posted in Droomverhalen, Duimzuigerij, Nederlands

Afgelopen nacht had ik weer zo’n droom die uit meer lagen bestond, een schoolvoorbeeld lucide dromen, qua constructie net zoiets als uit de film Inception. Dus ik was continu bezig met wakker worden. Bij iedere keer dat ik wakker werd, werd ik wakker in een andere droom. Net zo lang totdat ik uiteindelijk weer terug kwam in de realiteit en ik dus niet meer droomde dat ik was ontwaakt, maar echt wakker was. Het waren allemaal geen echt gezellige dromen. Nachtmerries dus. Eerst droomde ik dat ik toeschouwer was van een dansvoorstelling van kinderen. Op den duur veranderden deze kinderen in bejaarden die op handen en voeten liepen en zich aan het uitkleden waren. Het moment dat ik daarop mijn hoofd van hen afwendde, waren de andere toeschouwers verdwenen en keek ik vervolgens naar een lege loods. Al snel kreeg ik door dat dezelfde bejaarden jacht op mij maakten en waren zij inmiddels nog meer misvormd dan daarvoor. Ik wilde weer wakker worden en kwam in een nieuwe scene terecht dat bestond uit een ondergelopen gewelfd gangenstelsel met hier en daar ruimtes die vol lagen met zand. Toen ik ook daar werd opgejaagd door een enkele duistere figuren, probeerde ik opnieuw naar een andere realiteit te vluchten. De misvormde bejaarden waren ondertussen verder gemuteerd en deden zich voor als schimmen.
Kort daarop geloofde ik weer dat ik wakker was geworden. Ditmaal was ik echter terecht gekomen in mijn slaapkamer toen we nog in Hoorn woonden. Maar in plaats van het vertrouwde bed van destijds stond er nu een klimrek van rode nylon touwen in mijn slaapkamer. Ik klom erin om beschutting in te zoeken, maar de touwen verfijnden zich tot dunne tot oersterke dunne draden die zich als spinnenraggen begonnen samen te pakken. Zodra ik mijn keel afgesneden voelde worden kwam er via de trap een van ledematen aan elkaar geplakt monster mijn kamer binnen met op de achtergrond het gloeiend schijnsel van vuur. Je zou haast denken dat dit monster recht uit de hel de trap op klom, mijn kamer in. Ik begon heel hard om hulp te schreeuwen, maar ik wist dat wanneer ik nog niet wakker was dat grote moeite zou kosten, omdat mijn hersenen mijn echte stembanden nog niet konden aansturen.
Uiteindelijk leek ik in de volgende realiteit toch echt wakker te worden en staarde ik meteen naar onze alarmklok om te zien hoe laat het was. Het was 05:33 uur. En terwijl ik naar de klok keek, staarde ik ook naar een witte schim die naast mijn bed lag. Hij zweefde boven de grond en lag precies in dezelfde houding als ikzelf. De schim was spierwit en straalde een fel licht uit. Bovendien was hij doorzichtig en kon ik het bloed door zijn aderen zien stromen en zijn ingewanden in bedrijf zien. Alles om die schim heen begon te vervagen en werd steeds donkerder. De spierwitte schim bepaalde mijn gezichtsveld. Op enig moment kreeg ik door dat ik naar mijzelf zat te kijken en dat de schim een spiegelbeeld moest zijn van mijn eigen ziel . Op dat moment begon de ziel mij op te zuigen – of ik hem. Ik schreeuwde opnieuw om hulp en werd ten slotte toch echt wakker.
Daar lag ik dan, badend in het zweet, schreeuwend om hulp terwijl mijn ledematen nog verlamd waren van de slaap. Mijn ademhaling reageerde normaal en was rustig, maar ik zag nog niks. Het enige wat ik hoorde was het slapen van mijn vrouw naast me en het geratel van mijn pc die ik de avond ervoor de taak had gegeven om 143 Windows Updates te installeren. Juist op dat moment was hij met dat proces klaar en schakelde de computer zichzelf uit. Kort daarna kreeg ik ook controle over de rest van mijn lichaam en kroop ik over Jenny heen om te kijken naar de bron van een vreemd geluid dat ik buiten hoorde. Het bleek een vroege automobilist die onder het licht van een straatlantaarn problemen hard vooruit te komen, in de dwarrelende sneeuw…

By kornelisoflook | February 24, 2014 - 5:02 am - Posted in Droomverhalen, Duimzuigerij, Galbakkerij, Nederlands

Deze ervaring is gebaseerd op een waar gebeurde nachtmerrie…

Toen ineens rook ik iets wat ik van mijn leven nog niet geroken had. Ik werd wat draaierig en zakte langzaam ineen. Waar ik mij bevond laat zich lastig omschrijven. Het houdt zich op tussen de kades van het typerende plaatsje Volendam, onder apocalyptische weersomstandigheden, en een soort bedrijfsruimte waar de volgelingen van de duivel mijn collega’s zijn. Doordat ik op de zandachtige grond was komen te liggen kon ik onder de werkbank voor mij nog net de poel zien pruttelen die als een zwembad in dit bouwwerk was ondergebracht. Zo stel ik mij ook voor dat de werkvloer eruit moest hebben gezien. Ik ben ervan overtuigd dat ik werknemer of slaaf was. Wat door moest gaan voor een kaderand had de hoogte van een stoeprand met dito structuur en dimensies. Het vertrek was bijzonder donker. Waar de verlichting vandaan kwam is mij een raadsel. Lampen of andere aardse verlichting kon ik nergens spotten. Het zwembad in de hel kookte niet, maar leek mij eerder een bak met een slijkachtige substantie in de kleuren van afkoelend lava en modder uit het meest verdorven moeras. Impachtige wezens passeerden mijn twijfelachtige gestel en negeerden mij volkomen. Het was alsof ze mij niet eens opmerkten of dat ze dat niet wilden omdat het uitvallen van medewerkers er nou eenmaal bij hoorde en dat ik later op de dienst vanzelf als een soort restafval zou worden opgeruimd.
Achter mij ontdekte ik ineens wat mij onpasselijk had gemaakt; mijn trouwe metgezel, een gemuteerde vorm van een schildpad, was al enige tijd ziek en had zijn maaginhoud over mijn dikke ontblootte kuit overgegeven. Hij en ik moeten hier al langer hebben gewerkt, onder deze erbarmelijk omstandigheden en het moge duidelijk zijn dat het hem te veel is geworden of dat hij zwaar is geïnfecteerd door een virus uit de onderwereld. De gifgroene uiterst dunne kots beet enorm en ik werd er hoe langer hoe misselijker van. Daarom richtte ik mij op en vond er op de werkbank iets wat er vertrouwd uitzag als een wastafel. Om mij heen maakte de dubieuze bedrijfsruimte plaats voor een meer vertrouwde omgeving, in elk geval iets dat ik begon te herkennen als het interieur van de sanitaire ruimte waar mijn collega verslaggevers van de Tycoon Newspaper zich nog wel eens wilde terugtrekken als zij even naar hun eigen gezeik wenste te luisteren.
Maar bij Gsor almachtig. Wat was dit? Zodra ik er mijn maaginhoud in begon te ledigen kreeg ik de indruk dat aliëns bezit van mij hadden genomen. Grote brokken kots moest ik er door mijn strottenhoofd naar buiten duwen, al ging het evengoed met een vaart waar mijn menselijk gestel geen weerstand tegen kon bieden. Eén voor één schoten ze naar buiten, als organisch resten die een afvoer verstopten en plotseling losschoten omdat de loodgieter apparatuur op een gootsteen had geplaatst en de troep er onder hoge druk uitpersten. Mijn knieën knikten en ik had de grootste moeite om mijn rechtopstaand te houden. Ondertussen beet het braaksel waar ik misselijk van was geworden nog altijd in mijn kuiten en hoorde ik hoe de buitenaardse schildpad achter mij zijn laatste adem uitblies. Onderwijl ging het uitkoren van, Gsor mag weten wat voor materiaal het was, onverbiddelijk door. De restanten van mijn maaginhoud blies ik onder grof geweld tegen de muur, want het overgeven ging zo ongecontroleerd dat het kokhalzen mij ertoe dwongen om mijn hals als een op hol geslagen tuinslang in de rondte te slingeren. Wat was dit toch wat ik hier uit mijn ingewanden naar buiten spoog? Het leek wel alsof ik een heel nest van ratten die ik naar buiten werkten en wekenlang in mijn maag hebben liggen rotten. In de momenten dat ik even de kans kreeg om te zien wat er langs de tegels droop kreeg ik wel de indruk dat het zoiets geweest moest zijn. En al helemaal toen ik het kenmerkende natte zwarte harige achterlijf van één van hen, onder opnieuw een heftig salvo tegen het interieur zag verschijnen. Door mijn maagslijm (was dat wel van mij?) plakte het ongedierte er tegen de wand en begon het langzaam wat naar beneden te glijden. Klaarblijkelijk is het ook al die tijd binnen in mij voor een deel in leven gebleven, terwijl het toch heeft zitten rotten; de vette rattenstaart sloeg nog enkele malen spastisch tegen de smoezelige tegels aan de muur.
En toen gebeurde het; op het moment dat ik het idee had dat mijn eiwitten begonnen te koken en mijn gelaat een koortsachtige temperatuur oversteeg bezweek ik. Met mijn logge lijf trok ik de bak van de gootsteen, die het glazuur allang verloren had, in stukken en zeeg ik met mijn logge lijf op de toiletvloer neer. In mijn toch altijd al zweterige ondergoed maakten de laatste darmgassen zich los en kwamen stukken ontlasting en brokken darm naar buiten, met de kleur van de zuiverste diaree. Slierten bloed en diep donkerbruine strengen van mijn darmkanaal plakten er in volle glorie tegen het eens zo witte katoen terwijl daarachter nog beweging was. Mijn hals was aan gort. De huid van mijn nek was in stukken getrokken. Het bloedde leeg alsof iemand er met een Stanleymes zijn signatuur in had geplaatst. Op het laatst staarde ik er langs de poel van mijn eigen kots over de tegels van ons toilet en liet ik het leven toen uit mijn anus toch nog iets naar buiten kroop. Eén ervan had het toch nog overleefd. Het was een rat.

By tinusicket | May 3, 2013 - 4:13 am - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Nederlands

Zolang nachtmerries en monsterverhalen bij verzinsels en fictie blijven is er niets aan de hand. Maar zodra je zo ziek bent dat je in je slaap een levendige belevenis doormaakt waarbij je die zaken niet meer van echt weet te onderscheiden, slaat de angst ook mij om het hart. In deze dagen heb ik het weer eens flink te pakken en worden de klachten die ik gewoon ben om te ervaren vergezeld van migraine en een stevige verkoudheid. Daarnaast heb ik (soms zeer heftige) darmkrampen, duizeligheid en overdreven behoefte aan slaap. Inmiddels zijn mijn dag- en nachtritme zo goed als omgedraaid. Normale dagelijkse bezigheden zijn extra inspannend voor me en ik ben ook gauw moe en kribbig. Dat laatste zijn dus de ‘normale symptomen’.
Afgelopen nacht heb ik een intense en bijzonder nare droom gehad. Geëmotioneerd werd ik ervan wakker, omdat het allemaal zo echt en dichtbij was. Ik droomde dat ik in mijn ouderlijk huis was en, zoals dat gaat in dromen waarbij allerlei zaken heel ‘logisch’ door elkaar lopen, was ik in de woonkamer aan het werk. Dat leek allemaal heel goed te gaan en ik vond het ook eigenlijk wel acceptabel dat mijn collega’s er door de woonkamer heen liepen en koffie nuttigden, totdat er ineens een stevige brand uitbrak. Iemand had het lumineuze idee opgevat om een ontelbaar aantal televisieschermen op elkaar aan te sluiten. Zoals je spiegels tot in het oneindige herhaald ziet worden wanneer je er twee tegenover elkaar opstelt, zo zag ik deze opstelling ook ongeveer voor me, maar dan in één richting schuin van mij. De woonkamer was wel iets groter dan ik gewend was, maar verder leek het in proporties gewoon te kloppen. De idioot die het in z’n kop had gehaald om die tv’s allemaal tegelijkertijd aan te zetten, had kortsluiting veroorzaakt. Direct werd er alarm geslagen. Mijn collega’s, deels van mijn vorige werkgever, elektronicazaak Expert, en deels van de iets recentere werkgever, de GGD, zorgde netjes dat de protocollen werden afgewerkt om de mensen veilig naar buiten te brengen, maar ik had zelf al gauw een beetje het idee dat ze mij aan mijn lot overlieten en ik dus voor mezelf moest zorgen. Ik zag nog hoe iemand mij op een paal wees, waar in een kantoorpand meestentijds elektriciteitskabels samenkomen om werkplekken van stroom en netwerk te voorzien. De knop voor de slow-whoop was daar aanwezig. Ik drukte erop en begon zelf ook met ontruimen. Ik griste mijn werk- en privé telefoon bij elkaar en zocht heel even naar mijn portemonnaie, die ik vervolgens maar niet kon vinden. Ik gaf mijn i-Pad een slinger naar een richting waar ik van plan was dadelijk langs weg te vluchten en bedacht mij ineens dat ik veel belangrijkere zaken aan mijn hoofd had: mijn dochter lag boven nog te slapen!
In blinde paniek stormde ik de trap op. Waar dat  normaal gezien misschien een tiental seconden in beslag zou nemen, was ik nu in een oogwenk boven en op haar kamertje. Ze lag vredig in haar wiegje te slapen in een ruimte wat in het echt de slaapkamer van mijn jongere zusje zou moeten zijn. Volstrekt onsamenhangend dus. Ondertussen nam de brand beneden toe en begon de rook zich in het huis te verzamelen. Ik probeerde nog een lichtknopje aan te knippen, om Joaquima zorgvuldiger uit haar bed te kunnen liften, maar een vonk uit het plafond herinnerde mij aan de kortsluiting. In allerijl tilde ik haar uit haar bedje en rende richting het trappengat. Helaas, daar kon ik niet meer langs naar beneden. Ik moest dus een andere vluchtroute gaan zoeken. Maar in plaats van dat de fictie hier nu een beetje mee zat, was de woning waarin ik mij bevond natuurgetrouw aan hoe mijn ouderlijk huis echt in elkaar stak: geheel volgens de constructie van een maisonette flat. Wat zoveel betekent als dat iedere woning uit twee woonlagen bestaat en dan met drie huizen op elkaar. Wij bevonden ons daarom op de vijfde en zesde verdiepingen. Nu kwam mijn volgende angst: tezamen met mijn dochtertje, die ik in haar trappelzak al huilend in mijn armen had, was ik naar de slaapkamer van mijn ouders gegaan. Daar legde ik haar op hun bed omdat ik beide handen nodig had om het kantelraam open te draaien. Ik pakte mijn meisje weer op en tuurde uit het venster naar buiten. Ik schreeuwde enkele hulpkreten, zo hard ik kon:
“Help! Red ons! Brand!”
Goddank waren onze huidige buren – dus niet die er toen naast ons woonden – die me te hulp schoten. Ze reikte al met hun armen naar boven om me te helpen, maar ik wist niet goed hoe ik ons nu in veiligheid kon brengen. De diepte waarin ik beneden op de parkeerplaats de auto’s en inmiddels ook de brandweerwagens zag staan, leek wel op de bodem van een ravijn. Met andere woorden, mijn hoogtevrees speelde op. Als via de special effects uit een slechte film, nam de afstand tussen de parkeerplaats en het venster waar wij ons bevonden toe. Het was net alsof iemand de tijd en ruimte uit elkaar trok zoals je wel ziet wanneer ze in een science-fiction film tot warp-snelheid overgaan. Ik deed het enige wat mij op dat moment het beste leek en dat was mijn dochter naar mijn buren te gooien. Het duizelde me toen ik dat deed, omdat mijn angst voor hoogtes mij het idee gaf dat ze in een spiraalworp naar beneden zeilde, maar gelukkig kwam ze goed terecht. Mijn buren keken nog even naar mij op naar boven en liepen, zonder zich nog verder om mij te bekommeren op de balustrade onder mij vandaan.
Badend in het zweet en met een keel zo droog als de Mahawi Dessert, werd ik naast mijn vrouw in bed wakker. Ik kwam meteen overeind en schoot in zittende positie naar mijn kussen. Uiteraard schrok mijn vrouw hier ook van wakker en streelde mij even half slaperig ter geruststelling. Ze wist dat ik ziek was en zo ook hoe raar ik daar soms nachtelijk op kon reageren. Bovendien was ze wel meer gekke dingen van mij gewend, zodat ze eigenlijk nergens meer van op keek met mij. Verwilderd tuurde ik voor mij uit en deed ik wat ik kon om mezelf weer tot rust te krijgen. Met één hand onder mijn deken vond ik de zachte vacht van één van onze katten die er de gewoonte van maakt om in de holte van mijn knieën te slapen en ik vond daarin wel een stukje rust. Om mezelf toch te kunnen overtuigen dat het alweer iets beter met me moest gaan, tastte ik met mijn geest mijn eigen lichaamsfuncties en mijn conditie af. In tegenstelling tot wat ik hoopte dat ik kon verwachten, was de zeurende pijn onder in mijn heup nog niet verdwenen en ging ook het ademen mij nog slecht af. Ik was suf en beroerd en zelfs een deel hoofdpijn drong zich weer even aan mij op. Verward en vervoerd met een gevoel van ongelukigzaligheid rolde ik mij weer om naar mij zij en probeerde ik in foetushouding de slaap weer te vatten. Alleen lukte mij dat nu natuurlijk niet meer. Bij het sluiten van mijn oogleden zag ik steeds opnieuw hoe ik Joaquima uit handen moest geven en hoe ikzelf omkwam in de brandende maisionette woning. Driftig poogde ik die beelden uit te wissen, maar wat ik ook deed, ik kon mij niet losrukken uit die nare belevenissen van mijn angstdroom. Ik deed daarom het enige wat ik dacht dat mij nu troost kon bieden en dat was door mij naar mijn vrouw om te draaien in de beweging om even naar beneden te kunnen gaan om te controleren hoe het nu eigenlijk wel met onze kleine baby was. Maar om dat te bereiken moest ik over haar heen kruipen om zodoende bij ons op zolder onder de dakkapel uit te komen waarin ik rechtop kon staan. Alleen voor ik die mogelijkheid bereikt had, schrikte ik terug en viel ik achterwaarts op het bed toen ik werd tegengehouden door een reusachtig monster. Terwijl mijn vrouw murmelend reageerde wat ik nou toch weer aan het doen was, moest ik de waanvoorstelling nog overwinnen van een spin van zeker anderhalve meter in doorsnede die tussen mij en het trappengat de weg naar beneden blokkeerde. De laatste keer dat ik er één van die omvang had gezien was toen ik Stephen King’s The Mist had gezien. Nee, ik was beslist nog niet genezen… en wakker? Ik zou het bij God niet weten.

Verstuurd vanaf mijn i-Navelpad

image by masochismtango, edited by Gsorsnoi

Harde bewijzen zijn er niet voor. Wetenschappelijk bewezen is het evenmin. Toch durf ik te stellen dat fietsers vaker dromen over vliegen.

Dat elementen in dromen over het algemeen een sterke symbolische verwijzing hebben naar zaken die ons in de echte wereld bezighouden is voor velen een geaccepteerd gegeven. Zij die bijvoorbeeld vrij in hun dromen kunnen vliegen zullen hun levensdoelen over het algemeen zonder veel inspanningen kunnen bereiken. Het vliegen op een paard duidt op een avontuurlijk leven, maar impliceert daarmee niet meteen dat paarden kunnen vliegen. Paardenvliegen …  doen dat overigens wel! En wie het gevoel heeft gehad in slaaptoestand erg aandachtig te zijn geweest met het hebben van ‘vleugels’ mag eerdaags goed nieuws verwachten van hogerhand. Maar dat het nuttigen van een bekende energiedrank hiertoe bijdraagt is weer niet juist. Natuurlijk wordt de suggestie wel gewekt dat je door het drinken ervan vleugels zal krijgen, maar het oppeppende effect in diezelfde drank verhindert juist dat je in slaap valt.

Net zoals meerdere wegen nog steeds naar Rome leiden, vallen er vele methodes toe te passen die tot gewenste prestaties leiden. Fietsen is één van de mogelijkheden die ik hierbij nog eens onder de aandacht wil brengen. Onze hersenen zijn in onze slaap voortdurend bezig te repeteren wat er in de voorafgaande dag aan ons geheugen is aangeboden. Dat wat niet relevant is, wordt vergeten en denken we niet meer aan, maar wat wel belangrijk is slaan we op en zorgt voor de ongestructureerde herbeleving die we ‘dromen’ noemen. Zo ben ik zelf tot de ontdekking gekomen dat het verstandig is om meer te gaan fietsen. Zoek een goed moment uit waarop dat kan en kies bij voorkeur een dag uit waarop het niet zo koud is. Dagen met een beperkte neerslagkans zijn ook goede kandidaten. Stap op de fiets en trek de wijde wereld in. Fiets met je mond geopend en de kansen dat je die nacht over vliegen zult dromen vliegen letterlijk binnen.

Succes verzekerd!

By gsorsnoi | December 28, 2010 - 6:37 am - Posted in Droomverhalen, Nederlands, Scherpe Blik

image by db_in_uk, edited by Gsorsnoi

Hoe word je wakker uit een slaaptoestand waaruit alleen je geest is ontwaakt?

Het moet geklonken hebben als het gemompel dat je soms terug krijgt van je kinderen wanneer je die maar moeilijk kunt wekken. Ik hoorde een vraag gesteld worden terwijl ik half lag te slapen en trachtte te antwoorden. Het antwoord bestond uit niet veel meer dan een knorrende samenstelling van de letters ‘e’ en ‘r’. Mijn vrouw zal er weinig uit hebben begrepen en was vast tot de conclusie gekomen dat ik mijn kerstvakantie nog aan het genieten was in Dromenland. Althans, als zij het al was die mij die vraag had gesteld. ‘Genieten’ was hier echter geen hele passende term. Al was ik me daar niet direct van bewust. Aanvankelijk gaf ik er lui aan toe dat de informatie waar ik van buitenaf mee werd gevoed wel tot het krieken van de ochtend kon wachten en was bereid mij weer over te geven aan de weelde die Dromenland mij eerder had geboden. Dat was tot ik er achter kwam dat de stadspoorten van dit Luilekkerland al even te vroeg achter mijn rug waren dicht geworpen.

Nu zat ik opgesloten in een aan een geesteswereld gelijkende dimensie die veel weg had van een slaaptoestand, maar waarvan ik wist dat ik er niet compleet in terug was weg gezakt. Het was alsof ik plotseling in staat was gesteld rond te kijken in mijn eigen lichaam waarvan ik wist dat die zeker nog niet wakker was. Contact met de werkelijkheid had ik duidelijk ook, daar ik mijn vrouw nog iets onverstaanbaars dacht te horen brabbelen waarop zij blijkbaar besloot maar weer te gaan slapen. Mijn lichaam sliep dus ook, maar mijn bewuste gedachten waren nu voor het grootste gedeelte wakker geschopt. Dus was ik nu wel echt wakker of niet? Daar was het moment waarop ik ontdekte dat ik een zwakke connectie zag tussen mijn ontwaakte innerlijke ik en de zintuigen van mijn slappe lijf.
“Hè, wat is dit? Ik krijg geen lucht!” realiseerde ik mij nu en was al naarstig op zoek vat te krijgen op de situatie waarin in was beland. Het zintuig dat mij hiervan had overtuigd kan ik niet benoemen als één die uitwendig zichtbaar was zoals je huid, ogen, neus of oren, maar mijn ademhaling stokte. Het moest de samenwerking zijn geweest van een paar van die eerder genoemde zintuigen en het gezonde verstand van mijn brein die tot die angstige conclusie was gekomen. Deze ervaring is even eng als dodelijk. Ik was duidelijk bezig te stikken in iets.

Van jongs af aan ben ik er al meer dan eens tegen aan gelopen: er lag een kussen op mijn hoofd; ik had mij vast gewoeld in een lap stof van mijn deken; ik was op mijn buik en gezicht komen te liggen; of er was een ander voorwerp dat mijn luchtweg van zuurstof blokkeerde. Ook in die gevallen praat je dan tegen jezelf of poog je dit te doen tegen te buitenwereld en hoop je dat iemand jou ruw uit je slaap ontwaakt.

Veel vat op het functioneren van mijn lijf had ik niet, maar al die verbindingen die ik zou kunnen leggen tussen mijn ledenmaten of misschien wel mijn stembanden moest en zou ik aanspreken. Het is alsof je letterlijk ligt te verdrinken in je slaap. Ik kan mij dus ook een vage voorstelling maken bij hoe iemand bezig is te sterven onder een kussen, in een coma of een grote hoeveelheid vloeistof. Alleen heb je dan, behoudens de coma, nog  enige controle om een mogelijke verstikking te voorkomen. Zolang er nog een voorraadje zuurstof beschikbaar is, hoe klein die ook mogen zijn, redden armen en benen het nog wel even om te proberen die kussen van het hoofd te rukken of wanhopige slagen te maken in het water om aan de verdrinkingsdood te ontsnappen. Die controle was in mijn geval grotendeels zoek.
“Eerrrrrr …” klonk het weer.
“Err…errr” alhoewel het voor mijn vrouw moest hebben geklonken alsof ik tegen demonen aan het vechten was in mijn slaap en vast weer één van mijn nachtmerries beleefde, ging er bij haar geen belletje rinkelen. Ook kreeg ik heel even, hoe vaag het ook voor mij mocht lijken, gevoel in mijn rechterhand die op haar middel lag.
“Oh gelukkig. Mijn hand bewoog!” en ik slaagde erin om twee of drie korte klopjes te geven op de heup van mijn vrouw.
“Schat … maak me vlug wakker! Ik stik!” maar mijn vrouw werd er niet van wakker.

Dan maar proberen te hyperventileren: een hele vluchtige manier van ademhalen waardoor je door een onregelmatige ademhaling meer koolstofdioxide uit je lijf perst dan gezond voor je is. Het bloed wordt daardoor minder zuur waardoor de pH-waarde stijgt. Niet te verwarren met het zeer giftige koolstofmonoxide dat een verbinding aan gaat met de hemoglobine-eiwitten en de zuurstof verdringt. Veel mensen sterven in zo’n koolstofmonoxidevergiftiging door slechte ventilatie of in combinatie met verbranding van de aanwezige zuurstof bij een verwarming die aan staat. Hyperventileren is natuurlijk ook niet goed voor je, maar op die manier zou mijn vrouw misschien realiseren dat ik naar lucht lag te snakken door mijn hijgende manier van ademen. Het ergste wat mij dan kon overkomen was dat ik duizelig zou worden of last zou krijgen van tintelende ledematen. Bij duikers is daarbij wel een groot gevaar aanwezig, omdat je dan de controle kwijtraakt op de toch al meer beperkte handelingen die je onder water kunt verrichten met de belangrijkste: ademhalen. Ik kon hooguit zwaarder gaan hijgen zodat iemand mij wel moest horen.

Je kunt je afvragen of ik echt ‘bewust’ bezig was mijzelf tot hyperventileren te dwingen, maar het werkte! Al was het beoogde effect van zwaarder hijgen niet gehaald, mijn hoofd kwam hierdoor wel los uit de beklemmende positie waarin ik mijn gezicht had geplaatst achter de rug van mijn partner en mijn ademhaling begon langzaam weer wat te stabiliseren. Nu dat gevaar was geweken zakte ik langzaam weer volledig terug en werden de poorten van Dromenland opnieuw voor mij geopend. Zowel mijn lichaam als mijn geest hadden de slaap weer geaccepteerd en lieten mij nog even genieten van een rustige droomwereld.

Ik was rechtop in mijn bed gaan zitten en werd door mijn vrouw aangestaard die er abrupt van uit haar slaap raakte. Een dergelijke ervaring had ze al vaker met mijn meegemaakt dus wist ze bijna instinctief wat er gebeurd moest zijn.
“Heb je weer onder je kussen liggen slapen?” vroeg zij mij ongerust, maar ik reageerde niet direct op haar vraag. Toch wist ze meteen dat een kussen niet de reden van de verstikking kon zijn geweest. Even later schudden ik van nee. In zowel haar als mijn borstkast kon je onze harten harder hebben horen kloppen. Bekomen van de schrik maakten wij ons even daarop klaar om een nieuwe dag te beginnen. Ik had reeds besloten het voorval alweer te vergeten en maakte samen met haar ons bed op. In mijn bed echter, zo zag ik toen ik het dekbed opsloeg, lag ik nog altijd vredig te slapen.

Later, nadat ik echt was ontwaakt, vernam ik van mijn vrouw dat ze het geklop op haar heup wel had gevoeld en mijn had horen knorren, maar een vraag had zij mij nooit gesteld.

By kornelisoflook | November 4, 2010 - 11:31 am - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Duimzuigerij, Galbakkerij, Nederlands

Badend in het zweet balanceer ik tussen een fantoomwereld en de werkelijkheid. Man wat heb ik het koud. Behalve mijn nek dan Die is loeiheet aan de linkerkant. En dat is ie al sinds zondagavond. Ondertussen moet ik pissen als een rund, maar dat kan ik niet. Mijn blaas is leeg en toch is daar het constante gevoel van druk. Zelfs al had ik gekund, dan nog zou ik het niet eens gedurfd hebben. De overloop baadt in een onwerkelijk schijnsel en verlicht een arm die uit het trapgat hangt. Dit trapgat is in werkelijkheid een gesloten luik dat een vlizotrap herbergt. Zou het open staan dan keek ik nu naar de achterzijde van het opengeklapte luik. Maar ik zie het en het is allemaal heel echt. Wat echter nog echter is … Is dat de deur van onze slaapkamer potdicht is.
Mijn buik lijkt vast in een mangel en maakt het geluid van pruttelende erwtensoep. Het is ergens tussen drie uur ’s nachts en het einde van de wereld. Door de wild dansende witte vitrage heb ik uitzicht op het stormachtige water wat buiten deint onder een geweldige wind. Het is een zee van kots en het bliksemt hevig boven de brokjes.
Naast mijn bed staat een emmer met mijn maaginhoud waar ik al een week naar staar.

Uit mijn rechteroor steekt een bovenmaatse stemvork waarvan het gevorkte deel zich achter mijn oorschelp door mijn kaak heeft geboord. Aan het uiteinde ervan staat Super Mario buiten mijn hoofd met een kleine hamer er flinke klappen op uit te delen. De trilling wordt zo overgebracht van het uiteinde naar het binnenste van mijn hoofd en laat mij zuur genieten van een verse scheut hoofdpijn.

Het is allemaal even echt als de kans dat de politieke beloftes zullen worden waargemaakt, maar ik zie het.

Ik ben geen naaktslaper, maar sluit ik mijn ogen dan zak ik naakt, graatmager en halfdood weg in een wereld tussen Dali en King. Op een koude boomstam tracht mijn lichaam balans te vinden die mij alleen maar meer misselijk maakt. Mijn wereld draait en zo doet het landschap waarin ik mij begeef. Aan een dode kale boom leunt de Scherpschutter met op zijn schouder een zwarte raaf. Nee, het is niet de man die naar mij lacht, maar de raaf die naar me grijnst.
Het landschap draait iets bij en toont mij een jaknikker die driftig bezig is de laatste fossiele brandstoffen op te halen. Van de lucht van de olie wordt ik zo mogelijk nog misselijker en voel mijn ingewanden samenknijpen. In mijn buik knijpen plots twee vogelpoten en trekken mijn darmen naar buiten.

Open ik mijn ogen dan tolt mijn wereld en is deze zo zwart als de ruwe olie. Het is mijn nacht.

Naast mij ligt mijn pluizige jonge kat. Ze geniet volop als ze haar kleine pootjes in mijn buikstreek plaatst en sensatie haalt uit de massage die ze erop uitoefent.
Ze heeft geen benul wat ze mij eigenlijk aandoet.

In mijn voortdurende gevecht om de regie in mijn fantasie doe ik een wanhopige poging mijn waanvoorstellingen uit te bannen. Waar mijn levendige fantasie mij overdag boven mezelf doet uitstijgen en mij dikwijls in mijn voordeel werkt, speelt het mij parten in de nacht en houdt mij uit mijn slaap. Ben ik ziek dan is een levendige fantasie een heuse foltering.

By gsorsnoi | November 24, 2009 - 1:58 pm - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Duimzuigerij, Nederlands, Onbedoelde mening

Niet alle verhalen die ik schrijf steken de draak met de Nederlandse taal of proberen de zin in onzin naar boven te halen. Gedichten en serieuze verhalen schrijf doe ik ook.

Het bewijs hiervoor is wel te vinden in het verhaal wat ik heb geschreven naar aanleiding van een rare droom die ik laatst had.
Heb je dat wel eens? Van die rare en vooral erg levendige dromen waaruit je wakker wordt met het gevoel alsof het allemaal echt is gebeurd. Ik heb daar regelmatig last van. Dan ben ik zo lekker aan het dromen dat mijn fantasie mij een hele nieuwe perceptie van de werkelijk voorzet.

Afgelopen nacht had ik waarschijnlijk in mijn slaap mijn kop gestoten, maar ik sliep vast genoeg om er niet wakker van te worden. In mijn droom bloedde mijn kop als een rund en liep ik duizelig door het huis alsof het allemaal heel echt was. Terwijl ik bij het ontwaken deze morgen niet meer had dan een klein bultje op mijn achterhoofd.
Niet erg spannend allemaal. Dit droomt iedereen toch wel eens?

Helemaal op mijn achterhoofd gevallen ben ik niet. Ik snap ook wel dat hier het verband lag tussen wat ik droomde en het feit dat ik mijn kop stootte in bed.
Maar wat ik laatst droomde was wel erg raar! Het leek wel alsof ik de droom van iemand anders droomde. Niets van de elementen in die droom lijken namelijk op wat ik in mijn eigen omgeving meemaak. ’s Ochtends wakker geworden uit die droom ben ik het verhaal gaan opschrijven zoals ik het in mijn droom gezien had. Om een tipje van de sluier op te lichten: ik ken niemand in mijn omgeving met het Downsyndroom.

Het verhaal ‘Muinemannetjes’ is te lang om op deze weblog te plaatsen. Daarom heb ik deze onder mijn pseudoniem Achmed Liën aangeboden aan www.korteverhalen.nl . Zij hebben mijn verhaal gepubliceerd op hun website.
Het is een verhaal dat een erg zwaar onderwerp aanhaalt: een man met het Downsyndroom die zijn grote broer zijn wens wil duidelijk maken. Hij wil uit het leven stappen.
Ik weet nog altijd niet waarom ik het geschreven heb. Ik heb het hele verhaal in één nacht in een droom beleefd waarin ik zelf de ik-persoon in het verhaal moest voorstellen.

Ik ben erg benieuwd wat mensen er van vinden.

‘Muinemannetjes’ vind je op Korteverhalen door links in het menu via Zoeken op auteur ‘Achmed’ te zoeken.

By achmedlien | August 30, 2009 - 7:35 pm - Posted in Astronomisch gedachtegoed, Droomverhalen, Duimzuigerij, Nederlands

Vrijdagmorgen kwam ik op mijn werk met twee rollen vuilniszakken in mijn handen. Ik staarde naar mijn handen waarin in de twee rollen vast hield terwijl ik door de deur de grote zaal kwam oplopen waar mijn collega´s en ik onze werkplekken hebben. Daar pakte ik een trappetje en plaatste één van de vuilniszakkenrollen boven op de richel van de deur. Een dergelijke richel is er alleen eigenlijk niet.
Op mijn werkplek trof ik mijn collega Richard aan die een programma van mijn pc aan het onderzoeken was waarmee websites gemaakt kunnen worden. Hij verklaarde mij dat hij de Tycoon Newspaper op zijn pc wilde installeren, verontschuldigde zich en ging weer op zijn eigen stoel zitten.

Eenmaal plaatsgenomen liep collega Bob om het blok heen naar mij toe. Enthousiast begon hij mij te vertellen hoe hij gisteren samen met Retroman een hacker had weten te verslaan in een online racespel die wij gewoonlijk samen graag spelen. Tot mijn spijt kon ik daar gisterenavond niet aan mee doen. Mijn armen deden zo’n pijn na het ontvangen van een reisvaccinatie.
Op het moment dat Bob mij hierover informeerde staarde ik achter hem naar wat er op de achtergrond buiten afspeelde. ´Buiten´ was volledig gevuld met water met daarin een grote verzameling enorme vleesetende vissen. Het was alsof ons bedrijf gebouwd was op de bodem van de oceaan. De relatie was voor mij al gauw gelegd. Momenteel lees ik een boek van mijn favoriete schrijver Clive Cussler waarin een of andere Inuit wereldwijde monopoly op visverkoop wil opeisen door gemuteerde vleesetende zalm in de oceanen los te laten. Deze zogenaamde Frankensteinvis zal al het zeeleven verorberen en diens plaats in de oceaan innemen.
Het glas naast collega Johan begon het te begeven. Blijkbaar onbewust van het naderende onheil schrok hij pas op wanneer er langzaam enkele liters water in een boog over zijn toetsenbord begon neer te klotsen zodra het gat in het raam groter werd. Ik zag de ramp geboren worden en schreeuwde hem een waarschuwing toe.

Ik ontwaakte aan de rechterkant van mijn bed met nog altijd die zelfde verscheurende pijn in mijn bovenarm en schouder waarmee mijn nacht begon. Badend in het koude zweet kwam ik tot het besef dat dit alles een nachtmerrie moest zijn geweest. Als gevolg van een heftige reactie op mijn reisvaccinatie was mijn fantasie flink aan de loop gegaan (nog meer?).
Even dacht ik een silhouet in de spiegel op onze kleding te zien verschijnen. Al gauw kwam ik tot de conclusie dat ik mij dit moest hebben ingebeeld. Maar wat was dit nu? Ik voelde een vreemde tinteling boven in mijn rug. In de vorm van vier op een lopende noten waarvan de laatste twee zich tweemaal afwisselden klonk plots dit naargeestige deuntje. Een hand groeide uit mijn rug en streelde mijn nek. Een flikkerend licht scheen over het plafond. Ik wist niet waar ik kijken moest dus ik keek naar het raam en las daar in met bloedgetekende letters het woord ‘REDRUM’.

Ditmaal schoot ik wel echt wakker en baadde opnieuw in het koortsige zweet. Ik was nog altijd ziek van de vaccinatie en had het idee dat ik me nog altijd in een droom moest bevinden. Alles ervoor voelde ook al zo echt. Hield de nachtmerrie dan nooit op?
Mijn vrouw streelde mijn nek om mij te kalmeren. Even schrok ik ervan, maar realiseerde me al snel dat ik dit keer wel echt wakker was. Nog altijd moe en suf van het gif in mijn lichaam accepteerde ik dat ik moest uitzieken. Echter, op het moment dat ik weer wilde indutten hoorde ik beneden ons in de woonkamer een onheilspellend geluid van tropische vogels…